← België

K.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 18 januari 2022

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 203, § 1, eerste lid, en 204 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 25 juli 1893 betreffende de aantekening van hoger beroep van gedetineerde of geïnterneerde personen - 25-07-1893 - Art. 1, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1893072550 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 203, § 1, eerste lid, en 204 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 25 juli 1893 betreffende de aantekening van hoger beroep van gedetineerde of geïnterneerde personen - 25-07-1893 - Art. 1, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1893072550 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 203, § 1, eerste lid, en 204 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 25 juli 1893 betreffende de aantekening van hoger beroep van gedetineerde of geïnterneerde personen - 25-07-1893 - Art. 1, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1893072550 Tekst van de conclusie P.21.1294.N Conclusie van advocaat-generaal Bart DE SMET: “Informatieplicht over het grievenformulier voor een beklaagde die hoger beroep instelt vanuit de gevangenis, de procestaal niet beheerst en op dat moment geen bijstand heeft van een raadsman”.

  1. Procesverloop
  2. Eiser, van Angolese nationaliteit en wonende te Brussel, wordt vervolgd wegens poging diefstal met braak (A) en bendevorming (B), in staat van wettelijke herhaling. De correctionele rechtbank van Oost-Vlaanderen, afd. Dendermonde, heeft eiser voor beide telastleggingen bij verstek veroordeeld op 23 december 2019, en hem conform art. 65, eerste lid, Sw. veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar en een geldboete van 100€ (met opdeciemen vermeerderd tot 800€).
  3. Het verstekvonnis werd aan eiser betekend in de gevangenis op 5 februari 2020 (stuk 4). Eiser stelde tegen het vonnis geen verzet in, maar wel hoger beroep, middels een verklaring voor de gevangenisdirecteur op 5 februari
  4. De raadsman van eiser stelt daarover in de appelconclusie dat de gevangenisdirecteur eiser foutief meedeelde dat het vonnis van 23 december 2019 op tegenspraak is gewezen, gelet op de bewoordingen van de akte van hoger beroep, waarin is gesteld dat eiser hoger beroep instelde tegen een vonnis van 23 december 2019 ‘door hetwelk bij veroordeeld werd op tegenspraak tot een gevangenisstraf van twee jaar’ (st. 12 dossier hoger beroep en st. 12 dossier eerste aanleg).
  5. Op 25 februari 2020 verscheen eiser voor de correctionele rechtbank te Oost-Vlaanderen, afd. Dendermonde, zonder bijstand van een advocaat. Hij verklaarde met bijstand van een beëdigd tolk Frans dat men hem in de gevangenis had aangeraden om verzet aan te tekenen tegen de veroordeling bij verstek, hij is opgesloten voor andere feiten, het zijn volste recht is om hoger beroep aan te tekenen en hij een advocaat zal raadplegen (st. 13 dossier eerste aanleg).
  6. De correctionele rechtbank stelde de zaak uit naar de zitting van 24 maart 2020, om het openbaar ministerie toe te laten na te gaan of er in de gevangenis naast het beroep ook verzet werd aangetekend. Op de zitting van 24 maart 2020 verscheen noch eiser, noch een advocaat die voor hem optreedt. Het zittingsblad vermeldt dat 1°eiser niet kon worden overgebracht wegens de dwingende maatregelen om de verspreiding van het Covid-19 virus te beperken en 2°de griffie van de gevangenis stelde dat eiser ‘nog steeds geen advocaat heeft en ook geen intentie heeft om een advocaat te nemen’ (st. 14). De zaak werd vervolgens uitgesteld naar de zitting van 28 april
  7. Op de zitting van 28 april 2020 bleef beklaagde afwezig en verscheen er geen advocaat voor hem. De correctionele rechtbank stelde vast, op basis van stukken en de toelichting door het openbaar ministerie, dat eiser alleen hoger beroep heeft ingesteld tegen het verstekvonnis van 23 december
  8. De correctionele rechtbank stelde niet te zijn gelast met de beoordeling van het dossier, gezien er door eiser geen verzet werd aangetekend. De rechtbank besliste het dossier over te maken aan het hof van beroep te Gent. Die beslissing is (alleen) opgenomen in een proces-verbaal van de rechtszitting, weliswaar met als hoofding “op verzet”, ondertekend door de voorzitter van de correctionele rechtbank en de griffier (st. 15 dossier eerste aanleg).
  9. Op 27 januari 2021 heeft de procureur-generaal te Gent eiser opgeroepen om te verschijnen voor het hof van beroep te Gent op 13 april
  10. De dagvaarding werd op 1 maart 2021 overgemaakt aan eiser in de gevangenis (st. 3). Op de rechtszitting van 13 april 2021 verscheen eiser met bijstand van een tolk Frans. Hij vroeg uitstel van de zaak om een raadsman te kunnen raadplegen. De zaak werd vervolgens uitgesteld naar 25 mei 2021 (st. 6).
  11. Op 24 mei 2021 meldde Mr. E. V. dat zij pas op 21 mei 2021 werd geraadpleegd, en daarom namens eiser om een uitstel zal verzoeken (st. 8). Op de zitting van 25 mei 2021 verscheen eiser, bijgestaan door een tolk Frans, in aanwezigheid van Mr. E. V. Het hof van beroep te Gent heeft op de zitting van 25 mei 2021 opgemerkt dat er geen grievenformulier werd ingediend en heeft aan de raadsman van eiser verzocht standpunt in te nemen over ‘de ontvankelijkheid en de tijdigheid van het hoger beroep’ (st. 9). Vervolgens werd de zaak uitgesteld naar de zitting van 14 juni
  12. Op 14 juni 2021, om 00u42 heeft Mr. D. D. een brief per e-mail verzonden naar de griffie, met daaraan gehecht een conclusie. De nieuwe raadsman van eiser meldde dat hij op 12 juni 2021 was geraadpleegd (st. 12). Op de zitting van 14 juni 2021 verscheen eiser niet. Hij werd vertegenwoordigd door Mr. D., die een conclusie en een stukkenbundel indiende (st. 13).
  13. De raadsman van eiser stelde in zijn conclusie dat eiser op 5 februari 2020 geldig hoger beroep instelde en op 6 februari 2020 in de gevangenis een grievenformulier ontving dat alleen in het Nederlands was opgesteld, een taal die eiser niet machtig is. Daarbij werd hem niet gewezen op de verplichting om dit formulier in te dienen binnen de termijn van hoger beroep, hoewel hij op dat moment geen bijstand genoot van een advocaat. Het hoger beroep is volgens de raadsman van eiser niet vervallen, wegens overmacht.
  14. Het op de zitting van 14 juni 2021 ingediende stukkenbundel bevat een ingevuld grievenformulier (st. 1), ondertekend te Brussel op (zondag) 13 juni 2021, met als aangekruiste grieven ‘procedure’, ‘schuld’ en ‘straf’. Mr. D. vroeg om overbrenging van zijn cliënt vanuit de gevangenis, wat niet lukte, waarna de zaak werd uitgesteld naar de zitting van 28 juni 2021 (st. 13).
  15. Op de zitting van 28 juni 2021 verscheen eiser, bijgestaan door een tolk Frans, in aanwezigheid van zijn advocaat Mr. D. D. De verdediging diende als aanvullend stuk een kopie in van hat arrest van uw Hof van 20 oktober 2020, zaak P.19.1255.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201020.2N.14, (st. 18) en pleitte dat het niet tijdig indienen van een grievenschrift te wijten is aan overmacht (st. 17). Het zittingsblad vermeldt dat eiser werd gehoord omtrent het grievenformulier en hij verklaarde dat dit formulier “hem werd overhandigd maar niet werd uitgelegd waarover het ging” (st. 17). Het bestreden arrest stelt dat eiser ter rechtszitting bevestigde dat hij het grievenformulier in de gevangenis had ontvangen, en tekende voor ontvangst (blz. 7 bestreden arrest). De zaak werd in beraad genomen, voor uitspraak op 20 september
  16. Bestreden arrest
  17. Het hof van beroep te Gent heeft op 20 september 2021 het hoger beroep van eiser vervallen verklaard op basis van artikel 204 Wetboek van Strafvordering. Het hof van beroep stelde vast dat het verstekvonnis aan eiser werd betekend in de gevangenis op 5 februari 2020, dat eiser die dag een verklaring van hoger beroep aflegde aan de directeur van de gevangenis, en de akte van hoger beroep in het register ad hoc werd ingeschreven op 7 februari
  18. Het hof van beroep stelde eveneens vast dat eiser zelf geen grievenformulier heeft ingediend, hoewel hem er in de gevangenis één is overhandigd.
  19. Volgens de appelrechters is er geen reden om overmacht aan te nemen en houdt het verval van het hoger beroep geenszins een overdreven formalisme in of een schending van art. 6.1 EVRM. Het bestreden arrest vermeldt dat eiser op de hoogte was of minstens op de hoogte kon zijn van de verplichting om binnen de termijn van hoger beroep een grievenschrift in te dienen (blz. 8). De beslissing tot verval van het hoger beroep steunt op volgende redenen (blz. 8): - de beklaagde (eiser in cassatie) erkent het grievenformulier te hebben ontvangen, weze het volgens zijn beroepsconclusie op 6 februari 2020; - het is ongeloofwaardig dat de eiser daarbij geen uitleg zou hebben gekregen door de afgevaardigde van de gevangenisdirecteur over de verplichting een grievenformulier in te dienen en de termijn die hij daartoe had; - de eiser verscheen in deze zaak, bijgestaan door een tolk, reeds op 25 februari 2020 voor de correctionele rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, waarbij hij erop werd gewezen dat hij klaarblijkelijk enkel hoger beroep had ingesteld en hij in de gelegenheid werd gesteld een advocaat te raadplegen, hetgeen hij meedeelde te zullen doen en waarbij enig initiatief van de eiser op dat ogenblik hoe dan ook kon hebben geleid tot de tijdige neerlegging van een grievenformulier; - de eiser koos ervoor geen enkel initiatief te nemen om zich te laten bijstaan, maar zou integendeel pas op 21 mei 2021, dit is een paar dagen voor de rechtszitting van het hof van beroep, een advocaat raadplegen; - uit eisers omvangrijke strafregister kan worden afgeleid dat hij reeds vaak met het gerecht in aanraking kwam en dat hij in een Franstalige zaak reeds werd veroordeeld bij arrest van het hof van beroep te Brussel van 26 november 2020, zodat hij bezwaarlijk kan voorhouden onwetend te zijn van de strafprocedure met inbegrip van de reeds sinds 29 februari 2016 bestaande verplichting een grievenschrift in te dienen bij het aantekenen van hoger beroep.
  20. Cassatiemiddel
  21. Eiser voert aan dat de appelrechters een situatie van overmacht hadden moeten aannemen en het hoger beroep niet vervallen mochten verklaren, omdat 1°eiser geen bijstand had van een advocaat toen hem in de gevangenis een grievenformulier werd overhandigd, 2°het grievenformulier was opgesteld in een taal die hij niet machtig was en 3°uit geen enkel stuk blijkt dat hij in de gevangenis informatie ontving over het tijdig indienen van het grievenformulier, binnen de termijn van hoger beroep van 30 dagen. Het bestreden arrest miskent aldus het begrip overmacht, zoals vermeld in artikel 204 Wetboek van Strafvordering (eerste onderdeel).
  22. Verder stelt eiser dat uit de enkele vaststelling dat eiser reeds in een andere procedure hoger beroep heeft ingesteld, de strafrechter niet naar recht kan afleiden dat hij op de hoogte is van de verplichting tijdig een grievenschrift in te dienen (tweede onderdeel) en het verval van het hoger beroep getuigt van excessief formalisme, afbreuk doet aan het recht op toegang tot de rechter, zoals gewaarborgd door art. 6.1 EVRM (derde onderdeel).
  23. Beoordeling 4.
  24. Doelstellingen van het grievenschrift
  25. Artikel 204 Wetboek van Strafvordering bepaalt dat op straffe van verval van het hoger beroep de eiser in hoger beroep binnen de termijn van hoger beroep een verzoekschrift met grieven of een grievenformulier moet indienen ter griffie van de rechtbank of het hof waarvoor het hoger beroep wordt gebracht. Het grievenschrift dient nauwkeurig de tegen het vonnis ingebrachte grieven te bevatten en wordt met handtekening ingediend door de eiser, zijn advocaat of een bijzonder gevolmachtigde (art. 204, Sv., zoals aangepast door art. 89, Wet 5 februari 2016, BS 19 februari 2016)

(1). 17. Het Hof stelt dat een grief in de zin van artikel 204 Wetboek van Strafvordering de specifieke aanwijzing is, in het grievenschrift, van een beslissing van het beroepen vonnis waarvan de eiser in hoger beroep de hervorming door de appelrechter
(2). 18. Aan de hand van de grief moet de rechter in hoger beroep zijn onderzoeksopdracht (saisine) kunnen bepalen, kunnen achterhalen tot welke punten het debat in hoger beroep is beperkt
(3). De eiser in hoger beroep dient in het verzoekschrift of in het grievenformulier noch de redenen voor zijn hoger beroep op te geven noch de middelen te vermelden die hij wil aanvoeren om de hervorming van de door de grief bedoelde beslissing te verkrijgen
(4). 19. Artikel 1 Wet van 25 juli 1893 betreffende de aantekening van beroep of van een voorziening in cassatie van de gedetineerde of geïnterneerde personen (BS 28 juli 1893), zoals gewijzigd door art. 34 Wet van 25 december 2016 (BS 30 december 2016), bepaalt dat in de gevangenissen, inrichtingen of afdelingen tot bescherming van de maatschappij en de gemeenschapscentra voor minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, de gedetineerde beklaagde zijn verklaring van hoger beroep en het verzoekschrift met grieven geldig kan indienen bij de directeur van die instelling of zijn gemachtigde. De verklaring van hoger beroep en het verzoekschrift worden ingediend binnen de openingsuren van de griffie van de gevangenis of instelling en hebben dezelfde uitwerking als die ter griffie of door de griffier ontvangen (art. 1 Wet 25 juli 1893). De directeur of zijn gemachtigde bezorgt aan de griffier van de rechtbank van het beroepen vonnis de akte van hoger beroep en het verzoekschrift waarin nauwkeurig de grieven worden bepaald die tegen het vonnis worden ingebracht, uiterlijk de eerste werkdag volgend op de ontvangst ervan, met vermelding van de datum van ontvangst (art. 1, Wet 25 juli 1893)
(5). 20. De verplichting voor de eiser in hoger beroep om zijn grieven tijdig kenbaar te maken, op straffe van verval, is op zich niet in strijd met het recht op toegang tot de rechter, zoals beschermd door art. 6.1 EVRM. Het Hof oordeelde meermaals dat deze waarborg de lidstaten van de Raad van Europa niet belet het instellen van rechtsmiddelen afhankelijk te maken van voorwaarden, voor zover die voorwaarden een wettig doel dienen en er een redelijke verantwoording bestaat tussen de opgelegde voorwaarden en het nagestreefde doel. Evenwel mogen die voorwaarden er niet toe leiden dat het recht op het instellen van het rechtsmiddel in de kern wordt aangetast
(6). 21. Omzendbrief Coll. 6/2016 stelt dat met het verplicht grievenschrift wordt beoogd het hoger beroep in strafzaken niet langer als een automatisme te beschouwen en naar het voorbeeld van het civiel geding de ontvankelijkheid van het hoger beroep te verbinden aan nauwkeurige grieven
(7). Het Hof neemt aan dat met de verplichting voor de appellant om op straffe van verval van het hoger beroep de grieven tegen de beroepen beslissing kenbaar te maken, de wetgever een doelmatiger behandeling van de strafzaken in hoger beroep beoogt. Het verplichte grievenschrift laat toe nutteloze werklast en kosten te vermijden, door het niet langer voorleggen van niet-betwiste beslissingen aan het appelgerecht. De formaliteit stelt de tegenpartijen en het appelgerecht in staat te bepalen van welke beslissingen de appellant de hervorming wenst. Hierdoor kan het debat in hoger beroep beter worden voorbereid. Die verplichting dient een wettig doel, respecteert een redelijke verhouding tussen de opgelegde beperkingen en het nagestreefde doel en tast het recht op hoger beroep in de kern niet aan
(8). 4.
  1. De verlenging van de termijn voor het grievenschrift wegens overmacht
  2. Voorwaarden verbonden aan een rechtsmiddel mogen niet te streng zijn. Het Hof benadrukt dat bij toepassing van de vormvereisten, zoals het grievenschrift, de rechter niet overdreven formalistisch mag zijn, zodat de billijkheid van de procedure wordt aangetast of het recht op hoger beroep in zijn essentie of kern wordt aangetast
(9). Aan de andere kant mag de rechter de vormvereisten voor een rechtsmiddel niet overdreven soepel opvatten, zodat de opgelegde voorwaarden inhoudsloos worden
(10). 23. Wanneer een veroordeling of internering in eerste aanleg ter kennis is gebracht aan de beklaagde in de gevangenis, is het appelgerecht in beginsel verplicht het hoger beroep van een beklaagde ingesteld in de gevangenis vervallen te verklaren, behoudens overmacht, als hij of zijn raadsman heeft nagelaten tijdig een grievenschrift in te dienen
(11). Art. 204, Sv laat in beginsel niet toe dat de eisende partij het ontbreken van concrete grieven ‘regulariseert’ door tijdens de debatten in hoger beroep een nieuw verzoekschrift in te dienen
(12). 24. Overmacht bij het indienen van een grievenschrift is volgens het Hof een omstandigheid onafhankelijk van de wil van die appellant, die door hem niet kon worden voorzien of voorkomen, waardoor het hem onmogelijk was aan deze verplichting te voldoen
(13). De appelrechter oordeelt of een laattijdig ingediend grievenschrift het gevolg is van overmacht, met controle op de wettigheid van de motieven door het Hof
(14). Zolang de overmacht duurt, is eiser niet verplicht het grievenformulier in te dienen, en kan zijn hoger beroep niet vervallen worden verklaard
(15). 25. Wanneer de aangehouden beklaagde kennis kreeg van een veroordeling in eerste aanleg en op dat moment bijstand heeft van een raadsman, mag de rechter in hoger beroep aannemen dat dat het overhandigen van een grievenformulier in de gevangenis volstaat, om het recht op toegang tot de rechter te waarborgen
(16). Het Hof stelde dat in die omstandigheden de rechterlijke overheden niet verplicht zijn om aan de beklaagde alle vormvereisten mee te delen voor het instellen van hoger beroep, zoals de verplichting om binnen een welbepaalde termijn nauwkeurig bepaalde grieven schriftelijk in te dienen ter griffie
(17). Het is dan aan de beklaagde om zijn raadsman te contacteren voor hetzij het zelf invullen van het grievenformulier in de gevangenis, hetzij het indienen van een verzoekschrift met grieven of een grievenformulier ter griffie van de rechtbank. 26. De verplichting tijdig een grievenschrift in te dienen, op straffe van verval van dit rechtsmiddel, geldt niet alleen voor beklaagden die op moment van de kennisgeving van een veroordeling de bijstand genieten van een advocaat
(18). Beklaagden kunnen zelf hoger beroep instellen en meteen een modelformulier invullen met grieven, dat hen door de griffier of de gevangenisdirecteur ter beschikking wordt gesteld (Bijlage KB 23 november 2017, BS 1 december 2017)
(19). 27. Het Hof leidt uit art. 204 Sv. en de wetsgeschiedenis ervan af dat het modelformulier vooral bedoeld is voor zij die geen advocaat hebben noch een ruime scholing hebben om zich bewust te zijn van de draagwijdte van de akte van hoger beroep en van de mogelijkheden om die te beperken, zodat zij in staat zijn te preciseren op welke punten de in eerste aanleg gewezen beslissing moet worden gewijzigd
(20). Het modelformulier met aan te kruisen vakken bevat trouwens de belangrijke mededeling: “Verplichte, bindende en nauwkeurige opgave van de grieven tegen het eerste vonnis (artikel 204 Wetboek van Strafvordering). De bestreden beslissingsonderdelen van het beroepen vonnis aankruisen en beknopt de redenen opgeven waarom de in eerste aanleg gewezen beslissing moet worden gewijzigd. Niet nauwkeurig bepaalde grieven leiden tot verval van het hoger beroep”
(21).
  1. Wanneer een aangehouden beklaagde de procestaal niet beheerst, in de gevangenis een grievenformulier ontvangt zonder toelichting over die vormvereiste in een taal die hij begrijpt, en op dat moment in de procedure geen bijstand geniet van een advocaat, dreigt het invullen van dat formulier een onoverkomelijke hindernis te zijn. Het in die omstandigheden uitspreken van het verval van het hoger beroep lijkt mij dan ook onverenigbaar te zijn met het recht op toegang tot de rechter (art. 6.1 EVRM).
  2. Het Hof oordeelde op 18 januari 2018 dat: “Wanneer evenwel uit geen van de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat aan de beklaagde, die niet door een advocaat werd bijgestaan en die zijn wil te kennen heeft gegeven om hoger beroep in te stellen, kennis werd gegeven in een taal die hij begrijpt, van de verplichting om dat grievenformulier of dat verzoekschrift binnen de voormelde termijn in te dienen, kan de appelrechter hem niet, met toepassing van artikel 204 Wetboek van Strafvordering, van dat hoger beroep vervallen verklaren, op straffe van hem het recht op toegang tot de rechter te ontzeggen. Het arrest, dat de door de eiser aangevoerde overmacht afwijst, zonder acht te slaan op de door hem opgeworpen omstandigheden, schendt artikel 6.1 EVRM in de uitlegging die het Europees Hof daarvan geeft”
(22). 30. Verder stelde het Hof, op 20 oktober 2020; “Indien niet blijkt dat de beklaagde door de directeur van de gevangenis of zijn afgevaardigde of op enig andere wijze was ingelicht over de verplichting een grievenschrift in te dienen en dit tijdig te doen dan wel dat de beklaagde tijdens de procedure die heeft geleid tot de verstekbeslissing waartegen hij hoger beroep wil instellen of bij het instellen van dit rechtsmiddel werd bijgestaan door een raadsman en er dus redelijkerwijze kan worden aangenomen dat die raadsman hem ter zake heeft voorgelicht, kan het appelgerecht het hoger beroep van die beklaagde niet vervallen verklaren wegens het niet of het niet tijdig indienen van een grievenschrift. Het arrest verklaart eisers hoger beroep vervallen wegens het niet indienen van een grievenschrift, zonder evenwel vast te stellen dat de eiser betreffende die verplichting op enige wijze was ingelicht dan wel bijstand van een raadsman genoot in de voorafgaande procedure of bij het instellen van het hoger beroep. Die beslissing is niet naar recht verantwoord”
(23).
  1. Uit het ontvangen van het grievenformulier in de gevangenis kan de appelrechter dus niet zomaar afleiden dat de beklaagde weet wat die formaliteit precies inhoudt, indien hij geen bijstand heeft van een advocaat en hij ook geen mondelinge of schriftelijke toelichting ontving, in een voor hem begrijpbare taal, over de verplichting nauwkeurige grieven aan te voeren na het instellen van hoger beroep.
  2. Het weten wat het grievenformulier inhoudt, waarvoor die formaliteit dient, is essentieel. Minister van Justitie Koen Geens stelde daarover: “Een bij koninklijk besluit bepaald formulier zal ter beschikking worden gesteld van de eisers in beroep in de griffies, gevangenissen, enz. teneinde zij die noch een advocaat noch een ruime scholing hebben de mogelijkheid te bieden zich bewust te worden van de draagwijdte van de akte van hoger beroep en van de mogelijkheid om die te beperken”
(24).
  1. De voorwaarde van het inschatten van de draagwijdte van het hoger beroep heeft alleen maar zin als de aangehouden beklaagde zonder advocaat die de procestaal niet begrijpt, op enigerlei manier kennis krijgt van het doel van het grievenformulier dat hij in de gevangenis ontvangt, en van de eraan verbonden sancties. Het is dan ook van belang dat de rechter concreet nagaat of de beklaagde zonder raadsman de nodige informatie kreeg over de verplichting van het grievenformulier, in een taal die hij begrijpt, zonder dat die informatie juridische informatie inhoudt over het al dan niet aankruisen van rubrieken in dat formulier. Bij twijfel past het de zaak in hoger beroep te behandelen, als het hoger beroep naar vorm en termijn ontvankelijk is (art. 203 Sv.).
  2. De appelrechters hebben niet concreet onderzocht of eiser, niet bijgestaan door een raadsman, in staat was om het grievenformulier te begrijpen en werd gewezen op de sanctie verbonden aan het laattijdig indienen van dit formulier. Het oordeel dat eiser op de hoogte was of ‘minstens op de hoogte kon zijn’ (bz. 8) van de verplichting gesteld in art. 204 Sv. lijkt mij niet te zijn gebaseerd op enige kennisgeving in een taal die de aangehouden beklaagde zonder raadsman begrijpt, nadat tegen hem een verstekvonnis is uitgesproken.
  3. Het bestreden arrest leidt de kennis over het nauwkeurig formuleren van grieven binnen de termijn van het hoger beroep alleen af uit het ontvangen van het grievenformulier in de gevangenis, het raadplegen van een advocaat meer dan een maand na het aantekenen van hoger beroep, het omvangrijk strafregister van eiser en een hoger beroep dat eiser eerder had ingesteld tegen een Franstalig veroordelend vonnis. Deze redenen laten m.i. niet toe te oordelen dat eiser zich niet op overmacht kon beroepen om te voldoen aan de verplichting om het grievenformulier tijdig in te dienen. Het eerste onderdeel is dan ook gegrond. 4.
  4. Afstand van het recht op toegang tot de rechter
  5. Mij lijkt dat het bestreden arrest ook weinig of geen aandacht schenkt aan het feit dat eiser uiteindelijk tweemaal is berecht zonder een debat op tegenspraak. Het is niet duidelijk of eiser, niet bijgestaan door een advocaat, in de gevangenis informatie kreeg over het verschil tussen verzet en hoger beroep. Het is niet uitgesloten dat er foutieve informatie over rechtsmiddelen is meegedeeld, aangezien de akte van hoger beroep als de bestreden beslissing vermeldt ‘vonnis op tegenspraak’, in plaats van verstekvonnis.
  6. Het bestreden arrest neemt aan (blz. 8) dat beklaagde zich niet op overmacht kan beroepen en het verval van zijn hoger beroep geen schending inhoudt van artikel 6.1 EVRM. Deze visie lijkt mij moeilijk verenigbaar met de rechtspraak van het Europees Hof te Straatsburg over het recht op toegang tot de rechter, en de voorwaarden voor afstand van dit recht
(25). Een beklaagde die zonder een proces op tegenspraak is berecht, kan geen schending aanvoeren van art. 6.1 EVRM, wanneer hij uitdrukkelijk of stilzwijgend afstand deed van die waarborg. Uit geen enkel stuk blijkt dat eiser uitdrukkelijk afstand deed van een proces in hoger beroep over de grond van de zaak, door een mondelinge of schriftelijke verklaring die inhield dat hij geen grievenformulier zou indienen, binnen de termijn van hoger beroep. 38. Er rest nog de vraag of het laten verstrijken van de termijn om het grievenformulier in te dienen wijst op stilzwijgende afstand van het recht op hoger beroep. Het Europees Hof te Straatsburg verbindt aan een geldige afstand van een proceswaarborg de dubbele voorwaarde dat die afstand ondubbelzinnig is en gepaard gaat met een minimum aan informatie. Van belang is dat de beklaagde vrijwillig en met kennis van zaken afstand doet van zijn recht op toegang tot de rechter
(26). Het moet blijken dat hij redelijkerwijze kon voorzien wat het gevolg is van een verzuim een proceshandeling te stellen voor het recht op toegang tot de rechter
(27). 39. Over het recht op informatie over procesregels in een taal die de beklaagde begrijpt valt het verschil op tussen het verzet en het hoger beroep. Wanneer de beklaagde bij verstek is veroordeeld, en hij verzet wil instellen, dient hij de nodige informatie te bekomen over de termijnen en de vormvereisten van het verzet, om het recht op toegang tot de rechter te verzekeren. In de zaken Hakimi t/België en Faniel t/België benadrukte het Europees Hof dat afwezige beklaagden recht hebben op informatie over termijnen en vormvereisten rondom het rechtsmiddel van verzet, om te voldoen aan de waarborg van een eerlijk proces (art. 6 EVRM)
(28). Het Hof en het Grondwettelijk Hof oordeelden in dezelfde zin. De bij verstek veroordeelde moet minstens informatie krijgen over de inhoud van de verstekbeslissing en het tijdig aantekenen van verzet, klaar en duidelijk, in een taal die hij begrijpt
(29). Daarbij is er geen informatie nodig over de inhoud van de beslissing, gezien die informatie toekomt aan een advocaat, maar wel over de mogelijkheid een rechtsmiddel in te stellen, en de eraan verbonden voorwaarden
(30). 40. Het College van procureurs-generaal heeft sindsdien een model opgesteld voor de betekening van het verstekvonnis in meerdere talen, opgenomen in de Omzendbrief Coll. 5/2008
(31). De bij verstek veroordeelde beklaagde ontvangt daarbij informatie over alle rechtsmiddelen. De Omzendbrief heeft een rubriek (III) “Tegen een veroordeling bij verstek in eerste aanleg kan hoger beroep aangetekend worden”, met daarin een toelichting over de termijn van hoger beroep en het tijdig indienen van een formulier met nauwkeurige grieven (blz. 8). Ook die informatie is beschikbaar in verschillende talen. Uit de stukken blijkt evenwel niet dat eiser, hoewel veroordeeld bij verstek, in de gevangenis kennis kreeg van het formulier gehecht aan Coll. 5/2008 in de Franse taal
(32). Evenmin blijkt dat eiser bij het ontvangen van het grievenformulier, daags na zijn hoger beroep, mondeling kennis kreeg van de verplichting dit formulier binnen de termijn van hoger beroep in te dienen, op straffe van verval van het hoger beroep. Ook om die reden is het eerste onderdeel m.i. gegrond. 4.
  1. Het indienen van het grievenschrift na de situatie van overmacht
  2. Indien het niet-indienen van het grievenschrift in de gevangenis als overmacht kan beschouwd worden, wegens het ontbreken van informatie in een taal die de beklaagde begrijpt, rijst de vraag wanneer de situatie van overmacht ophield, en eiser alsnog aan zijn plicht moest voldoen om een grievenschrift in te dienen. Overmacht kent aan de eiser in hoger beroep alleen een langere periode toe om een grievenschrift in te dienen, zolang de overmacht duurt, zonder hem van die verplichting vrij te stellen
(33). In zaak P.19.0951.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191203.2N.11 voerde de eiser in cassatie aan dat als er sprake is van overmacht, geen enkele bepaling voorschrijft dat er een nieuwe termijn van 30 dagen loopt om alsnog een grievenschrift in te dienen, waarbij die nieuwe termijn loopt van zodra de vastgestelde overmachtssituatie is opgehouden. Het Hof oordeelde op 3 december 2019 dat uit de aard van het overmachtsbegrip volgt dat indien overmacht een appellant heeft belet tijdig een verzoekschrift als bedoeld door art. 204 Sv. in te dienen, er van zodra de overmachtstoestand is opgehouden een nieuwe termijn aanvangt om alsnog aan die verplichting te voldoen
(34). Mij komt voor dat eiser aan deze voorwaarde heeft voldaan. Uit de stukken blijkt dat eiser voor het eerst in de procedure werd bijgestaan door Mr. E. Vereecke, die aangaf dat zij op 21 mei 2021 werd geraadpleegd (st. 8). Het grievenformulier werd afgegeven aan de griffier van de rechtszitting op 14 juni 2021 (st. 14). 4.
  1. Besluit
  2. Mij komt voor dat de appelrechters geen rekening hielden met de beginselen die het Hof heeft vooropgesteld over het recht op toegang tot de rechter en overmacht die een beklaagde zonder advocaat kan inroepen, wanneer hij in de gevangenis het grievenformulier ontvangt. Het eerste onderdeel is aldus gegrond. De overige onderdelen kunnen niet leiden tot een cassatie zonder verwijzing en behoeven aldus geen antwoord. Er is daarom grond tot cassatie met verwijzing van de zaak. _________________________________
(1)Zie alg. S. VAN OVERBEKE, “Verzet en hoger beroep in strafzaken na de wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie (Potpourri II), tweede deel”, RW 2015-16, 1442-1459; E. VAN DOOREN en M. ROZIE, "Het hoger beroep in strafzaken in een nieuw kleedje", NC 2016, 115-133, nr. 16-17; T. DE MEESTER, “Bepalingen betreffende het hoger beroep”, in Potpourri II- Strafrecht en strafprocesrecht, Intersentia, 2016, 133-153; B. MEGANCK, “Grieven in hoger beroep en de revival van artikel 204 Wetboek van Strafvordering: hoe precies moet nauwkeurig zijn?”, T. Strafr. 2017, 44; B. MEGANCK, “Grieven in hoger beroep en de revival van artikel 204 Wetboek van Strafvordering: nauwkeurig is niet overdreven formalistisch en niet overdreven soepel in te vullen”, T. Strafr. 2017, 139-143; B. MEGANCK, “Grieven in hoger beroep en de revival van art. 204 Sv., ‘tris’: Het Hof van Cassatie bepaalt nu heel duidelijk: nauwkeurig is niet overdreven soepel, maar vooral niet overdreven formalistisch in te vullen”, T. Strafr. 2017, 220-224; Ph. TRAEST en J. MEESE, “De rechtsmiddelen verzet en hoger beroep: actualia”, in Strafrecht en strafprocesrecht: doel of middel in een veranderende samenleving, Kluwer, 2017, 560-580; S. VAN OVERBEKE, “Nieuwe regels voor het hoger beroep in strafzaken: kroniek van een aangekondigde rechtspraak”, RW 2017-18, 882-889; M. ROZIE, “Niet gegriefd door de grieven”, NC 2018, 44-46; E. VAN DOOREN, “De grievenopgave bij het instellen van hoger beroep: onfortuinlijke dichotomie?, in 50 jaar Gerechtelijk Wetboek: wat nu? Hommage aan E. Krings en M. Storme, Larcier, 2018, 729-755; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina, 2019, 1423-1426; M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, 1706-1722.
(2)Cass. 19 december 2018 AR P.18.0824.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181219.4, AC 2018, nr. 726; Cass. 6 juni 2018, AR P.18.0324.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180606.3, AC 2018, nr. 359; Cass. 27 september 2017, AR P.17.0257.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170927.2, AC 2017, nr. 502; Cass. 28 juni 2017, AR P.17.0176.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170628.4, AC 2017, nr. 427, §6, met concl. van advocaat-generaal M. NOLET DE BRAUWERE op datum in Pas.; Cass. 18 oktober 2016, AR P.16.0818.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161018.4, AC 2016, nr. 584, met concl. van advocaat-generaal A. WINANTS.
(3)Cass. 29 mei 2019, AR P.18.0636.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190529.1, AC 2019, nr. 334, JT 2019 612 noot C. YURT; Cass. 11 september 2018, AR P.18.0044.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180911.3, AC 2018, nr. 457; Cass. 28 juni 2017, AR P.17.0176.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170628.4, AC 2017, nr. 427 met concl. van advocaat-generaal M. NOLET DE BRAUWERE op datum in Pas. M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, 1707.
(4)Cass. 13 november 2019, AR P.19.0684.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191113.2, AC 2019, nr. 590; Cass. 16 mei 2018, AR P.17.1086.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180516.1, AC 2018, nr. 309, met concl. van advocaat-generaal. M. NOLET DE BRAUWERE op datum in Pas.; Cass. 27 februari 2018, AR P.18.0021.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180227.7, AC 2018, nr. 131; Cass. 6 februari 2018, AR P.17.0457.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180206.1, AC 2018, nr. 75; Cass. 27 september 2017, AR P.17.0647.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170927.6, AC 2017, nr. 506; Cass. 18 april 2017, AR P.17.0031.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.4, AC 2017, nr. 262; T. Strafr. 2017, 212 noot B. MEGANCK; Cass. 1 februari 2017, AR P.16.1100.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170201.9, AC 2017, nr. 78; Cass. 18 oktober 2016, AR P.16.0818.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161018.4, AC 2016, nr. 584, met concl. van advocaat-generaal. A. WINANTS. Zie ook GwH 21 december 2017, arrest 148/2017, B.44; GwH 18 januari 2018, arrest 2/2018, B.9.1, www.const-court.be.
(5)E. VAN DOOREN en C. VAN DEUREN, “Strafrechtelijke noviteiten in de Potpourri IV-wet”, NC 2018, 133-140; M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D.VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, 1705.
(6)Cass. 12 oktober 2021, AR P.21.0937.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211012.2N.10, AC 2021, nr. 634; Cass. 3 mei 2017, AR P.17.0145.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170503.4, AC 2017, nr. 305 met concl. van advocaat-generaal. M. NOLET DE BRAUWERE op datum in Pas.; Cass. 18 april 2017, AR P.17.0087.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.5, AC 2017, nr. 263; Cass. 28 februari 2017, AR P.16.1177.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170228.5, AC 2017, nr. 141 met concl. van advocaat-generaal L. DECREUS. Zie M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, 1710.
(7)College van procureurs-generaal, 17 februari 2016, Omzendbrief 6/2016 betreffende het hoger beroep in strafzaken, p. 3, www.om-mp.be
(8)Cass. 12 oktober 2021, AR P.21.0937.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211012.2N.10, AC 2021, nr. 634; Cass. 8 september 2020, AR P.20.0630.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200908.2N.1, AC 2020, nr. 509; Cass. 28 april 2020, AR P.20.0247.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200428.2N.3, AC 2020, nr. 254; Cass. 10 maart 2020, AR P.20.0034.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200310.2N.11, AC 2020, nr. 177, met concl. OM; Cass. 4 juni 2019, AR P.19.0237.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190604.7, AC 2019, nr. 347; Cass. 5 maart 2019, AR P.18.1158.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190305.1, AC 2019, nr. 139; Cass. 5 maart 2019, AR P.18.1222.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190305.2, AC 2019, nr. 140; Cass. 24 januari 2018, AR P.17.1070.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180124.3, AC 2018, nr. 53; Cass. 4 april 2017, AR P.17.0023.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170404.2, AC 2017, nr. 245.
(9)Cass. 12 oktober 2021, AR P.21.0937.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211012.2N.10, AC 2021, nr. 634; Cass. 8 september 2020, AR P.20.0630.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200908.2N.1, AC 2020, nr. 509; Cass. 11 september 2018, AR P.18.0044.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180911.3, AC 2018, nr. 457; Cass. 18 april 2017, AR P.17.0147.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.11, AC 2017, nr. 266, T. Strafr. 2017, 217 noot B. MEGANCK; Cass. 18 april 2017, AR P.17.0105.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.6, AC 2017, nr. 264; T. Strafr. 2017, 215 noot B. MEGANCK; Cass. 18 april 2017, AR P.17.0087.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.5, AC 2017, nr. 263, T. Strafr. 2017, 213 noot B. MEGANCK; Cass. 4 april 2017, AR P.17.0023.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170404.2, AC 2017, nr. 245 met noot A. WINANTS. Zie ook EHRM 26 december 2006, Labergère t/Frankrijk, §24; EHRM, 26 juli 2007, Walchili t. Frankrijk, §29; EHRM 13 november 2011, Evaggelou t/Griekenland, §23-24; EHRM 8 maart 2012, Célice t/Frankrijk, §34-35; EHRM 12 juli 2016, Reichman t/Frankrijk, §30, www.echr.coe.int.
(10)Cass. 11 september 2018, AR P.18.0044.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180911.3, AC 2018, nr. 457; Cass. 18 april 2017, AR P.17.0105.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.6, AC 2017, nr. 264, T. Strafr. 2017, 215 noot B. MEGANCK; Cass. 4 april 2017, AR P.17.0023.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170404.2, AC 2017, nr. 245 met noot A. WINANTS. Zie ook M. NOLET DE BRAUWERE met concl. op datum in Pas., in de zaak P.18.0232.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180530.2 van Cass. 30 mei 2018, Pas. 2018, nr. 344.
(11)Cass. 12 oktober 2021, AR P.21.0937.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211012.2N.10, AC 2021, nr. 634; Cass. 20 oktober 2020, AR P.19.1255.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201020.2N.14, AC 2020, nr. 645, RW 2021-22, 518.
(12)College van procureurs-generaal, 17 februari 2016, Omzendbrief 6/2016 betreffende het hoger beroep in strafzaken, p. 5, www.om-mp.be.
(13)Cass. 8 september 2020, AR P.20.0630.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200908.2N.1, AC 2020, nr. 509, RO 14; Cass. 3 december 2019, AR P.19.0951.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191203.2N.11, RW 2020-21, 1540; Cass. 4 september 2019, AR P.19.0423.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190904.2, AC 2019, nr. 435, met concl. van advocaat-generaal. M. NOLET DE BRAUWERE, op datum in Pas.; Cass. 27 september 2017, AR P.17.0647.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170927.6, AC 2017, nr. 506, T. Strafr. 2017, 375 noot B. MEGANCK; Cass. 31 januari 2017, AR P.16.1004.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170131.5, AC 2017, nr. 74, NC 2017, 276, met concl. van advocaat-generaal. R. MORTIER, RABG 2017, 1046 noot W. DE PAUW, “Laattijdige neerlegging grievenschrift en overmacht”.
(14)Cass. 8 september 2020, AR P.20.0630.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200908.2N.1, AC 2020, nr. 509, RO 14; Cass. 27 september 2017, AR P.17.0647.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170927.6, AC 2017, nr. 506.
(15)Cass. 20 november 2019, AR P.19.0874.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191120.8, AC 2019, nr. 612; Cass. 13 november 2019, AR P.19.0984.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191113.5, AC 2019, nr. 593. Zie M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, 1708.
(16)In die zin Cass. 12 oktober 2021, AR P.21.0937.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211012.2N.10, AC 2021, nr. 634, Cass. 8 september 2020, AR P.20.0630.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200908.2N.1, AC 2020, nr. 509. Zie ook E. VAN DOOREN en M. ROZIE, "Het hoger beroep in strafzaken in een nieuw kleedje", N.C. 2016, 118.
(17)Cass. 8 september 2020, AR P.20.0630.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200908.2N.1, AC 2020, nr. 509, RO 10; Cass. 4 juni 2019, AR P.19.0237.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190604.7, AC 2019, nr. 347; Cass. 30 mei 2018, AR P.18.0232.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180530.2, AC 2018, nr. 344.
(18)S. VAN OVERBEKE, “Verzet en hoger beroep in strafzaken na de wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie (Potpourri II), tweede deel”, RW 2015-16, 1447-1448.
(19)Zie hierover S. VAN OVERBEKe, “Een nieuw middel van grievenformulier voor het hoger beroep in strafzaken: ander en beter?”, RW 2017-18, 802; M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, 1709.
(20)Cass. 18 april 2017, AR P.17.0087.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.5, T. Strafr. 2017, 213, RO 5 noot B. MEGANCK; Cass. 18 april 2017, AR P.17.0105.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.6, AC 2017, nr. 264, T. Strafr. 2017, 215, noot B. MEGANCK; Cass. 18 april 2017, AR P.17.0147.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.11, AC 2017, nr. 266, T. Strafr. 2017, 217 (ambtshalve middel) noot B. MEGANCK. Zie ook E. VAN DOOREN en M. ROZIE, "Het hoger beroep in strafzaken in een nieuw kleedje", N.C. 2016, 118, met verwijzing naar de memorie van toelichting van de Wet van 5 februari 2016 (BS 19 februari 2016), nl. Parl. St. Kamer 2015-16, nr. 1418/1, 85.
(21)BS 1 december 2017, p. 106736. Zie eveneens College van procureurs-generaal, Omzendbrief 5/2016 van 17 februari 2016 betreffende het hoger beroep in strafzaken, www.om-mp.be.
(22)Cass. 18 april 2018, AR P.18.0125.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180418.3, AC 2018, nr. 247, RDPC 2018, 893. In dezelfde zin Cass. 30 mei 2018, AR P.18.0232.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180530.2, AC 2018, nr. 344 met concl. van advocaat-generaal M. NOLET DE BRAUWERE, op datum in Pas.; Cass. 4 september 2019, AR P.19.0423.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190904.2, AC 2019, nr. 435 met concl. van advocaat-generaal M. NOLET DE BRAUWERE, op datum in Pas..
(23)Cass. 20 oktober 2020, AR P.19.1255.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201020.2N.14, AC 2020, nr. 645 , RW 2021-22, 518.
(24)Wetsontwerp houdende wijzigingen van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie, 23 oktober 2015, Parl. St. Kamer, Doc 54-1418/001, p. 85.
(25)EHRM 25 februari 1992, Pfeifer en Plankl t/Oostenrijk, §37; EHRM 1 maart 2006, Sejdovic t/Italië, §86; EHRM 18 oktober 2006, Hermi t/Italië, §74; EHRM 1 maart 2011, Faniel t/België, §30, EHRM 12 februari 2015, Sanader t/Kroatië, §72; EHRM 8 juni 2021, Dijkhuizen t/Nederland, §58 www.echr.coe.int. Zie F. KUTY, Justice pénale et procès équitable, Larcier, Vol. 1, 295-357; A. BAILLEUX, Afstand van recht in de strafprocedure, Antwerpen, Intersentia, 2019, 284-315.
(26)EHRM 1 maart 2006, Sejdovic t/Italië, §86; EHRM 18 oktober 2006, Hermi t/Italië, §74; EHRM 1 maart 2011, Faniel t/België, §30, EHRM 22 mei 2012, Idalov t/Rusland, §173 en 177, EHRM 12 februari 2015, Sanader t/Kroatië, §78; EHRM 8 juni 2021, Dijkhuizen t/Nederland, §58 www.echr.coe.int. Zie A. BAILLEUX, Afstand van recht in de strafprocedure, Antwerpen, Intersentia, 2019, 284-315. Ook de afstand van andere proceswaarborgen moet met kennis van zaken gebeuren (EHRM 25 maart 2021, Di Martino en Molinari t/Italië, §36, www.echr.coe.int, over een vereenvoudigde procedure zonder mogelijkheid getuigen op te roepen, en EHRM 3 september 2009, Pishchalnikov t/Rusland, §77-79; EHRM 20 oktober 2015, Dvorski t/Kroatië, §100-101, www.echr.coe.int over het recht op bijstand van een advocaat tijdens het verhoor).
(27)EHRM 1 maart 2011, Faniel t/België, §26-34, www.echr.coe.int
(28)EHRM 29 juni 2010, Hakimi/België, §35-36; EHRM 1 maart 2011, Faniel/België, §30, www.echr.coe.int
(29)Cass. 26 november 2019, AR P.19.0556.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191126.2N.10, AC 2019, nr. 624; Cass. 28 juni 2017, AR P.17.0490.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170628.2, AC 2017, nr. 428; Cass. 9 maart 2016, AR P.15.1679.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160309.3, Pas. 2016, nr. 168, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, en T.Strafr. 2016, 236, noot T. DECAIGNY; Cass. 23 februari 2011, AR P.10.2047.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110223.2, AC 2011, nr. 161, T. Strafr. 2011, 207, noot C. VAN DEUREN, RW, 2012-2013, p. 215, noot B. DE SMET; GwH 11 oktober 2018, arrest 134-2018, www.const-court.be. Zie ook K. VEECKMANS, “Buitengewoon verzet: een adequaat rechtsmiddel?”, NC 2019 (apart nr. van de NC-prijs), 25-27.
(30)EHRM 1 maart 2011, Faniel t/België, §30, www.echr.coe.int. Zie ook EHRM 18 oktober 2006, Hermi t/Italië, §74; EHRM 8 juni 2021, Dijkhuizen t/Nederland, §58, www.echr.coe.int.
(31)College van procureurs-generaal van 2 februari 2017, Herziene versie van Coll. 5/2008, “Richtlijn inzake kennisgeving van zijn rechten aan een al dan niet in het Rijk of in het buitenland in hechtenis verkerende bij verstek veroordeelde persoon”, www.om-mp.be.
(32)Het dossier bevat de opdracht van de afdelingsprocureur Oost-Vlaanderen, afd. Dendermonde van 30 januari 2020, gericht aan de gevangenisdirecteur, om het verstekvonnis van 23 december 2019 aan eiser te betekenen, met de vermelding dat bij de betekening gebruik moet worden gemaakt van de tekst “Kennisgeving betreffende de rechten van de persoon die in België bij verstek veroordeeld werd” (Bijlage Col 5/2008), zonder dat die bijlage aan de brief is gehecht (stuk 4 dossier tweede aanleg). De akte van betekening van het verstekvonnis aan eiser in de gevangenis, op 5 februari 2020, bevat alleen de vermelding dat eiser kennis kreeg van het uittreksel van het vonnis.
(33)Cass. 20 november 2019, AR P.19.0874.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191120.8, AC 2019, nr. 612; Cass. 13 november 2019, AR P.19.0984.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191113.5, AC 2019, nr. 593. Zie M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, 1708.
(34)Cass. 3 december 2019, AR P.19.0951.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191203.2N.11, AC 2019, nr. 651, RW 2020-21,
  1. In dezelfde zin Cass. 20 november 2019, AR P.19.0874.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191120.8, AC 2019, nr.
  2. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220118.2N.1 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220118.2N.1 citeert: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110223.2 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160309.3 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161018.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170131.5 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170201.9 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170228.5 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170404.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.11 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.5 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.6 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170503.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170628.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170628.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170927.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170927.6 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180124.3 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180206.1 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180227.7 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180418.3 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180516.1 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180530.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180606.3 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180911.3 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181219.4 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190305.1 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190305.2 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190529.1 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190604.7 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190904.2 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191113.2 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191113.5 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191120.8 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191126.2N.10 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191203.2N.11 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200310.2N.11 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200428.2N.3 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200908.2N.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201020.2N.14 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211012.2N.10 precedenten: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220510.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.