← België

H. contra S.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 18 januari 2022

Artikel 12

- Artikel 12.4 Wettelijke bepalingen: KB van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en het gebruik van de openbare weg - 01-12-1975 - Art. 12.4 - 31 ELI link Pub nr 1975120109 Fiche 3 Het met een fiets rijden op een trottoir maakt geen manoeuvre uit in de zin van artikel 12.4 Wegverkeersreglement; dit is niet anders wanneer de fietser hierbij in een verboden rijrichting rijdt

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSREGLEMENT VAN 01-

Artikel 12

- Artikel 12.4 Wettelijke bepalingen: KB van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en het gebruik van de openbare weg - 01-12-1975 - Art. 12.4 - 31 ELI link Pub nr 1975120109 Fiches 4 - 5 Krachtens artikel 6.2 Wegverkeersreglement gaan de verkeerstekens boven de verkeersregels; volgens artikel 60.1 Wegverkeersreglement zijn verkeersborden een categorie van verkeerstekens; de door artikel 6.2 Wegverkeersreglement bedoelde volgorde is slechts van toepassing indien de verkeerstekens en de verkeersregels die een welbepaalde bestuurder tegelijkertijd moet respecteren, tegenstrijdig zijn

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSREGLEMENT VAN 01-

Artikel 6

Wettelijke bepalingen: KB van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en het gebruik van de openbare weg - 01-12-1975 - Artt. 6.2 en 60.1 - 31 ELI link Pub nr 1975120109 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSREGLEMENT VAN 01-

Artikel 60

Wettelijke bepalingen: KB van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en het gebruik van de openbare weg - 01-12-1975 - Artt. 6.2 en 60.1 - 31 ELI link Pub nr 1975120109 Fiches 6 - 7 De verplichting van artikel 12.4 Wegverkeersreglement voor de bestuurder heeft een algemene strekking en houdt geen verband met de inachtneming van de verkeersregels door de andere weggebruikers op voorwaarde evenwel dat hun komst niet onvoorzienbaar is; de rechter kan de voorrangsplichtige bestuurder van zijn aansprakelijkheid ontslaan indien hij vaststelt dat de gedragingen van de voorranghebbende bestuurder de voorrangsplichtige bestuurder in zijn gerechtvaardigde verwachtingen hebben bedrogen; de rechter beoordeelt onaantastbaar of de komst van de voorrangsgerechtigde bestuurder voorzienbaar is; het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSREGLEMENT VAN 01-

Artikel 12

- Artikel 12.4 Wettelijke bepalingen: KB van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en het gebruik van de openbare weg - 01-12-1975 - Art. 12.4 - 31 ELI link Pub nr 1975120109 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: KB van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en het gebruik van de openbare weg - 01-12-1975 - Art. 12.4 - 31 ELI link Pub nr 1975120109 Tekst van de conclusie P.21.0780.N Conclusie van advocaat-generaal Bart DE SMET 1°“Het incidenteel beroep tegen een onbepaald uitstel van de zaak op burgerlijk gebied, waardoor de eis tot een provisionele schadevergoeding niet is ingewilligd”, en 2°”de verplichting om bij het uitvoeren van een manoeuvre voorrang te verlenen aan een bestuurder die uit een verboden richting komt”.

  1. Procedurele voorgaanden
  2. De appelrechters deden uitspraak op strafgebied, deels op burgerlijk vlak, over een verkeersongeval tussen twee fietsers, met zware gevolgen voor eiseres in cassatie. Eiseres reed op 22 augustus 2018 met haar fiets van de parking van een supermarkt en stak het voetpad over, om op het fietspad op de rijbaan te komen en haar weg naar huis voort te zetten. Bij het kruisen van het voetpad werd zij aangereden door eerste verweerster in cassatie, die met haar fiets op het voetpad reed, in een verboden rijrichting.
  3. Eiseres kwam door de aanrijding ten val en liep een kniefractuur op. De verwonding, behandeld in het ziekenhuis, leidde tot een septische gewrichtsontsteking en vervolgens een septische shock. Door deze infectie via de bloedbaan waren de artsen genoodzaakt de beide onderbenen en bijna alle vingers van eiseres te amputeren. Eiseres diende een klacht met burgerlijke partijstelling in tegen het ziekenhuis wegens onopzettelijke slagen en verwondingen. Het gerechtelijk onderzoek in die zaak werd afgesloten met een buitenvervolgingstelling, die inmiddels definitief is (blz. 12 bestreden vonnis).
  4. De procureur des Konings van Oost-Vlaanderen, afd. Dendermonde, heeft tegen eerste verweerster vervolging ingesteld, bij rechtstreekse dagvaarding, wegens inbreuk op artikelen 418 en 420 Strafwetboek, het onopzettelijk toebrengen van slagen en verwondingen aan eiseres (A), inbreuk op art. 9.1.1 Wegverkeersreglement, het besturen van een fiets zonder de rijbaan van de openbare weg te volgen (B) en inbreuk op de artikelen 5 en 68 Wegverkeersreglement, het negeren als bestuurder van een verkeersbord C1 van een verboden richting (C).
  5. In de procedure voor de politierechtbank van Oost-Vlaanderen, afd. Dendermonde, kwam Belfius Insurance NV, de tweede verweerster in cassatie, vrijwillig tussen, als familiale verzekeraar van eerste verweerster. Eiseres stelde zich burgerlijke partij en vorderde de aanstelling van een geneesheer-deskundige en de solidaire veroordeling van eerste en tweede verweerster tot een provisionele schadevergoeding van 25.000€.
  6. De politierechtbank van Oost-Vlaanderen, afd. Dendermonde, heeft bij vonnis van 23 juni 2020 eerste verweerster schuldig verklaard aan de drie telastleggingen en wegens eenheid van opzet één straf opgelegd, een geldboete van 75€ (met opdeciemen gebracht op 600€). Op burgerlijk vlak nam de politierechtbank aan dat eiseres geen voorrang moest verlenen aan eerste verweerster, omdat eerste verweerster uit een verboden richting kwam en zij voor eiseres een onvoorzienbare hindernis vormde. Eerste verweerster werd volledig aansprakelijk gesteld voor het verkeersongeval en de daaruit voortvloeiende schade voor eiseres. De politierechtbank verklaarde de uitspraak gemeen aan tweede verweerster en heeft de afhandeling van de burgerlijke belangen onbepaald uitgesteld, in afwachting van het resultaat van de strafklacht die eiseres had ingediend tegen het ziekenhuis, voor medische fouten bij de verzorging van het letsel dat zij opliep ten gevolge van de aanrijding met eerste verweerster.
  7. Tegen de beslissing waarbij de provisionele schadevergoeding is afgewezen en er geen deskundige is aangesteld heeft eiseres geen zelfstandig hoger beroep ingesteld. Alleen verweersters hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis, tegen alle beschikkingen. Eisers stelde incidenteel beroep in, om voor de appelrechters een provisionele schadevergoeding van 25.000€ en de aanstelling van een geneesheer-deskundige te bekomen, zoals gevorderd voor de eerste rechter.
  8. De correctionele rechtbank van Oost-Vlaanderen, afd. Dendermonde, heeft bij vonnis van 5 mei 2020 de hogere beroepen van verweersters ontvankelijk en deels gegrond verklaard en het incidenteel beroep van eiseres onontvankelijk verklaard. De veroordeling van eerste verweerster voor de drie telastleggingen en de opgelegde straf werd bevestigd. Die beslissing is opnieuw gemeen verklaard aan tweede verweerster. Op burgerlijk gebied stelden de appelrechters dat eiseres en eerste verweerster elk voor de helft aansprakelijk zijn voor het verkeersongeval. Het vonnis stelt dat ook eiseres een fout beging in causaal verband met de aanrijding, namelijk geen voorrang verlenen bij het uitvoeren van een manoeuvre, hoewel de komst van eerste verweerster perfect zichtbaar en voorzienbaar was. De appelrechters hebben de zaak terug verzonden naar de eerste rechter voor verdere beoordeling van de burgerlijke vordering.
  9. Eiseres, burgerlijke partij, stelde als enige partij tijdig cassatieberoep in tegen vermeld vonnis van de correctionele rechtbank. De veroordeling van eerste verweerster op strafgebied is bijgevolg definitief. Aan de vormvereisten van de betekening van het cassatieberoep en het ter kennis brengen van een tijdige memorie is voldaan (art. 427 en 429 Wetboek van Strafvordering, Sv.).
  10. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  11. De burgerlijke partij heeft in beginsel geen belang om op te komen tegen een veroordeling van de beklaagde op strafgebied. Haar cassatieberoep is op strafgebied alleen ontvankelijk als de strafvordering niet-ontvankelijk is verklaard of de beklaagde is vrijgesproken, en zij tot de gerechtskosten is veroordeeld

(1). In zoverre het cassatieberoep van eiseres is gericht tegen de beslissing op strafgebied, is het niet-ontvankelijk, gezien zij niet tot de gerechtskosten werd veroordeeld.
  1. Op hoger beroep van de beklaagde en de vrijwillig tussenkomende partij (verweersters in cassatie), met als één der grieven ‘burgerlijke rechtsvordering’, hebben de appelrechters op burgerlijk gebied geoordeeld dat eiseres en eerste verweerster in cassatie “elk voor de helft aansprakelijk zijn voor de schadelijke gevolgen van het ongeval van 22 augustus 2018”. Het bestreden vonnis verstuurde “de zaak terug naar de eerste rechter voor verdere afhandeling op burgerlijk gebied”.
  2. Artikel 420 Sv. bepaalt dat tegen voorbereidende beslissingen en beslissingen van onderzoek, zelfs al zijn die zonder voorbehoud ten uitvoer gelegd, slechts cassatieberoep mogelijk is na de eindbeslissing. Er kan niettemin onmiddellijk cassatieberoep worden ingesteld tegen drie voorbereidende beslissingen, waaronder “een beslissing die inzake de burgerlijke rechtsvordering uitspraak doet over het beginsel van aansprakelijkheid” (art. 420, tweede lid, 2° Sv.).
  3. De rechter doet uitspraak over het beginsel van aansprakelijkheid in de zin van art. 420, tweede lid, 2° Sv. wanneer hij niet enkel het bestaan van een fout vaststelt, maar ook het bestaan van de schade en het causaal verband tussen beide
(2). Het bestreden vonnis stelt dat zowel eiseres als eerste verweerster een fout hebben begaan die in oorzakelijk verband staat met het verkeersongeval en met de schade die daarvan het gevolg is. Het vonnis verdeelt de aansprakelijkheid bij helften ‘aangezien niet kan worden bepaald dat de fout van beklaagde meer of minder schade heeft toegebracht dan de fout van de burgerlijke partij’. Deze beslissing lijkt mij een oordeel over het beginsel van aansprakelijkheid in te houden. In zoverre eiseres opkomt tegen de beslissing die haar voor de helft aansprakelijk stelt voor het verkeersongeval, is haar cassatieberoep ontvankelijk.
  1. De beslissing om het bestaan en de omvang van de schade over te laten aan de politierechtbank, is geen eindbeslissing of een beslissing waartegen volgens art. 420 Sv. onmiddellijk cassatieberoep mogelijk is. In zoverre is het cassatieberoep niet-ontvankelijk.
  2. Het incidenteel beroep waarbij een afgewezen eis wordt hernomen
  3. Uit de stukken blijkt dat eiseres geen principaal hoger beroep heeft ingesteld ter griffie maar wel bij een conclusie voor de correctionele rechtbank incidenteel beroep instelde, met als vordering de aanstelling van een geneesheer-deskundige en de veroordeling van verweerders tot een provisionele schadevergoeding van 25.000€, zoals reeds was gevorderd in eerste aanleg. De appelrechters namen aan (blz. 6) dat de eerste rechter in het beschikkend gedeelte van zijn vonnis geen uitspraak deed over de burgerlijke vordering en eiseres bijgevolg geen hoger beroep kan instellen tegen dit vonnis, ook niet bij wijze van incidenteel beroep. Het bestreden vonnis volgt het standpunt van tweede verweerster dat het incidenteel beroep van eiseres niet-ontvankelijk was bij gebrek aan belang.
  4. Eiseres voert aan dat het hoger beroep van verweerders van aard was haar belangen te schaden, temeer daar verweerders in hoger beroep maar voor de helft aansprakelijk werden gesteld voor het verkeersongeval en haar eis tot een provisionele vergoeding en de aanstelling van een geneesheer-deskundige niet werd ingewilligd. Het gegeven dat de eerste rechter nog geen uitspraak deed over de vordering tot schadevergoeding, is dan ook geen reden om het incidenteel beroep niet-ontvankelijk te verklaren. De beslissing op burgerlijk gebied is daarom in strijd met artikel 203, §4 Sv.
  5. Beoordeling. Artikel 203, §4 Wetboek van Strafvordering bepaalt dat in alle gevallen waarin de burgerlijke rechtsvordering wordt gebracht voor de rechter in hoger beroep, de gedaagde bij een op de terechtzitting genomen conclusie incidenteel beroep kan instellen, zolang de debatten in hoger beroep niet gesloten zijn.
  6. Het incidenteel beroep dat de gedaagde (geïntimeerde) voor de rechter in hoger beroep kan instellen is slechts de uitoefening door die partij van het hoger beroep dat zij had kunnen uitoefenen bij wege van hoofdberoep binnen de wettelijke termijn, tegen een beslissing op burgerlijk gebied, waarvoor de tegenpartij bij wijze van hoofdberoep de hervorming vraagt
(3). Het incidenteel beroep vereist het bestaan van een ontvankelijk hoger beroep op burgerlijk gebied door een partij tegen wie het hoger beroep is gericht
(4). De geïntimeerde kan dan een eis op burgerlijk gebied formuleren in een conclusie, tot de sluiting der debatten, waarbij de vereisten van het tijdig opwerpen van grieven (art. 204 Sv.) niet gelden
(5). 18. Alleen de gedaagde in hoger beroep kan incidenteel beroep instellen, bij schriftelijke of mondelinge conclusie
(6). Een partij is gedaagde in hoger beroep wanneer een principaal of incidenteel beroep tegen haar is ingesteld, wat inhoudt dat een partij in hoger beroep voor de appelrechters een vordering heeft ingesteld die haar belangen kan schaden en die geen vordering tot bindend-verklaring van het arrest is
(7). Is het hoger beroep van de beklaagde van aard het belang van de burgerlijke partij te schaden, omdat dat hoger beroep op burgerlijk gebied is ingesteld, dan kan de burgerlijke partij daartegen reageren door incidenteel beroep in te stellen, met daarbij een tegeneis op burgerlijk gebied
(8). De beklaagde die op burgerlijk vlak hoger beroep instelt, moet er dus mee rekening houden dat de appelrechters een hogere schadevergoeding kunnen opleggen, als zij een eis van incidenteel beroep van de burgerlijke partij toekennen.
  1. De appelrechters konden de aansprakelijkheid van verweerders op burgerlijk gebied beoordelen op basis van het ontvankelijk hoger beroep van verweerders. Dit hoofdberoep leidde bij gebrek aan afstand ervan tot een debat waarbij verweerders aanvoerden dat het verkeersongeval deels aan eiseres is te wijten, en waarbij eiseres de bevestiging vroeg van het beroepen vonnis, dat besliste tot volledige aansprakelijkheid van verweerders voor het ongeval. De beslissing van het appelgerecht om het incidenteel beroep van eiseres niet-ontvankelijk te verklaren, heeft eiseres m.i. niet benadeeld in het debat over gehele of gedeeltelijke aansprakelijkheid van verweerders.
  2. Uit het bestreden vonnis blijkt dat de argumenten van eiseres zijn beoordeeld, zoals aangevoerd in haar conclusie van incidenteel beroep. Haar standpunt is dat zij bij het verlaten van de parking is gestopt is alvorens het voetpad over te rijden en geen voorrang diende te verlenen aan eerste verweerster, omdat zij een dubbele fout beging tegen de Wegcode (niet op de rijbaan rijden en in een verboden richting rijden). Over de fout van eerste verweerster in oorzakelijk verband tot de schade hebben de appelrechters uitspraak gedaan. Het bestreden vonnis neemt aan dat eerste verweerster een fout beging door met haar fiets op het voetpad te rijden en dit bovendien in een verboden rijrichting (blz. 11) en het niet uit te maken is of die fout meer of minder schade heeft toegebracht aan de fout van eiseres, die erin bestond geen voorrang te verlenen (blz. 12). Mij lijkt dat eiseres geen belang heeft om op te komen tegen de beslissing van niet-ontvankelijkheid van haar incidenteel beroep, voor zover dit beroep de eis inhield om verweersters volledig aansprakelijkheid te stellen voor het verkeersongeval. In zoverre is het eerste middel niet-ontvankelijk.
  3. Deze visie belet eiseres niet om de beslissing over de gedeeltelijke aansprakelijkheid van verweersters in cassatie aan te vechten. Gezien haar cassatieberoep m.i. ontvankelijk is wat betreft de beslissing over het beginsel van burgerlijke aansprakelijkheid, kan het Hof kennis nemen van cassatiemiddelen ingebracht tegen de beoordeling van de aansprakelijkheid op burgerlijk gebied (zie het tweede middel).
  4. Wat betreft het toekennen van een provisionele schadevergoeding en de aanstelling van een geneesheer-deskundige, lijkt mij het eerste middel wel gegrond te zijn. Verweersters hebben ontvankelijk hoger beroep ingesteld met als grieven ‘schuld’ en ‘burgerlijke rechtsvordering’, waardoor de strafrechter zich over de burgerlijke aansprakelijkheid moest uitspreken. De beoordelingsmarge hangt daarbij af van wat de beklaagde en de burgerlijke partij vorderen op burgerlijk gebied. Indien de burgerlijke partij geen zelfstandig hoger beroep of incidenteel beroep instelt, kan de toestand van de beklaagde op burgerlijk gebied niet worden verzwaard, ten opzichte van de beslissing van de eerste rechter
(9). Is er wel een geldige tegeneis van de burgerlijke partij, dan moeten de appelrechters daarover uitspraak doen, met als mogelijk gevolg een beslissing in het nadeel van de beklaagde, zoals het voor het eerst toekennen van een provisionele schadevergoeding
(10). 23. Het feit dat de eerste rechter alleen uitspraak deed over de fout van een verkeersongeval, en niet inging op de eis tot een provisionele schadevergoeding, laat m.i. de appelrechters niet toe de eis van de burgerlijke partij over een provisionele schadevergoeding af te wijzen als niet-ontvankelijk, indien die eis geldig bij wijze van incidenteel beroep is ingediend. Op dit punt oordeelde het Hof op 7 maart 2017: “Indien de eerste rechter, nadat hij zich op strafgebied heeft uitgesproken over de aan de burgerlijke rechtsvordering ten grondslag liggende misdrijven en die misdrijven bewezen heeft verklaard, de behandeling van de op die misdrijven gesteunde burgerlijke rechtsvordering uitstelt bij toepassing van artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en de beklaagde zijn hoger beroep richt tegen zowel de beslissing op de straf- als op de burgerlijke rechtsvordering, hebben de appelrechters gelet op de devolutieve werking van het hoger beroep van de beklaagde ook te oordelen over de tegen de beklaagde door de burgerlijke partij gerichte burgerlijke rechtsvordering en kunnen zij het incidenteel beroep van de burgerlijke partij ontvankelijk verklaren”
(11). 24. Het incidenteel beroep laat de burgerlijke partij toe haar belangen te verdedigen tijdens de procedure in hoger beroep, wanneer alleen de beklaagde een principaal hoger beroep heeft ingesteld tegen de beslissing op burgerlijk gebied. Een beslissing waarbij een provisionele vergoeding werd afgewezen, omdat het debat op dat punt niet in staat was, kan via het incidenteel beroep toch worden aangevochten. De gedaagde in hoger beroep kan via het incidenteel beroep vragen dat de strafrechter de burgerlijke vordering beoordeelt buiten hetgeen de eiser in hoger beroep vraagt. R. Declercq stelt hierover: “Het incidenteel beroep brengt geen nieuwe vordering voor de appelrechter. Het betreft alleen een ander aspect van de rechtsvordering die het voorwerp uitmaakte van een principaal beroep. Het corrigeert de beperkte devolutieve kracht van het principaal beroep”
(12). Het is toegelaten dat de burgerlijke partij in haar conclusie van incidenteel beroep dezelfde vordering stelt als deze die zij aan de eerste rechter voorlegde
(13)of zelfs haar vordering uitbreidt tegen de beklaagde die hoger beroep tegen haar instelde
(14). 25. Het feit dat de eerste rechter over de eisen van de burgerlijke partij geen uitspraak deed (in dit geval de aanstelling van een deskundige en een provisionele schadevergoeding van 25.000 euro)
(15), kan vanuit die optiek geen beletsel zijn voor de burgerlijke partij om die eis in te dienen bij de rechter in hoger beroep, via een ontvankelijk incidenteel beroep. Dergelijk hoger beroep heeft immers dezelfde uitwerking als een principaal hoger beroep op burgerlijk gebied, dat eiseres binnen de gewone termijn en vormen had kunnen stellen
(16). De beslissing niet in te gaan op de eis tot een provisionele schadevergoeding kon eiseres aanvechten bij gewoon (principaal) hoger beroep, middels een verklaring ter griffie (art. 203, §1 en §2 Sv.). Bijgevolg kon zij die eis tot een provisionele vergoeding ook via incidenteel beroep voorleggen aan de rechter in hoger beroep, conform art. 203 §4 Sv. Het is ook logisch dat als de burgerlijke partij bij incidenteel beroep een hogere provisionele vergoeding mag vragen, ten opzichte van haar oorspronkelijke vordering
(17), zij via incidenteel beroep een eis tot provisionele schadevergoeding kan indienen waarop de eerste rechter niet inging. 26. Over het voorwerp van het incidenteel beroep stelde het Hof op 19 februari 2002: ”Overwegende dat om geldig incidenteel beroep in te stellen, is vereist dat de partij die dit doet, de hoedanigheid van geïntimeerde heeft. Dat echter de mogelijkheid van die geïntimeerde tot het instellen van incidenteel beroep niet beperkt is tot de schadeposten waartegen een principaal hoger beroep is ingesteld. Dat die partij ook incidenteel beroep kan instellen tegen andere posten van de burgerlijke rechtsvordering”
(18). Hieruit volgt m.i. dat als het hoger beroep van de beklaagde op burgerlijk vlak ontvankelijk is, en bedoeld is om de burgerlijke partij volledig of deels aansprakelijk te stellen voor een ongeval met schade, de appelrechters ook uitspraak moeten doen over de tegenvordering van de burgerlijke partij, gesteund op een geldig incidenteel beroep
(19). Die tegenvordering kan betrekking hebben op een onderdeel van het beroepen vonnis dat de beklaagde niet zelf (via een principaal beroep) kon aanvechten, bij gebrek aan belang, zoals de afwijzing van de eis van de burgerlijke partij tot toekenning van een provisionele schadevergoeding
(20). Het eerste middel is dan ook gegrond.
  1. Voorrang verlenen aan een bestuurder die een verkeersregel negeert
  2. Eiseres voert in een tweede middel aan dat de beslissing om haar voor de helft aansprakelijk te stellen voor het verkeersongeval en de eruit voortvloeiende schade in strijd is met de artikelen 6.2, 12.3.1, 12.4, 12.4bis en 76.1 van het Wegverkeersreglement (Wegcode) KB van 1 december
  3. Het middel stelt dat: 1°het vonnis niet vaststelt dat zij bij het verlaten met de fiets van een parking een rijbeweging uitvoerde die het verkeer hinderde of gepaard ging met een aanzienlijke verandering in de gevolgde rijrichting, zodat haar rijbeweging van het dwarsen van het voetpad geen manoeuvre is in de zin van art. 12.4 Wegverkeersreglement (eerste onderdeel); 2°dat ook eerste verweerster een manoeuvre uitvoerde door met haar fiets op het voetpad te rijden, in een verboden rijrichting (tweede onderdeel), 3°dat er een tegenstrijdigheid bestaat tussen de verkeersregel van het voorrang verlenen aan andere bestuurders en het verkeersbord C1 over de rijrichting van eerste verweerster (derde onderdeel), 4°dat de rijbeweging van eerste verweerster in een verboden richting voor eiseres onvoorzienbaar was, in strijd met wat de appelrechters aannamen (vierde onderdeel), 5°dat het bestreden vonnis ten onrechte geen toepassing maakt over art. 12bis Wegverkeersreglement over het gebruik van het voetpad, aangezien eerste verweerster in een verboden richting op het voetpad reed (vijfde onderdeel) en 6°de appelrechters de fout van eiseres afleiden uit het verlaten van een parking met witte stopstreep zonder te stoppen, terwijl niet is vastgesteld of er op die plaats ook een verkeersbord B5 of een verkeerslicht is aangebracht (zesde onderdeel). 4.
  4. Voorrangsplicht van de bestuurder die een manoeuvre uitvoert
  5. Beoordeling. De bestuurder die een manoeuvre wil uitvoeren, moet volgens art. 12.4 Wegverkeersreglement voorrang verlenen aan de andere weggebruikers. Deze voorrangsplicht duurt gedurende de ganse rijbeweging, totdat de manoeuvrerende bestuurder zijn normale plaats in het verkeer heeft ingenomen, en de andere bestuurders zich daaraan kunnen aanpassen
(21). Iemand die een fiets al rijdend in beweging brengt is een bestuurder van een voertuig
(22). Art. 12.4 Wegverkeersreglement stelt dat ‘inzonderheid’ als manoeuvres beschouwd worden: “het van rijstrook of file veranderen, de rijbaan oversteken, een parkeerplaats verlaten of oprijden, uit een aanpalende eigendom komen, het keren of achteruitrijden”
(23). 29. De term ‘inzonderheid’ houdt in dat art. 12.4 Wegverkeersreglement geen limitatieve lijst bevat van rijbewegingen die de rechter als manoeuvre moet beschouwen
(24). Niets belet de rechter ook een andere gedraging in het verkeer op te vatten als een manoeuvre, die een verplichting inhoudt om andere weggebruikers voorrang te verlenen. Voor een rijbeweging die niet specifiek in art. 12.4 Wegverkeersreglement is vermeld, oordeelde het Hof dat de rechter moet vaststellen dat de als manoeuvre opgevatte rijbeweging het verkeer hindert en gepaard gaat met een aanzienlijke verandering in de gevolgde rijrichting
(25). In zoverre het eerste middel aanvoert dat de rechter bij elk manoeuvre moet vaststellen dat het een aanzienlijke verandering van de rijrichting inhoudt of het verkeer hindert, faalt het naar recht. 30. Is één van de in art. 12.4 Wegverkeersreglement vernoemde rijbewegingen van toepassing, dan is geen verdere toelichting nodig over de verandering van rijrichting van de beweging en het hinderlijk karakter ervan. Beide voorwaarden gelden overigens niet voor elk van de voorbeelden opgesomd in artikel 12.4, tweede lid, Wegverkeersreglement opgesomde rijbewegingen. Zo is het ‘achteruit rijden’ een manoeuvre volgens die bepaling, ook al rijdt een bestuurder achteruit op eenzelfde rijstrook, zonder enige verandering van de rijrichting. Het met een fiets verlaten van een parking om op de openbare weg te komen is m.i. een rijbeweging die onder de noemer valt van het in art. 12.4, tweede lid, Wegverkeersreglement bepaalde ‘het uit een aanpalende eigendom komen’. De bestuurder die een parking verlaat dient bijgevolg voorrang te verlenen aan gebruikers van de openbare weg, zonder dat de rechter moet aangeven dat die rijbeweging hinderlijk is voor een andere weggebruiker en een aanzienlijke verandering van rijrichting inhoudt
(26). In zoverre faalt het eerste onderdeel naar recht.
  1. Het bestreden vonnis stelde dat eiseres een manoeuvre uitvoerde en volgens art. 12.4 Wegverkeersreglement voorrang diende te verlenen aan de andere weggebruikers omdat zij ‘met haar fiets de parking van de winkel L. wenste te verlaten’ en zij ‘door het verlaten van de parking’ sowieso voorrang verschuldigd was aan de andere weggebruikers (blz. 9). Het verloop van de rijbeweging en het ongeval wordt gesteund op de verklaringen van de partijen (blz. 9). De verklaring van eiseres hield volgens het vonnis in dat zij bij het verlaten van een parking stopte, ze zag dat de weg vrij was, ze haar fiets in beweging bracht en het voetpad dwarste met de bedoeling het fietspad op de steenweg op te rijden naar rechts, toen er plots een fietsster van rechts kwam, en het tot een aanrijding kwam. De beslissing over verlaten van de parking met de fiets als manoeuvre, waardoor eiseres voorrang diende te verlenen, is m.i. naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  2. Het feit dat eerste verweerster twee verkeersinbreuken beging, door met een fiets op het voetpad te rijden in de verboden rijrichting (feiten B en C), betekent niet dat zij eveneens een manoeuvre uitvoerde in de zin van art. 12.4 Wegverkeersreglement. Het met de fiets op het voetpad rijden in een verboden rijrichting, zoals vastgesteld door de appelrechters (blz. 7, 10, 11), is immers niet het van rijstrook of file veranderen, het oversteken van de rijbaan, het oprijden of verlaten van een parking, het uit een aanpalende eigendom komen, keren of achteruitrijden
(27). De rijgedrag van eerste verweerder kon anderen hinderen, maar hield geen ‘verandering van rijrichting in’, zodat ook in de visie van eiseres (eerste onderdeel) dat rijgedrag niet als een manoeuvre in de zin van art. 12.4 Wegverkeersreglement is op te vatten. Het tweede onderdeel, dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.
  1. De aangevoerde schending van art. 12.3.
  2. Wegverkeersreglement, dat elke bestuurder verplicht voorrang te verlenen aan een bestuurder die van rechts komt, behalve als hij op een rotonde rijdt of de andere bestuurder uit een verboden rijrichting komt, steunt m.i. geheel op de onjuiste rechtsopvatting dat eerste verweerster een manoeuvre uitvoerde in de zin van art. 12.4 Wegverkeersreglement. Dit laatste voorschrift geldt alleen tegenover weggebruikers die zelf geen manoeuvre uitvoeren. Wanneer beide bestuurders gelijktijdig een manoeuvre uitvoeren, dan is vermeld art. 12.4 niet van toepassing, dan moeten andere voorschriften van het Wegverkeersreglement worden toegepast, zoals de regel van voorrang van rechts van artikel 12.3.1 Wegverkeersreglement
(28). Aangezien alleen eiseres een manoeuvre uitvoerde, is het ingeroepen art. 12.3.1 Wegverkeersreglement niet van toepassing. In zoverre is het tweede onderdeel afgeleid uit een onjuiste opvatting over het fietsen op het voetpad als manoeuvre en is het niet-ontvankelijk.
  1. Het derde onderdeel stelt dat verkeerstekens boven verkeersregels gaan, zoals bepaald in artikel 6.2 Wegverkeersreglement, zodat het negeren van het bord verboden rijrichting (C.1) door eerste verweerster (meteen) de fout wegneemt van eiseres om voorrang te verlenen, bij het uitvoeren van een manoeuvre.
  2. Een verkeersbord is volgens artikel 60.1 Wegverkeersreglement een ‘verkeersteken’, samen met verkeerslichten en wegmarkeringen. De aangehaalde regel (art. 6.2 Wegverkeersreglement) dat een verkeersteken primeert op een verkeersregel, geldt alleen als één en dezelfde bestuurder de beide instructies moet volgen, en deze tegenstrijdig zijn
(29). In zoverre faalt het derde onderdeel naar recht.
  1. Het bestreden vonnis geeft niet aan dat eiseres een verkeersteken moest naleven. Uit de stukken waarvan het Hof kennis mag nemen blijkt niet dat eiseres zich op een verkeersbord, wegmarkering of verkeerslicht kon beroepen dat haar bij het verlaten van de parking voorrang gaf op andere weggebruikers. Zij diende alleen de verkeersregel na te leven van artikel 12.4 Wegverkeersreglement, namelijk het bij het uitvoeren van een manoeuvre voorrang verlenen aan andere weggebruikers. In zoverre kan het derde onderdeel niet worden aangenomen. 4.
  2. De voorrangsplicht tegenover een bestuurder die een fout begaat
  3. Het bestreden vonnis neemt aan (blz. 11) dat de fout van de burgerlijke partij (eiseres) erin bestond om een parking te verlaten op het moment dat er, van rechts naar links, op het voetpad vóór haar fiets, een andere fietsster aan kwam rijden die zij had kunnen en moeten zien en die voor haar perfect zichtbaar en voorzienbaar was. Ook deze fout staat volgens de appelrechters in oorzakelijk verband met het ongeval en met de schade die daaruit voortvloeit (blz. 11).
  4. De plicht van de bestuurder die een manoeuvre uitvoert om voorrang te verlenen aan andere weggebruikers heeft een algemene strekking, gelet op de formulering van art. 12.4 Wegverkeersreglement. De voorrangsplicht geldt dus tegenover alle andere weggebruikers, ook zij die een verkeersregel overtreden, voor zover de komst van die andere weggebruiker voorzienbaar is
(30). Het Hof oordeelde op 3 januari 2012: “De verplichting van artikel 12.4 Wegverkeersreglement voor de bestuurder die een manoeuvre wil uitvoeren om de andere weggebruikers te laten voorgaan, heeft een algemene strekking en houdt geen verband met de inachtneming van de verkeersregels door de andere weggebruikers, op voorwaarde evenwel dat niet kon worden voorzien dat die andere weggebruikers zouden opdagen. Dit betekent niet dat de andere weggebruikers steeds zichtbaar moeten zijn op het ogenblik dat de voorrangsplichtige bestuurder zijn manoeuvre aanvat, ongeacht of het hem al dan niet toegelaten was dit manoeuvre uit te voeren”
(31). 39. Het past ook rekening te houden met artikel 12.5 Wegverkeersreglement, dat bepaalt dat de bestuurder die voorrang moet verlenen, slechts mag verder rijden indien hij zulks kan doen zonder gevaar voor ongevallen, gelet op de plaats van de andere weggebruikers, hun snelheid en de afstand waarop zij zich bevinden. Ook deze regel verleent aan een voorrangsplichtige bestuurder niet het recht een manoeuvre uit te voeren om reden dat de aankomende en zichtbare weggebruiker een fout begaat, zoals het op het voetpad fietsen of het negeren van een verkeersbord van verboden richting (C.1). Het verder rijden is niet foutief als de aankomende weggebruiker veraf is, zodat een manoeuvre zonder kans op een ongeval kan gebeuren, of er voor de voorrangsplichtige bestuurder overmacht is, namelijk een plotse onvoorziene komst van de andere weggebruiker
(32). 40. Het Hof oordeelde dat de rechter de voorrangsplichtige bestuurder alleen van alle aansprakelijkheid kan ontslaan door vast te stellen dat de gedragingen van de voorranghebbende bestuurder de voorrangsplichtige in zijn gerechtvaardigde verwachtingen hebben bedrogen, voor hem een onoverkomelijke dwaling hebben veroorzaakt
(33). Die regel, die het voorrangsprincipe niet ontdoet van elke betekenis
(34), geldt enkel voor de beoordeling van de fout van de voorrangsplichtige bestuurder en niet voor de fout van de voorrangsgerechtigde bestuurder
(35). Daaruit volgt niet dat een verkeersovertreding begaan door een voorrangsgerechtigde bestuurder (steeds) de fout uitsluit van de andere bestuurder die een manoeuvre uitvoert en behoudens overmacht voorrang moet verlenen. Het in een verboden richting rijden is op zichzelf niet voldoende om dit rijden te beschouwen als onvoorzienbaar, voor de bestuurder die een manoeuvre uitvoert
(36). Alles hangt af van de omstandigheden van het verkeersongeval, zoals de zichtbaarheid van de andere weggebruiker bij de aanzet van een manoeuvre en diens snelheid. De feitenrechter oordeelt onaantastbaar of de bestuurder die een manoeuvre uitvoert van zijn voorrangsplicht is ontslaan, bijgevolg niet aansprakelijk is voor een ongeval, omdat de komst van de voorrangsgerechtigde bestuurder onvoorzienbaar is, voor hem een onoverkomelijke dwaling teweegbracht
(37). Het Hof ziet wel toe op de wettigheid van de motieven
(38).
  1. Het bestreden vonnis oordeelt dat de rijbeweging van eerste verweerster, die uit een verboden richting kwam, perfect voorzienbaar en zichtbaar was in de concrete omstandigheden, gelet op foto’s van de plaats van de aanrijding en het niet te snel rijden van partijen (blz. 10). De appelrechters stelden dat het zicht op het voetpad van de rijbaan komende van de parking ‘open’ was, het voetpad waarop eerste verweerster reed ‘rechtlijnig’ was, zodat eiseres haar ‘zeker had moeten zien’, mocht ze effectief naar rechts hebben gekeken. Het feit dat eiseres de fiets van eerste verweerster slechts opmerkte op het ogenblik van de aanrijding zelf, bewijst volgens de appelrechters dat eiseres zich eenvoudig weg niet vergewist heeft van de aanwezigheid van andere weggebruikers op het voetpad, komende van rechts.
  2. Verder leidt het vonnis uit de verklaring van eiseres af dat eerste verweerster aan een normale snelheid reed en haar komst op het voetpad voor eiseres geen onvoorzienbaar element of overmacht uitmaakt (blz. 10). De configuratie van de parking en het voetpad en een dynamische analyse van het ongevalsverloop laat volgens het vonnis niet toe te stellen dat eerste verweerster zo plots, zo onverwacht en zo dichtbij is opgedoken dat dit moest ontsnappen aan de verwachtingen van ieder normaal voorzichtig en oplettend bestuurder en dat die komst eiseres verhinderde om met haar fiets te blijven staan of onmiddellijk te stoppen zonder gevaar voor haar of derden (blz. 10). De motivering over de fout van eiseres, namelijk het verlaten van een parking zonder voorrang te verlenen aan een fietsster die zij had moeten opmerken, ook als de tegenpartij uit een verboden richting kwam aangereden op het voetpad, lijkt mij naar recht verantwoord. Het vierde onderdeel kan aldus niet worden aangenomen.
  3. Artikel 12.4bis Wegverkeersreglement bepaalt dat de bestuurder die een voetpad of fietspad oversteekt, voorrang verlenen aan de weggebruikers die daarvan gebruik maken. Volgens eiseres betekent ‘gebruik’ een reglementair gebruik, zodat zij geen voorrang moet verlenen aan eerste verweerster, die op het voetpad fietste in een verboden rijrichting.
  4. Het bestreden vonnis neemt aan dat art. 12.4bis Wegverkeersreglement niet geldt voor de bestuurder die het rechts naast de rijbaan gelegen fietspad dwarst om de parking van een warenhuis op-of af te rijden. Mij komt voor dat eiseres opkomt tegen een overtollige reden van het vonnis, een discussie aanbrengt die bijkomstig is, niet van aard is om het oordeel over gedeeltelijke aansprakelijkheid voor het verkeersongeval te beïnvloeden. De beslissing om eiseres deels aansprakelijk te stellen steunt op de vaststelling dat zij in strijd met art. 12.4 Wegverkeersreglement geen voorrang verleende aan eerste verweerster bij het uitvoeren van een manoeuvre, namelijk een rijbeweging van een parking over een aangrenzend voetpad om het fietspad op de rijbaan te bereiken, zonder dat de komst van eerste verweerster voor haar onvoorzienbaar was. Het vijfde onderdeel kan niet tot cassatie leiden en is niet-ontvankelijk.
  5. Het bestreden vonnis leidt de voorrangsplicht van eiseres niet af uit de aanwezigheid van een witte (stop)streep aan het einde van de parking, wel uit het uitvoeren van een manoeuvre bij het verlaten van die parking (blz. 9). Het aspect van de witte stopstreep doet volgens de appelrechters niet ter zake. Het zesde onderdeel over artikel 76.1 Wegverkeersreglement mist bijgevolg feitelijke grondslag. Besluit. Cassatie met verwijzing van de zaak, beperkt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het incidenteel beroep met als voorwerp een eis tot een provisionele schadevergoeding en de aanstelling van een geneesheer-deskundige, en verwerping van het cassatieberoep voor het overige. ____________________________________
(1)Cass. 15 mei 2007, AR P.07.0047.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070515.3, AC 2007, nr. 250; Cass. 15 november 2011, AR P.11.0205.N, arrest niet gepubliceerd; Cass. 10 december 2013, AR P.13.0529.N, arrest niet gepubliceerd. Zie R. DECLERCQ, Cassation en matière répressive, Bruylant, 2006, 68-70; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, 1482; H. VAN BAVEL, “Ontvankelijkheid van de voorziening in cassatie”, in Cassatie in strafzaken, Intersentia, 2014, 11; F. VAN VOLSEM, “Cassatieberoep in strafzaken na ‘Potpourri II’”, in Procederen voor het Hof van Cassatie, Knops Publ., 2016, 241; H. VAN BAVEL, “Ontvankelijkheid van de voorziening in cassatie: Een update na de wet van 14 februari 2014 en de Potpourri II-wet van 5 februari 2016”, in Procederen voor het Hof van Cassatie, Knops Publ. 2016, 93.
(2)Cass. 26 mei 2020, AR P.20.0227.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200526.2N.5, AC 2020, nr. 319, zie ook Cass. 14 december 2005, AR P.04.1578.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051214.11, AC 2005, nr. 672; L. HUYBRECHTS en G.-F.RANERI, “Onmiddellijk cassatieberoep tegen beslissingen die geen eindbeslissingen zijn, in de zin van artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering”, in Jaarverslag Hof van Cassatie van 2002, Larcier, 2002, 174-175; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, nrs. 3914-3915; F. VAN VOLSEM, “Cassatieberoep in strafzaken na ‘Potpourri II’”, in Procederen voor het Hof van Cassatie, Knops Publ., 2016, 223-225; F. T’KINT, “Quelques informations pratiques sur le pourvoi en cassation en matière pénale”, in Procederen voor het Hof van Cassatie, Knops Publ., 2016, 115; H. VAN BAVEL, “Ontvankelijkheid van de voorziening in cassatie: Een update na de wet van 14 februari 2014 en de Potpourri II-wet van 5 februari 2016”, in Procederen voor het Hof van Cassatie, Knops Publ. 2016, 108-109; M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, 1781-1782.
(3)Cass. 12 oktober 2010, AR P.10.0106.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101012.4, AC 2010, nr. 589; Cass. 2 november 2005, AR P.05.1013.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051102.3, AC 2005, nr. 557, T. Strafr. 2006, 207; Cass. 19 februari 2002, AR P.00.1073.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020219.39, AC 2002, nr. 116, R.W. 2002-03, 183 noot C. IDOMON; Cass. 5 maart 1980, AC 1979-80, 840; Gent 26 april 2019, R.W. 2020-21, 547.
(4)Cass. 6 juni 2017, AR P.15.0431.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170606.2, AC 2017, nr. 369; Cass. 18 april 2017, AR P.15.0368.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.2, AC 2017, nr. 258; Cass. 7 maart 2017, AR P.15.1093.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170307.2, AC 2017, nr. 158; Cass. 15 juni 2005, AC 2005, nr. 344, RDPC 2006, 115 noot G.F. RANERI; Cass. 2 september 1997, AC 1997, nr. 327. Zie alg. Ph. TRAEST, “Incidenteel beroep”, in Comm. Sr., Kluwer, 2005, 5p.; M. FRANCHIMONT, A. JACOBS en A. MASSET, Manuel de procédure pénale, Larcier, 2012, 1020-1021; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu, 2012, 1218-1219; D. DE WOLF, Handboek correctioneel procesrecht, Intersentia, 2013, 190-182; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, 1367-1370; E. VAN DOOREN en M. ROZIE, “Het hoger beroep in strafzaken in een nieuw kleedje”, NC 2016, 125; Ph. TRAEST, “Commentaar bij artikel 203 Sv.”, in Larcier. Duiding Strafprocesrecht, Larcier, 2017, 490; O. MICHIELS en G. FALCQUE, Principes de procédure pénale, Larcier, 2019, 517-518; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel&Svacina, 2019, 1418 en 11421; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, 1732; F. DERUYCK, Overzicht van het Belgisch strafprocesrecht, Die Keure, 2021, 304.
(5)S. VAN OVERBEKE, “Verzet en hoger beroep in strafzaken na de Wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie (‘Potpourri II’), tweede deel”, R.W. 2015-16, 1446; E. VAN DOOREN en M. ROZIE, “Het hoger beroep in strafzaken in een nieuw kleedje”, NC 2016, 125; M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D.VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, 1707.
(6)Cass. 17 oktober 2018, AR P.18.0266.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181017.1, AC 2018, nr. 561.
(7)Cass. 19 juni 2013, AR P.12.1282.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130619.1, AC 2013, nr. 381; Cass. 19 sep. 2003, AR C.02.0490.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030919.14, AC 2003, nr. 442, met concl. Adv.-Gen. A. HENKES; Cass. 19 februari 2002, AR P.00.1173.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001122.9, AC 2002, nr. 116.
(8)R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, nr. 3497.
(9)Over dit aspect van de devolutieve werking van het hoger beroep, zie R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu, 2012, 1226-1230; M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, 1740-1741.
(10)D. DE WOLF, Handboek correctioneel procesrecht, Intersentia, 2013, 197-198.
(11)Cass. 7 maart 2017, AR P.15.1093.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170307.2, AC 2017, nr. 158.
(12)R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, nr. 3504.
(13)P. TRAEST, “Incidenteel beroep”, Comm. Sr., Kluwer, 2005, 3.
(14)Cass. 17 oktober 2018, AR P.18.0266.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181017.1, AC 2018, nr. 627; Cass. 2 november 2005, AR P.05.1013.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051102.3, AC 2005, nr. 557, T. Strafr. 2006, 207. Zie D. DE WOLF, Handboek correctioneel procesrecht, Intersentia, 2013, 191; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, nr. 3506.
(15)Deze eisen komen naar voor in de conclusie van eiseres voor de politierechtbank afd. Dendermonde (stuk 49, p. 23) en in de beroepsconclusie van eiseres, het incidenteel beroep (stuk 5, p.22).
(16)Cass. 2 november 2005, AR P.05.1013.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051102.3, AC 2005, nr. 557, T. Strafr. 2006, p. 207; Cass. 19 februari 2002, AR P.00.1073.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020219.39, AC 2002, nr. 116, R.W. 2002-03, 183 noot C. IDOMON. J. D’HAENENS, Belgisch strafprocesrecht, Story-Scientia, 1985, nr. 645; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu, 2012, 1219; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, 1369; Ph. TRAEST, “Commentaar bij artikel 203 Sv.”, in Larcier. Duiding Strafprocesrecht, Larcier, 2017, 490.
(17)Cass. 2 november 2005, AR P.05.1013.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051102.3, AC 2005, nr. 557, T. Strafr. 2006, p. 207, “Overwegende dat het incidenteel beroep dat de gedaagde bij een op de terechtzitting genomen conclusie kan instellen, de uitoefening is van het rechtsmiddel dat hij had kunnen uitoefenen bij wege van hoofdberoep binnen de wettelijke termijnen, tegen de beslissing die betrekking heeft op de partijen op wier hoger beroep hij geïntimeerde is; Overwegende dat de burgerlijke partij haar vordering die gegrond is op het aan beklaagde ten laste gelegde misdrijf, kan uitbreiden of wijzigen, zodat zij een hoofdberoep of incidenteel beroep kan instellen teneinde haar oorspronkelijke vordering uit te breiden, ook als de eerste rechter haar al het gevraagde heeft toegewezen”.
(18)Cass. 19 februari 2002, AR P.00.1073.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020219.39, AC 2002, nr. 116, R.W. 2002-03, 183 noot C. IDOMON, “Ontvankelijkheid van het incidenteel beroep in strafzaken na een hoofdberoep gericht tegen de beslissing omtrent een beperkt aantal schadeposten van de burgerlijke vordering”.
(19)R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu, 2012, 1218.
(20)In die zin Ph. TRAEST, “Commentaar bij artikel 203 Sv.”, in Larcier. Duiding Strafprocesrecht, Larcier, 2017, met verwijzing naar Cass. 7 november 2006, AR P.06.0784.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061107.3, arrest niet gepubliceerd.
(21)Cass. 28 april 2015, AR P.14.0679.N, Verkeer, Aansprakelijkheid en Verzekering, 2015, 118 (arrest niet gepubliceerd); Cass. 18 september 2007, AR P.07.0770.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070918.5, AC 2007, nr. 418; Cass. 14 mei 2002, AR P.01.0293.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020514.14, AC 2002, nr. 293; Cass. 8 maart 2000, AR P.99.1576.F ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000308.7, AC 2000, nr. 160. Zie P. LENVAIN en O.DIERCKX DE CASTERLE, “De manoeuvres- Overzicht van rechtspraak”, in Verkeer, aansprakelijkheid, verzekering (VAV), Kluwer, 2012, 59; F. GLORIEUX en S. SLACHMUYLDERS, Commentaar bij artikel 12.4 Wegverkeersreglement, in Larcier-Duiding Wegverkeer, Larcier, 2016, 96.
(22)A. VANDEPLAS, “Bestuurder (artikel 2.13 Wegverkeersreglement)”, in Comm. Sr., Kluwer, 2003, 5-6, iemand die te voet gaat en een fiets alleen voortduwt is geen bestuurder.
(23)Zie alg. P. LENVAIN en O.DIERCKX de CASTERLE, “De manoeuvres- Overzicht van rechtspraak”, in Verkeer, aansprakelijkheid, verzekering (VAV), Kluwer, 2012, 57-63.
(24)Het Groot Woordenboek der Nederlandse Taal (Van Daele) omschrijft ‘inzonderheid’ als: ‘met name, syn. voornamelijk, vooral, bepaaldelijk”.
(25)De definitie van een manoeuvre in de zin van art. 12.4, eerste lid, Wegverkeersreglement als “een rijbeweging die het verkeer hindert en gepaard gaat met een aanzienlijke verandering in de gevolgde rijrichting” is opgenomen in
(1)Cass. 10 oktober 2013, AR C.12.0527.N, arrest niet gepubliceerd. (aangehaald in de memorie),
(2)Cass. 27 juni 2008, AR C.07.0486.F ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080627.4, AC 2008, nr. 413 en
(3)Cass. 6 oktober 1998, AR P.97.1330.N ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19981006.7, AC 1998, nr. 433. In deze zaken ging het om een rijbeweging die niet specifiek in art. 12.4, tweede lid, Wegverkeersreglement is opgenomen, namelijk in
(1)de intentie om van rijstrook te veranderen, waarbij de richtingaanwijzer werd aangestoken, en de bestuurder die de richtingaanwijzer aanstak iets naar links reed om van rijstrook te veranderen, maar uiteindelijk op zijn rijstrook bleef rijden, omdat hij tijdig een andere bestuurder opmerkte, zodat er volgens de appelrechters er nog geen manoeuvre was aangevat; in
(2)het met een motor rijden op een rijbaan zonder rijstrook waarbij een rij stilstaande voortuigen wordt voorbijgereden (in deze zaak vermeldde het cassatiemiddel correct: ‘naast deze niet-limitatieve opsomming wordt als algemene regel aangenomen dat een manoeuvre gepaard met een rijbeweging die het verkeer kan hinderen, en met een aanzienlijke verandering in de gevolgde rijrichting’) en in
(3)een rijbeweging waarbij een bestuurder rechtdoor rijdt en botst tegen een voertuig dat stilstond deels op de oprit van een woning en deels op het voetpad van de rijbaan.
(26)In die zin Cass. 23 juni 1987, AR nr. 1025, AC 1986-87, nr. 646, over een bestuurder die vanuit een parking van een dancing de rijbaan opreed.
(27)Cass. 16 mei 1966, zaak Vandeput c/Croix Rouge de la Belgique, Pas. et Bull. 1966, I, 1169. Zie D. DE BEULE, « Behoudt een weggebruiker zijn voorrang wanneer hij in een verboden richting rijdt?”, Verkeersrecht 1988, 127.
(28)Cass. 17 september 2019, AR P.19.0430.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190917.2, AC 2019, nr. 462; Cass. 25 januari 2008, AR C.06.0595.F ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080125.2, AC 2008, nr. 63; Cass. 21 april 2006, AR C.05.0303.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060421.12, AC 2006, nr. 924; Cass. 25 november 2005, AR C.05.0245.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051125.7, AC 2005, nr. 630. Zie ook P. LENVAIN en O.DIERCKX DE CASTERLE, “De manoeuvres- Overzicht van rechtspraak”, in Verkeer, aansprakelijkheid, verzekering (VAV), Kluwer, 2012, 61.
(29)Cass. 8 november 2016, AR P.15.0444.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161108.2, AC 2016, nr. 627; Cass. 22 mei 2001, P.99.1527.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010522.3, AC 2001, nr. 301.
(30)Cass. 17 september 2019, AR P.19.0526.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190917.3, AC 2019, nr. 463; Cass. 11 december 2015, AR C.14.0559.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151211.2, AC 2015, nr. 742; Cass. 3 januari 2012, AR P.11.0075.N, AC 2012, nr. 4; Cass. 10 november 2008, AR C.17.0652.F, AC 2008, nr. 624; Cass. 28 mei 2002, AR P.01.0611.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020528.17, AC 2002, nr. 321, R.W. 2005-06, 556; Cass. 27 januari 1999, AR P.98.0870.F ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990127.9, AC 1999, nr. 45; Cass. 11 december 1996, AR P.96.0944.F ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19961211.18, AC 1996, nr. 498; Cass. 8 december 1992, AR 5874, AC 1991-92, 1343, R.W. 1992-93, 1376; Cass. 22 maart 1984, AR 7035, AC 1983-84, 946; Cass. 27 oktober 1981, AR 6690, AC 1981-82, 296; Cass. 9 januari 1980, AC 1979-80, 620, R.W. 1980-81, 1200; Cass. 4 oktober 1978, AC 1979, I, 163. Zie P. LENVAIN en O.DIERCKX de CASTERLE, “De manoeuvres- Overzicht van rechtspraak”, in Verkeer, aansprakelijkheid, verzekering (VAV), Kluwer, 2012, 58-59; F. GLORIEUX en S. SLACHMUYLDERS, Commentaar bij artikel 12.4 Wegverkeersreglement, in Larcier-Duiding Wegverkeer, Larcier, 2016, 96.
(31)Cass. 3 januari 2012, AR P.11.0075.N, AC 2012, nr. 4. In dezelfde zin Cass. 9 februari 2021, AR P.20.1254.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210209.2N.4, AC 2021, nr. 108, voor wat betreft de voorrang van rechts (art. 12.3 Wegverkeersreglement).
(32)Cass. 21 april 2006, AR C.05.0303.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060421.12, AC 2006, nr. 924.
(33)Cass. 9 februari 2021, P.20.1254.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210209.2N.4, AC 2021, nr. 108; Cass. 11 december 2015, AR C.14.0559.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151211.2, AC 2015, nr. 742; Cass. 3 januari 2012, AR P.11.0775.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120103.3, AC 2012, nr. 3; Cass. 10 november 2008, AR C.07.0362.F ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081110.7, AC 2008, nr. 624; Cass. 30 mei 2008, AR C.07.0224.F ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080530.1, AC 2008, nr. 333; Cass. 28 mei 2002, AR P.01.0611.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020528.17, AC 2002, nr. 321, R.W. 2005-06, 556; Cass. 16 mei 1984, AC 1983-84, nr. 526.
(34)Cass. 17 september 2019, AR P.19.0526.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190917.3, AC 2019, nr. 463.
(35)Cass. 10 november 2008, AR C.07.0362.F ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081110.7, AC 2008, nr. 624; Cass. 28 mei 2002, AR P.01.0611.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020528.17, AC 2002, nr. 321.
(36)D. DE BEULE, « Behoudt een weggebruiker zijn voorrang wanneer hij in een verboden richting rijdt?”, Verkeersrecht 1988, 124; P. LENVAIN en O.DIERCKX de CASTERLE, “De manoeuvres- Overzicht van rechtspraak”, in Verkeer, aansprakelijkheid, verzekering (VAV), Kluwer, 2012, 59.
(37)Cass. 3 januari 2012, AR P.11.0775.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120103.3, AC 2012, nr. 3, Cass. 8 december 1992, AR 5874, AC 1991-92, nr. 773, R.W. 1992-93, 1376. Zie F. GLORIEUX en S. SLACHMUYLDERS, Commentaar bij artikel 12.4 Wegverkeersreglement, in Larcier-Duiding Wegverkeer, Larcier, 2016, 96.
(38)Cass. 22 september 2020, AR P.20.0583.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200922.2N.6, AC 2020, nr. 566. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220118.2N.8 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220118.2N.8 citeert: ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19961211.18 ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19981006.7 ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990127.9 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000308.7 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001122.9 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010522.3 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020219.39 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020514.14 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020528.17 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030919.14 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051102.3 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051125.7 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051214.11 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060421.12 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061107.3 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070515.3 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070918.5 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080125.2 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080530.1 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080627.4 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081110.7 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101012.4 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120103.3 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130619.1 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151211.2 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161108.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170307.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170606.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181017.1 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190917.2 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190917.3 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200526.2N.5 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200922.2N.6 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210209.2N.4 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230523.2N.3 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231219.2N.16 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.