id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 25 januari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220125.2N.3 Vervangt nummer: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220104.2N.3 Rolnummer: P.21.1353.N Zaak: N. contra AB KALMTHOUT BV Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Strafrecht - Unierecht - Constitutioneel recht - Overige Invoerdatum: 2022-02-28 Raadplegingen: 869 - laatst gezien 2026-06-18 23:20 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220125.2N.3 Fiches 1 - 5 Uit het arrest van het Hof van Justitie van 6 oktober 2020 in de zaken C-511/18, C-512/18 en C-520/18 en het arrest nr. 57/2021 van 22 april 2021 van het Grondwettelijk Hof blijkt dat de rechter de toepassing van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maakt door het enkel toepassen van artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering als nationale bewijsuitsluitingsregel op communicatiegegevens verkregen ingevolge een algemene en ongedifferentieerde bewaarplicht
(1); de rechter aan wie dergelijk onregelmatig bewijsmateriaal wordt voorgelegd, oordeelt op grond van de concrete gegevens van de zaak en in het licht van de gehele procedure onaantastbaar of het gebruik van dat bewijsmateriaal strijdig is met het recht op een eerlijk proces en daarbij dient de rechter, indien dat voor hem wordt betwist, in het bijzonder rekening te houden met de door het Hof van Justitie vooropgestelde criteria
(2)
(3)
(4); het enkele feit dat onregelmatig bewaarde communicatiegegevens zijn gebruikt om een beklaagde te vervolgen, verplicht de rechter niet die gegevens als bewijs te weren en dit is slechts het geval voor wat betreft gegevens die een doorslaggevende invloed kunnen hebben op de beslissing over de schuldigverklaring; het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die niet te verzoenen zijn met het recht op een eerlijk proces.
(1)HvJ 6 oktober 2020, gevoegde zaken C-511/18, C-512/18 en C-520/18, La Quadrature du Net e.a., nr. 221-228, www.curia.europa.eu; GwH 22 april 2021, nr. 57/2021, www.const.cour.be.
(2)De door het Hof van Justitie vooropgestelde criteria betreffen het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel; het doeltreffendheidsbeginsel brengt voor de nationale strafrechter de verplichting mee om informatie en bewijzen die door middel van een met het Unierecht onverenigbare algemene en ongedifferentieerde bewaring van verkeers- en locatiegegevens zijn verkregen, in het kader van een strafrechtelijke procedure tegen personen die worden verdacht van strafbare handelingen, buiten beschouwing te laten indien die personen niet in de gelegenheid zijn om doeltreffend commentaar te leveren op die informatie en die bewijzen, die betrekking hebben op een gebied waarvan de rechter geen kennis heeft en een doorslaggevende invloed kunnen hebben op de beoordeling van de feiten (zie randnummer 3 van het huidig arrest).
(3)Zie Cass. 11 januari 2022, AR P.21.1245.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220111.2N.1, AC 2022, nr. 14.
(4)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Instellingen GRONDWETTELIJK HOF ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Fiches 6 - 7 De algemene en ongedifferentieerde bewaring van communicatiegegevens en het gebruik van die gegevens in het strafproces is als dusdanig niet dermate technisch of gecompliceerd dat zij ontsnapt aan de kennis van de rechter of dat een beklaagde zich daarop niet nuttig of effectief kan verdedigen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Annotaties Publicaties: Juristenkrant-De Juristenkrant - 2022, nr. 443, p. 3 en
- - PATTYN, Dries; Noot'Dataretentie en Antigoon: Cassatie slaat en zalft' T.Strafr.-Tijdschrift voor strafrecht: jurisprudentie, nieuwe wetgeving en doctrine voor de praktijk - 2022, nr. 3, p. 160-
- - VAN DE HEYNING, Catherine; Noot'Het gebruik van communicatiegegevens bewaard op basis van de vernietigde dataretentiewet: Cassatie schijnt zijn licht' Tekst van de conclusie P.21.1353.N Conclusie van advocaat-generaal Dirk SCHOETERS: De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele zaken, van 6 oktober
- Procedurele voorgaanden.
- De eisers in cassatie werden als dader of mededader in de zin van artikel 66 van het strafwetboek, vervolgd uit hoofde van verschillende feiten van zogenaamde “plofkraken”, gekwalificeerd als opzettelijke vernieling van bouwwerken of vervoermiddelen met vermoeden van menselijke aanwezigheid, door het veroorzaken van een ontploffing, met verzwarende omstandigheden (telastlegging A), opzettelijke vernieling van onroerende goederen, zonder vermoeden van menselijke aanwezigheid, door het veroorzaken van een ontploffing, met verzwarende omstandigheden (telastlegging B), diefstal met braak (telastlegging C), poging diefstal met braak (telastlegging D), vernieling landelijke en stedelijke afsluitingen (telastlegging E) en vereniging van misdadigers (telastlegging F).
- Bij arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele zaken, van 6 oktober 2021, werd op strafgebied, met éénparigheid van stemmen, geoordeeld als volgt: - wat betreft eiser I: - eiser I werd schuldig verklaard aan de feiten van de telastleggingen A.1, A.2, A.3, A.4, B.1, B.2, C.1, C.2, C.3, C.4, C.5, C.6, C.7, C.8, C.9, C.10, C.11, C.12, C.13, C.14, D, E.1, E.2 en F; - er werd vastgesteld dat eiser I zich in staat van wettelijke herhaling bevindt; - eiser I werd veroordeeld wegens de voormelde bewezenverklaarde vermengde feiten tot een gevangenisstraf van achttien jaar; - lastens eiser I werd de verbeurdverklaring uitgesproken van de in het arrest vermelde in beslaggenomen goederen. -Wat betreft eiser II: - eiser II werd schuldig verklaard aan de feiten van de telastleggingen A.1, A.2, A.3, A.4, B.1, B.2, C.1, C.2, C.3, C.4, C.5, C.6, C.7, C.8, C.9, C.10, C.11, C.12, C.13, C.14, D, E.1, E.2 en F; - er werd vastgesteld dat eiser II zich in staat van wettelijke herhaling bevindt; - eiser II werd veroordeeld wegens de voormelde bewezenverklaarde vermengde feiten tot een gevangenisstraf van achttien jaar; - lastens eiser II werd de verbeurdverklaring uitgesproken van de in het arrest vermelde in beslaggenomen goederen. Verder werden eisers veroordeeld tot betaling van de forfaitaire vergoeding, een bijdrage voor de financiering van het Fonds tot hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, een bijdrage voor de financiering van het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand (uitgezonderd eiser II die van juridische tweedelijnsbijstand geniet) en tot de kosten van de strafvordering en de burgerlijke vordering in beide aanleggen. Op burgerlijk gebied werden de vorderingen van de burgerlijke partijen ontvankelijk en gegrond verklaard, zoals nader gespecifieerd in het bestreden arrest.
- Enkel eiser II voert in een memorie een middel aan. Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
- Het arrest is wat betreft de burgerlijke rechtsvordering van de verweerder 7 bij verstek gewezen. De tegen die beslissing gerichte cassatieberoepen die zijn ingesteld tijdens de gewone termijn van verzet, zijn niet ontvankelijk. Verder blijkt uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan niet dat de eisers hun cassatieberoep hebben laten betekenen aan de verweerders, zoals vereist door artikel 427 Wetboek van Strafvordering. In zoverre gericht tegen de beslissingen op de burgerlijke rechtsvorderingen van de overige verweerders zijn de cassatieberoepen evenmin ontvankelijk. Het middel van eiser II.
- Eiser II voert de schending aan van artikel 6 EVRM en de artikelen 7 en 8 Handvest Grondrechten EU. Eiser II verwijst naar de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna genoemd “Hof van Justitie”) in de zaak “Steffensen” van 10 april 2003, “WebMindLicences” van 17 december 2015 en “La Qaudrature du Net e.a” van 6 oktober 2020
(1), waaruit volgt dat, vanuit het beginsel van de doeltreffendheid van het Unierecht en het recht op een eerlijk proces, het bewijs verkregen middels schending van het Unierecht op dataretentie en de eraan gekoppelde fundamentele rechten, niet gebruikt mag worden bij de strafrechtelijke vervolging van een beklaagde, wanneer deze zich niet effectief kan uitspreken over dat bewijs, en wanneer dat bewijs betrekking heeft op iets waarover de rechter geen kennis heeft en dat een zwaarwichtige impact kan hebben op de vaststelling van de feiten. In het licht van hogervermelde rechtspraak zou de bewijsuitsluitingsregel voorzien in artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering volgens eiser II te beperkend zijn en is de toepassing van artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering niet verenigbaar met het Unierecht en de hoger vermelde rechtspraak van het Hof van Justitie, in het kader van de beoordeling van verkregen bewijsmateriaal in schending met het Unierecht inzake dataretentie. Ter onderbouwing van zijn middel stelt eiser II dat de bewaring van telefoongegevens enerzijds dermate technisch is dat eiser zich daar in wezen niet effectief en nuttig kan tegen verdedigen en anderzijds dat de bodemrechters hier ook geen kennis van hebben. De dataretentie zou tevens een belangrijke invloed gehad hebben op de vervolging van eiser II. De beslissing om het onregelmatig verkregen bewijsmateriaal niet uit te sluiten, is aldus volgens eiser een schending van het recht op een eerlijk proces, gewaarborgd door artikel 6 EVRM, gelezen in samenhang met de artikelen 7 en 8 van het Handvest Grondrechten EU. 6. De vraag die zich hier niet stelt is of de bewijselementen bestaande uit telecommunicatiegegevens die verkregen werden op grond van de wet van 29 mei 2016 betreffende het verzamelen en het bewaren van de gegevens in de sector van de elektronische communicatie, al dan niet onregelmatig zijn. Deze vraag dient, in het licht van hierna vermelde arresten van het Hof van Justitie en het Grondwettelijk Hof, bevestigend beantwoord te worden. Over de problematiek van de bewaarplicht van en de toegang tot telecommunicatiegegevens heeft het Hof van Justitie ondertussen reeds verschillende arresten geveld
(2). Op 8 april 2014 verklaarde het Hof van Justitie in de Digital Rights t. Ireland zaak de richtlijn 2006/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 betreffende de bewaring van gegevens die zijn gegenereerd of verwerkt in verband met het aanbieden van openbaar beschikbare elektronische communicatiediensten of van openbare communicatienetwerken en tot wijziging van Richtlijn 2002/58/EG, die een algemene bewaarplicht van communicatiegegevens oplegde, ongeldig wegens miskenning van de fundamentele rechten op bescherming van het privéleven en op bescherming van persoonsgegevens, zoals vastgelegd in de artikelen 7 en 8 Handvest. Twee jaar later, bij arrest van 21 december 2016 in de zaak Tele2 Sverige AB e.a., trok het Hof van Justitie deze lijn door naar nationale regelgeving. Ook nationale regelgeving kan geen algemene en ongedifferentieerde bewaarplicht van verkeers- en locatiegegevens opleggen. Daarentegen werd wel toegelaten om de identificatiegegevens van gebruikers bij te houden, omdat deze volgens het Hof van Justitie minder privacy-ingrijpend zijn. Met de recente arresten van 6 oktober 2020 in de zaken La Quadrature e.a. en Privacy International en van 2 maart 2021 in de zaak Prokuratuur zorgt het Hof van Justitie voor een verdere verduidelijkingen
(3). Bij arrest nr. 84/2015 van 11 juni 2015 vernietigde het Grondwettelijk Hof de wet van 30 juli 2013 houdende wijziging van de artikelen 2, 126 en 145 van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie en van artikel 90decies Wetboek van Strafvordering
(4). Deze wet vormde vanaf zijn inwerkingtreding op 2 september 2013 de gedeeltelijke omzetting van de richtlijn 2006/24/EG in het Belgisch recht. In navolging van het gemelde arrest van het Hof van Justitie van 6 oktober 2020 in de zaak La Quadrature du Net e.a., vernietigde het Grondwettelijk Hof bij arrest nr. 57/2001 van 22 april 2021 vervolgens gedeeltelijk de (nieuwe) wet van 29 mei 2016 betreffende het verzamelen en het bewaren van de gegevens in de sector van de elektronische communicatie
(5). Bewijsmateriaal dat is vergaard op grond van de wet van 29 mei 2016 betreffende het verzamelen en het bewaren van de gegevens in de sector van de elektronische communicatie, die het Grondwettelijk Hof gedeeltelijk heeft vernietigd bij arrest nr. 57/2021 van 22 april 2021, is in principe onregelmatig verkregen in de zin van artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering
(6). Het bestreden arrest oordeelt ook niet in andere zin en eiser II voert hiertegen geen middel aan. 7. Het middel bekritiseert het arrest in zoverre dit op grond van de op basis van de in artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering vereiste toetsing voor de uitsluiting van onregelmatig verkregen bewijs, niet besloten heeft tot bewijsuitsluiting en betoogt dat artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering door de appelrechters niet mocht toegepast worden aangezien deze bewijsuitsluitingsregeling in casu het EU recht zou ondermijnen. In de voormelde arresten van 6 oktober 2020 en 2 maart 2021 heeft het Hof van Justitie zich uitgesproken over de vraag of het Unierecht zich ertegen verzet dat in het kader van een strafrechtelijke procedure gebruik wordt gemaakt van informatie en bewijzen die zijn verkregen door middel van een met dit recht onverenigbare algemene en ongedifferentieerde bewaring van verkeers- en locatiegegevens en toegang tot deze gegevens. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie komt het uitsluitend de lidstaten toe om nationale regels vast te stellen en toe te passen inzake het gebruik en uitsluiting van onrechtmatig verkregen bewijs, zowel met betrekking tot informatie en bewijsmateriaal die zijn verkregen door de algemene en ongedifferentieerde bewaring van dergelijke gegevens in strijd met het Unierecht, als door een met dat recht strijdige toegang van de nationale instanties tot die gegevens, op voorwaarde dat hierbij het gelijkwaardigheidsbeginsel en doeltreffendheidsbeginsel wordt gerespecteerd
(7). Het Hof van Justitie preciseert hierbij dat uit haar rechtspraak volgt dat bij de beoordeling of informatie en bewijzen die in strijd met de voorschriften van het Unierecht zijn verkregen, moeten worden uitgesloten, met name moet worden nagegaan of de aanvaarding van dergelijke informatie en bewijzen schending van het beginsel van hoor en wederhoor en dus ook van het recht op een eerlijk proces tot gevolg kan hebben
(8). Het Hof van Justitie besluit dat de nationale rechter informatie en bewijzen die door middel van een met het Unierecht onverenigbare algemene en ongedifferentieerde bewaring van verkeers- en locatiegegevens dan wel via toegang daartoe door de bevoegde instantie in strijd met dit recht zijn verkregen, buiten beschouwing moet laten indien die personen niet in de gelegenheid zijn om doeltreffend commentaar te leveren op die informatie en die bewijzen, die betrekking hebben op een gebied waarvan de rechter geen kennis heeft en een doorslaggevende invloed kunnen hebben op de beoordeling van de feiten
(9). Bij deze preciseringen verwijst het Hof van Justitie naar haar rechtspraak in de zaak Steffenssen en de rechtspraak van EHRM in de zaak Mantovelli
(10). In navolging van het arrest van het Hof van Justitie van 6 oktober 2020 in de zaak La Quadrature du Net oordeelde het Grondwettelijk Hof dat het aan de bevoegde strafrechter toekomt, in voorkomend geval, uitspraak te doen over de toelaatbaarheid van de bewijzen die werden verzameld bij de tenuitvoerlegging van de vernietigde bepalingen, overeenkomstig artikel 32 van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering en in het licht van de door het Hof van Justitie het voormelde arrest van 6 oktober 2020 aangebrachte preciseringen
(11). Het lijkt mij dat voormelde preciseringen van het Hof van Justitie geen ruimere draagwijdte hebben dan dat de nationale rechter in ieder geval zal moeten beoordelen of het gebruik van de bewijselementen die in strijd met het Unierecht verkregen zijn, al dan niet het recht op een eerlijk proces schendt, waarbij het recht op tegenspraak in de regel een wezenlijk aspect van deel uitmaakt
(12). Er weze opgemerkt dat noch het Hof van Justitie noch het Grondwettelijk Hof in het kader van de algemene en ongedifferentieerde bewaring van verkeers- en locatiegegevens en toegang tot deze gegevens, niet spreken over de schending van het recht op een eerlijk proces, maar gewag maken van een schending van de artikelen 7 en 8 Handvest door een onevenredige inmenging in het privéleven en in de bescherming van persoonsgegevens. Daarenboven is het de rechtspraak van het EHRM en het Hof dat, zelfs wanneer een bewijs zou zijn verkregen in strijd met artikel 8 EVRM en 7 Handvest of met artikel 8 Handvest, dit niet steeds impliceert dat er een schending zou zijn van artikel 6 EVRM of een miskenning met zich brengt van het recht op een eerlijk proces
(13). Artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepaalt dat tot nietigheid van een onregelmatig verkregen bewijselement enkel wordt besloten indien ofwel de naleving van de betrokken vormvoorwaarden wordt voorgeschreven op straffe van nietigheid, ofwel de begane onregelmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijs heeft aangetast, ofwel het gebruik van het bewijs in strijd is met het recht op een eerlijk proces. Krachtens die bepaling worden onregelmatigheden waardoor geen op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvoorwaarde wordt overtreden en die evenmin voldoen aan de andere erin vermelde voorwaarden, niet nietig verklaard of uit het debat geweerd. Deze regel geldt voor alle onregelmatigheden, ongeacht of zij een inbreuk inhouden op een verdragsrechtelijk of grondwettelijk gewaarborgd recht
(14). De voormelde preciseringen van het Hof van Justitie lijken mij dus niet in de weg te staan dat toepassing wordt gemaakt van artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, en de “Antigoon-leer” van het Hof
(15). Het EHRM oordeelde trouwens dat de “Antigoon-leer” en artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering verenigbaar is met het in artikel 6 EVRM vervatte recht op een eerlijk proces
(16). Dergelijke bewijsuitsluitingsregeling ontneemt geenszins elk nuttig effect aan het Unierecht, waardoor het in de praktijk onmogelijk zou worden dit uit te oefenen. In zoverre het middel lijkt uit te gaan van een andere rechtsopvatting, lijkt mij dit te falen naar recht.
- De rechter aan wie bewijsmateriaal dat betrekking heeft op verkeers- en locatiegegevens die bewaard werden in strijd met het Unierecht en voor wie dat bewijsmateriaal doorslaggevend is om te beslissen over de schuldigverklaring, oordeelt op grond van de concrete gegevens van de zaak en in het licht van de gehele procedure onaantastbaar of het gebruik van dat bewijs strijdig is met het recht op een eerlijk proces. De rechter kan daarbij onder meer rekening houden met een geheel van gegevens eigen aan de zaak, zoals de stand van de wetgeving op het moment van de onregelmatigheid, het feit dat de onregelmatigheid niet opzettelijk of ingevolge een niet te verontschuldigen nalatigheid is begaan en het feit dat de beklaagde voor de rechter tegenspraak heeft kunnen voeren over het bewijsmateriaal. Niet vereist is dat de rechter zijn beslissing motiveert aan de hand van welbepaalde vaste criteria. Het loutere gegeven dat dit bewijs betrekking heeft op telecommunicatiegegevens die bewaard werden en/of waartoe toegang werd verkregen in strijd met het Unierecht, impliceert evenwel niet dat een beklaagde nooit op een relevante wijze tegenspraak zou kunnen voeren en het recht op een eerlijk proces steeds geschonden zou zijn. Het Hof zal wel nagaan of de rechter uit zijn vaststellingen geen niet te verantwoorden gevolgen afleidt. In zoverre het middel zou uitgaan van een andere rechtsopvatting, lijkt mij dit te falen naar recht. Ik merk op dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan niet blijkt dat eiser II in conclusie heeft aangevoerd dat hij niet in de gelegenheid gesteld werd op doeltreffende wijze commentaar te leveren op het aangevoerde bewijsmateriaal.
- De eerste rechter steunt het oordeel dat het bedoelde bewijs niet strijdig is met het recht op een eerlijk proces op de volgende gronden: - de ernst van de aan de beklaagden ten laste gelegde feiten overstijgt ruimschoots de ernst van de beweerde onregelmatigheden; het staat vast dat de gegevens opgevraagd werden in het kader van de bestrijding van zware criminaliteit, met name ter bestrijding van internationaal georganiseerde misdrijven gepleegd in het kader van een vereniging, hetwelk door het Hof van Justitie in zijn arrest(en) zelf al beschouwd werd als een mogelijke toegangssleutel ('bestrijding ernstige criminaliteit') tot metadata; - opvraging van de telecommunicatiegegevens gebeurde op vordering en onder strikt toezicht van een onafhankelijke gerechtelijke instantie, met name de onderzoeksrechter en zulks op grond van een wettelijke bepaling; - de onderzoeksrechter heeft bij een duidelijk en gemotiveerd bevelschrift uiting gegeven aan de redenen en motieven die aan de grondslag lagen van de door hem genomen beslissing; - het recht op een eerlijk proces dient ook te worden beoordeeld over het geheel van het strafproces; niets belet partijen om de verzamelde telefoondata tegen te spreken; partijen hebben ook voor de rechter ten gronde nog steeds de mogelijkheid om alle telefoongegevens te weerleggen en de juistheid ervan te betwisten; de algemene bewering van beklaagde N. dat hij praktisch niet in de mogelijkheid zou zijn om de data tegen te spreken is gratuit aangezien hij in de loop van het strafonderzoek nooit hiertoe een verzoek heeft gericht en geen concrete betwisting aangeeft; - er zijn tevens andere bewijselementen en de telefoniegegevens zijn niet de doorslaggevende beweegredenen waar de veroordeling van beklaagden op berust; - er is op heden dan ook geen sprake van een onherroepelijke schending van het recht op een eerlijk proces; het feit dat de bewijsmiddelen zouden verzameld zijn met inbreuk op het privéleven van de beklaagden heeft de uitoefening van het recht van verdediging geenszins in de weg gestaan. Met overname van de redenen van de eerste rechter en eigen redenen oordeelt het arrest als volgt: - de eerste rechter heeft inzake de toepassing van de bepalingen van artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering een correcte analyse doorgevoerd, analyse die het hof zich eigen maakt; - er is geen schending van een op straffe voorgeschreven vormvereiste, hetgeen door geen enkele beklaagde wordt geargumenteerd; - uit niets blijkt dat de thans aan de orde zijnde onregelmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijs heeft aangetast; alle beklaagden hebben zowel in de loop van het onderzoek als voor de eerste rechter en het hof de gelegenheid gehad hebben betwisting te voeren over de tegen hen aangebrachte telefoniegegevens en de juistheid van de verstrekte telefoniegegevens werd door geen enkele beklaagde op een concrete wijze betwist; er liggen geen reden voor om aan te nemen dat de aan de orde zijnde telefoniegegevens onbetrouwbaar zouden zijn - de telefoniegegevens zijn geenszins de enige bewijselementen waarop het hof het oordeel over de schuldvraag aan de diverse misdrijven steunt; onder meer kan verwezen worden naar de beschikbare camerabeelden van de plaatsen delict, de vaststellingen van de politiediensten en/of van DOVO en de daaruit blijkende specifieke, weerkerende modus-operandi, de waargenomen specifieke lichamelijke kenmerken van de daders, de analyse van de aangetroffen DNA-sporen, de getuigenverklaringen, de uitgevoerde huiszoekingen, de vaststellingen aangaande de onderlinge relaties tussen de beklaagden - er is geen sprake van het gebruik van het bewijs in strijd met het recht op een eerlijk proces en dit ook werd door geen enkele beklaagde voor het hof geargumenteerd; het louter gegeven dat bewijselementen zouden zijn verzameld in strijd met het recht op eerbiediging van het privéleven of met het recht op bescherming van persoonsgegevens, stond in deze de uitoefening van de rechten van verdediging door de beklaagden geenszins in de weg; - er ligt, gelet op het voorgaande, geen enkele grond voor om die in het kader van het vooronderzoek verzamelde telefoniegegevens uit het debat te weren; - de algemene door de eiser II ter rechtszitting naar voor gebrachte standpunten zijn geenszins van aard om het hof van beroep anders te doen oordelen. Op grond van het geheel van voormelde redenen lijkt het mij dat het arrest wettig kan oordelen dat de bedoelde telefoniegegevens, met toepassing van artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, niet als bewijs moeten worden geweerd, zonder dat hieruit een miskenning van eisers rechten op een eerlijke proces kan worden afgeleid. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Voor het overige meen ik dat het middel een onderzoek van de feiten vereist waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en lijkt dit dus niet ontvankelijk. Ik heb geen ambtshalve middelen. __________________________
(1)HvJ 10 april 2003, zaak C-276/01, Steffensen; HvJ 17 december 2015, zaak C-419/14, WebMindLicenses Kft t. Nemzeti Adó-és Vámhivatal Kiemelt Adó-és Vám Föigazgatóság; HvJ 6 oktober 2020, gevoegde zaken C-511/18, C-512/18 en C-520/18, La Quadrature du Net e.a., www.curia.europa.eu.
(2)HvJ 8 april 2014, gevoegde zaken C-293/12 en C-594/12, Digitals Rights Ireland Ltd.e.a; HvJ 21 december 2016, gevoegde zaken C-203/15 en C-698/15, Tele2 Sverige AB e.a.; HvJ 2 oktober 2018, zaak C-207/16, Ministerio Fiscal; HvJ 6 oktober 2020, gevoegde zaken C-511/18, C-512/18 en C-520/18, La Quadrature du Net e.a.; HvJ 6 oktober 2020, zaak C-623/17, Privacy International e.a.; HvJ 2 maart 2021, zaak C-746/18, Prokuratuur. www.curia.europa.eu.
(3)Over de bewaarplicht van en toegang tot telecomgegevens: R. DE KEERSMAECKER en C. VAN DE HEYNING, “De bewaarplicht van en toegang tot telecomgegevens na de arresten van het Hof van Justitie en het Grondwettelijk Hof: een nieuwe episode in de dataretentie-saga”, T.Strafr., 2021, 171-189.
(4)GwH 11 juni 2015, nr. 84/2015, www.const-cour.be.
(5)GwH 22 april 2021, nr. 57/2021, www.const.cour.be.
(6)Ik merk op dat de vorderingen van de onderzoeksrechter op grond van artikel 88bis Wetboek van Strafvordering dateren van na de inwerkingtreding van de geciteerde wet van 29 mei 2016 maar vóór het arrest van het Hof van Justitie van 6 oktober 2020 in de gevoegde zaken C-511/18, C-512/18 en C-520/18, La Quadrature du Net e.a..
(7)HvJ 6 oktober 2020, gevoegde zaken C-511/18, C-512/18 en C-520/18, La Quadrature du Net e.a., §§ 222 en 223; HvJ 2 maart 2021, zaak C-746/18, Prokuratuur, §§41 en 42, www.curia.europa.eu.
(8)HvJ 6 oktober 2020, gevoegde zaken C-511/18, C-512/18 en C-520/18, La Quadrature du Net e.a., § 226; HvJ 2 maart 2021, zaak C-746/18, Prokuratuur, §44, www.curia.europa.eu.
(9)HvJ 6 oktober 2020, gevoegde zaken C-511/18, C-512/18 en C-520/18, La Quadrature du Net e.a., § 228; HvJ 2 maart 2021, zaak C-746/18, Prokuratuur, §44, www.curia.europa.eu.
(10)HvJ 10 april 2003, zaak C-276/01, Steffensen, www.curia.europa.eu; EHRM 18 maart 1997, Mantovanelli t. Frankrijk, www.echr.coe.int.
(11)GwH 22 april 2021, nr. 57/2021, B.24.3.
(12)E. MAES en S. CAREEL, “Toegang tot bewaarde telecomdata en het gebruik ervan in strafzaken: sust Antigoon de gemoederen?”, Juristenkrant 7 april 2021, 6.
(13)EHRM, Grote Kamer, 1 juni 2010, Gäfgen t. Duitsland, § 162; EHRM, 28 juli 2009, Lee Davies t. België, §§ 40-41-42; EHRM, grote kamer, 10 maart 2009, Bykov t. Rusland, §§ 89-90; EHRM, 1 maart 2007, Heglas t. Tsjechische Republiek, §§ 85-86; EHRM, Grote Kamer, 11 juli 2006, Jalloh t. Duitsland, § 94; EHRM, 5 november 2002, Allan t. Verenigd Koninkrijk, §§ 42- 43; EHRM, 25 september 2001, P.G en J.H. t. Verenigd Koninkrijk, §§ 76-77; EHRM, 12 mei 2000, Khan t. Verenigd Koninkrijk, §§ 34-35; EHRM, 9 juni 1998, Teixeira de Castro t. Portugal, §34EHRM, 12 juli 1988, Schenk t. Zwitserland, § 46; Cass. 24 maart 2020, AR P.19.0571.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200324.1N.1, AC 2020, nr. 211; Cass. 19 april 2016, AR P.15.1639.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160419.3, AC 2016, nr. 265, met concl. van advocaat-generaal A. WINANTS.; Cass. 5 januari 2016, AR P.15.1103.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160105.7, AC 2016, nr. 8.
(14)Cass. 24 maart 2020, AR P.19.0571.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200324.1N.1, AC 2020, nr. 211; Cass. 19 april 2016, AR P.15.1639.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160419.3, AC 2016, nr. 265, met concl. van advocaat-generaal A. WINANTS.
(15)Zie E. MAES en S. CAREEL, “Toegang tot bewaarde telecomdata en het gebruik ervan in strafzaken: sust Antigoon de gemoederen?”, Juristenkrant 7 april 2021, 6; M. GIACOMETTI en A. RIZZO, “La Cour constitutionelle a-t-elle sonné le glas de la conservation des données de communications en vue de leur utilisation dans le cadre des procédures pénales”, RDPC, 2021, n° 9-10, 950-951; P. TERSAGO, “Dataretentie opnieuw vernietigd. Wat zijn de gevolgen voor het bewijs in strafzaken?”, P&B, 2021, afl. 4, 164-174.
(16)EHRM, 28 juli 2009, Lee Davies t. België; EHRM 31 januari2017, Kalnènienè t. België, www.echr.coe.eu. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220125.2N.3 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220125.2N.3 citeert: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160105.7 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160419.3 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200324.1N.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220111.2N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div