← België

K. contra AG INSURANCE nv

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 december 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221223.1N.6 Rolnummer: C.22.0145.N Zaak: K. contra AG INSURANCE nv Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Handelsrecht Invoerdatum: 2023-01-30 Raadplegingen: 769 - laatst gezien 2026-06-18 18:14 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Fiches 1 - 2 Artikel 29ter WAM, zoals ingevoerd bij de vermelde wet van 31 mei 2017, voorziet in een aangepaste vergoedingsregel en is bijgevolg geen interpretatieve wetsbepaling

(1).
(1)Cass. 26 april 2018, AR C.17.0578.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180426.12, AC 2018, nr. 273; Cass. 7 april 2016, AR F.14.0097.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160407.5, AC 2016, nr. 245; Cass. 16 februari 2015, AR C.13.0524.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150216.1, AC 2015, nr.
  1. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - UITLEGGING Vrije woorden: Interpretatieve wet - Begrip Wettelijke bepalingen: Wet 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen - 21-11-1989 - Art. 29ter - 30 ELI link Pub nr 1989011371 Thesaurus CAS: VERZEKERING - W.A.M.-VERZEKERING Vrije woorden: Artikel 19bis-11, § 2, WAM 1989 - Vergoedingsregeling - Interpretatie Wettelijke bepalingen: Wet 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen - 21-11-1989 - Art. 29ter - 30 ELI link Pub nr 1989011371 Fiches 3 - 4 De mogelijke aansprakelijkheid van een bestuurder van een bij het ongeval betrokken voertuig sluit niet uit dat zijn rechtsopvolger, die het geding na zijn overlijden namens hem heeft hervat, vergoeding van diens schade vordert van de WAM-verzekeraars. Thesaurus CAS: VERZEKERING - W.A.M.-VERZEKERING Vrije woorden: Artikel 19bis-11, § 2, WAM 1989 - Vergoedingsregeling - Begrip - Gevolg Artikel 19bis-11, § 2, WAM 1989 - Vergoedingsregeling - Rechtsopvolger bestuurder - Bewijslast Tekst van de beslissing Nr. C.22.0145.N S. K., eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen
  2. AG INSURANCE nv, met zetel te 1000 Brussel, E. Jacqmainlaan 53, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0404.494.849,
  3. KBC VERZEKERINGEN nv, met zetel te 3000 Leuven, Professor Roger Van Overstraetenplein 2, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0403.552.563, verweersters. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, van 4 november
  4. Sectievoorzitter Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
  5. Artikel 19bis-11, § 2, WAM, voor de opheffing ervan bij artikel 15 van de wet van 31 mei 2017 tot wijziging van de wet van 21 november 1989 betreffende de aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, bepaalt: “In afwijking van 7°) van de voorgaande paragraaf, indien verscheidene voertuigen bij het ongeval zijn betrokken en indien het niet mogelijk is vast te stellen welk voertuig het ongeval heeft veroorzaakt, wordt de schadevergoeding van de benadeelde persoon in gelijke delen verdeeld onder de verzekeraars die de burgerlijke aansprakelijkheid van de bestuurders van deze voertuigen dekken, met uitzondering van degene wier aansprakelijkheid ongetwijfeld niet in het geding komt”.
  6. Artikel 29ter WAM, zoals ingevoerd bij artikel 23 van de vermelde wet van 31 mei 2017, bepaalt: “§
  7. Wanneer twee of meer voertuigen, betrokken zijn bij een verkeersongeval in België, en indien het niet mogelijk is vast te stellen welk voertuig het ongeval heeft veroorzaakt, wordt alle schade geleden door de onschuldige slachtoffers en hun rechthebbenden, zijnde de personen op wie met zekerheid geen aansprakelijkheid rust, ten laste genomen overeenkomstig de bepalingen van dit artikel. Voor de toepassing van dit artikel dient onder voertuig te worden verstaan, alle motorrijtuigen, zoals gedefinieerd in artikel 1, alsmede de gemotoriseerde voertuigen die aan spoorstaven gebonden zijn. Schade waarvoor een vergoeding kan uitgekeerd worden in uitvoering van artikel 29bis is uitgesloten van de toepassing van dit artikel. De schade geleden door de voertuigen die klaarblijkelijk het ongeval niet hebben veroorzaakt, komt in aanmerking voor vergoeding in toepassing van dit artikel. De schade aan de andere betrokken voertuigen is uitgesloten van de toepassing van dit artikel. Voor motorrijtuigen, bedoeld in artikel 1, is dit artikel van toepassing wanneer het ongeval zich voordoet op plaatsen bedoeld in artikel 2, §
  8. §
  9. Voor motorrijtuigen, bedoeld in artikel 1, rust de vergoedingsplicht op de verzekeraars die de burgerrechtelijke aansprakelijkheid ervan dekken. Het Fonds vergoedt de onschuldige slachtoffers en hun rechthebbenden in de gevallen bedoeld in artikel 19bis-11, § 1, 1°), 2°), 4°), 7°) en 8°). Voor motorrijtuigen die in uitvoering van artikel 10 vrijgesteld zijn van de verzekeringsplicht, rust de vergoedingsverplichting op degene aan wie ze toebehoren of op wiens naam ze ingeschreven zijn. Voor motorrijtuigen die aan spoorstaven gebonden zijn, rust de verplichting tot vergoeding op de eigenaar van deze motorrijtuigen. Diegenen die waarborg geven aan de voertuigen die het ongeval met zekerheid niet hebben veroorzaakt, zijn niet tot vergoeding gehouden. §
  10. De personen vermeld in paragraaf 2 en op wie de verplichting tot vergoeding rust, zijn hoofdelijk gehouden ten aanzien van de onschuldige slachtoffers en hun rechthebbenden. Het aandeel in de schadelast wordt onder deze vergoedingsplichtigen in gelijke delen verdeeld.”
  11. Een interpretatieve wet is een wet die betreffende een punt waar de rechtsregel onzeker of betwist is, een oplossing geeft die door de rechtspraak had kunnen aangenomen worden.
  12. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 31 mei 2017 blijkt dat de wetgever met de invoering van artikel 29ter WAM niet alleen de regeling vervat in artikel 19bis-11, § 2, WAM heeft willen verduidelijken, maar de regeling ook nauwkeuriger heeft willen afstemmen op de oorspronkelijke bedoeling om enkel onschuldige slachtoffers van verkeersongevallen te vergoeden, de vergoedingsregeling heeft uitgebreid tot ongevallen waarbij gemotoriseerde voertuigen die aan spoorstaven gebonden zijn, betrokken zijn, de vergoedingsplicht heeft uitgebreid tot het Gemeenschappelijk Waarborgfonds in de aangeduide gevallen en heeft voorzien in hoofdelijkheid tussen de verzekeraars van de in het ongeval betrokken voertuigen. Hieruit volgt dat artikel 29ter WAM, zoals ingevoerd bij de vermelde wet van 31 mei 2017, voorziet in een aangepaste vergoedingsregel en bijgevolg geen interpretatieve wetsbepaling is.
  13. Voor de toepassing van artikel 19bis-11, § 2, WAM, zoals hier van toepassing, zijn enkel de WAM-verzekeraars van de voertuigen waarvan de bestuurders geen aansprakelijkheid dragen, niet tot vergoeding gehouden. De benadeelde persoon in de zin van artikel 19bis-11, § 2, WAM is niet beperkt tot het onschuldige slachtoffer en zijn rechthebbenden. De mogelijke aansprakelijkheid van een bestuurder van een bij het ongeval betrokken voertuig sluit niet uit dat zijn rechtsopvolger, die het geding na zijn overlijden namens hem heeft hervat, vergoeding van diens schade vordert van de WAM-verzekeraars.
  14. De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - het geding betrekking heeft op een verkeersongeval dat plaatsvond op 23 mei 2014, zodat voor de beslechting van het geschil artikel 19bis-11, § 2, WAM van toepassing is en niet het nieuwe artikel 29ter WAM; - het in elk geval vaststaat dat artikel 19bis-11, § 2, WAM van toepassing is op onderhavig geschil omdat er sprake is van een verkeersongeval waarbij verschillende, met name twee, voertuigen betrokken zijn, terwijl het niet mogelijk is uit te maken welk voertuig het ongeval heeft veroorzaakt; - om vergoeding te kunnen vorderen op grond van artikel 19bis-11, § 2, WAM het in hoofde van de eiseres evenwel niet volstaat om aan te tonen dat de aansprakelijkheid voor het ongeval niet kan worden bepaald, maar zij tevens dient aan te tonen dat zij als benadeelde persoon in de zin van artikel 19bis-11, § 2, WAM kan worden aangezien; - hoewel de wet van 31 mei 2017 niet als een interpretatieve wet kan worden aangezien en dus niet van toepassing is op onderhavig geschil, niets verhindert dat de rechtbank de bewoordingen van deze wettelijke bepaling toepast als één van de mogelijke interpretaties van de geïnterpreteerde oudere wettelijke bepaling; - om beroep te kunnen doen op de regeling van artikel 19bis-11, § 2, WAM het bijgevolg niet volstaat om aan te tonen dat geen aansprakelijke voor het ongeval kan worden aangeduid; - vereist is dat de eiseres ook aantoont dat het voertuig waarvan haar rechtsvoorganger eigenaar was, zeker niet aansprakelijk is voor het ongeval; - de eiseres dit bewijs niet levert.
  15. De appelrechter die op deze gronden de vordering van de eiseres op grond van artikel 19bis-11, § 2, WAM als ongegrond afwijst, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, eenparig beslissend, Vernietigt het bestreden vonnis. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, rechtszitting houdend in hoger beroep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de sectievoorzitters Koen Mestdagh en Geert Jocqué, en in openbare rechtszitting van 23 december 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221223.1N.6 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150216.1 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160407.5 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180426.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.