← België

E.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 18 januari 2022

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 2 - 3 Artikel 187, § 6, 1°, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat het verzet als ongedaan wordt beschouwd indien de eiser in verzet, wanneer hij persoonlijk of in de persoon van een advocaat verschijnt en vaststaat dat hij kennis heeft gehad van de dagvaarding, geen gewag maakt van overmacht of van een wettige reden van verschoning ter rechtvaardiging van zijn verstek bij de bestreden beslissing, waarbij het erkennen van de aangevoerde overmacht of reden overgelaten wordt aan het soevereine oordeel van de rechter; uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling blijkt dat de wetgever de misbruiken van de verzetsprocedure heeft willen tegengaan door een beperking van de mogelijkheid om tegen een verstekbeslissing verzet aan te tekenen, zonder daarbij afbreuk te doen aan het recht van de partijen om te worden gehoord als onderdeel van het recht op een eerlijk proces, en aan de vereisten die ter zake worden gesteld door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187, § 6, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: VERZET Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187, § 6, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 4 - 5 Uit de wetsgeschiedenis van art. 187, § 6, 1° Wetboek van Strafvordering en de door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens gegeven uitlegging van artikel 6 EVRM volgt dat het door artikel 187, § 6, 1°, Wetboek van Strafvordering gehanteerde begrip “wettige reden van verschoning” die gevallen omvat die geen overmacht uitmaken en waarin de verzetdoende partij kennis had van de dagvaarding, maar een reden aanvoert waaruit blijkt dat haar afwezigheid niet was ingegeven door de wens afstand te doen van haar recht om te verschijnen en zich te verdedigen, noch om zich te onttrekken aan het gerecht; die afstand of die wil zich te onttrekken kan niet alleen worden afgeleid uit een expliciete beslissing van de verzetdoende partij, maar ook uit het feit dat die partij zonder redelijke verantwoording niet is komen opdagen op de rechtszitting waarop zij behoorlijk was opgeroepen en voldoende de gevolgen kan inschatten van de beslissing om afwezig te blijven; de rechter oordeelt daarover onaantastbaar; het Hof gaat evenwel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERZET Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187, § 6, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187, § 6, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 6 Uit het enkele feit dat een partij vertegenwoordigd was door een raadsman op de inleidingszitting, waarop er conclusietermijnen en een rechtsdag werden bepaald, volgt niet dat zij op het ogenblik dat zij afwezig bleef en verstek liet gaan bij de behandeling van de zaak, niet de wens kan hebben gehad afstand te doen van haar recht te verschijnen en zich te verdedigen of zich te onttrekken aan het gerecht

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERZET Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187, § 6, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 7 - 8 De door een vonnis bevolen onmiddellijke aanhouding van een beklaagde maakt het die laatste niet onmogelijk persoonlijk aanwezig te zijn op zijn proces voor het appelgerecht, ook als hij daardoor het risico loopt van zijn vrijheid te worden beroofd; uit de loutere omstandigheid dat een beklaagde het risico loopt van zijn vrijheid te worden beroofd als hij zich naar de rechtszitting begeeft, kan dan ook niet worden afgeleid dat die beklaagde niet de wens had afstand te doen van zijn recht om te verschijnen en zich te verdedigen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERZET Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187, § 6, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 33, § 2 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - ONMIDDELLIJKE AANHOUDING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187, § 6, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 33, § 2 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de conclusie P.21.1291.N Conclusie van advocaat-generaal BART DE SMET: “Het ongedaan verzet wegens de afwezigheid van de beklaagde tegen wie een bevel tot onmiddellijke aanhouding is uitgevaardigd en wiens advocaat die op de inleidende rechtszitting verscheen niet meer optreedt (art. 187, §6, 1° Sv.)”.

  1. Voorgaanden
  2. Eiser wordt vervolgd wegens invoer van verdovende middelen (D.1), diefstal (F) en deelname aan een criminele organisatie (H). De correctionele rechtbank te Antwerpen heeft bij vonnis van 23 januari 2020 eiser op tegenspraak (als derde beklaagde) veroordeeld voor de drie telastleggingen, in staat van wettelijke herhaling, en één straf opgelegd voor het geheel, namelijk 6 jaar gevangenisstraf, een geldboete van 3.000€ (met opdeciemen vermeerderd tot 24.000€) en een bijzondere verbeurdverklaring van een in beslag genomen bedrag van 1.200€. De correctionele rechtbank beval de onmiddellijke aanhouding van eiser.
  3. Eiser stelde hoger beroep in op 24 februari 2020, met voor de strafvordering als grieven ’schuld’, ‘strafmaat’ en ‘anderen’ (onder de laatste rubriek de verbeurdverklaring van 1.200€). De dagvaarding om te verschijnen voor het hof van beroep te Antwerpen werd op 13 mei 2020 betekend aan zijn woonst in Antwerpen. Op de inleidende rechtszitting van 13 mei 2020 werd eiser vertegenwoordigd door zijn toenmalige advocaat, Mr. S. Er werden samen met enkele medebeklaagden conclusietermijnen bepaald en het debat werd uitgesteld naar de zitting van 23 september 2020, met eventuele voorzetting van de zaak op 30 september
  4. Op de pleitzitting van 23 september 2020 verscheen eiser noch zijn raadsman. Het openbaar ministerie bracht een e-mail aan van Mr. S. van 22 september 2020, met de mededeling dat zij niet langer optreedt voor eiser en dat eiser ‘tijdig in kennis werd gesteld van de geagendeerde zittingsdagen’. De zaak is op tegenspraak behandeld voor andere beklaagden, op de openbare zittingen van 23 september en 14 oktober
  5. Het hof van beroep te Antwerpen heeft op 25 november 2020 eiser bij verstek veroordeeld voor vermelde telastleggingen D.1, F en H, in staat van wettelijke herhaling, tot een gevangenisstraf van 5 jaar en een geldboete van 3.000€ (met opdeciemen gebracht op 24.000€). De bijzondere verbeurdverklaring van 1.200€ werd bevestigd. Opnieuw werd de onmiddellijke aanhouding van eiser bevolen.
  6. Het verstekarrest werd op 4 december 2020 betekend aan de woonplaats van eiser, met kennisgeving van de termijnen en vormvereisten van rechtsmiddelen. Op 18 december 2020 heeft eiser verzet aangetekend, bij exploot van gerechtsdeurwaarder, met de mededeling dat hij om een reden buiten zijn wil niet aanwezig was ter zitting waarop de zaak werd behandeld in graad van beroep en hij alsnog zijn verdediging ten gronde wil voeren.
  7. Op de inleidende zitting op verzet van 6 januari 2021 werden conclusietermijnen bepaald en op 23 juni 2021 werd de zaak behandeld, in aanwezigheid van huidige advocaat van eiser, beperkt tot de ontvankelijkheid van het verzet en de vraag of het verzet ongedaan is. Eiser voerde in conclusie aan dat hij om een reden buiten zijn wil verstek liet bij de behandeling van de zaak in hoger beroep (st. 5, blz. 5).
  8. Bij arrest van 22 september 2021 heeft het hof van beroep het verzet van eiser ongedaan verklaard, op basis van art. 187, §6, 1° Sv., om reden dat de afwezigheid van beklaagde op de pleitzitting van 23 september 2020 onmiskenbaar was ingegeven door de wens om afstand te doen van zijn recht om te verschijnen en zich te verdedigen.
  9. De wettige reden tot verschoning
  10. Eiser voert in een eerste middel een schending aan van het recht op toegang tot de rechter, zoals gewaarborgd door art. 6.1 EVRM. Volgens hem liet advocaat S. hem in de steek de dag voor de behandeling van de zaak in hoger beroep en kon hij ‘zomaar niet meteen in persoon’ naar de zitting van 23 september 2020 komen, gezien ‘onder meer het hof van beroep bij verstek zijn onmiddellijke aanhouding had bevolen en hij aldus minstens een aantal regelingen diende te treffen alvorens naar de zitting te kunnen komen waarbij hij gearresteerd zou worden’.
  11. Beoordeling. Uit het recht op toegang tot de rechter en het recht op een eerlijk proces, beschermd door artikel 6.1 EVRM, volgt dat de beklaagde die bij verstek is veroordeeld, de gelegenheid moet hebben van een tweede proces op tegenspraak, tenzij vaststaat dat hij door afwezig te blijven afstand deed van zijn recht van verdediging of de bedoeling had zich aan het gerecht te onttrekken

(1). Het recht op een proces op tegenspraak is dan ook niet absoluut. Wie de gelegenheid had om deel te nemen aan het proces, maar die kans doelbewust en vrijwillig onbenut liet, kan nadien niet aanvoeren dat een veroordeling bij verstek een schending inhoudt van zijn recht op een eerlijk proces, en er via het verzet een tweede proces moet komen, ditmaal op tegenspraak
(2). 10. Artikel 187, §6, 1° Wetboek van Strafvordering, ingevoegd door art. 83 Wet 5 februari 2016 (BS 19 februari 2016), verplicht de rechter het verzet ongedaan te verklaren, als het vaststaat dat de afwezige beklaagde kennis had van de dagvaarding in de procedure waarin hij verstek liet en geen gewag maakt van overmacht of een wettige reden van verschoning, als reden voor zijn verstek
(3). De veroordeling bij verstek blijft dan onaangetast en is uitvoerbaar, behoudens het tijdig aanwenden van andere rechtsmiddelen
(4).
  1. De appelrechters namen aan het vaststaat dat eiser kennis had van de dagvaarding in de procedure waarin hij verstek liet gaan, aangezien hij op zijn adres van inschrijving de dagvaarding voor de inleidingszitting van 13 mei 2020 ontving en hij op die zitting werd vertegenwoordigd door Mr. S. Het aspect van kennisname van de dagvaarding voor de rechtszitting waarop de zaak bij verstek werd behandeld, wordt niet betwist in cassatie. De vraag rijst bijgevolg of de afwezigheid van eiser op de pleitzitting van 23 september 2020, zonder vertegenwoordiging door een advocaat, te wijten is aan overmacht of een wettige reden van verschoning, waardoor de appelrechters zich over de schuldvraag en straftoemeting hadden moeten uitspreken, in plaats van het verzet ongedaan te verklaren.
  2. Overmacht in de zin van art. 187, §6, 1° Sv. kan men opvatten als een omstandigheid buiten de wil van de verstek latende partij, die door hem onmogelijk kon worden voorzien of vermeden
(5). De wettige reden van verschoning is een ruimer begrip, een andere reden dan overmacht die de afwezigheid van de verstek latende partij kan rechtvaardigen, zodat de rechter op verzet de grond van de zaak dient te beoordelen, als het verzet ontvankelijk is
(6). 13. Het Hof oordeelde meermaals dat een “wettige reden van verschoning” die gevallen omvat die geen overmacht uitmaken en waarin de verzet doende partij kennis had van de dagvaarding maar een reden aanvoert waaruit blijkt dat zijn afwezigheid niet was ingegeven door de wens af te zien van zijn recht om te verschijnen en zich te verweren of door de bedoeling om zich aan het gerecht te onttrekken
(7). Het Grondwettelijk Hof oordeelde in dezelfde zin
(8). De rechter op verzet dient bijgevolg de zaak opnieuw te behandelen, binnen de perken van het verzet, als het verzet ontvankelijk is, de eiser of zijn advocaat op elke zitting na het verzet verschijnt en de afwezigheid van de eiser en zijn advocaat in de verstekprocedure gerechtvaardigd was. Er is een gewettigde reden van verstek laten als de eiser op verzet geen kennis had van de dagvaarding of ondanks kennis van de dagvaarding afwezig bleef zonder dat hij daarmee afstand deed van zijn recht op een proces op tegenspraak of zich aan het gerecht wou onttrekken. 14. Het volstaat dat de partij die kennis had van de dagvaarding en bij verstek is berecht ‘gewag maakt’ van een wettige reden van verschoning, die reden geloofwaardig maakt
(9). Het is dan aan de vervolgende partij om het tegenbewijs te leveren, aan te tonen dat de afwezigheid van de partij die bij verstek is veroordeeld wel afstand inhield van het recht op een proces op tegenspraak en wijst op de wil zich aan het gerecht te onttrekken. 15. Het is vaststaande rechtspraak dat die afstand of wil zich te onttrekken aan het gerecht niet alleen kan worden afgeleid uit een expliciete beslissing van de verzet doende partij om afwezig te blijven, maar ook uit het feit dat die partij zonder redelijke verantwoording niet is komen opdagen op de rechtszitting waarop zij behoorlijk was opgeroepen en voldoende de gevolgen kan inschatten van de beslissing om afwezig te blijven
(10). De rechter oordeelt onaantastbaar over de aangevoerde wettige reden ter verschoning, met controle op de wettigheid van de motieven door het Hof
(11).
  1. Mij komt voor dat de aanwezigheid van de advocaat van de verzet doende partij op de inleidende zitting, bedoeld om de conclusietermijnen te bepalen, de rechter niet verhindert het verzet nadien ongedaan te verklaren, als op de vastgestelde (pleit)zitting de eiser op verzet en zijn advocaat afwezig blijven, en die afwezigheid is ingegeven door de wens om afstand te doen van het recht op een proces op tegenspraak of de wil zich aan het gerecht te onttrekken. Het enkele feit dat de eiser op verzet noch zijn raadsman verscheen op de latere zitting, na een inleidende zitting op tegenspraak, verplicht de rechter dus niet om aan te nemen dat die afwezigheid is te wijten aan overmacht of een wettige reden tot verschoning, waardoor hij uitspraak moet doen ten gronde, binnen de perken van het verzet. In zoverre faalt het eerste middel naar recht.
  2. Een bevel tot onmiddellijke aanhouding belet de beklaagde die bij verstek is veroordeeld overigens niet zich aan te bieden voor de rechter op verzet. Het enkele feit dat de beklaagde het risico loopt op aanhouding ter terechtzitting, laat de rechter m.i. toe het verzet ongedaan te verklaren, bij afwezigheid van de beklaagde en zijn raadsman, omdat die afwezigheid wijst op vrijwillige afstand van het recht van verdediging of op het zich onttrekken aan het gerecht. Het Hof oordeelde op 23 maart 2021 dat een bevel tot onmiddellijke aanhouding het de beklaagde niet onmogelijk maakt persoonlijk te verschijnen, ook als hij het risico loopt van voorlopige hechtenis door aan het proces deel te nemen
(12). De beklaagde die na een bevel tot onmiddellijke aanhouding wordt opgesloten, door zich aan te bieden bij de rechter op verzet, kan immers een verzoekschrift indienen om in afwachting van de uitspraak op verzet in vrijheid te worden gesteld, al dan niet onder voorwaarden (art. 27, §2 Wet Voorlopige Hechtenis). In zoverre faalt het eerste middel naar recht.
  1. Het bestreden arrest verwijst naar het e-mail bericht van 22 september 2020 van eisers vorige raadsman, Mr. S., gericht aan de procureur-generaal bij het hof van beroep te Antwerpen, over de kennis van eiser van de pleitzitting. In dat bericht stelt Mr. S. dat ze zich ‘sedert juli 2020’ terugtrok uit de verdediging van eiser, ze niet op de zitting van 23 september 2020 aanwezig zal zijn, ze geen opvolgingsfax ontving van een andere advocaat en dat eiser “tijdig in kennis werd gesteld van de geagendeerde zittingsdaden”.
  2. Uit het e-mail bericht leiden de appelrechters af dat eiser kennis had van de datum waarop de zaak zou behandeld worden en er van een situatie van overmacht of een wettige reden van verschoning geen sprake kan zijn. De afwezigheid van eiser op de pleitzitting is volgens het arrest onmiskenbaar ingegeven door de wens om afstand te doen van zijn recht te verdedigen, aangezien hij zonder redelijke verantwoording niet is komen opdagen, en hij en zijn verdediging voldoende de gevolgen kon inschatten van zijn beslissing om verstek te laten.
  3. Met deze redenen hebben de appelrechters het ongedaan verzet m.i. correct toegepast. Uit de mededeling van Mr. S., vatbaar voor tegenspraak, mochten zij afleiden dat eiser in staat was om tegenspraak te voeren in de procedure die leidde tot een arrest bij verstek, door hetzij zichzelf aan te bieden op de zitting van behandeling van de zaak, hetzij zich te laten vertegenwoordigen door een andere advocaat, zodat de afwezigheid op die vastgestelde zitting is ingegeven door de wens afstand te doen van zijn recht van verdediging. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  4. Voor het overige stelt eiser dat de avond vóór de behandeling van de zaak op 23 september 2020 zijn toenmalige advocaat hem ‘in de steek liet’ (hoewel deze advocaat aan de procureur-generaal aangaf in juli 2020 de verdediging te hebben stopgezet) en hij niet zomaar meteen in persoon voor de rechter op verzet kon verschijnen. Op dit punt verplicht het middel het Hof tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is, en is het niet-ontvankelijk.
  5. Het ontvankelijk maar ongedaan verzet
  6. Artikel 187, §4 Sv. bepaalt dat ten gevolge van het verzet de veroordeling bij verstek voor niet-bestaande wordt gehouden, behoudens in de gevallen bedoeld in §5, §6 en §7, namelijk het niet-ontvankelijk verzet (§5), het ongedaan verzet (§6) en afstand van verzet (§7). Niet-ontvankelijk verzet is niet hetzelfde als ongedaan verzet. Bij het eerste is het proces meteen afgehandeld op verzet, omdat het verzet niet binnen de juiste termijn of volgens de juiste vormvereisten is ingesteld. De vraag of de eiser op verzet en zijn advocaat zonder geldige reden afwezig bleef tijdens het proces bij verstek komt niet ter sprake. Bij het tweede neemt de rechter aan dat het verzet ontvankelijk is, desnoods impliciet, maar geen nieuwe beslissing over de grond van de zaak rechtvaardigt, wegens een reden vermeld in art. 187, §6 Sv
(13). Bij ongedaan verzet herleeft de bestreden verstekbeslissing, herwint zij volle rechtskracht, ook als het verzet op de inleidende rechtszitting al ontvankelijk is verklaard
(14). 23. Uit art. 187, §4 Sv. volgt dat het ontvankelijk verklaren van het verzet de verstekbeslissing slechts teniet doet, binnen de perken van het verzet, op voorwaarde dat het verzet nadien niet ongedaan wordt verklaard
(15). De rechter die het verzet ontvankelijk verklaart kan genoodzaakt zijn ongedaan verzet uit te spreken omdat de eiser noch zijn advocaat verschijnt na het verzet (art. 187, §6, 2° Sv.) of omdat hij tot de bevinding komt dat eiser geen wettige reden van verschoning of overmacht kan aanvoeren om zijn afwezigheid in de verstekprocedure te rechtvaardigen, waarbij het vaststaat dat hij kennis had van de dagvaarding (art. 187, §6, 1° Sv.). 24. Het Hof verduidelijkt het verschil als volgt: “Overwegende dat, wanneer het verzet ongedaan wordt verklaard wegens het niet-verschijnen van de verzetdoende partij, die beslissing weliswaar inhoudt dat het verzet ontvankelijk was, maar niet dat het vonnis waartegen verzet was ingesteld, teniet is gegaan; dat integendeel het niet-verschijnen van de opposant op zijn verzet tot gevolg heeft dat het verzet als ongedaan wordt beschouwd, dit wil zeggen dat het als vervallen wordt beschouwd, met het gevolg dat het verstekvonnis waartegen het verzet was gericht, onaangetast blijft. Dat hieruit volgt dat het hoger beroep dat tegen het verstekvonnis was ingesteld, niet zonder voorwerp wordt”
(16). 25. Ongedaan verzet betekent dat het verzet ontvankelijk is, ook al ontbreekt een beslissing over die ontvankelijkheid
(17). Het is dus niet tegenstrijdig het verzet ontvankelijk doch ongedaan te verklaren. Het tweede middel, dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, en schending aanvoert van art. 149 Grondwet, faalt aldus naar recht. Er zijn geen ambtshalve middelen. Verwerping. ___________________________________
(1)EHRM 12 februari 2015, Colozza t/Italië; EHRM 7 mei 2001, Medenica t/Zwitserland, §55; EHRM 1 maart 2006, Sejdovic t/Italië, §82 en 86; EHRM 1 maart 2011, Faniel t/België, §26, EHRM 22 mei 2012, Idalov t/Rusland, §173 en 177, EHRM 12 februari 2015, Sanander t/Kroatië, §78; EHRM 23 juli 2020, nr. 37368/15, Chong Coronado t. Andorra, §29-30, www.echr.coe.int; Cass. 29 december 2020, AR P.20.0832.N, RW 2021-2022, afl. 4, 167-169; GwH 21 december 2017, arrest 148/2017, B.38.2, NC 2018, 87. Zie A. BAILLEUX, Afstand van recht in de strafprocedure, Antwerpen, Intersentia, 2019, 284-315; Cass. 8 oktober 2019, AR P.19.0636.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191008.3, AC 2019, nr. 508; Cass. 6 juni 2018, AR P.18.0404.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180606.4, AC 2018, nr. 360, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas.; Cass. 27 februari 2018, AR P.17.1074.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180227.6, AC 2018, nr. 130, met concl. van advocaat-generaal L. DECREUS;
(2)S. VAN OVERBEKE, “Verzet en hoger beroep in strafzaken na de wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie (‘Potpourri II’), eerste deel”, RW 2015-16, 1405.
(3)T. DE MEESTER, “Rechtsmiddelen”, in Potpourri II- Strafrecht en strafprocesrecht, Antwerpen, Intersentia, 2016, 122-129; S. VAN OVERBEKE, “Verzet en hoger beroep in strafzaken na de wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie” (“Potpourri II”) (eerste deel), RW 2016-17, 1405-1411, A. WINANTS, “Potpourri II: de nieuwe regels inzake verstek en verzet in strafzaken”, NC 2016, 333-339; J. HUYSMANS, Legitieme verdediging, Intersentia, 2017, 625-652; Ph. TRAEST en J. MEESE, “De rechtsmiddelen verzet en hoger beroep: actualia”, in Strafrecht en strafprocesrecht : doel of middel in een veranderende samenleving, Kluwer, 2017, 537-542 ; D. VANDERMEERSCH, “Les voies de recours après la loi Potpourri II”, in La loi Pot-Pourri II. Un ans après, Brussel, Larcier, 2017, 243-248; A. WINANTS, “Verzet in strafzaken na het arrest van het Grondwettelijk Hof van 21 december 2017”, NC 2018, 38-43; K. DE BACKER, “Het verzet in strafzaken: een verdere verruiming van de wettige reden van verschoning door het Hof van Cassatie”, NC 2019, 548-553; O. MICHIELS en G. FALQUE, Principes de la procédure pénale, Brussel, Larcier, 2019, 502-508; V. VEREECKE, “Wettige reden ter verschoning bij ongedaanverklaring van het verzet in strafzaken”, RABG 2019, 665-675; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Brugge, Die Keure, 2021, 1679-1687.
(4)Over het cassatieberoep tegen het ongedaan verzet en de verstekbeslissing Cass. 15 september 2020, AR P.20.0535.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200915.2N.15, AC 2020, nr. 540, met concl. OM
(5)Cass. 19 december 2017, AR P.17.1340N, AC 2017, nr. 718. Zie alg. J. MEESE, “Overmacht in het strafprocesrecht”, in Overmacht, Antwerpen, Intersentia, 2015, 149-169; Cass. 24 oktober 2017, AR P.16.1198.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171024.2, AC 2017, nr. 584.
(6)A. WINANTS, “Verzet in strafzaken na het arrest van het Grondwettelijk Hof van 21 december 2017”, NC 2018, 41.
(7)Cass. 29 december 2020, P.20.0832.N, RW 2021-2022, afl. 4, 167-169; Cass. 17 juni 2020, AR P.19.1223.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200617.2N.3, AC 2020, nr. 407, RO18, met concl. OM; Cass. 17 september 2019, AR P.18.1192.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190917.1, AC 2019, nr. 461; Cass. 3 april 2019, AR P.19.0032.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190403.1, AC 2019, nr. 206; Cass. 27 februari 2019, AR P.18.0982.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190227.1, AC 2019, nr. 123, T. Strafr. 2019, 163 noot B. DE SMET; Cass. 29 januari 2019, AR P.18. 1046.N, RABG 2019, 662 noot V. VEREECKE, T. Strafr. 2019, 160 noot B. DE SMET; Cass. 23 januari 2019, AR P.18.0580.F, AC 2019, nr. 40; Cass. 27 juni 2018, AR P.18.0607.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180627.2, AC 2018, nr. 417 en noot; Cass. 6 juni 2018, AR P.18.0404.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180606.4, AC 2018, nr. 360, met concl. van advocaat-generaal D.VANDERMEERSCH op datum in Pas.; Cass. 6 juni 2018, AR P.18.0404.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180606.4, AC 2018, nr. 360 met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas.; Cass. 9 mei 2018, AR P.17.1114.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180509.2, AC 2018, nr. 297; Cass. 27 februari 2018, AR P.17.1074.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180227.6, AC 2018, nr. 130 met concl. van advocaat-generaal L. DECREUS, NC 2018, 309 noot E. ROOS, T. Strafr. 2018, 240 noot T. DECAIGNY.
(8)GwH 21 december 2017, arrest 148/2017, www.const-court.be, B.35.2. zie R. VILAIN en W. YPERMAN, “Grondwettelijk Hof van 21 december 2017: it came like a wrecking ball”, NC 2018, 10-12; E. DELHAISE en O. NEDERLANDT, “Légiférer coûte que coûte?”, RDP 2018, 546-549; A. WINANTS “Verzet in strafzaken na het arrest van het Grondwettelijk Hof van 21 december 2017”, NC 2018, 40; S. LAMBERIGTS, “Ongedaan verzet: eigen schuld, dikke bult?”, T. Strafr. 2019, 237-239; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Oud-Turnhout, Gompel&Svacina, 2019, 1413; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Brugge, Die Keure, 2021, 1684-1685.
(9)A. WINANTS, “Verzet in strafzaken na het arrest van het Grondwettelijk Hof van 21 december 2017”, NC 2018, 41; J. HUYSMANS, Legitieme verdediging, Intersentia, 2017, 628-629. Over de vereiste van het gewag maken van overmacht of een wettige reden van verschoning Cass. 22 juni 2021, AR P.21.0404.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210622.2N.8, AC 2021, nr. 464, RO 8,
(10)Cass. 29 december 2020, AR P.20.0832.N, RW 2021-2022, afl. 4, 167-169; Cass. 17 juni 2020, AR P.19.1223.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200617.2N.3, AC 2020, nr. 407, RO 18, met concl. OM; Cass. 29 januari 2019, AR P.18.1046.N, RABG 2019, 660, noot V. VEREECKE en T. Strafr.2019, 160.
(11)Cass. 8 oktober 2019, AR P.19.0636.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191008.3, AC 2019, nr. 508, www.juridat.be Zie ook A. WINANTS, “Verzet in strafzaken na het arrest van het Grondwettelijk Hof van 21 december 2017”, NC 2018, 40; Cass. 27 februari 2019, AR P.18.0982.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190227.1, AC 2019, nr. 123; Cass. 23 januari 2019, AR P.18.0530.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190123.11, AC 2019, nr. 40; Cass. 9 mei 2018, AR P.17.0114.F, AC 2018, nr. 297; Cass. 21 maart 2018, AR P.17.1062.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180321.11, AC. 2018, nr. 196; Cass.19 december 2017, AR P.17.1340.N, AC 2017, nr. 718.
(12)Cass. 23 maart 2021, AR P.21.0169.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210323.2N.14, AC 2021, nr. 214 RO 5: “De door een vonnis bevolen onmiddellijke aanhouding van een beklaagde, maakt het die laatste niet onmogelijk persoonlijk aanwezig te zijn op zijn proces voor het appelgerecht, ook als hij daardoor het risico loopt van zijn vrijheid te worden beroofd. De vermelde verdragsbepaling verzet zich immers niet tegen wettig opgelegde vrijheidsberovende maatregelen, ook al hebben ze tot gevolg dat de beklaagde naar aanleiding van zijn persoonlijke aanwezigheid op zijn proces van zijn vrijheid wordt beroofd. Bovendien kan een beklaagde zijn vrijheidsberoving laten toetsen door het indienen van een verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling”. Zie ook EHRM 23 juli 2020, nr. 37368/15, Chong Coronado t. Andorra §38-44, www.echr.coe.int.
(13)R. VERSTRAETEN, Handboek Strafvordering, Maklu, 2012, 1272; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, 1438; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Brugge, Die Keure, 2021, 1687-1688.
(14)S. VAN OVERBEKE, “Verzet en hoger beroep in strafzaken na de wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie (‘Potpourri II’), eerste deel”, RW 2015-16, 1407 en 1408.
(15)Cass. 2 februari 2021, AR P.20.0862.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210202.2N.2, AC 2021, nr. 90, met concl. van advocaat-generaal A. WINANTS. Zie ook S. VAN OVERBEKE, l.c., RW 2015-16, 1407.&
(16)Cass. 18 november 2003, AR P.03.0937.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031118.18, AC 2003, nr. 576; In dezelfde zin Cass. 2 februari 2021, AR P.20.0862.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210202.2N.2, AC 2021, nr. 90, met concl. van advocaat-generaal A. WINANTS; Cass. 19 september 2018, AR P.18.0447.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180919.2, AC 2018, nr. 480; Cass. 25 januari 2017, AR P.16.1126.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170125.9, AC 2017, nr. 576, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas., T. Strafr.2018, 362, noot E. DE BOCK en RW 2018-19, 465, noot B. DE SMET.
(17)Cass. 19 september 2018, AR P.18.0447.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180919.2, AC 2018, nr. 480, “Het feit dat het verzet ongedaan wordt verklaard omdat de verzetdoende partij niet is verschenen, houdt in dat het verzet ontvankelijk was”. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220118.2N.9 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220118.2N.9 citeert: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031118.18 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170125.9 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171024.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180227.6 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180321.11 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180509.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180606.4 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180627.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180919.2 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190123.11 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190227.1 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190403.1 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190917.1 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191008.3 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200617.2N.3 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200915.2N.15 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210202.2N.2 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210323.2N.14 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210622.2N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.