id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 03 februari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220203.1N.1 Rolnummer: C.21.0058.N Zaak: H. contra LAURIUS Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2022-03-02 Raadplegingen: 789 - laatst gezien 2026-06-18 14:00 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220203.1N.1 Fiche Om na te gaan of de rechter de gerechtsdeskundige belast met vaststellingen te doen of technisch advies te geven, dan wel zijn rechtsmacht met betrekking tot de beoordeling van het geschil ten gronde heeft overgedragen door aan de deskundige advies te vragen over de gegrondheid van de vordering, volstaat het enkele gebruik van de terminologie van de wet bij het formuleren van de opdracht in de regel niet om tot overdracht van rechtsmacht te besluiten, maar dient de formulering van de opdracht in haar geheel te worden nagegaan en moeten alle gegevens in acht worden genomen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: DESKUNDIGENONDERZOEK Vrije woorden: Opdracht van de rechter aan de deskundige - Overdracht van rechtsmacht - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 11, eerste lid, en 962, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de conclusie C.21.0058.N Conclusie van eerste advocaat-generaal Ria Mortier:
- Feiten en procedure Uit de stukken waarop mag worden acht geslagen blijkt dat eiser beroep deed op verweerster als advocatenkantoor. Over het ereloon van verweerster werd tussen partijen geen voorafgaandelijke afspraak gemaakt. Een deel van de kosten en ereloonstaten werd door eiser betaald maar over een bepaald deel ontstond betwisting waarop verweerster overging tot dagvaarding. De eerste rechter veroordeelde eiser tot betaling. Op het hoger beroep van eiser gingen de appelrechters bij tussenarrest over tot het aanstellen van een deskundige met als opdracht advies te geven of en in welke mate de door verweerster ingevorderde staten van kosten en erelonen gerechtvaardigd zijn, rekening houdend met het tijdstip waarop de prestaties werden geleverd en met artikel 446ter van het Gerechtelijk wetboek. In het eindarrest sluiten de appelrechters zich aan bij het besluit van de gerechtsdeskundige en verklaren zij de vordering van verweerster voor wat de hoofdsom betreft gegrond ten aanzien van eiser. Tegen dit arrest van 26 oktober 2020 van het hof van beroep te Antwerpen worden door eiser twee middelen aangevoerd.
- Bespreking 2.
- Eerste middel In het eerste middel voert eiser aan dat de appelrechters met de aan de gerechtsdeskundige gegeven opdracht om na te gaan of de staten van kosten en ereloon “gerechtvaardigd” zijn, de kernvraag van de hangende ereloonbetwisting waarover zij uitspraak dienden te doen hebben overgelaten aan de deskundige en zij bijgevolg hun rechtsmacht op dit punt hebben overgedragen. Zoals eiser ook beaamt, oordeelt Uw Hof in dit verband in vaste rechtspraak dat de rechter, ter oplossing van een voor hem gebracht geschil of ingeval een geschil werkelijk en dadelijk dreigt te ontstaan, een deskundige kan gelasten vaststellingen te doen of een technisch advies te geven, maar het door de rechter bevolen deskundigenonderzoek enkel feitelijke vaststellingen of technisch advies tot voorwerp kan hebben en de rechter zijn rechtsmacht overdraagt wanneer aan de gerechtsdeskundige opdracht is gegeven een advies te geven over de gegrondheid van de vordering
(1). Om na te gaan of de rechter de gerechtsdeskundige belast met het doen van vaststellingen of het geven van technisch, dan wel zijn rechtsmacht met betrekking tot de beoordeling van het geschil ten gronde heeft overgedragen, dient de formulering van de opdracht in haar geheel te worden nagegaan en moeten alle gegevens in acht worden genomen zoals de motieven, de techniciteit en de context waarin de deskundige met de opdracht wordt belast
(2). Het kan daarbij voorkomen dat de vraag waarop de deskundige een antwoord van technische aard moet geven, samenvalt met de vraag waarover de rechter vanuit een juridisch oogpunt uitspraak moet doen
(3). Het enkel gebruik van de terminologie van de wet bij het formuleren van de opdracht volstaat echter in de regel niet om tot overdracht van de rechtsmacht te besluiten
(4). Uit deze rechtspraak volgt dat een zuivere kritiek op het woordgebruik bij de omschrijving van de opdracht, op zich niet volstaat om van een overdracht van rechtsmacht door de rechter te spreken
(5). Veel meer dan de bewoordingen waarin de rechter een opdracht geeft aan de deskundige is wat de deskundige doet met de opdracht van de rechter en wat de rechter doet met het verslag van de deskundige bepalend
(6). De rechter mag de feitelijke bevindingen van de deskundige als uitgangspunt voor zijn oordeel nemen, maar hij moet daaraan zelf, desgevallend geholpen door het deskundigenverslag, de gevolgen verbinden die nodig zijn voor de toepassing van de wet. Overdracht van rechtsmacht door een rechter is dus niet enkel een kwestie van woordgebruik, maar de rechter moet daarbij ook inhoudelijk zijn rechtsmacht hebben overgedragen, doordat hij niet zelf uitspraak heeft willen doen over de geschilpunten waarover hij moest oordelen en hij de beoordeling daarvan heeft doorgeschoven naar de deskundige. Van zijn kant moet de deskundige zich die beoordelingstaak hebben toegemeten. Uit het geheel van de overwegingen van het tussenarrest van 16 juli 2018 blijkt dat de appelrechters de gerechtsdeskundige om een technisch advies hebben gevraagd inzake de door de verweerster aangerekende uren en gehanteerde uurloontarieven. Dat de appelrechters in de opdracht aan de deskundige uitdrukkelijk verwijzen naar de terminologie van artikel 446ter Gerechtelijk Wetboek houdt op zich geen overdracht van rechtsmacht in. De werkelijke opdracht van de gerechtsdeskundige bestaat er immers in een technisch advies te verschaffen over de gepresteerde uren en over de gehanteerde uurloontarieven. Dit volgt ook uit de wijze waarop de deskundige zijn opdracht heeft uitgevoerd. In het eindarrest stellen de appelrechters immers vast dat de gerechtsdeskundige in zijn eindverslag tot het besluit kwam dat:
(1)de prestaties zoals aangerekend in de ereloonstaten effectief corresponderen met de prestaties zoals deze zijn terug te vinden in het dossier (wat het technisch advies is over de voor de prestaties aangerekende uren) en
(2)het uurloontarief niet overdreven is en correspondeert met de anciënniteit en de ervaring van elke advocaat die aan het dossier heeft gewerkt (wat het technisch advies is over de uurtarieven). De vaststelling dat
(3)het ereloon werd begroot met de bescheidenheid die van de advocaat moet worden verwacht verwijst weliswaar, net zoals de opdracht, naar de terminologie van artikel 446ter Gerechtelijk Wetboek maar moet samen worden gelezen met het daarvoor verstrekte technisch advies dat de voor de prestaties aangerekende uren correct waren en de uurloontarieven niet overdreven waren. De opdracht van de deskundige om technisch advies te verlenen, valt in die zin weliswaar deels samen met de juridische vraag die de rechter moet beslechten, maar die vaststelling van de deskundige impliceert op zich nog geen verboden uitspraak over de gegrondheid van de vordering tot betaling van de betwiste ereloonstaten, derwijze dat de rechter hierover geen uitspraak meer zou moeten doen. De appelrechters hebben zich trouwens ook niet beperkt tot de overname van de besluiten van de deskundige. Zij sluiten zich hier weliswaar bij aan maar voegen er aan toe dat dit besluit op objectieve bevindingen is gesteund die niet weerlegd worden door eiser, waarna nog andere overwegingen volgen waarmee de appelrechters een eigen beoordeling maken van de gegrondheid van de vordering van eiser. Het eerste middel kan bijgevolg niet worden aangenomen. (…) Conclusie: vernietiging van het eindarrest van 26 oktober 2020, met verwijzing. _________________________________
(1)Cass. 10 november 2006, AR C.06.0274.N, AC 2006, nr. 554, ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061110.2; Cass. 3 juni 2004, AR C.03.0111.N, AC 2004, nr. 303, ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040603.9.
(2)Cass. 15 juni 2018, AR C.17.0422.F, AC 2018, nr. 391, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180615.2; Cass. 15 november 2012, AR C.11.0579.F, AC 2012, nr. 616, ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121115.2; Cass. 1 oktober 2010, AR C.09.0384.N, AC 2010, nr. 568, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101001.1; Cass. 10 juni 2010, AR C.09.0081.N, AC 2010, nr. 408, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100610.9.
(3)Cass. 15 juni 2018, AR C.17.0422.F, AC 2018, nr. 391, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180615.2; Cass. 15 november 2012, AR C.11.0579.F, AC 2012, nr. 616, ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121115.2.
(4)Cass. 28 april 2015, AR P.14.1623.N, AC 2015, nr. 279, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150428.2; Cass. 1 oktober 2010, AR C.09.0384.N, AC 2010, nr. 568, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101001.1.
(5)D. LINDEMANS, “Artikel 11 Ger.W.” in Gerechtelijk recht, Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, 2010, nr. 6; zie in dezelfde zin: T. LYSENS en L. NAUDTS, Deskundigenonderzoek in burgerlijke zaken, Mechelen, Kluwer, 2018, nrs. 283-284.
(6)D. LINDEMANS, “Artikel 11 Ger.W.” in Gerechtelijk recht, Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, 2010, nr. 5. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220203.1N.1 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220203.1N.1 citeert: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040603.9 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061110.2 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100610.9 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101001.1 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121115.2 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150428.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180615.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div