id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 03 februari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220203.1N.3 Rolnummer: C.21.0121.N Zaak: E. contra BANK J.VAN BREDA & Co Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2022-03-02 Raadplegingen: 1188 - laatst gezien 2026-06-19 12:31 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220203.1N.3 Fiche Waar een kredietopening zich bij uitstek onderscheidt van een geldlening door de opnamevrijheid aan de zijde van de kredietnemer, staat het aan de feitenrechter om te oordelen of de kredietnemer effectief beschikt over de vrijheid om het kredietbedrag al dan niet op te nemen hetzij in één keer hetzij in meerdere keren, waarbij hij zich niet noodzakelijk moet richten naar de kwalificatie die de partijen aan hun overeenkomst hebben gegeven maar hij deze door een andere kan vervangen indien de regelmatig aan zijn oordeel onderworpen gegevens binnen en buiten de overeenkomst de door de partijen aan hun overeenkomst gegeven kwalificatie uitsluiten
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: LENING Vrije woorden: Onderscheid met kredietopening - Opnamevrijheid - Beoordeling door de rechter Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 1892, 1902, 1905 en 1907 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Annotaties Publicaties: RW-Rechtskundig weekblad - 2022-23, nr. 3, p. 97-
- - CLAESENS, Clément; Noot'De kwalificatie van kredietopening niet zomaar uit te sluiten' RABG-Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent - 2022, nr. 10, p. 658-
- - DEMAECKER, Valérie; Noot'De kwalificatie van kredietopening voor de financiering van een eenmalige vastgoedtransactie' Tekst van de conclusie C.21.0121.N Conclusie van eerste advocaat-generaal Ria Mortier :
- Feiten en procedure Uit de stukken waarop mag worden acht geslagen blijkt dat tussen verweerster en eerste en tweede eiser enerzijds en tussen verweerster en eerste en derde eiser anderzijds twee overeenkomsten “verwezenlijking van kredietopening” werden afgesloten waarbij door verweerster een voorschottenkrediet ter beschikking werd gesteld. Eisers wensten op een bepaald ogenblik over te gaan tot vervroegde terugbetaling van de kredieten die op grond van voormelde overeenkomsten werden opgenomen. Zij betwisten daarbij de door verweerster berekende contractuele wederbeleggingsvergoedingen omdat zij die in strijd achten met artikel 1907bis Oud Burgerlijk wetboek dat de vergoeding voor wederbelegging bij vervroegde terugbetaling van een lening beperkt tot maximaal 6 maanden interest. Eisers gaan er daarbij immers van uit dat de overeenkomsten te kwalificeren zijn als lening terwijl verweerster het standpunt inneemt dat dit kredietopeningen zijn. Eisers gaan over tot dagvaarding van verweerster. Anders dan de ondernemingsrechtbank kwalificeert de appelrechter de overeenkomsten niet als leningen maar als kredietopeningen en wordt aldus geen toepassing gemaakt van artikel 1907bis Oud Burgerlijk wetboek. Tegen dit arrest van 8 oktober 2020 van het hof van beroep te Antwerpen voeren eisers één middel aan waarin zij stellen dat de afwezigheid van een reële vrijheid van opname van het krediet de kwalificatie als kredietopening in de weg staat.
- Bespreking Uw Hof heeft reeds in verscheidene arresten, waaronder een aantal vrij recente, het onderscheid tussen een lening en een kredietopening verduidelijkt. Aldus wordt een geldlening genoemd de overeenkomst waarbij de uitlener aan de lener een bepaald geldbedrag ter beschikking stelt onder de verplichting dit bedrag terug te geven, vermeerderd met interest indien die is bedongen. Het is een zakelijke overeenkomst die ontstaat door de afgifte van het geldbedrag
(1). Een kredietopening daarentegen is een consensuele en wederkerige overeenkomst waarbij de kredietgever aan de kredietnemer tijdelijk en tot beloop van een bepaald bedrag hetzij geld hetzij kredietwaardigheid ter beschikking stelt zonder dat de kredietnemer verplicht is om van het krediet gebruik te maken
(2). De kredietnemer kan van het krediet gebruik maken door een of meer geldopnemingen maar hij is niet verplicht om van het krediet gebruik te maken
(3). Het determinerende onderscheidingscriterium tussen beide overeenkomsten is de bestaande opnamevrijheid
(4). Ook het Grondwettelijk Hof oordeelt in die zin
(5). Een kredietnemer heeft bij een kredietopening immers het recht/de vrijheid, maar niet de plicht om het geld op te nemen of aanspraak te maken op de kredietwaardigheid
(6). Hij kiest daarenboven in principe vrij hoeveel en wanneer hij geld opneemt of kredietwaardigheid inroept
(7). Een herhaalde wilsovereenstemming per geldopname is aldus uit den boze
(8). De keuze van de kredietnemer zelf om het kredietbedrag in één keer geheel op te nemen
(9)doet op zich niet af aan een bestaande contractuele vrijheid om het kredietbedrag op onderscheiden ogenblikken in onderscheiden bedragen op te nemen. Zolang de kredietnemer dergelijke keuze heeft, doet zijn keuze om alles in één keer op te nemen dus niet af aan de kwalificatie als kredietopening
(10). De vrijheid betreft bovendien de opname van het krediet, niet noodzakelijk de terugbetaling ervan, die aan (strikte) banden kan worden gelegd
(11). Waar andere elementen zoals het doel van de lening of het krediet, het bestaan van een al dan niet korte opnameperiode of het al dan niet aanrekenen van een provisie in afwachting of bij gebrek aan opname, ondersteunende elementen kunnen zijn voor de feitenrechter om te besluiten tot een geldlening of een kredietopening blijft de opnamevrijheid uiteindelijk hét onderscheidend criterium tussen beide overeenkomsten. Het komt aan de feitenrechter toe te oordelen of de kredietnemer in werkelijkheid over de vrijheid beschikt om het krediet al dan niet op te nemen
(12). Uw Hof zal hierop zijn wettigheidstoezicht uitoefenen. Eisers voeren aan dat de opnamevrijheid te dezen niet reëel is nu enerzijds het toegestane krediet gewaarborgd wordt door een hypotheek op het onroerend goed waarvan de aanschaf door het krediet wordt gefinancierd en het krediet dus moét worden opgenomen om de hypotheek te kunnen vestigen en anderzijds het krediet binnen een zeer beperkte periode moet worden opgenomen zo niet wordt het kredietbedrag beperkt tot het opgenomen bedrag, wat de kredietnemer verplicht het volledige bedrag binnen een korte opnameperiode op te nemen wat, mede door het vast afbetalingsplan, geen ruimte laat tot aanpassing van de aflossingen. In dit kader kan vooreerst worden herhaald dat het doel van het krediet op zich niet relevant is voor de kwalificatie van de overeenkomst maar samen met andere indicaties wel een kwalificatie in een bepaalde zin kan sturen. Een actieve vraagstelling van de kredietgever naar het doel van het krediet, staat de kwalificatie als kredietopening evenwel niet in de weg
(13), maar past in de informatie- en adviesplicht van de kredietgever. Een kredietopening verandert daarenboven niet in een geldlening louter omdat de kredietnemer slechts eenmalig krediet heeft opgenomen voor de financiering van de aankoop van een onroerend goed
(14), doch omringende omstandigheden kunnen de balans naar de kwalificatie als geldlening doen overslaan. Anderzijds volstaat een korte periode om het krediet op te nemen, op zich niet om te besluiten dat er geen opnamevrijheid is
(15). Uw Hof oordeelt wel dat een als kredietopening bestempelde overeenkomst eigenlijk als een geldlening te beschouwen is als het krediet uitsluitend bestemd is voor een eenmalige transactie, zo gestructureerd is dat de kredietnemer onmiddellijk een voorafbepaalde som ontvangt en de kredietnemer in werkelijkheid niet de mogelijkheid had om de benodigde geldsommen af te roepen naar zijn behoeften
(16). Indien het krediet met andere woorden is toegekend om in één keer te worden opgenomen binnen een korte opnameperiode, bestemd voor een bepaald onroerend goed en mits hypotheekvestiging op dat goed, bestaat een contractueel bepaalde gefractioneerde opnamemogelijkheid inderdaad enkel theoretisch. De appelrechter oordeelt op basis van diverse vaststellingen dat de door partijen als “kredietopening” gekwalificeerde overeenkomsten CR549890 en CR551150 effectief kredietopeningen zijn en geen geldleningen. Hij bespreekt hierbij de kaderovereenkomst, de benaming die partijen aan de overeenkomst geven, het doel van het krediet, de opnamevrijheid, het al dan niet bestaan van een kredietopnemingsprovisie en de mogelijkheid tot wederopname. De appelrechter stelt in de modaliteiten van de beide overeenkomsten een vrijheid van opname vast nu er vrijheid tot opname van de voorschotten bestond zonder verplichting het volledige voorschot op te nemen binnen de overeengekomen opnametermijn. Hij verwijst daarvoor naar het feit dat beide overeenkomsten bepalen dat het kredietbedrag tot het reeds opgenomen bedrag zal worden beperkt als niet alles op het einde van de opnameperiode is opgenomen, waarna een wijziging van de looptijd en/of de aflossing zou worden meegedeeld. Bij de overeenkomst CR551150 ziet de appelrechter de opnamevrijheid versterkt door de afwezigheid van de vereiste van voorlegging van investeringsbewijzen en de afwezigheid van contractuele opnameschijven. In het raam van die overeenkomst merkt hij op dat tweede eiseres het initiatief nam om het bedrag in één keer geheel op te nemen. Deze vaststellingen volstaan voor de kwalificatie als kredietopening en sluiten de kwalificatie als geldlening uit. De beslissing van de appelrechter is bijgevolg naar recht verantwoord. Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen. In zoverre eisers een motiveringsgebrek aanvoeren met betrekking tot het gevoerd verweer dat de omstandigheid dat de in hypotheek gegeven onroerende goederen werden gefinancierd met de kredieten, de kwalificatie als kredietopening uitsluit, mist het middel feitelijke grondslag nu de appelrechter enerzijds oordeelt dat de overeenkomsten geen doel vermelden waarvoor de kredieten zijn bestemd, noch de daadwerkelijke aanwending van de kredietbedragen bepalend is voor de kwalificatie van de overeenkomsten. Met deze redenen beantwoordt en verwerpt de appelrechter het gevoerd verweer. Conclusie : verwerping. _______________________________
(1)Cass. 14 juni 2021,AR C.21.0025.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210614.3N.9, AC 2021, nr. 441; Cass. 18 juni 2020, AR C.19.0140.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200618.1N.5, AC 2020, nr. 414; Cass. 27 april 2020, AR C.19.0602.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200427.3N.38, AC 2020, nr. 250; H. VANHEES, E. DIRIX en R. STEENNOT, Ondernemingsrecht in hoofdlijnen, Antwerpen, Intersentia, 2019, 210.
(2)Cass. 14 juni 2021, AR C.21.0025.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210614.3N.9, AC 2021, nr. 441; H. VANHEES, E. DIRIX en R. STEENNOT, Ondernemingsrecht in hoofdlijnen, Antwerpen, Intersentia, 2019, 211.
(3)Cass.11 maart 2021, AR C.18.0552.F ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210311.1F.8, AC 2021, nr. 179; Cass. 18 juni 2020, AR C.19.0140.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200618.1N.5, AC 2020, nr. 414; Cass. 27 april 2020, AR C.19.0602.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200427.3N.38, AC 2020, nr. 250.
(4)Concl. van advocaat-generaal T. WERQUIN, op datum in Pas., voor Cass. 11 maart 2021, AR C.18.0552.F ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210311.1F.8, AC 2021, nr. 179; C. BIQUET-MATHIEU, “Deux arrêts de la Cour de cassation sur les notions de prêt et d’ouverture de crédit” (noot onder Cass. 27 april 2020 en Cass. 18 juni 2020), JLMB 2020, 1546 e.v.; L. MAES, “Kwalificatie kredietovereenkomst en de toepassing van artikel 1907bis BW” (noot onder Cass. 27 april 2020), NJW 2020, 692.
(5)Gw.H. 7 augustus 2013, 119/2013, r.o. B4 en B.6.4.
(6)Cass. 14 juni 2021, AR C.21.0025.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210614.3N.9, AC 2021, nr. 441; Cass. 11 maart 2021, AR C.18.0552.F ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210311.1F.8, AC 2021, nr. 179.
(7)Concl. van advocaat-generaal T. WERQUIN, op datum in Pas., voor Cass. 11 maart 2021, AR C.18.0552.F ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210311.1F.8, AC 2021, nr. 179; Cass. 26 november 2009, AR C.09.0063.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091126.14, AC 2009, nr. 702, met concl. van advocaat-generaal A. VAN INGELGEM.
(8)C. BIQUET-MATHIEU, “Deux arrêts de la Cour de cassation sur les notions de prêt et d’ouverture de crédit” (noot onder Cass. 27 april 2020 en Cass. 18 juni 2020), JLMB 2020, 1550.
(9)Zie ook G. BALLON, “Over de kwalificatie als lening van een kredietopening t.v.v. een onderneming” (noot onder Kh. Luik 16 september 2016), DAOR 2016, 92.
(10)C. BIQUET-MATHIEU, “Deux arrêts de la Cour de cassation sur les notions de prêt et d’ouverture de crédit” (noot onder Cass. 27 april 2020 en Cass. 18 juni 2020), JLMB 2020, 1546.
(11)Zie ook Cass. 27 april 2020, AR C.19.0602.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200427.3N.38, AC 2020, nr. 250; C. ALTER en L. VAN MUYLEM, “L’article 1907bis du Code civil et (re)qualification de l’ouverture de crédit” (noot onder Kh. Charleroi 11 oktober 2013), TBH 2015, 196.
(12)Cass. 14 juni 2021, AR C.21.0025.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210614.3N.9, AC 2021, nr. 441.
(13)Cass. 27 april 2020, AR C.19.0602.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200427.3N.38, AC 2020, nr. 250, Bank Fin.R. 2020, 178, noot A. ANDRÉ-DUMONT en T. MALENGREAU, JLMB 2020, 1540, noot C. BIQUET-MATHIEU, NJW 2020, afl. 428, 691, noot L. MAES, TBBR 2020, 534, noot C. BIQUET-MATHIEU, TBH 2021, 97.
(14)Zie concl. van advocaat-generaal T. WERQUIN, opdatum in Pas., voor Cass. 11 maart 2021, AR C.18.0552.F ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210311.1F.8, AC 2021, nr. 179.
(15)G. BALLON, “Over de kwalificatie als lening van een kredietopening t.v.v. een onderneming” (noot onder Kh. Luik 16 september 2016), DAOR 2016, 92; D.J. DE TROIJ, “Kredietopening, lening op interest en wederbeleggingsvergoeding. What’s in a name?”, NJW 2017, 724.
(16)Cass. 14 juni 2021, AR C.21.0025.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210614.3N.9, AC 2021, nr. 441. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220203.1N.3 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220203.1N.3 citeert: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091126.14 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200427.3N.38 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200618.1N.5 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210311.1F.8 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210614.3N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div