id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 13 januari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220113.1N.9 Rolnummer: C.19.0153.N-C.19.0174.N Zaak: ARTILIUM nv contra V. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Overige - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2022-04-21 Raadplegingen: 1371 - laatst gezien 2026-06-19 05:49 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220113.1N.9 Fiche 1 De motiveringsplicht van de arbiter houdt, zoals artikel 149 Grondwet, een vormvereiste in, op grond waarvan de arbiter moet antwoorden op elk afzonderlijk middel van de conclusies
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 149 Vrije woorden: Motiveringsplicht - Draagwijdte - Taak van de arbiter Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 1701, 6°, en 1704, 2°,
- i)- 01 ELI link Pub nr 1967101052 Nota: Artt. 1701, 6°, en 1704, 2°,
- i)Gerechtelijk Wetboek, zoals van toepassing voor de wet van 24 juni 2013 tot wijziging van het zesde deel van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de arbitrage. Fiche 2 Het antwoord van de arbiter op elk afzonderlijk middel van de conclusies mag impliciet zijn, voor zover het duidelijk en zeker strekt tot repliek op het middel
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ARBITRAGE Vrije woorden: Motiveringsplicht - Vormvereiste - Taak van de arbiter Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 1701, 6°, en 1704, 2°,
- i)- 01 ELI link Pub nr 1967101052 Nota: Artt. 1701, 6°, en 1704, 2°,
- i)Gerechtelijk Wetboek, zoals van toepassing voor de wet van 24 juni 2013 tot wijziging van het zesde deel van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de arbitrage Fiches 3 - 4 Degene die schadevergoeding vordert moet bewijzen dat er tussen de fout en de schade, zoals die zich heeft voorgedaan, een oorzakelijk verband bestaat; het oorzakelijk verband kan slechts worden uitgesloten als de rechter oordeelt dat de schade, zoals ze zich in concreto voordeed, op dezelfde wijze zou zijn ontstaan zonder de fout
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ARBITRAGE Vrije woorden: Gevorderde schadevergoeding - Voorwaarde - Oorzakelijk verband tussen fout en schade - Taak van de rechter Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1382 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - SCHADE - Algemeen Vrije woorden: Gevorderde schadevergoeding - Voorwaarde - Oorzakelijk verband tussen fout en schade - Taak van de rechter Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1382 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiche 5 De schadevergoeding wegens contractuele wanprestatie ingeval van ontbinding op grond van artikel 1184, tweede lid, Oud Burgerlijk Wetboek, heeft tot doel de schuldeiser te plaatsen in de toestand waarin hij zich zou hebben bevonden indien de schuldenaar zijn verbintenis zou zijn nagekomen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - VERBINDENDE KRACHT (NIET-UITVOERING) Vrije woorden: Ontbinding krachtens artikel 1184, tweede lid, Oud Burgerlijk Wetboek - Schadevergoeding wegens contractuele wanprestatie - Doel Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 1149 en 1184, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiche 6 Indien het verlies van een kans op het verwerven van een voordeel of het vermijden van een nadeel te wijten is aan een fout, komt het verlies voor vergoeding in aanmerking indien tussen de fout en het verlies van deze kans een conditio sine qua non verband bestaat en het om een reële kans gaat
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - DAAD - Fout Vrije woorden: Verlies van een kans - Voorwaarden voor vergoeding Annotaties Publicaties: RDC-Revue de droit commercial belge - 2022, n° 7, p. 947-
- - VANDERSTAPPEN, Nicolas; Note'La responsabilité des arbitres pour une sentence annulée et la perte de chance de ne pas obtenir une décision de justice plus favorable' RW-Rechtskundig weekblad - 2022-23, nr. 35, p. 1387-
- - LIEVENS, Sven; Noot'Het oorzakelijk verband tussen fout en schade (wegens verlies van een kans)' Tekst van de conclusie C.19.0153.N-C.19.0174.N Conclusie van advocaat-generaal Els Herregodts: AR C.19.0153.N (…) Voeging van deze zaak met de zaak C.19.0174.N
- Verweerder heeft bij verzoekschrift neergelegd op 23 april 2019, betekend aan eiseres op 19 april 2019, cassatieberoep ingesteld tegen de arresten van 28 november 2017 en 11 september 2018 van het hof van beroep van Brussel. Deze zaak draagt het rolnummer C.19.0174.N. Aangezien de cassatieberoepen in de zaken C.19.0153.N en C.19.0174.N gericht zijn tegen dezelfde arresten, komt het mij voor dat zij door het Hof zouden dienen te worden gevoegd. Eerste middel Met dit middel komt eiseres op tegen de beslissing van de appelrechters dat niet vaststaat dat verweerder als arbiter is tekortgekomen aan zijn motiveringsplicht. Eerste onderdeel
- Eiseres voelt zich gegriefd door de beslissing van de appelrechters dat verweerder als arbiter heeft geantwoord op het middel van eiseres, aangevoerd in de arbitrageprocedure, dat QiComm te kwader trouw was bij de ontbinding van de overeenkomst met toepassing van het uitdrukkelijk ontbindend beding, door te oordelen dat uitsluitend eiseres verantwoordelijk is voor de niet-naleving van haar leveringsplicht, niettegenstaande QiComm “verantwoordelijk (was) voor sommige opgelopen vertragingen tijdens het project”, en dit oordeel van de arbiter onverenigbaar is met de door eiseres aangevoerde kwade trouw van QiComm. Volgens eiseres sluit het feit dat zij uitsluitend verantwoordelijk is voor de niet-naleving van haar leveringsplicht immers niet uit dat QiComm te kwader trouw handelde toen zij beroep deed op het uitdrukkelijk ontbindend beding. Eiseres voert een schending aan door de appelrechters van artikel 149 Grondwet (motiveringsplicht) en van de artikelen (oud) 1701, 6°, thans artikel 1713, §4, en (oud) 1704, 2°, i), thans artikel 1717, §3, iv), Gerechtelijk Wetboek.
- De artikelen 1701, 6°, en 1704, 2°, i) Gerechtelijk Wetboek, zoals hier van toepassing, vereisen, in dezelfde bewoordingen als artikel 149 Grondwet, dat de arbitrale beslissing “met redenen omkleed is”
(1). De arbitrale uitspraak kan worden vernietigd indien zij niet met redenen is omkleed (artikel 1704, 2°, i), thans artikel 1717, §3, iv) Gerechtelijk Wetboek). De motiveringsplicht is dezelfde voor de rechter als voor de arbiter, nu deze plicht voortvloeit uit het gerechtelijk karakter van hun beslissing
(2). Het Hof oordeelde in arresten van 7 november 2013
(3)en 28 november 2014
(4)dat “zoals onder gelding van artikel 149 Grondwet deze motiveringsplicht (krachtens artikel 1704, 2°, i) Gerechtelijk Wetboek) een vormvereiste inhoudt die een controle door de rechter van de inhoudelijke waarde van de motivering van de arbitrale uitspraak uitsluit”. De motiveringsplicht houdt in dat de arbiter, net zoals de rechter, een duidelijk, volledig en adequaat antwoord moet geven op elk afzonderlijk middel. Hij is echter niet gehouden om te antwoorden op elk argument dat tot staving van een middel is aangevoerd, maar geen afzonderlijk middel vormt
(5). De motivering mag impliciet zijn, voor zover duidelijk is dat zij strekt tot repliek op één of ander middel
(6). 11. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat eiseres in haar eindconclusie voor de arbiter aanvoerde dat de opdrachtgever (QiComm) de aannemingsovereenkomst onrechtmatig heeft beëindigd op grond van het uitdrukkelijk ontbindend beding wegens schending door eiseres van haar contractuele verplichting om als aannemer een functionerend platform te leveren, nu deze niet-nakoming niet aan eiseres te wijten was maar aan een gebrek aan medewerking, te kwader trouw, van de opdrachtgever tijdens de uitvoering van de overeenkomst. Tevens blijkt uit deze stukken dat verweerder in de arbitrale uitspraak oordeelde dat de opdrachtgever de aannemingsovereenkomst rechtmatig beëindigde op grond van het uitdrukkelijk ontbindend beding, nu eiseres er niet in was geslaagd om haar contractuele leveringsplicht na te komen en de vertragingen die waren opgelopen door het gedrag van de opdrachtgever niet van die aard waren om de verantwoordelijkheid van eiseres voor deze niet-naleving te verminderen. De appelrechters oordelen in het bestreden arrest van 28 november 2017 dat “(verweerder) inderdaad niet uitdrukkelijk (heeft) gesteld dat QICOMM niet te kwader trouw was. Hij oordeelt echter ondubbelzinnig en uitdrukkelijk dat (eiseres) tekort is geschoten in haar leveringsplicht en dat dit alleen aan haar toerekenbaar is, en dat de verantwoordelijkheid van QICOMM daarop geen invloed heeft. Met die beoordeling is de door (eiseres) aangevoerde kwade trouw van QICOMM uiteraard niet verenigbaar. Door te oordelen dat QICOMM ook voor vertraging heeft gezorgd maar dat dit niets afdoet aan de verantwoordelijkheid van (eiseres), heeft hij impliciet maar zeker geantwoord op wat (eiseres) had aangevoerd over het gedrag van QICOMM bij de uitvoering van de overeenkomst”
(7). Ik meen dat door op die grond te oordelen dat verweerder zijn motiveringsplicht niet heeft miskend, de appelrechters, anders dan eiseres met haar grief aanvoert, hun beslissing naar recht verantwoorden en het onderdeel dan ook niet kan worden aangenomen. Tweede middel Met het tweede middel komt eiseres op tegen de beslissing van de appelrechters om de vordering tot schadevergoeding van eiseres
(8)ongegrond te verklaren. (…) Tweede onderdeel
- Eiseres voert aan dat het gegeven dat de appelrechters het motiveringsgebrek in hoofde van verweerder niet aannemen, niet betekent dat zonder de fout van verweerder, eiseres dezelfde schade zou hebben geleden die bestaat uit de kosten van de vernietigingsprocedure. Nog steeds volgens eiseres zou zij, zonder de fout van verweerder, immers niet de advocatenkosten hebben gehad voor het aanvoeren en motiveren van de vernietigingsgrond gesteund op inbreuken door verweerder op het recht op tegenspraak. Volgens eiseres hebben de appelrechters, door de volledige schade van eiseres die bestaat uit de kosten van de vernietigingsprocedure, te verwerpen, artikel 1151 (oud) Burgerlijk Wetboek en, voor zoveel als nodig, de artikelen 1382 en 1383 (oud) Burgerlijk Wetboek geschonden.
- Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat het oorzakelijk verband tussen de fout en de schade, zoals ze zich heeft voorgedaan, slechts kan worden uitgesloten als de rechter oordeelt dat de schade, zoals ze zich in concreto voordeed, op dezelfde wijze zou zijn ontstaan zonder de fout
(9). Met de overwegingen en het oordeel van de appelrechters zoals vermeld in randnummer 15 §2 van deze conclusie, sluiten de appelrechters mijns inziens het oorzakelijk verband tussen de fout van verweerder en de schade uit, zonder vast te stellen dat de schade, zoals ze zich in concreto voordeed, op dezelfde wijze zou zijn ontstaan zonder de fout, met name zonder te onderzoeken of de kosten van de vernietigingsprocedure dezelfde zouden zijn geweest zonder de fout. Ik meen dat de appelrechters daarmee hun beslissing niet naar recht verantwoorden en het onderdeel zodoende gegrond is. Derde onderdeel
- Volgens eiseres hebben de appelrechters, door de door eiseres in hoofdorde aangevoerde schade (eigen advocatenkosten en eigen kosten voor management en personeel in het kader van de arbitrageprocedure), zijnde schade die niet door de ontbinding van de arbitrageovereenkomst met verweerder wordt gedekt, te beoordelen als schade ingevolge het verlies van een kans, de artikelen 1184, tweede lid, 1142, 1145, 1147, 1150 en 1151 (oud) Burgerlijk Wetboek, en voor zoveel als nodig de artikelen 1382 en 1383 (oud) Burgerlijk Wetboek, geschonden.
- Artikel 1149 (oud) Burgerlijk Wetboek, zoals hier van toepassing, bepaalt dat de aan de schuldeiser verschuldigde schadevergoeding, in het algemeen, bestaat in het verlies dat hij heeft geleden en in de winst die hij heeft moeten derven, dit onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 1150 en 1151 (oud) Burgerlijk Wetboek. Krachtens artikel 1184, tweede lid, (oud) Burgerlijk Wetboek, zoals hier van toepassing, heeft in wederkerige contracten de partij jegens wie de verbintenis niet is uitgevoerd, de keus om ofwel de andere partij te noodzaken de overeenkomst uit te voeren, wanneer de uitvoering mogelijk is, ofwel de ontbinding van de overeenkomst te vorderen, met schadevergoeding. Volgens de rechtspraak van het Hof heeft de schadevergoeding wegens contractuele wanprestatie in geval van ontbinding op grond van artikel 1184, tweede lid, (oud) Burgerlijk Wetboek, tot doel de schuldeiser te plaatsen in de toestand waarin hij zich zou hebben bevonden indien de schuldenaar zijn verbintenis zou zijn nagekomen
(10)
(11)
(12). 21. Uit de syntheseberoepsconclusie van eiseres blijkt dat zij voor de appelrechters heeft aangevoerd dat zij schadevergoeding vordert voor advocatenkosten betaald in het kader van de arbitrageprocedure en voor de tijd die haar management en personeel aan die procedure heeft moeten spenderen en daardoor niet kon besteden aan andere taken, omdat deze kosten volledig nutteloos werden gemaakt, aangezien de arbitrale sententie vernietigd werd en zij bijgevolg niet heeft bekomen waarvoor zij heeft betaald, te weten een beslissing die het geschil tussen eiseres en QiComm zou beëindigen
(13). Na te zijn overgegaan tot de ontbinding van de arbitrageovereenkomst, bij toepassing van artikel 1184, tweede lid, (oud) Burgerlijk Wetboek, in het nadeel van verweerder, en na te hebben geoordeeld dat eiseres aanspraak kan maken op de terugbetaling door verweerder van het ereloon dat zij hem betaalde, dit als restitutie bij de ontbinding, overwegen en oordelen de appelrechters in verband met de door eiseres gevorderde schadeposten het volgende: “De boven vermelde fout van de arbiter bestaat uit inbreuken op het recht op tegenspraak en op het geheim van het beraad en het overdragen van rechtsmacht (aan de aangestelde technische expert). Om na te gaan wat de schade is die daardoor is veroorzaakt, moet onderzocht worden wat de situatie van (eiseres) zou zijn geweest zonder de fout. (…) Omdat de arbitrale beslissing (eiseres) onder meer veroordeelt tot de juridische kosten en alle kosten van de arbitrage, raakt de beoordeling van deze schadepost aan de vraag naar de kans op een andere beoordeling zonder de fout van (verweerder). (…) In huidig geval blijkt vast te staan dat (eiseres) niet geslaagd was in de uitvoering van de contractuele verbintenissen ten aanzien van QICOMM. De testen van het geleverde zijn niet gelukt. De arbiter heeft geoordeeld dat deze tekortkoming te wijten was aan (eiseres). Uit de motivering blijkt niet dat (verweerder) bij dat laatste heeft gesteund op argumenten van zuiver technische aard die de partijen niet zelf hebben aangebracht. Het blijkt dus niet dat overwegingen van technische aard afkomstig van de technische expert bepalend zijn geweest voor de beoordeling door (verweerder). (…) Uit een en ander volgt dat (eiseres) niet bewijst dat zij zonder de fout van (verweerder) mogelijk een andere, voor haar gunstigere, beoordeling zou hebben verkregen. Bijgevolg kunnen de kosten die zij heeft gemaakt voor haar verdediging, met inbegrip van die voor haar management en personeel, niet beschouwd worden als een door (verweerder) te vergoeden schadepost.”
(14)Ik meen dat de appelrechters aldus oordelen dat ook indien verweerder zijn verbintenissen als arbiter zonder fout had uitgevoerd, de advocatenkosten en de kosten voor haar management en personeel ten laste zouden zijn gebleven van eiseres. Het komt mij voor dat de appelrechters door aldus te oordelen, hun beslissing dat de voormelde kosten niet kunnen worden beschouwd als door verweerder te vergoeden schadeposten, naar recht verantwoorden. Het onderdeel kan dan ook mijns inziens niet worden aangenomen. Vierde en vijfde onderdeel
- Eiseres voert aan dat de appelrechters niet oordelen dat er een afwezigheid is van elke kans op een gunstigere beslissing, zodat het bestreden arrest op onwettige wijze, met name met schending van de artikelen 1142, 1145, 1147, 1150, 1151 en 1184, tweede lid, (oud) Burgerlijk Wetboek, de kosten die eiseres heeft gemaakt voor haar verdediging, met inbegrip van die voor haar management en personeel, heeft verworpen omdat eiseres niet bewijst dat zij zonder de fouten van verweerder mogelijks een andere, voor haar gunstigere, beoordeling zou hebben verkregen. Eiseres stelt dat, wanneer bewezen is dat de fundamentele regels inzake een eerlijk proces door de arbiter werden miskend, hierdoor noodzakelijk bewezen is dat er een verlies is van een kans op een gunstigere beslissing. De beslissing van de appelrechters dat eiseres niet bewijst dat zij mogelijks een andere, voor haar gunstigere beoordeling, zou hebben verkregen, schendt zodoende, volgens eiseres, de artikelen 6.1 EVRM, artikel 1315 (oud) Burgerlijk Wetboek en artikel 870 Gerechtelijk Wetboek.
- Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat de rechter vergoeding kan toekennen voor het verlies van een kans op het verwerven van een voordeel of het vermijden van een nadeel indien het verlies van deze kans te wijten is aan een fout. Het verlies van een kans komt voor vergoeding in aanmerking indien tussen de fout en het verlies van deze kans een conditio sine qua non verband bestaat en het om een reële kans gaat
(15). Ik meen dat in zoverre de onderdelen ervan uitgaan dat het verlies van elke kans op een gunstigere beslissing zonder de fout van verweerder aanleiding kan geven tot schadevergoeding, zij falen naar recht. 24. Om aanspraak te kunnen maken op schadevergoeding, moet diegene die schadevergoeding vordert, bewijzen dat er tussen de fout en de schade, zoals die zich heeft voorgedaan, een oorzakelijk verband bestaat. Zoals hiervoor reeds vermeld, veronderstelt dit verband dat, zonder de fout, de schade zich niet had voorgedaan zoals ze zich heeft voorgedaan
(16). Uit hetgeen geciteerd werd in randnummer 21 van deze conclusie blijkt dat de appelrechters in het arrest van 28 november 2017 oordelen dat: - de fout van verweerder bestaat uit inbreuken op het recht op tegenspraak en op het geheim van het beraad en uit het overdragen van rechtsmacht, begaan in het kader van de tussenkomst van een technisch expert; - in huidig geval blijkt vast te staan dat eiseres niet geslaagd was in de uitvoering van de contractuele verbintenissen ten aanzien van de opdrachtgever QiComm; - verweerder heeft geoordeeld dat deze tekortkoming te wijten was aan eiseres; - uit de motivering van de arbitrale beslissing niet blijkt dat verweerder hierbij heeft gesteund op argumenten van zuiver technische aard die de partijen niet zelf hebben aangebracht; - derhalve niet blijkt dat overwegingen van technische aard afkomstig van de technische expert bepalend zijn geweest voor de beoordeling door verweerder; - uit een en ander volgt dat eiseres niet bewijst dat zij zonder de fout van verweerder mogelijk een andere, voor haar gunstigere, beoordeling zou hebben verkregen. Ik meen dat de appelrechters, door aldus te oordelen dat er geen oorzakelijk verband bestaat tussen de fout van verweerder, bestaande uit inbreuken op het recht op een eerlijke proces, en de door eiseres aangevoerde schade, te weten het verlies van een kans op een gunstigere beoordeling, hun beslissing naar recht verantwoorden, zodat in zoverre de onderdelen de schending aanvoeren van de artikelen 6.1 EVRM, 1315 (oud) Burgerlijk Wetboek en 870 Gerechtelijk Wetboek, ze niet kunnen worden aangenomen
(17). Omvang van de cassatie
- Indien het Hof het tussenarrest van 28 november 2017 vernietigt in zoverre dit uitspraak doet over de vergoeding van de schadepost van eiseres bestaande uit de kosten van de procedure tot vernietiging van de arbitrale uitspraak, brengt dit mijns inziens de vernietiging met zich mee van het eindarrest van 11 september 2018, voor zover dit de vordering van eiseres op dit punt ongegrond verklaart. Conclusie: Vernietiging van het arrest van 28 november 2017 voor zover het uitspraak doet over de vergoeding van de schadepost van eiseres bestaande uit de kosten van de vernietiging van de arbitrale uitspraak, en van het arrest van 11 september 2018 voor zover dit de vordering van eiseres gedeeltelijk gegrond verklaart en uitspraak doet over de kosten. AR C.19.0174.N (…) Enig middel
- Eiser komt met het middel op tegen zijn veroordeling door de appelrechters tot terugbetaling van de door hem als arbiter ontvangen erelonen, wegens schending van het recht op tegenspraak (eerste onderdeel), schending van het geheim van het beraad (tweede onderdeel) en schending van het verbod tot overdracht van rechtsmacht (derde onderdeel). De drie onderdelen van het middel steunen op de door eiser aangevoerde louter assisterende opdracht van de technisch expert
(18). Het tweede onderdeel steunt deels op de aanvoering van eiser dat de arbitrale uitspraak werd doorgestuurd naar een andere advocate (mevrouw Leitner) die tussenkwam na deliberatie en in het raam van de uitvoering van logistieke en secretariële taken. Eerste onderdeel
- Eiser voert aan dat de appelrechters de artikelen 11, 769, lid 1, 770, §1, 778 tot 780, 782, 782bis, 1689, 1994, §2, 1696, §§2 en 3, 1701, 1704, §2 g), en 1707, §§1 tot 3 Gerechtelijk Wetboek hebben geschonden, door te beslissen dat eiser het verbod tot overdracht van rechtsmacht heeft geschonden, daar waar het verbod tot overdracht van rechtsmacht niet wordt geschonden door het scheidsgerecht dat na de sluiting van het debat doch vóór de besluitvorming een “debriefing” van de zaak houdt met de technische assessor nopens de technische aspecten ervan, noch door het scheidsgerecht dat na de besluitvorming de sententie aan de technische assessor meedeelt met als opdracht deze na te lezen louter teneinde technische fouten of onjuistheden erin vervat te vermijden.
- De appelrechters oordelen in het arrest van 28 november 2017 wat de rol van de technisch expert betreft: “De arbitrale beslissing vermeldt in haar overweging 12: “Na overleg met partijen werd dhr. Jean Taeymans op 16 september 20
(09)aangeduid als technisch expert. De aanvankelijke opdracht van de technische expert bestond erin het Scheidsgerecht bij te staan met betrekking tot bepaalde technische aspecten van de zaak. (…) Uit de kostenstaat van de expert blijkt evenwel dat hij verslagen heeft opgesteld, dat hij met (eiser) een debriefing heeft gehouden van de hoorzitting (3,5 uur), en dat hij op 27 juni 2010, dit is voor de uitspraak op 29 juni 2010, het ontwerp van de arbitrale beslissing heeft gelezen en becommentarieerd (“reading/commenting “award” document”) (1uur). De partijen hebben geen kennis gekregen van de verslagen van de expert. Een ervan, een “document over het nut van een technisch onderzoek”, vormt blijkens de kostenstaat een activiteit van de expert met de arbiter, wat aantoont dat de arbiter kennis heeft gekregen van dit stuk. De arbitrale beslissing vermeldt geen van de door de expert opgestelde stukken. (…) (…) (…) Een uitlating van de advocaat van (verweerster) tijdens de pleidooien voor de arbiter maakt duidelijk dat (verweerster) een invloed van de expert vreesde op de juridische beoordeling: “Ik heb zeer aandachtig de reactie van de expert in deze arbitrage gezien en gehoord en hij heeft duidelijk zijn eigen meningen wat betreft de wijze waarop hij artikel 14.1 zou willen lezen, maar ik zou graag benadrukken dat artikel 14.1 duidelijk stelt dat er voorwaarden dienen vervuld te zijn en ik wil werkelijk benadrukken en de arbiter vragen om de juridische oefening te doen wanneer hij voor de tweede en de X-maal zal lezen.” Ook het feit dat de expert een document over het nut van een technisch onderzoek heeft opgesteld, toont aan dat de expert hier in de beoordeling is getreden van procedurele en dus juridische aspecten, terwijl dit vanzelfsprekend niet tot zijn opdracht kon behoren. (…)” Ik meen dat, anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, uit de hiervoor geciteerde vaststellingen van de appelrechters niet blijkt dat de technisch expert geen adviserende taak heeft verricht en dat zijn taak beperkt was tot het assisteren van eiser bij het technisch begrijpen van de zaak vóór de deliberatie en het nalezen van de arbitrale uitspraak op technische fouten en het gebruik van een juiste terminologie na de deliberatie. Mijns inziens berust het onderdeel, in zoverre het op die grond de schending aanvoert van de artikelen 11, 769, lid 1, 770, §1, 778 tot en met 780, 782, 782bis, 1678, 1696, §§2 en 3, 1701, 1704, §2, g), en 1707, §§1 tot 3, Gerechtelijk Wetboek, doordat eiser zijn rechtsmacht niet zou hebben overgedragen, op een onjuiste lezing van het arrest van 28 november 2017 en mist het mitsdien feitelijke grondslag.
- Ik meen dat het onderdeel, in zoverre het de schending aanvoert van artikel 774, lid 2, Gerechtelijk Wetboek, eveneens berust op een onjuiste lezing van het arrest en mitsdien feitelijke grondslag mist. Uit de hiervoor geciteerde vaststellingen van de appelrechters blijkt mijns inziens immers niet dat eiser na de sluiting van het debat slechts een beroep heeft gedaan op een technische assessor om een technische uitleg of vertalingen in mensentaal te verkrijgen van gegevens van louter feitelijke aard die door de partijen reeds overgelegd en besproken werden. Tweede onderdeel
- Uit de in het randnummer 10 van deze conclusie geciteerde vaststellingen van de appelrechters blijkt niet dat de technisch expert geen adviserende taak heeft verricht en dat zijn taak beperkt was tot het assisteren van eiser bij het technisch begrip van de zaak vóór de deliberatie en het nalezen van de sententie op technische fouten en het gebruik van een juiste terminologie na de deliberatie. In zoverre het onderdeel op die grond de schending aanvoert van de artikelen 458 Strafwetboek en 769, lid 1, 770, §1, 778 tot en met 780, 782, 782bis, 1689, 1694, §2, 1696, §§2 en 3, 1701, 1704, §2, g), en 1707, §§1 tot 3, Gerechtelijk Wetboek, doordat eiser het geheim van het beraad niet zou hebben miskend, berust het mijns inziens zodoende op een onjuiste lezing van het arrest en mist het mitsdien feitelijke grondslag.
- In zoverre het onderdeel opkomt tegen het oordeel van de appelrechters dat het geheim van het beraad miskend werd doordat het ontwerp van de arbitrale uitspraak eveneens werd doorgestuurd naar een andere advocaat (mevrouw Leitner) en het aanvoert dat dit is gebeurd na de deliberatie en in het raam van de uitvoering van logistieke en secretariële taken, vergt het mijns inziens een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is, en is het mitsdien niet-ontvankelijk.
- Anders dan het onderdeel aanvoert, steunt het oordeel van de appelrechters dat mevrouw Leitner alleen aanwezig was op de zitting om beeldmateriaal op te roepen, niet op de eigen verklaring van verweerder, maar op transcripts van de pleidooien en op de vaststelling dat het reglement van Cepina niet voorziet dat de arbiter zich kan laten bijstaan door medewerkers: “De transcripts van de pleidooien suggereren alleen dat (mevrouw Leitner) aanwezig was op de zitting om beeldmateriaal op te roepen; het valt niet in te zien waarom zij het ontwerp kreeg samen met de expert. Terecht laat (verweerster) gelden dat het reglement van CEPINA niet voorziet dat de arbiter zich kan laten bijstaan door medewerkers”
(19). Het komt mij dan ook voor dat het onderdeel in zoverre feitelijke grondslag mist. Derde onderdeel
- Het onderdeel gaat ervan uit dat uit de vaststellingen van de appelrechters blijkt dat de niet aan partijen overgelegde stukken uitsluitend betrekking hadden op vertrouwelijke (interne) correspondentie tussen eiser en de expert, die louter zou zijn opgestreden als technisch assessor bij het technisch begrip van de zaak, zodat de appelrechters artikel 6 EVRM en het algemeen rechtsbeginsel dat het recht van verdediging waarborgt, hebben geschonden, door te oordelen dat eiser het recht op tegenspraak heeft geschonden door stukken uit zijn beraad te onthouden aan de tegenspraak van de partijen.
- De appelrechters stellen vast en oordelen: “Uit de kostenstaat van de expert blijkt (…) dat hij verslagen heeft opgesteld (…). De partijen hebben geen kennis gekregen van de verslagen van de expert. Een ervan, een “document over het nut van een technisch onderzoek”, vormt blijkens de kostenstaat een activiteit van de expert met de arbiter, wat aantoont dat de arbiter kennis heeft gekregen van dit stuk. De arbitrale beslissing vermeldt geen van de door de expert opgestelde stukken. (…) Terecht leidt (verweerster) hieruit af dat (eiser) het recht op tegenspraak heeft geschonden, door stukken uit zijn beraad te onthouden aan de tegenspraak van partijen. (…) (…) Ook het feit dat de expert een document over het nut van een technisch onderzoek heeft opgesteld, toont aan dat de expert hier in de beoordeling is getreden van procedurele en dus juridische aspecten, terwijl dit vanzelfsprekend niet tot zijn opdracht kon behoren. (…)”. Het komt mij voor dat, anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, uit de geciteerde vaststellingen niet blijkt dat de niet aan partijen overgelegde stukken uitsluitend betrekking hadden op vertrouwelijke (interne) correspondentie tussen eiser en de expert, die louter zou zijn opgetreden als technisch assessor bij het technisch begrip van de zaak, zodat het onderdeel, in zoverre het op die grond een schending aanvoert van artikel 6 EVRM en de miskenning van het algemeen rechtsbeginsel dat het recht van verdediging waarborgt, berust op een onjuiste lezing van het arrest en mitsdien feitelijke grondslag mist.
- Ik meen dat de appelrechters, om te oordelen dat het recht op tegenspraak is geschonden, niet louter verwijzen naar “een document”, zoals eiser in het onderdeel aanvoert (randnummer 28, §2 van het cassatieberoep van eiser), maar naar een “document over het nut van een technisch onderzoek” (cfr. randnummer 16 van deze conclusie), zodat in zoverre het onderdeel de schending aanvoert van artikel 149 Grondwet het eveneens feitelijke grondslag mist. Conclusie: Verwerping van het cassatieberoep. _______________________________________
(1)Cass. 7 november 2013, AR C.12.0193.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131107.13, AC 2013, nr. 592, met concl. van advocaat-generaal Ch. VANDEWAL inz., nrs 20-24.
(2)Cass. 13 januari 2011, AR C.10.0302.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110113.10, AC 2011, nr. 33, met concl. van advocaat-generaal Th. WERQUIN, op datum in Pas., inz., nr. 8; Ph. DE BOURNONVILLE, L’arbitrage in Rép.Not., XIII, boek VI, Brussel, Larcier, 2017, nr. 241 ; G. KEUTGEN en G.-A. DAL, L’arbitrage en droit belge et international, I, Le droit belge, Brussel, Bruylant, 2015, nr. 585.
(3)Cass. 7 november 2013, AR C.12.0193.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131107.13, AC 2013, nr. 592.
(4)Cass. 28 november 2014, AR C.12.0517.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141128.3, AC 2014,nr. 736.
(5)Zie bv. Cass. 18 november 2016, AR C.15.0503.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161118.3, AC 2016, nr. 655; Cass. 16 november 2007, AR C.06.0205.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071116.1, AC 2007, nr. 559; Cass. 15 april 2002, AR S.01.0085.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020415.18, AC 2002, nr. 229; S. MOSSELMANS, Rechterlijke motivering anno 2010, Gent, Larcier, nr. 72, vn. 201.
(6)Cass. 13 januari 2011, AR C.10.0302.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110113.10, AC 2011, nr. 33, met concl. van advocaat-generaal Th. WERQUIN, op datum in Pas., inz., nr. 8; S. MOSSELMANS, Rechterlijke motivering anno 2010, Gent, Larcier, nr. 48, met verwijzing naar rechtspraak EHRM.
(7)Bestreden arrest van 28 november 2017, p. 12.
(8)406.152,10 euro aan advocatenkosten in het kader van de arbitrageprocedure, 76.000 euro aan kosten management en personeel gespendeerd aan de arbitrageprocedure, 112.163,56 euro + 1.827,05 euro kosten voor de vordering tot vernietiging van de arbitrale uitspraak.
(9)Zie bv. Cass. 28 juni 2018, AR C.17.0696.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180628.9, AC 2018, nr. 423; Cass. 12 juni 2017, AR C.16.0428.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170612.1, AC 2017, nr. 380; Cass. 31 mei 2013, AR C.12.0399.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130531.4, AC 2013, nr. 333; Cass. 9 november 2012, AR C.11.0563.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121109.5, AC 2012, nr. 604; Cass. 20 december 1996, AC 1996, nr. 552.
(10)Cass. 13 oktober 2011, AR C.10.0642.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111013.15, AC 2011, nr. 544; Cass 26 januari 2007, AR C.06.0232.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070126.4, AC 2007, nr. 51.
(11)Contra: J. BAECK, Restitutie na vernietiging en ontbinding van overeenkomsten, r.o. 459-460: “In de dominante Belgische zienswijze over de schadevergoeding bij ontbinding staat het doel van deze schadevergoeding diametraal tegenover het doel van de ontbinding. Deze schadevergoeding heeft dan immers tot doel de schuldeiser in de vermogenspositie te brengen waarin hij zich bij correcte uitvoering van de overeenkomst zou hebben bevonden, terwijl de ontbinding er precies toe strekt het patrimoniale evenwicht te herstellen dat voor het sluiten van de overeenkomst tussen partijen bestond. Om consistent te zijn met de ontbinding, zou de schadevergoeding bij ontbinding er bijgevolg moeten toe strekken de schade te vergoeden die de schuldeiser heeft geleden doordat hij het contract vergeefs heeft gesloten. Anders dan bij de klassieke redenering die bij de toekenning van schadevergoeding wegens fout wordt toegepast, moet voor het vaststellen van de schade van de schuldeiser bijgevolg niet de fout van de schuldenaar, maar wel de overeenkomst worden weggedacht”.
(12)Wetsvoorstel houdende invoeging van boek 5 'Verbintenissen' in het nieuwe Burgerlijk Wetboek, artikel 5.93, § 4: “Indien herstel wordt toegekend ter aanvulling van de ontbinding, strekt dat herstel ertoe de schuldeiser terug te plaatsen in de situatie waarin hij zich zou hebben bevonden als het contract was uitgevoerd”.
(13)Syntheseberoepsconclusie van eiseres p. 40-41.
(14)Bestreden arrest van 28 november 2017, p. 17-18.
(15)Cass. 10 september 2020, AR C.19.0357.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200910.1F.5, AC 2020, nr. 518; Cass. 21 april 2016, AR C.15.0286.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160421.8, AC 2016, nr. 274; Cass. 15 mei 2015, AR C.14.0269.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150515.2, AC 2015, nr. 274; Cass. 21 oktober 2013, AR C.13.0124.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131021.1, AC 2013, nr. 537; Cass. 15 maart 2010, AR C.09.0433.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100315.3, AC 2010, nr. 182; Cass. 5 juni 2008, AR C.07.0199.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080605.5, AC 2008, nr. 350; I. CLAEYS en T. TANGHE, Algemeen contractenrecht. Handboek voor nu en straks, Intersentia, 2021, randnummers 840, 841 en 844; H. BOCKEN, I. BOONE en M. KRUITHOF, Inleiding tot het schadevergoedingsrecht, Brugge, Die Keure, 2014, 48, nr. 74.
(16)Zie bv Cass. 28 juni 2018, AR C.17.0696.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180628.9, AC 2018, nr. 209; Cass. 12 juni 2017, AR C.16.0428.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170612.1, AC 2017, nr. 380; Cass. 19 maart 2015, AR C.14.0445.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150319.13, AC 2015, nr. 209; Cass. 31 mei 2013, AR C.12.0399.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130531.4, AC 2013, nr. 333; Cass. 9 november 2012, AR C.11.0563.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121109.5, AC 2012, nr. 604; I. CLAEYS en T. TANGHE, Algemeen contractenrecht. Handboek voor nu en straks, Intersentia, 2021, randnummer 843.
(17)Dit naar analogie met wat door het Hof werd geoordeeld in Cass. 31 mei 2013, AR C.12.0399.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130531.4, AC 2013, nr. 333; Cass. 9 november 2012, AR C.11.0563.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121109.5, AC 2012, nr. 604.
(18)Eiser maakt een onderscheid tussen een door het scheidsgerecht aangestelde technisch deskundige met een assisterende opdracht en deze met een adviserende opdracht. In het eerste geval zou de expert een louter technisch assessor zijn die de arbiter bijstaat bij het technisch begrip van de zaak en bij het gebruik van de juiste terminologie. In het tweede geval zou de expert de arbiter daadwerkelijk adviseren in zijn beoordeling van de technische aspecten van de zaak. Noch in de internationale arbitragepraktijk noch in de Belgische arbitrageprocedure wordt dit onderscheid evenwel zo scherp gesteld als voorgesteld door de eiser. De rechtsleer vermeldt dat de deskundige van het scheidsgerecht vooral “een assisterende en adviserende functie heeft” (V. VAN HOUTTE, “Deskundigenonderzoek en andere onderzoeksmaatregelen” in De bewijsregeling in arbitrage, Rapporten van het colloquium van Cepina van 12 november 2009, Brussel, Bruylant, 2009, 187) of dat “experts may be appointed by the arbitral tribunal itself to report on specified technical issues or to provide other assistance in undestanding and resolving the case” (M. SCHNEIDER, “Technical experts in international arbitration”, ASA Bulletin 1993, 446; vertaling: “experten kunnen aangesteld worden door het scheidsgerecht zelf om verslag uit te brengen over specifieke technische kwesties of om andere bijstand te verlenen teneinde de zaak te begrijpen en op te lossen”). Bepaalde auteurs vermelden dat het scheidsgerecht beroep doet op een expert om complexe technische vraagstukken te begrijpen wanneer dit nodig is voor de beoordeling van de zaak (A. REDFERN, M. HUNTER, M. SMITH en E. ROBINE, Droit et pratique de l’arbitrage commercial international, Parijs, LGDJ, 1994, 275). Een andere auteur vermeldt ten slotte dat de rol van de expert is “to assist, educate and advise the arbitral tribunal in a fair and impartial manner in specialist fields” (J.M. WAINCYMER, Procedure and evidence in international arbitration, Kluwer Law International, 2012, 945; vertaling: “het scheidsgerecht op een eerlijke en onpartijdige wijze bij te staan, voor te lichten en te adviseren in gespecialiseerde domeinen”.). Deze rechtsleer sluit zich algemeen aan bij de overkoepelende definitie van de opdracht van een technisch expert, zoals gegeven door het Internationaal Gerechtshof: men verwacht van de expert “technische informatie die het scheidsgerecht kan gidsen in zijn zoektocht naar de waarheid” (V. VAN HOUTTE, “Deskundigenonderzoek en andere onderzoeksmaatregelen” in De bewijsregeling in arbitrage, Brussel, Bruylant, 2009, 187, vn. 48; M. SCHNEIDER, “Technical experts in international arbitration”, ASA Bulletin 1993, 449; A. REDFERN et al., Droit et pratique de l’arbitrage commercial international, Parijs, LGDJ, 1994, 275). Een grens aan de opdracht van de technisch expert, aangesteld door het scheidsgerecht, is dat hij niet in de beoordeling mag treden van cruciale inhoudelijke punten van het geschil of juridische vragen. Met andere woorden, de arbiter mag zijn rechtsmacht niet aan de expert overdragen (G.B. BORN, International Commercial Arbitration, Kluwer Law International, 2014, 2278; V. VAN HOUTTE, “Deskundigenonderzoek en andere onderzoeksmaatregelen” in De bewijsregeling in arbitrage, Brussel, Bruylant, 2009, 183; J.M. WAINCYMER, Procedure and evidence in international arbitration, Kluwer Law International, 2012, 947). Bijgevolg wordt algemeen erkend dat de arbiter niet aan de deliberatie mag deelnemen (M. SCHNEIDER, “Technical experts in international arbitration”, ASA Bulletin 1993, 464; V. VAN HOUTTE, “Deskundigenonderzoek en andere onderzoeksmaatregelen” in De bewijsregeling in arbitrage, Brussel, Bruylant, 2009, 184, vn. 40). In de internationale praktijk wordt evenwel aanvaard dat de technisch expert, na de besluitvorming, de gevelde sententie mag nalezen om technische fouten of incorrecte terminologie te vermijden (M. SCHNEIDER, “Technical experts in international arbitration”, ASA Bulletin 1993, 464; V. VAN HOUTTE, “Deskundigenonderzoek en andere onderzoeksmaatregelen” in De bewijsregeling in arbitrage, Brussel, Bruylant, 2009, 183-184; J.M. WAINCYMER, Procedure and evidence in international arbitration, Kluwer Law International, 2012, 949). Een auteur benadrukt evenwel dat wanneer de expert de arbiter ontmoet om de sententie te bespreken, de grenzen van de aanvaarde bijstand bij het opstellen van de sententie overschreden zijn. In dat geval bestaat immers een ernstig risico dat de expert, door middel van zijn uiteenzetting, in wezen bijdraagt tot de besluitvorming van de arbiter (M. SCHNEIDER, “Technical experts in international arbitration”, ASA Bulletin 1993, 464).
(19)Bestreden arrest van 28 november 2017, p. 14, § 3. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220113.1N.9 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220113.1N.9 citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020415.18 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070126.4 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071116.1 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080605.5 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100315.3 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110113.10 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111013.15 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121109.5 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130531.4 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131021.1 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131107.13 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141128.3 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150319.13 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150515.2 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160421.8 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161118.3 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170612.1 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180628.9 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200910.1F.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div