← België

H. contra BELGISCHE STAAT, MIN FINANCIEN

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 20 januari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220120.1N.1 Rolnummer: F.21.0020.N Zaak: H. contra BELGISCHE STAAT, MIN FINANCIEN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2022-03-01 Raadplegingen: 714 - laatst gezien 2026-06-15 11:50 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220120.1N.1 Fiche Wanneer de administratie gegevens betreffende een belastingplichtige verkrijgt naar aanleiding van een onderzoeksdaad die niet lastens die belastingplichtige wordt verricht, is, opdat de administratie die onderzoeksdaad gedurende de in artikel 354, tweede lid, WIB92 bedoelde aanvullende termijn van vier jaar kon verrichten en opdat de administratie die gegevens lastens die belastingplichtige kan gebruiken, niet vereist dat zij de belastingplichtige voorafgaand aan deze onderzoeksdaad schriftelijk en op nauwkeurige wijze kennis geeft van de aanwijzingen van belastingontduiking die te zijnen aanzien bestaan voor het bedoeld tijdperk

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Allerlei Vrije woorden: Onderzoekstermijn - Verlenging - Aanwijzingen inzake belastingontduiking - Voorafgaande kennisgeving - Vereiste Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Artt. 333 en 354 Annotaties Publicaties: Fisc.Act.-Fiscale actualiteit: wekelijkse nieuwsbrief - 2022, nr. 9, p. 9-
  1. - JANSSENS, Koen; Noot'Onderzoek bij derden tijdens fraudetermijn: geen kennisgeving nodig' T.Not.-Tijdschrift voor notarissen - 2022, nr. 7/8, p. 683-
  2. - WEYTS, Luc; Noot'Uitkeringen bij private stichting: humus voor onduidelijkheid bij overlijden stichter' Tekst van de conclusie F.21.0020.N Conclusie van advocaat-generaal J. Van der Fraenen: (…)
  3. Bespreking van het eerste middel 2.
  4. Eiser voert aan dat de kennisgeving van aanwijzingen van belastingontduiking, die de administratie bij aangetekend schrijven van 7 januari 2011 naar eiser had verstuurd, niet aan de vereisten van artikel 333, 3de lid, WIB92 voldoet, daar deze kennisgeving pas gebeurde nadat de administratie op 9 februari 2010 de Franse fiscale administratie had aangeschreven met het verzoek na te gaan of er ook Belgische titularissen waren vermeld op de lijst van bankrekeninghouders bij de Zwitserse HSBC-bank waarvan de Franse administratie in het bezit was gekomen, terwijl de betwiste aanslag precies was gevestigd op basis van de inlichtingen bekomen van de Franse belastingadministratie en die uitwisseling van informatie tussen België en Frankrijk, op verzoek van de Belgische belastingadministratie, een onderzoeksdaad uitmaakt die aan de vereiste van een voorafgaande schriftelijke kennisgeving moet worden onderworpen zodat het bestreden arrest niet wettig kon beslissen "dat de aanslag ingekohierd ten laste van eiser moet bevestigd worden en dat het feit dat, voor de vraag van 9 februari 2010, geen voorafgaande kennisgeving in de zin van artikel 333, 3de lid WIB92 gestuurd werd naar eiser het onderzoek lastens hem niet nietig maakt en niet belet dat de gegevens die in antwoord op die vraag bekomen werden lastens hem konden worden gebruikt". (Schending van artikel 333, in het bijzonder het derde lid, WIB92) 2.
  5. Artikel 333, 1ste lid, WIB92 bepaalt dat de administratie, onverminderd de bevoegdheden die haar bij de artikelen 351 tot 354 zijn toegekend, de in Titel VII, hoofdstuk III, bedoelde onderzoekingen kan verrichten en belastingen of aanvullende aanslagen eventueel vestigen, zelfs wanneer de aangifte van de belastingplichtige reeds werd aangenomen en de desbetreffende belastingen reeds werden betaald. Bedoelde onderzoekingen mogen krachtens artikel 333, 2de lid, WIB92, zonder voorafgaande kennisgeving aan de belastingplichtige worden verricht gedurende het belastbaar tijdperk evenals in de termijn bedoeld in artikel 354, 1ste lid en in de termijn bedoeld in artikel 354, 4de lid, WIB
  6. Op voorwaarde dat de administratie de belastingplichtige vooraf schriftelijk en op nauwkeurige wijze kennis heeft gegeven van de aanwijzingen inzake belastingontduiking die te zijnen aanzien bestaan voor het bedoeld tijdperk, mogen de bedoelde onderzoekingen bovendien krachtens artikel 333, 3de lid, WIB92 worden verricht gedurende de in artikel 354, 2de lid bedoelde aanvullende termijn van vier jaar. Die voorafgaande kennisgeving is voorgeschreven op straffe van nietigheid. 2.
  7. De bepalingen die samen hoofdstuk III van titel VII van het WIB92 vormen, hebben betrekking op de onderzoekingen die bij de belastingplichtige verricht worden, maar ook op die welke bij een derde of nog bij een openbare dienst, instelling of inrichting plaatsvinden. Hieruit volgt dat, indien de onderzoekingen die gedurende de aanvullende termijn van vier jaar overwogen worden, "de toestand van een belastingplichtige betreffen", de administratie hem vooraf moet kennisgeven van de aanwijzingen van belastingontduiking die jegens hem bestaan, ongeacht de persoon bij wie die onderzoekingen verricht moeten worden
(1). Verweerder werpt terecht op in de memorie van antwoord dat opdat er van een onderzoeksdaad in de zin van artikel 333 WIB92 sprake kan zijn, derhalve is vereist dat die onderzoeksdaad kadert in het fiscaal onderzoek naar een welbepaalde belastingplichtige. Onderzoekingen die niet kaderen in het fiscaal onderzoek naar een welbepaalde belastingplichtige, maar er louter toe strekken het mogelijk te maken te beslissen over de noodzaak van een fiscaal onderzoek, zijn m.i. geen onderzoeksdaden waarvoor de administratie een voorafgaande kennisgeving dient te versturen overeenkomstig artikel 333, 3de lid, WIB92
(2). Wanneer de administratie voor de aanvang van een onderzoek niet weet ten aanzien van welke belastingplichtige dit onderzoek informatie zal opleveren, kan de voorwaarde van de voorafgaande kennisgeving van aanwijzingen inzake belastingontduiking uiteraard niet worden nageleefd, nu dit praktisch onmogelijk is
(3). Voor de toepassing van de voorafgaande kennisgevingsverplichting is het dan ook belangrijk te kijken naar het normdoel: essentieel is dat de belastingplichtige, ter vrijwaring van zijn rechten, uitdrukkelijk op de hoogte gesteld wordt van de aanwijzingen van belastingontduiking die ten aanzien van hem bestaan alvorens onderzoekingen naar hem te verrichten
(4). Wanneer er nog geen aanwijzingen van belastingontduiking bestaan en een onderzoeking voor de administratie slechts de mogelijkheid doet ontstaan om te beslissen of een fiscaal onderzoek dient te worden opgestart, geldt er m.i. geen kennisgevingsverplichting. 2.
  1. In voorliggend geval stellen de appelrechters vast dat de vraag van de Belgische administratie aan haar Franse zusteradministratie niet in de voorgenomen taxatie van eiser kaderde, vermits de administratie op dat moment nog niet wist of kon weten dat de eiser zou voorkomen op de lijst van de titularissen van een bankrekening bij HSBC. Vervolgens oordelen zij dat wanneer de administratie gegevens betreffende een belastingplichtige verkrijgt naar aanleiding van een controle die niet uitdrukkelijk lastens hem wordt gevoerd, ze logischerwijze niet bij machte is om de belastingplichtige te identificeren alvorens de inlichtingen te verkrijgen. De appelrechters die op die gronden oordelen dat het feit dat vóór de vraag van 9 februari 2010 geen voorafgaande kennisgeving werd verricht in de zin van artikel 333, 3de lid, WIB92, het onderzoek lastens eiser niet nietig maakt en niet belet dat de gegevens die in antwoord op die vraag werden bekomen lastens hem konden worden gebruikt, verantwoorden hun beslissen naar recht. Het eerste middel kan m.i. niet worden aangenomen. (….)
  2. Besluit: Verwerping. ______________
(1)Cass. 20 mei 2016, AR F.15.0175.F, AC 2016, nr. 335, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160520.2.
(2)Vgl. inzake de inzage van een strafdossier door de administratie: Cass. 16 maart 2001, AR F.99.0037.N, AC, 2001, nr. 141, ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010316.4.
(3)DE TROYER, I., en SAELEN L., "HSBC: hof schippert inzake bewijs en controlebevoegdheid", noot bij Antwerpen, 19 november 2019, TFR, af1. 584, 564.
(4)VANCOLEN S. en VANDORPE, S., "Voorkennis op basis van afdoende objectieve gegevens, rechtsgrond en bedoeling maken dat inzage strafdossier door fiscus een (kwalitatieve) onderzoeksdaad kan zijn", noot bij Gent, 9 april 2019, TFR., 2020, afl. 586, 722. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220120.1N.1 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220120.1N.1 citeert: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010316.4 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160520.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.