← België

P&V IMMO nv contra T.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 24 januari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220124.3N.7 Rolnummer: S.19.0037.N-S.20.0016.N Zaak: P&V IMMO nv contra T. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2022-03-01 Raadplegingen: 545 - laatst gezien 2026-06-16 04:36 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220124.3N.7 Fiche De vordering ingesteld wegens daden van oneerlijke concurrentie of medewerking aan dergelijke daden na het beëindigen van de arbeidsovereenkomst tegen een ex-werknemer in wiens arbeidsovereenkomst geen geldig niet-concurrentiebeding was opgenomen, is niet te beschouwen als een rechtsvordering die uit de arbeidsovereenkomst ontstaat in de zin van artikel 15 Arbeidsovereenkomstenwet, maar als een buitencontractuele rechtsvordering in de zin van artikel 2262bis, § 1, Oud Burgerlijk Wetboek

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - VERPLICHTINGEN Vrije woorden: Ex-werknemer - Oneerlijke concurrentie - Vordering na beëindiging arbeidsovereenkomst - Geen geldig niet-concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst - Aard van de vordering - Gevolg Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 2262bis, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten - 03-07-1978 - Artt. 15 en 17, 3°,
  1. a)en
  2. b)- 01 ELI link Pub nr 1978070303 Tekst van de conclusie S.19.0037.N-S.20.0016.N Conclusie van advocaat-generaal Henri Vanderlinden: 1. Eisers tot cassatie komen in de beide zaken op tegen een arrest van het Arbeidshof te Antwerpen, Afdeling Hasselt, gewezen op 26 februari 2019. In de zaak S.19.0037.N worden drie middelen aangevoerd. In de zaak S.20.0016.N wordt er één middel aangevoerd. 2. Voeging. Daar beide voorzieningen zich richten tegen dezelfde beslissing dienen ze te worden samengevoegd. 3. De zaak S.19.0037.N. A. Wat betreft het eerste middel. Eerste onderdeel. (…) B. Wat betreft het tweede middel. Eerste onderdeel. a. Probleemstelling. De problematiek in het eerste onderdeel betreft de aard van de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 17, 3° Arbeidsovereenkomstenwet, in de in deze toepasselijke versie. Zijn deze uit de arbeidsovereenkomst ontstaan, dan wel zijn zij te beschouwen als een explicitering van de gemeenrechtelijke regel vervat in artikel 1382 Oud Burgerlijk Wetboek? Eén en ander in het licht van de vraag wat de toepasselijke verjaringstermijn is. De appelrechters waren van oordeel dat het verplichtingen zijn die uit de arbeidsovereenkomst zijn ontstaan waardoor de verjaringstermijn van artikel 15 Arbeidsovereenkomstenwet van toepassing is. b. Beoordeling. Ik deel in deze niet het standpunt van de appelrechters. Het artikel 17, 3° Arbeidsovereenkomstenwet, in de in deze toepasselijke versie, luidt als volgt: De werknemer is verplicht : (…) 3° zowel gedurende de overeenkomst als na het beëindigen daarvan, zich ervan te onthouden:
  3. a)fabrieksgeheimen, zakengeheimen of geheimen in verband met persoonlijke of vertrouwelijke aangelegenheden, waarvan hij in de uitoefening van zijn beroepsarbeid kennis kan hebben, bekend te maken;
  4. b)daden van oneerlijke concurrentie te verrichten of daaraan mede te werken; Zo men op zoek gaat naar de origine van deze bepaling dan stelt men vast dat deze teruggaat naar het artikel 20, tweede lid van de wet van 7 augustus 1922 op de bediendenovereenkomst. Het artikel 20, tweede lid van de wet van 1922 luidde als volgt: “Zowel wanneer de overeenkomst van kracht is als na het einde daarvan, moet de bediende nalaten de geheimen der fabricering of der zaken van het bedrijfshoofd aan een concurrent of aan elk ander persoon bekend te maken en elke andere daad van oneerlijke concurrentie te verrichten of daaraan deel te nemen.” De verplichtingen vervat in de wet van 1922 zijn duidelijk van eenzelfde strekking als deze die van 17, 3° Arbeidsovereenkomstenwet. Doch waar de bespreking van dit artikel bij de totstandkoming van de Arbeidsovereenkomstenwet nogal summier van aard was, was dit niet zo voor de bepaling van de wet van 1922. Zij het dat deze bepaling in de oorspronkelijke versie van het wetsvoorstel niet aan te treffen is
(1). Ze komt het eerst aan bod in het verslag van de Commissie in de Kamer
(2). De tekst is het voorwerp geweest van diverse amendementen en discussies waaronder een verschil van mening tussen Kamer en Senaat
(3). Indien men de debatten in acht neemt die in de Kamer en Senaat plaatshadden, blijkt dat diverse parlementsleden van oordeel waren dat de gedraging die wordt aangekaart eigenlijk een verwoording is van wat aan te treffen is in het gemeen recht zijnde artikel 1382 Oud Burgerlijk Wetboek en, in voorkomend geval, artikel 309 Sw. waardoor de vraag werd geopperd over de noodzaak van deze bepaling
(4). Het is duidelijk dat artikel 20, tweede lid, van de wet van 1922 als oogmerk had de belangen van de werkgever te beschermen. Het opzet van de bepaling was dus, in essentie, een expliciet in herinnering brengen, ten aanzien van de werknemer, van de gemeenrechtelijke regels. Tijdens de parlementaire debatten werd ook een standpunt ingenomen betreffende de toepasselijke verjaringstermijn. Voor de vorderingen die hieruit voortvloeiden, diende geen bijzondere verjaringstermijn te worden voorzien, ter zake voldeed het gemeenrecht
(5)
(6). In zake de vraag over de toepasselijke verjaringstermijn, bij een vordering die zijn grondslag vond in artikel 26, 2° lid van het KB van 20 juli 1955
(7)tot samenordening van de wetten betreffende het bediendencontract, oordeelde Uw Hof bij arrest van 16 februari 1960
(8)dat niet de bijzondere verjaringstermijn van artikel 34 van het KB van 20 juli 1955
(9)van toepassing was maar wel de gemeenrechtelijke. Het standpunt van Uw Hof, in het verlengde van de visie van de regelgever, was duidelijk. De verjaringstermijn die van toepassing is, betreft deze van het gemeenrecht en niet deze van de regelgeving inzake de arbeidsovereenkomsten. De vraag die zich stelt is of dit standpunt thans, voor wat betreft het artikel 17, 3° Arbeidsovereenkomstenwet tevens kan in aanmerking worden genomen? Ik meen van wel. Immers, ook in deze toepasselijke versie, betreft het ook hier niet meer dan een in herinnering brengen van de gemeenrechtelijke regels en is het opzet nog altijd het beschermen van de belangen van de werkgever. Het betreft dan ook een buitencontractuele aangelegenheid. De toepasselijke verjaringstermijn is deze van het gemeenrecht. Dat deze visie ook hier in aanmerking dient te worden genomen, blijkt ook in het kader van werkzaamheden bij de totstandkoming van de Arbeidsovereenkomstenwet. Bij de bespreking van artikel 15 Arbeidsovereenkomstenwet werd door de minister, voor wat betreft, onder andere de onthulling van fabrieksgeheimen, onder verwijzing naar het arrest van uw Hof van 1960, gesteld dat de gemeenrechtelijke verjaringstermijnen hun toepassing vinden
(10). De appelrechters oordelen dat de vordering wegens niet-nakoming van de verplichting tot discretie inzake vertrouwelijke gegevens en zakengeheimen of wegens daden van oneerlijke concurrentie onmiskenbaar een vordering is die ontstaan is uit de arbeidsovereenkomst. Zij oordelen verder dat desbetreffend de verjaringstermijn van artikel 15 Arbeidsovereenkomstenwet van toepassing is waardoor de gestelde vordering verjaard is. Met dit oordeel schenden de appelrechters de artikelen 1382 en 2262bis, §1 Oud Burgerlijk Wetboek alsook artikel 15 Arbeidsovereenkomstenwet. Het onderdeel is in zoverre gegrond. De overige grieven kunnen niet tot een ruimere cassatie leiden. 4. De zaak S.20.0016.N (…) Conclusie: In de zaak S.19.0037.N: Cassatie. In de zaak S.20.0016.N: Verwerping. __________________________________
(1)Wetsvoorstel betreffende de bedienden en de klerken, Parl. St. Kamer 1919-1920, nr. 58.
(2)Verslag Wetsvoorstel betreffende de bedienden en de klerken, Parl. St. Kamer 1920-1921, nr. 133, p. 4-5. De tekst die uiteindelijk in de wet van 1922 wordt weerhouden is een iets afgeslankte, en licht gewijzigde, versie van wat eerst weerhouden werd door de Commissie: “Zowel na het eindigen van de overeenkomst als gedurende de uitvoering daarvan, moet de bediende nalaten, de geheimen der fabriceering, der bevoorrading of der cliënteele van het bedrijfshoofd bekend te maken of aan een concurrent of elk anderen persoon mede te deelen”. Doch telde ook een derde lid: “Tot staving van dit verbod kan een strafbeding in de overeenkomst opgenomen worden.” (Verslag Wetsvoorstel betreffende de bedienden en de klerken, Parl. St. Kamer 1920-1921, o.c., p. IV-V).
(3)Hand. Kamer 1920-1921, 13 mei 1921, 1227 e.v.; Hand. Senaat 1921-1922, 15 maart 1922, 367 e.v.; Hand. Kamer 1921-1922, 13 juli 1922, 1721-1722 en 1727-1728; Verslag Wetsvoorstel betreffende de bedienden en de klerken, Parl. St. Senaat 1921-1922, nr. 172, 1; Hand. Senaat 1921-1922, 27 juli 1922, 1024 e.v.
(4)Hand. Senaat 1921-1922, 16 maart 1922, 376-376; Verslag Wetsvoorstel betreffende de bedienden en de klerken, Parl. St. Kamer 1921-1922, nr. 275, 4; Hand. Senaat 1921-1922, 21 maart 1922, 395.
(5)Verslag Wetsvoorstel betreffende de bedienden en de klerken, Parl. St. Senaat 1921-1922, nr. 23, 12.
(6)De wet van 1922 voorzag in artikel 28 een verjaringstermijn van één jaar na het einde van de arbeidsovereenkomst.
(7)Dit was artikel 20, 2° lid van de wet van 1922.
(8)Cass 19 februari 1960, AC 1960, p. 572.
(9)Dit was artikel 28 van de wet van 1922.
(10)Verslag Wetsontwerp betreffende de arbeidsovereenkomsten, Parl. St. Kamer 1977-1978, nr. 293-4, 8. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220124.3N.7 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220124.3N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.