← België

PROCUREUR-GENERAAL TE GENT contra A.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 18 januari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220118.2N.20 Rolnummer: P.21.1692.N Zaak: PROCUREUR-GENERAAL TE GENT contra A. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Unierecht - Strafrecht - Constitutioneel recht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2022-03-10 Raadplegingen: 378 - laatst gezien 2026-06-17 05:27 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220118.2N.20 Fiche 1 Artikel 1.2 van het Kaderbesluit 2002/584/JBZ van 13 juni 2002 van de Raad betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten bepaalt dat de lidstaten zich ertoe verbinden om op grond van het beginsel van wederzijdse erkenning en overeenkomstig de bepalingen van dit kaderbesluit elk Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen; volgens artikel 2.1 Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel is onder de in die bepaling vermelde voorwaarden overlevering op grond van een Europees aanhoudingsbevel mogelijk zonder toetsing van de dubbele strafbaarheid van het feit maar artikel 2.4 Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel bepaalt als uitzondering op het in artikel 2.1 geformuleerde principe dat ten aanzien van andere dan de in lid 2 van dit artikel bedoelde strafbare feiten de overlevering afhankelijk kan worden gesteld van de voorwaarde dat het Europees aanhoudingsbevel berust op een naar het recht van de uitvoerende lidstaat strafbaar feit en dit ongeacht de bestanddelen of de kwalificatie ervan

(1).
(1)Zie deels andersluidende concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Artt. 1.2, 2.1 en 2.4 Fiche 2 Uit artikel 5, § 1, Wet Europees Aanhoudingsbevel volgt dat de tenuitvoerlegging wordt geweigerd ingeval het feit waarop het Europees aanhoudingsbevel betrekking heeft krachtens het Belgische recht niet strafbaar is, maar artikel 5, § 2, Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalt dat paragraaf 1 niet van toepassing is ingeval het gaat om één van de in paragraaf 2 vermelde strafbare feiten, voor zover deze in de uitvaardigende lidstaat met een maximale vrijheidsbenemende straf van minimaal drie jaar worden bestraft. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 5, §§ 1 en 2 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Fiches 3 - 5 Uit de artikelen 16, § 1, tweede lid, en 17, § 4, eerste lid, laatste zin, Wet Europees Aanhoudingsbevel volgt dat het onderzoeksgerecht dat uitspraak moet doen over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel, daartoe onder meer nagaat of een van de weigeringsgronden omschreven in de artikelen 4 tot 6 moet worden toegepast waarbij de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat de strafbaarheid van het feit volgens het recht van de uitvoerende lidstaat moet beoordelen op het tijdstip van de beslissing over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel hetgeen volgt uit het in artikel 1, lid 2, Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel vervatte principe van de verplichting tot overlevering en het uitgangspunt van de wederzijdse erkenning, alsook uit het gebruik van de respectieve begrippen “constituent” en “constitute” in de Franse en Engelse tekst van artikel 2.4 Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel
(1).
(1)Zie deels anderluidende concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Wettelijke bepalingen: Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Artt. 1.2 en 2.4 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Artt. 4 tot 6, 16, § 1, tweede lid, en 17, § 4, eerste lid - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Artt. 1.2 en 2.4 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Artt. 4 tot 6, 16, § 1, tweede lid, en 17, § 4, eerste lid - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Artt. 1.2 en 2.4 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Artt. 4 tot 6, 16, § 1, tweede lid, en 17, § 4, eerste lid - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Fiches 6 - 9 De door artikel 5, § 1, Wet Europees Aanhoudingsbevel gestelde vereiste van dubbele incriminatie houdt in dat het feit waarvoor de uitvaardigende staat een Europees aanhoudingsbevel heeft verleend ook door de Belgische wet strafbaar is gesteld en de dubbele strafbaarstelling bedoelt de essentie van het feit zodat het niet vereist is dat de kwalificatie van het feit in de beide wetgevingen dezelfde is noch dat het strafbare feit volgens de beide wetgevingen een misdrijf oplevert met dezelfde constitutieve bestanddelen en die beoordeling moet abstract gebeuren in die zin dat de strafbaarheid van de feitelijke gedraging los staat van de mogelijkheid tot bestraffing van de dader en er derhalve geen rekening moet worden gehouden met strafuitsluitings- of strafverschoningsgronden of met vervolgingsbeletsels en bij dat onderzoek evenmin enige strafdrempel in acht moet worden genomen; de bevoegde overheid van de uitvoerende lidstaat moet onderzoeken of in geval van een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd met het oog op strafuitvoering de feitelijke elementen die aan de oorsprong liggen van de strafbare feiten die hebben geleid tot het in de uitvaardigende lidstaat uitgesproken veroordelend vonnis, kunnen worden bestraft volgens het recht van de uitvoerende staat en daaruit volgt dat de autoriteit van de uitvoerende lidstaat zich voor dat onderzoek dient te steunen op de feitelijke elementen weergegeven in het veroordelend vonnis; het onderzoeksgerecht dient het onderzoek naar de dubbele strafbaarheid ambtshalve te verrichten en dus ongeacht of het daartoe uitdrukkelijk is gevorderd door het openbaar ministerie en het kan dat onderzoek ook niet beperken tot die misdrijven waaruit volgens het openbaar ministerie het voldaan zijn aan de vereiste van de dubbele strafbaarheid volgt
(1).
(1)Zie deels andersluidende concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 5, § 1 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 5, § 1 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 5, § 1 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Fiches 10 - 12 Hoewel de rechter het verheerlijken van terrorisme en de vernedering van slachtoffers ervan kan betrekken bij een onderzoek naar het bewezen zijn van het door artikel 140, § 1, en § 1/1, Strafwetboek bedoelde misdrijf, levert het enkele feit van de verheerlijking van terrorisme en de vernedering van de slachtoffers ervan niet het door deze strafbepaling bedoelde misdrijf op
(1).
(1)Zie deels andersluidende concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: TERRORISME Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 140, § 1, en § 1/1 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 140, § 1, en § 1/1 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 140, § 1, en § 1/1 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 13 - 16 Uit de wetsgeschiedenis van artikel 140bis Strafwetboek zoals gewijzigd bij artikel 76, 1° en 2°, van de wet van 5 mei 2019, volgt dat het de bedoeling is het Belgische interne recht in overeenstemming te brengen met de Richtlijn (EU) 2017/541 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 inzake terrorismebestrijding en dat de wetgever van oordeel was dat de verheerlijking een vorm van onrechtstreekse aanzetting kan zijn, voor zover voldaan is aan de voorwaarden van artikel 140bis Strafwetboek, waarbij het evenwel niet opportuun geacht werd om de verwijzing naar de verheerlijking als een voorbeeld in artikel 140bis Strafwetboek op te nemen omdat dit niet optimaal werd geacht voor het definiëren van misdrijven; uit deze wetsgeschiedenis en de arresten nr. 9/2015 van 28 januari 2015 en nr. 31/2018 van 15 maart 2018 van het Grondwettelijk Hof volgt dat het door artikel 140bis Strafwetboek bedoelde misdrijf een bijzonder opzet vereist bestaande in het aanzetten tot het plegen van terroristische misdrijven en dat dit misdrijf bovendien vereist dat de handelingen het risico opleveren dat een terroristisch misdrijf mogelijk wordt gepleegd, zodat naar Belgisch recht de verheerlijking van terrorisme en de vernedering van de slachtoffers ervan als dusdanig niet strafbaar zijn, maar slechts een door artikel 140bis Strafwetboek bedoeld misdrijf kunnen opleveren mits is voldaan aan de vereisten van bijzonder opzet en risico
(1).
(1)Zie deels andersluidende concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: TERRORISME Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 140bis - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Richtlijn (EU) 2017/541 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 inzake terrorismebestrding - 15-03-2017 - Art. 5 Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 140bis - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Richtlijn (EU) 2017/541 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 inzake terrorismebestrding - 15-03-2017 - Art. 5 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 140bis - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Richtlijn (EU) 2017/541 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 inzake terrorismebestrding - 15-03-2017 - Art. 5 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 140bis - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Richtlijn (EU) 2017/541 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 inzake terrorismebestrding - 15-03-2017 - Art. 5 Fiches 17 - 24 Uit het arrest nr. 157/2021 van het Grondwettelijk Hof van 28 oktober 2021 volgt dat een verdergaande strafrechtelijke bescherming van de reputatie van de Koning door artikel 1 van de wet van 6 april 1847 “tot bestraffing van de beleedigingen aan den Koning”, in vergelijking met de strafrechtelijke bescherming van de reputatie van andere personen, zoals die wordt verzekerd door de artikelen 275 tot en met 277 en 444, 445, 448 en 449 Strafwetboek, niet bestaanbaar is met artikel 19 Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 10 EVRM; het arrest dat oordeelt dat de persoon om wiens overlevering wordt verzocht werd veroordeeld voor smaad en beledigingen van de Spaanse Kroon en dat die feiten in het interne Belgische recht door geen enkel andere bepaling dan door de wet van 6 april 1847 worden bestraft, zonder evenwel te onderzoeken of die feiten in het licht van het voormelde arrest nr. 157/2021 van het Grondwettelijk Hof van 28 oktober 2021 niet strafbaar zijn volgens de artikelen 275 tot en met 277 en 444, 445, 448 en 449 Strafwetboek is niet naar recht verantwoord
(1).
(1)Zie deels andersluidende concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: BELEDIGING EN SMAAD Wettelijke bepalingen: Wet 6 april 1847 tot bestraffing van de beleedigingen aan den Koning - 06-04-1847 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1847040650 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 19 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 10 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 275 tot en met 277 en 444, 445, 448 en 449 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 19 Wettelijke bepalingen: Wet 6 april 1847 tot bestraffing van de beleedigingen aan den Koning - 06-04-1847 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1847040650 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 19 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 10 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 275 tot en met 277 en 444, 445, 448 en 449 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 10 Wettelijke bepalingen: Wet 6 april 1847 tot bestraffing van de beleedigingen aan den Koning - 06-04-1847 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1847040650 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 19 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 10 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 275 tot en met 277 en 444, 445, 448 en 449 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Wettelijke bepalingen: Wet 6 april 1847 tot bestraffing van de beleedigingen aan den Koning - 06-04-1847 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1847040650 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 19 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 10 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 275 tot en met 277 en 444, 445, 448 en 449 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Wettelijke bepalingen: Wet 6 april 1847 tot bestraffing van de beleedigingen aan den Koning - 06-04-1847 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1847040650 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 19 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 10 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 275 tot en met 277 en 444, 445, 448 en 449 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wet 6 april 1847 tot bestraffing van de beleedigingen aan den Koning - 06-04-1847 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1847040650 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 19 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 10 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 275 tot en met 277 en 444, 445, 448 en 449 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: BELEDIGING EN SMAAD Wettelijke bepalingen: Wet 6 april 1847 tot bestraffing van de beleedigingen aan den Koning - 06-04-1847 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1847040650 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 19 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 10 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 275 tot en met 277 en 444, 445, 448 en 449 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: LASTER EN EERROOF Wettelijke bepalingen: Wet 6 april 1847 tot bestraffing van de beleedigingen aan den Koning - 06-04-1847 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1847040650 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 19 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 10 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 275 tot en met 277 en 444, 445, 448 en 449 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de conclusie P.21.1692.N Advocaat-generaal Alain Winants heeft in hoofdzaak gezegd: Procedurele antecedenten. 1. Deze zaak betreft de uitvaardiging door de Spaanse autoriteiten van twee Europese aanhoudingsbevelen, één van 25 mei 2018 en een aanvullend van 27 juni 2018, waarbij de tenuitvoerlegging wordt beoogd van de vrijheidsstraffen uitgesproken tegen J.M.A.B., met bijnaam V., door de Audiencia National bij arrest van 21 februari 2017, met name: - een gevangenisstraf van twee jaar voor het verheerlijken van terrorisme en vernedering van de slachtoffers ervan, strafbaar overeenkomstig de artikelen 578 en 579 van het Spaans strafwetboek (A), - een gevangenisstraf van één jaar voor laster en ernstige belediging van de Kroon, strafbaar overeenkomstig artikel 490.3 van het Spaans strafwetboek (B) en - een gevangenisstraf van zes maanden voor niet-voorwaardelijke bedreigingen, strafbaar overeenkomstig artikel 169.2 van het Spaans strafwetboek (C). Het gaat dus om een EAB met het oog op strafuitvoering. 2. Bij beschikking van de raadkamer van de rechtsbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 17 september 2018 werd de tenuitvoerlegging van het EAB geweigerd. Tegen deze beschikking werd hoger beroep aangetekend door het openbaar ministerie. Het hof van beroep velde in deze zaak ook twee tussenarresten waarin prejudiciële vragen werden gesteld aan het Hof van Justitie enerzijds en aan het Grondwettelijk Hof anderzijds. Ik kom in mijn uiteenzetting terug op de arresten die door deze twee bevraagde instanties werden gewezen, aangezien zij een doorslaggevende rol hebben gespeeld in de besluitvorming van het hof van beroep te Gent. Uiteindelijk bevestigde het hof van beroep te Gent bij arrest van 28 december 2021
(1)de bestreden beschikking. De procureur-generaal te Gent tekende cassatieberoep aan tegen dit arrest op 29 december
  1. Onderzoek van het middel.
  2. Het enig middel van de procureur-generaal bij het hof van beroep te Gent, dat enkel betrekking heeft op de weigering van de tenuitvoerlegging van het EAB voor de telastleggingen A en B, roept de schending in van de artikelen 5, § 1, 16, § 1, tweede lid, en 17, § 4, eerste lid van de Wet EAB en verwijt aan het arrest niet grondig te hebben nagegaan of de feiten die vermeld zijn in de stukken uitgaande van de Spaanse overheden strafbaar zijn overeenkomstig het Belgisch recht. Meer bepaald wordt met betrekking tot de feiten van de telastlegging A aangevoerd dat de betrokken persoon niet enkel het terrorisme verheerlijkt en de slachtoffers ervan vernedert, maar ook aanzet tot terrorisme, zodat de feiten in België kunnen worden bestraft overeenkomstig de artikelen 140 en 140bis Strafwetboek. Wat betreft de feiten van de telastlegging B baseren de appelrechters zich volgens de eiser enkel op de door de Spaanse overheden gebruikte kwalificatie, maar laten zij na te onderzoeken of deze feiten niet strafbaar zijn in België op basis van de artikelen 275 tot en met 277 en 444, 445, 448 en 449 van het Strafwetboek.
  3. Het Kaderbesluit 2002/584/JBZ van 13 juni 2002 van de Raad betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie vertrekt van een basispremisse, zijnde het wederzijds vertrouwen tussen deze lidstaten en derhalve de eruit voortvloeiende wederzijdse erkenning van hun strafrechtelijke beslissingen
(2). Dat heeft tot gevolg dat het Kaderbesluit in artikel 2.1 de overlevering op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) principieel en onder de voorwaarden van dat artikel mogelijk maakt zonder toetsing van de dubbele strafbaarheid van de feiten. Deze regels worden in het Kaderbesluit verder uitgewerkt , enerzijds in artikel 2.
  1. dat een lijst bepaalt van feiten die, wanneer ze strafbaar zijn met een maximale vrijheidsbenemende straf van minstens drie jaar, geen toetsing van de dubbele incriminatie vereisen, en anderzijds in artikel 2.4 dat voor andere strafbare feiten de mogelijkheid voorziet om de overlevering afhankelijk te stellen van het verwezenlijkt zijn van de dubbele strafbaarheid. De Belgische wet van 19 december 2003 heeft dit kaderbesluit geïmplementeerd in het Belgisch recht en heeft dus de regel van de niet-toetsing van de lijstfeiten opgenomen in artikel 5, § 2, met dezelfde strafdrempel en heeft voor de andere feiten het niet voorhanden zijn van de dubbele strafbaarheid in artikel 5, § 1 als een verplichte weigeringsgrond ingevoerd.
  2. Uit de artikelen 16, § 1, tweede lid, en 17, § 4, eerste lid, laatste zin, Wet Europees Aanhoudingsbevel volgt dat het onderzoeksgerecht dat uitspraak moet doen over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel, daartoe onder meer nagaat of één van de weigeringsgronden omschreven in de artikelen 4 tot 6 moet worden toegepast, waarbij de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat de strafbaarheid van het feit volgens het recht van de uitvoerende lidstaat moet beoordelen op het tijdstip van de beslissing over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel, hetgeen volgt uit het in artikel 1, lid 2, Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel vervatte principe van de verplichting tot overlevering en het uitgangspunt van de wederzijdse erkenning, alsook uit het gebruik van de respectieve begrippen “constituent” en “constitute” in de Franse en Engelse tekst van artikel 2.4 Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel. In de Franse versie wordt immers bepaald dat: “les faits pour lesquels le mandat d’arrêt européen a été émis constituent une infraction au regard du droit de l’Etat membre d’exécution”. In de Engelse versie wordt bepaald dat “the acts for which the European warrant has been issued constitute an offence under the law of the executing Member State”.
  3. De door artikel 5, § 1, Wet Europees Aanhoudingsbevel gestelde vereiste van dubbele incriminatie houdt in dat het feit waarvoor de uitvaardigende staat een Europees aanhoudingsbevel heeft verleend ook door de Belgische wet strafbaar is gesteld en de dubbele strafbaarstelling bedoelt de essentie van het feit zodat het niet vereist is dat de kwalificatie van het feit in de beide wetgevingen dezelfde is noch dat het strafbare feit volgens de beide wetgevingen een misdrijf oplevert met dezelfde constitutieve bestanddelen. Die beoordeling moet abstract gebeuren in die zin dat de strafbaarheid van de feitelijke gedraging los staat van de mogelijkheid tot bestraffing van de dader en er derhalve geen rekening moet worden gehouden met strafuitsluitings- of strafverschoningsgronden of met vervolgingsbeletsels en bij dat onderzoek evenmin enige strafdrempel in acht moet worden genomen. De bevoegde overheid van de uitvoerende lidstaat moet onderzoeken of in geval van een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd met het oog op strafuitvoering de feitelijke elementen die aan de oorsprong liggen van de strafbare feiten die hebben geleid tot het in de uitvaardigende lidstaat uitgesproken veroordelend vonnis, kunnen worden bestraft volgens het recht van de uitvoerende staat en daaruit volgt dat de autoriteit van de uitvoerende lidstaat zich voor dat onderzoek dient te steunen op de feitelijke elementen weergegeven in het veroordelend vonnis. Het onderzoeksgerecht dient het onderzoek naar de dubbele strafbaarheid ambtshalve te verrichten en dus ongeacht of het daartoe uitdrukkelijk is gevorderd door het openbaar ministerie en het kan dat onderzoek ook niet beperken tot die misdrijven waaruit volgens het openbaar ministerie het voldaan zijn aan de vereiste van de dubbele strafbaarheid volgt.
  4. Het is belangrijk te onderstrepen dat wat betreft de telastlegging A, zijnde het verheerlijken van terrorisme en het vernederen van de slachtoffers ervan, mijns inziens deze feiten -en alleszins het aspect verheerlijking van terrorisme- valt onder het lijstfeit 'terrorisme' zoals opgenomen in de lijst van artikel 2.1 Kaderbesluit en 5, § 2, Wet EAB. Dit houdt dus in dat er geen toets van de dubbele strafbaarheid dient te gebeuren, op voorwaarde evenwel dat de straf bepaald voor die feiten beantwoordt aan de strafdrempel van een maximale vrijheidsbenemende straf van minstens drie jaar. De feiten onder de telastlegging A waarvoor de persoon die het voorwerp uitmaakt van het EAB in Spanje is veroordeeld, werden ten tijde van het begaan ervan -2012 en 2013- gestraft met een maximale gevangenisstraf van 2 jaar bij toepassing van de artikelen 578 en 579 van het Spaanse strafwetboek. In 2015 kwam er een wetswijziging tot stand waarbij de straf werd gebracht van twee op drie jaar. Bij tussenarrest van 6 november 2018 stelde het hof van beroep te Gent dan ook twee prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie met betrekking tot de draagwijdte van artikel 2.2 van het Kaderbesluit EAB, zoals omgezet in Belgisch recht door artikel 5, § 1 van de Wet EAB. Het ging er met name om of het voorhanden zijn van de strafdrempel van 3 jaar door de uitvoerende Staat dient te worden beoordeeld op het ogenblik van het uitvaardigen van het EAB dan wel op het ogenblik van de feiten die aanleiding gaven tot het uitvaardigen van het EAB. Het Hof van Justitie besliste bij arrest van 3 maart 2020
(3)dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit de versie van het recht van de uitvaardigende lidstaat in aanmerking moet nemen die van toepassing was op de feiten die aanleiding geven tot het EAB. 8. Aangezien derhalve de strafbepalingen die in Spanje in voege waren vóór de wetswijziging van 2015 dienden te worden toegepast en overeenkomstig die bepalingen de strafdrempel van drie jaar niet bereikt werd, drong zich in casu een onderzoek op naar de dubbele strafbaarheid van de telastlegging "verheerlijking van terrorisme en vernedering van de slachtoffers ervan"
(4). De terrorismewetgeving in België heeft onder druk van de internationale gebeurtenissen en de Europese en internationale regelgeving een grote evolutie doorgemaakt
(5). De eiser stelt in zijn middel dat het hof van beroep te Gent heeft nagelaten te onderzoeken of de feiten zoals ze zijn omschreven in het EAB niet onder toepassing van de Belgische strafwet kunnen vallen, met name de artikelen 140 en 140bis Strafwetboek. Artikel 140 Strafwetboek heeft betrekking op misdrijven die in verband staan met een terroristische groep
(6), te weten artikel 140, § 1, dat de deelname aan de activiteiten van een dergelijke groep betreft en artikel 140, § 2, dat betrekking heeft op het leidend persoon zijn van een dergelijke groep
(7). Bij wet van 5 mei 2019
(8)werd een § 1/1 ingevoerd dat de deelname aan het nemen van beslissingen in het kader van deze terroristisch groep betreft. Uit de voorhanden zijnde rechtspraak
(9)blijkt dat bv. feiten van indoctrinatie, de apologie
(10)maken van terroristische organisaties
(11), kunnen worden beschouwd als deelname aan de activiteiten van een terroristische groep. Het komt mij voor dat de appelrechters uit de Spaanse EAB's en uit de begeleidende uiteenzetting van de feiten -waarin er sprake is van het verheerlijken van terroristische daden, het aandringen op het begaan ervan, het rechtvaardigen van terroristische acties van ETA en GRAPO, het aanzetten tot herhaling ervan- hoofdzakelijk de notie 'verheerlijking' in se hebben weerhouden, zonder na te gaan of alle vermelde elementen ook niet kunnen leiden tot het voorhanden zijn van het in België strafbaar gestelde misdrijf van 'deelname aan de activiteiten van een terroristische groep'. Het middel komt mij dus in zoverre gegrond over. 9. Dezelfde redenering dringt zich op -en mijns inziens met nog grotere pertinentie- voor wat betreft het rangschikken van de feiten waarvan sprake in de EAB's en de begeleidende uiteenzetting onder het misdrijf van artikel 140bis Strafwetboek. Artikel 140bis Strafwetboek
(12)werd ingevoerd bij wet van 18 februari 2013
(13)en bestraft de openbare aanzetting tot het plegen van een terroristisch misdrijf. Het artikel werd gewijzigd bij wet van 3 augustus 2016
(14)en nogmaals bij wet van 5 mei 2019
(15). Het artikel luidt thans als volgt: "Onverminderd de toepassing van artikel 140 wordt iedere persoon die een boodschap verspreidt of anderszins publiekelijk ter beschikking stelt met het oogmerk aan te zetten tot het plegen van één van de in de artikelen 137 of 140sexies bedoelde misdrijven, met uitzondering van het in artikel 137, § 3, 6°, bedoelde misdrijf, gestraft met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar en met een geldboete van honderd euro tot vijfduizend euro, wanneer dergelijk gedrag, ongeacht of het al dan niet rechtstreeks aanstuurt op het plegen van terroristische misdrijven, het risico oplevert dat één of meer van deze misdrijven mogelijk wordt gepleegd." Naast een materieel element, nl. het verspreiden of publiekelijk ter beschikking stellen van een boodschap, moeten ook het bijzonder oogmerk, nl. de aanzetting tot het plegen van een terroristisch misdrijf én de risicovereiste zijn verwezenlijkt. 10. De Belgische wetgever heeft de verheerlijking van het terrorisme niet als dusdanig strafbaar gesteld en een wetsvoorstel in die zin
(16)liep op niets uit. Dit betekent mijns inziens evenwel niet dat de verheerlijking van terrorisme in België niet strafbaar zou kunnen worden gesteld op basis van andere strafbepalingen, zoals reeds gezegd op basis van artikel 140 Strafwetboek
(17)maar in casu ook op basis van artikel 140bis Strafwetboek. Het wetsvoorstel houdende diverse bepalingen in strafzaken en inzake erediensten
(18)dat uiteindelijk aan de basis ligt van de wet van 5 mei 2019 heeft tot doel onze interne wetgeving volledig in overeenstemming te brengen met de Richtlijn (EU) 2017/541 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 inzake terrorismebestrijding en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad en tot wijziging van Besluit 2005/671/JBZ van de Raad
(19). Artikel 5 van deze Richtlijn bepaalt met betrekking tot het publiekelijk uitlokken van een terroristisch misdrijf: “De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de verspreiding of het op andere wijze met enigerlei middel, online zowel als offline, beschikbaar maken van een boodschap aan het publiek, met het oogmerk aan te zetten tot het plegen van een van de in artikel 3, lid 1, onder a) tot en met i), genoemde misdrijven, strafbaar wordt gesteld indien er sprake is van opzet en door een dergelijke handeling het plegen van terroristische misdrijven direct of indirect, zoals door het verheerlijken van terroristische daden, wordt bepleit, waardoor het gevaar ontstaat dat een of meer van dergelijke misdrijven gepleegd zouden kunnen worden”. Bijzonder belangrijk in dit verband lijkt mij de overweging 10 bij de Richtlijn waarin wordt verduidelijkt: “Het misdrijf “publiekelijk uitlokken van het plegen van een terroristisch misdrijf” omvat onder meer de verheerlijking of rechtvaardiging van terrorisme en de verspreiding online of offline van boodschappen of beelden, onder meer boodschappen of beelden die betrekking hebben op de terrorismeslachtoffers, als middel om steun te vergaren voor de terroristische zaak of de bevolking ernstig vrees aan te jagen (...)”. 11. Uit de wetsgeschiedenis van de bepaling van artikel 140bis Strafwetboek en de wil van de wetgever om deze Richtlijn volledig in de interne rechtsorde te implementeren, volgt dan ook dat de wetgever van oordeel was dat de verheerlijking een vorm van onrechtstreekse aanzetting kan zijn, voor zover voldaan is aan de voorwaarden van artikel 140bis Strafwetboek, maar, zoals uit de parlementaire stukken blijkt, het evenwel niet opportuun werd geacht om de verwijzing naar de verheerlijking als een voorbeeld in artikel 140bis Strafwetboek op te nemen omdat dit niet optimaal werd geacht voor het definiëren van misdrijven
(20). Uit deze wetsgeschiedenis alsmede uit de arresten nr. 9/2015 van 28 januari 2015 en nr. 31/2018 van 15 maart 2018 van het Grondwettelijk Hof volgt, zoals reeds gesteld, dat het door artikel 140bis Strafwetboek bedoelde misdrijf een bijzonder opzet vereist bestaande in het aanzetten tot het plegen van terroristische misdrijven en dat dit misdrijf bovendien vereist dat de handelingen het risico opleveren dat een terroristisch misdrijf mogelijk wordt gepleegd.
  1. Het arrest van het hof van beroep te Gent verwijst (pp. 10-11) naar het arrest van het Spaans Nationaal Hof waarin onder meer over de betrokkene te lezen staat dat "de talloze uitdrukkingen…die in de songteksten staan… een onmiskenbare lovende inhoud (hebben) over de terroristische organisaties ETA en GRAPO…. Hij rechtvaardigt ze en zet zelfs aan tot herhaling. Anderzijds impliceren de teksten minachting en vernedering van de terrorismeslachtoffers, wat valt binnen het gerefereerde misdrijf, tweeledig onder verheerlijking van terrorisme en vernedering van de slachtoffers". Verder stellen de appelrechters ook (p. 11) dat "alhoewel uit de uiteenzetting van de feiten door de Spaanse gerechtelijke autoriteiten blijkt dat de verweerder ook werd verweten dat hij ernstig aanzette tot haat en geweld, werd in hoofdzaak de verheerlijking van die haat en dat geweld en de vernedering van de slachtoffers ervan als strafbaar feit omschreven". Het komt me dan ook voor, in zonderheid gelet op de hierboven vermelde passage uit het arrest, dat dit niet kon oordelen dat de door het Spaans Nationaal Hof bestrafte feitelijke elementen beperkt waren tot de verheerlijking van terrorisme en de vernedering van de slachtoffers ervan en dat zij geen betrekking hadden op het verspreiden van boodschappen met het oogmerk aan te zetten tot terrorisme. Mijns inziens heeft het hof van beroep te Gent nagelaten, in haar onderzoek naar de dubbele strafbaarheid, ook deze feiten te betrekken en te controleren of zij kunnen beantwoorden aan de constitutieve bestanddelen van artikel 140bis Strafwetboek. Zij konden aldus niet, zonder tegenstrijdigheid, oordelen dat de aan het EAB ten grondslag liggende feitelijke elementen betreffende de telastlegging A enkel zouden bestaan in de verheerlijking van terrorisme en de vernedering van de slachtoffers en niet in het aanzetten tot terrorisme en zij konden dan ook niet oordelen dat de feiten naar Belgisch recht niet strafbaar zijn. Het middel lijkt mij dan ook in zoverre gegrond.
  2. Wat betreft de telastlegging B heeft de KI te Gent bij een tweede tussenarrest van 15 september 2020 een prejudiciële vraag gesteld aan het Grondwettelijk Hof nopens een mogelijke schending van artikel 19 van de Grondwet samengelezen met artikel 10 EVRM met betrekking tot artikel 1 van de wet van 6 april 1847 "tot bestraffing van de beleedigingen aan den Koning"
(21). Bij arrest van 28 oktober 2021
(22)oordeelde het Grondwettelijk Hof dat een verdergaande strafrechtelijke bescherming van de reputatie van de Koning door artikel 1 van de wet van 6 april 1847 “tot bestraffing van de beleedigingen aan den Koning”, in vergelijking met de strafrechtelijke bescherming van de reputatie van andere personen, zoals die wordt verzekerd door de artikelen 275 tot en met 277 en 444, 445, 448 en 449 Strafwetboek, niet bestaanbaar is met artikel 19 Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 10 EVRM. De appelrechters stellen alsdan vast dat de veroordeling voor de feiten van de telastlegging B betrekking hebben op smaad en beledigingen aan de Spaanse Kroon en oordelen dat die feiten in Belgisch recht door geen enkele andere bepaling worden gestraft dan door de voormelde wet van 6 april 1847. Ook hier komt het mij voor dat de appelrechters dienden te onderzoeken of er geen andere bepalingen zijn in het Belgisch recht die toelaten de tenlastegelegde feiten te bestraffen. Het Grondwettelijk Hof spreekt trouwens zelf van een aantal van die bepalingen vermits het vaststelt dat de onverenigbaarheid met artikel 19 van de Grondwet in samenhang gelezen met artikel 10 EVRM voortspruit uit het feit dat de wet van 6 april 1847 aan de Koning een strafrechtelijke bescherming biedt die verder gaat dat die die wordt geboden door de artikelen 275, 276, 277, 444, 445, 448 en 449 Strafwetboek aan andere personen op het vlak van de bescherming van hun eer of goede naam. Het middel lijkt me ook hier gegrond. Ik heb geen ambtshalve middelen te laten gelden. CONCLUSIE: vernietiging met verwijzing van het bestreden arrest. ________________________________________
(1)Op eigen gronden wat betrof het oordeel over de telastleggingen A en B.
(2)A. WINANTS, "De doorwerking van het EU-Kaderbesluit inzake overlevering", Nullum Crimen 2006, pp. 77-94.
(3)HvJ (Grote Kamer) 3 maart 2020, C-717/18 met concl. van advocaat-generaal BOBEK van 26 november 2019.
(4)Zie A. WINANTS, oc, inz. p. 91, voetnoot 78.
(5)A. WINANTS, "De invloed van terrorisme op de strafwetgeving", NC 2019/5, 343-360.
(6)Zie A. WINANTS, oc, pp. 348, 354-355 en 357 voor de constitutieve bestanddelen.
(7)Telastleggingen ingevoerd bij wet van 19 december 2003, BS 29 december 2003, gewijzigd bij wet van 14 december 2016 voor wat betreft §1 (wijziging moreel bestanddeel – zie A. WINANTS, oc, pp. 354-355).
(8)BS 24 mei 2019; A. WINANTS, oc, p. 357.
(9)A. FRANSSEN en J. KERKHOFS, "Het materieel terrorismestrafrecht in België: de misdrijven", T. Strafr.2018/3, pp. 156-169.
(10)Waarvan één van de Nederlandse vertalingen 'verheerlijking' is.
(11)Brussel 21 februari 2013, zie A. FRANSSEN en J. KERKHOFS, oc, p. 159, voetnoot 55.
(12)Zie over dit artikel A. WINANTS, oc, pp. 350-351, 353-354 en 357.
(13)BS 4 maart 2013.
(14)BS 11 augustus 2016.
(15)BS 24 mei 2019.
(16)Wetsvoorstel tot beteugeling van de verheerlijking van terrorisme, in het openbaar en op internet, ingediend door D. DUCARME, Parl. St. Kamer 2015-2016, DOC 54 1467/001.
(17)A. FRANSSEN en J. KERKHOFS stellen in hun studie, oc, p. 173: "De rechtspraak waarbij geoordeeld werd op grond van de specifieke strafbaarstelling van artikel 140bis Strafwetboek is eerder gering, mede omdat de diverse aspecten van publiekelijke aanzetting tot het plegen van terroristische misdrijven veelal onder de vervolging op grond van deelname aan de activiteiten van een terroristische groep (art. 140 Sw.) inbegrepen is…".
(18)Parl. St. Kamer 2018-2019, DOC 54 3515/001.
(19)Publicatieblad van de Europese Unie, L 88/6.
(20)Parl. St. Kamer 2018-2019, DOC 54 3515/001, p. 100.
(21)BS 8 april 1847.
(22)GwH 28 oktober 2021, nr. 157/2021. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220118.2N.20 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220118.2N.20 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.