← België

U. contra P.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 03 februari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220203.1N.6 Rolnummer: C.20.0368.N Zaak: U. contra P. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Overige Invoerdatum: 2022-03-01 Raadplegingen: 915 - laatst gezien 2026-06-19 03:39 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220203.1N.6 Fiche 1 Wanneer voor zowel de verrijking als de correlatieve verarming iedere rechtsgrond ontbreekt kan een vermogensverschuiving ongedaan worden gemaakt, waarbij de verrijking een daadwerkelijke baattrekking veronderstelt en dus ieder voordeel is waardeerbaar in geld dat kan bestaan ofwel in een vermogensaanwas, ofwel in een bevrijding of vermindering van een bepaalde verplichting

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERRIJKING ZONDER OORZAAK Vrije woorden: Verbod van ongerechtvaardigde verrijking - Verrijking - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Algemeen rechtsbeginsel van het verbod van ongerechtvaardigde verrijking Fiche 2 De rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep moet, in geval geldelijk waardeerbare vorderingen voorliggen, worden bepaald gelet op de waarde of de geldelijke inzet van het hoger beroep, zoals die blijkt uit de beroepsakte dan wel de laatste appelconclusie
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTSPLEGINGSVERGOEDING Vrije woorden: Rechtspleging in hoger beroep - Geldelijk waardeerbare vorderingen - Rechtsplegingsvergoeding - Wijze van berekening Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1022, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 ... - 26-10-2007 - Art. 2 - 35 ELI link Pub nr 2007009900 Annotaties Publicaties: JT-Journal des tribunaux - 2023, n° 6927, p. 85-
  1. - DE BOE, Cécile; VAN DROOGHENBROECK, Jean-François; Note'L'indemnité de procédure d'appel en présence d'une demande principale et d'une demande reconventionnelle' Tekst van de conclusie C.20.0368.N Conclusie van eerste advocaat-generaal Ria Mortier:
  2. Feiten en procedure Uit de stukken waarop mag worden acht geslagen blijkt dat eerste en tweede verweerder enige aandeelhouder zijn van derde verweerster die eigenaar is van een camping. Toen de camping, die zich in een verwaarloosde toestand bevond, niet langer over een uitbatingsvergunning beschikte gingen eerste en tweede verweerder op zoek naar een overnemer en knoopten daartoe gesprekken aan met eisers. In het kader van die onderhandelingen kregen eisers toegang tot het terrein, baatten zij de camping gedeeltelijk uit, voerden zij op het terrein een aantal werken uit en inden zij ook een bedrag aan staanplaatsgelden. Op een bepaald ogenblik werden zij door verweerders aangemaand het terrein te verlaten en in ordentelijke staat achter te laten waarop een geschil ontstond over de al dan niet rechtmatige toegang tot het terrein en over het al dan niet toestemmen van verweerders met de opruimingswerken die door eisers werden uitgevoerd. Eisers werden door de vrederechter veroordeeld aan verweerders een bezettingsvergoeding te betalen van 72.000 euro meer de kosten. Op het hoger beroep van eisers bevestigt de appelrechter het vonnis van de vrederechter voor wat de bezettingsvergoeding betreft, oordeelt hij dat er geen sprake is van culpa in contrahendo en wijst de vordering van eisers wegens onrechtmatige verrijking af. Eisers worden in solidum veroordeeld tot de kosten begroot op 12.000 euro. Tegen dit vonnis van 24 februari 2020 van de rechtbank van eerste aanleg te Eupen voeren eisers twee middelen aan.
  3. Bespreking 2.
  4. Eerste middel Het eerste middel richt zich in zijn drie onderdelen tegen het oordeel van de appelrechter met betrekking tot de door eisers gevorderde schadevergoeding op grond van onrechtmatige verkrijging. Uw Hof, dat de verrijking zonder oorzaak als “algemeen rechtsbeginsel” erkent
(1), oordeelt dat een verrijking zonder oorzaak het bestaan inhoudt van een vermogensoverdracht tussen twee vermogens waaruit de verplichting voortvloeit voor de verrijkte om aan de verarmde de verrijking te restitueren die hij zonder oorzaak verkreeg ten koste van die laatste
(2). Zoals eisers terecht stellen vereist de verrijking zonder oorzaak dus een verrijking bij de ene, een verarming bij de andere en een causaal verband tussen beide, maar ook de afwezigheid van oorzaak en de afwezigheid van een andere juridische grondslag waarop de vordering kan steunen
(3). De voorwaarde dat één van de twee vermogens verrijkt is, wordt ruim geïnterpreteerd in die zin dat elk voordeel dat in geld waardeerbaar is, een verrijking kan uitmaken
(4). Het kan daarbij zowel gaan om een positieve aangroei van het vermogen wat dus een positieve verrijking vormt die kan bestaan in de verkrijging van een eigendom of het genot van een zaak, in de verwerving van een geldsom of van een nieuwe schuldvordering of in het genieten van een bepaalde meerwaarde aan een reeds verkregen goed. Het kan ook gaan om het verdwijnen of verminderen van een bepaalde verplichting, wat dan een negatieve verrijking vormt
(5)die kan bestaan in de besparing van een zekere uitgave, het vermijden van een nadeel of een verantwoordelijkheid, de uitdoving van een schuld of de bevrijding of vermindering van een last
(6). Er dient evenwel op gewezen dat slechts sprake kan zijn van een bespaarde uitgave of een vermeden nadeel wanneer de verrijkte de verplichting zou hebben gehad om te handelen, indien de verarmde de kosten niet had gemaakt. Zo niet zou er immers geen concrete verrijking zijn, maar slechts een theoretisch mogelijkheid tot verrijking, die de facto geen waarde zou hebben voor de verrijkte, nu deze laatste die uitgave niet uit zichzelf zou hebben uitgevoerd of moeten uitvoeren zonder de tussenkomst van de verarmde
(7). Hieruit volgt dat een uitgave of kost verricht door de verarmde, slechts een besparing van kosten vormt ten voordele van de verrijkte, en dus een concrete negatieve verrijking, indien laatstgenoemde zonder toedoen van de verarmde de daadwerkelijke verplichting zou hebben gehad om die uitgave of kost zelf te maken. In het tweede onderdeel voeren eisers aan dat de appelrechter in wezen uitsluitend het element van de positieve verrijking heeft onderzocht door te oordelen dat verweerders geen voordeel hebben gehaald uit de door eisers gedane werken/uitgaven, deze de waarde van de camping niet hebben verhoogd en deze niet konden leiden tot het verkrijgen van een uitbatingsvergunning, maar de appelrechter niet heeft nagegaan of er sprake was van een negatieve verrijking, namelijk of de door de eisers gedane uitgaven een besparing van de kosten ten voordele van de verweerders inhielden. Hierdoor zou de appelrechter er ten onrechte van uitgaan dat een verrijking slechts kan bestaan in een positieve aangroei van het vermogen van de verrijkte, met uitsluiting van het uitsparen van kosten. In het licht van wat hiervoor werd gezegd is het zo dat, indien de door eisers gedane uitgaven daadwerkelijk kosten betroffen die de verweerders sowieso hadden moeten maken met het oog op het bekomen van een uitbatingsvergunning, deze uitgaven wel degelijk een voordeel of meerwaarde hadden teweeggebracht voor verweerders. De appelrechter oordeelt evenwel dat de door eisers uitgevoerde werken er niet toe leidden dat de camping zodanig in orde werd gebracht en in regel gesteld zodat een uitbatingsvergunning zou worden afgeleverd en er enkel zeer specifieke werken werden uitgevoerd waaruit eisers zelf onmiddellijk voordeel hadden nu zij daardoor hun activiteiten op de camping konden ontplooien en daar persoonlijk konden wonen. Met deze redenen geeft de appelrechter te kennen dat de door eisers gedane werken geen kosten betrof die verweerders in elk geval verplicht waren zelf te maken en heeft hij het aspect van de negatieve verrijking in zijn beoordeling betrokken. Het tweede onderdeel dat aanvoert dat de appelrechter ten onrechte het begrip “verrijking” heeft verengd tot een positieve verrijking kan niet worden aangenomen. Gelet op deze zelfstandige en vergeefs bekritiseerde reden die de beslissing tot afwijzing van de vordering van eisers schraagt, komen het eerste en het derde onderdeel op tegen overtollige motieven en zijn bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. 2.2. Tweede middel Het tweede middel richt zich tegen de veroordeling van eisers tot de kosten van verweerders in hoger beroep, meer bepaald tegen de berekening van de RPV die werd begroot op 12.000 euro. 2.2.1. Krachtens artikel 1, tweede lid, koninklijk besluit Tarief Rechtsplegingsvergoeding worden de bedragen van de RPV vastgesteld per gerechtelijke band en ten aanzien van elke partij die door een advocaat wordt bijgestaan. Wanneer eenzelfde advocaat in eenzelfde gerechtelijke band verscheidene partijen bijstaat, wordt de rechtsplegingsvergoeding onder hen verdeeld. Het Verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 29 maart 2019, waarbij artikel 1, tweede lid, koninklijk besluit Tarief Rechtsplegingsvergoeding van 26 oktober 2007 werd gewijzigd, verduidelijkt de notie “gerechtelijke band” van uit de rechtspraak van uw Hof
(8)als “een daadwerkelijke procesverhouding die tussen de partijen bestaat derwijze dat tussen hen een vordering werd ingesteld strekkende tot de veroordeling van de ene partij jegens de andere.” De rechtsplegingsvergoeding dekt, aldus het verslag aan de Koning, de verrichte prestaties binnen de rechtsband die ontstaan is tussen de eiser en verweerder, terwijl de instelling van een tegenvordering geen ontdubbeling van die rechtsband tot gevolg heeft en bijgevolg geen aanleiding geeft tot een afzonderlijke rechtsplegingsvergoeding. De essentie is dus dat er één rechtsplegingsvergoeding verschuldigd is per procesverhouding aan iedere binnen die verhouding in het gelijk gestelde partij die wordt bijgestaan door een advocaat, mits respect voor het “plafond” voorzien in artikel 1022, vijfde lid, Gerechtelijk Wetboek, en dit ongeacht het aantal tussenvorderingen, tussengeschillen en partijen binnen die procesverhouding
(9). Het zogenaamde procesrisico, dit is het risico dat een partij loopt dat haar vordering wordt afgewezen, wordt beoordeeld per procesverhouding
(10). Zulke procesverhouding ontstaat van zodra een rechtssubject tegen een ander rechtssubject vordert in rechte, terwijl voordien tussen deze partijen geen procesverhouding voorlag. Het is hierbij niet voldoende dat de ene partij de andere dagvaardt. Vereist is dat de ene partij ook daadwerkelijk vordert, namelijk dat zij een veroordeling nastreeft van de andere partij, dan wel tegen die andere partij een constitutieve of declaratieve rechterlijke beslissing nastreeft. Er is dus een agressief optreden vereist
(11). Een procesverhouding wordt met andere woorden geïnitieerd door een inleidende (of hoofd-)vordering of door een agressieve vordering tot tussenkomst
(12). Deze hoofdvordering, die een nieuwe procesverhouding in het leven roept, zal aanleiding geven tot een rechtsplegingsvergoeding. Bij een tegenvordering blijft men daarentegen binnen dezelfde procesverhouding, tot stand gebracht ingevolge de hoofdvordering. Doordat de tegenvordering dus geen nieuwe of bijkomende procesverhouding creëert, verschaft zij logischerwijze geen recht op een afzonderlijke rechtsplegingsvergoeding
(13). Hieruit vloeit logischerwijze voort dat de rechtsplegingsvergoeding begroot moet worden op basis van de vordering die de nieuwe procesverhouding in het leven roept
(14). Binnen de procesverhouding waartoe de hoofdvordering – d.i. de vordering die het rechtsgeding opent in de zin van artikel 12 Gerechtelijk Wetboek – aanleiding geeft, wordt de rechtsplegingsvergoeding dus berekend op basis van het bedrag van de hoofdvordering. De tegenvorderingen, die geen afzonderlijke procesverhouding doen ontstaan, worden buiten beschouwing gelaten
(15). In lijn hiermee oordeelt uw Hof immers dat de RPV wordt berekend op basis van het bedrag van de hoofdvordering en het arrest dat de hoofd- en tegenvordering samenvoegt om het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding te bepalen, niet naar recht verantwoord is
(16). 2.2.
  1. Uit de stukken waarop mag worden acht geslagen blijkt dat verweerders in eerste aanleg de betaling vorderden van een bezettings- en gebruiksvergoeding door eisers ten bedrage van 42.000 euro per begonnen jaar, van 2014 tot
  2. Dit is de hoofdvordering die de procesverhouding heeft doen ontstaan. Binnen die bestaande procesverhouding stellen eisers tegen verweerders een tegenvordering tot betaling van een schadevergoeding wegens culpa in contrahendo (van 1 euro provisioneel of 482.205,45 euro) of, ondergeschikt, wegens verrijking zonder oorzaak (van 1 euro provisioneel of 330.688,69 euro). De eerste rechter verklaart de hoofdvordering van verweerders in die mate gegrond dat de eisers worden veroordeeld tot de betaling van een bezettingsvergoeding van 72.000 euro. Hij verklaart de tegenvordering van eisers ongegrond. De in het ongelijk gestelde eisers stellen een volledig hoger beroep in tegen het beroepen vonnis, zodat de appelrechter opnieuw uitspraak moet doen over de hoofd- en de tegenvordering. Zij vorderen in hoger beroep de afwijzing van de hoofdvordering van verweerders (geen betaling van een bezettingsvergoeding van 72.000 euro) en de inwilliging van de door hen ingestelde tegenvordering (betaling van een schadevergoeding door de verweerders wegens culpa in contrahendo of verrijking zonder oorzaak voor dezelfde als in eerste aanleg gevorderde bedragen). Verweerders handhaven hun hoofdvordering, maar herleiden het gevorderde bedrag. Zij vragen de bevestiging van het beroepen vonnis, dat de eisers tot de betaling van een bezettingsvergoeding van 72.000 euro had veroordeeld. De appelrechter bevestigt het beroepen vonnis maar kent een rechtsplegingsvergoeding toe voor de procedure in hoger beroep van 12.000 euro, namelijk het basisbedrag voor een geschil met een waarde tussen 500.000,001 en 1.000.000 euro en lijkt derhalve de bedragen van de hoofd- en de tegenvordering samen te voegen. Uit voormelde rechtspraak van het Hof volgt evenwel dat de appelrechter deze samenvoeging ten onrechte heeft gedaan en zijn beslissing niet naar recht verantwoord is. Het tweede middel komt bijgevolg gegrond voor. Conclusie: vernietiging voor wat de veroordeling tot de kosten betreft, met verwijzing. ___________________________________
(1)Cass. 18 april 1991, AR 8894, AC 1991, nr. 431.
(2)Cass. 22 juni 2017, AR C.10.0188.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170622.4, AC 2017, nr.411.
(3)Zie ook S. STIJNS, Leerboek Verbintenissenrecht, 1bis, Brugge, die Keure, 2013, 23, nr. 32; W. VAN GERVEN en A. VAN OEVELEN, Verbintenissenrecht, Leuven, Acco, 2015, 292-293.
(4)H. DE PAGE, Traité, III, 1967, 47, nr. 37; C. MARR, “L’enrichissement sans cause” in S. STIJNS en P. WÉRY (eds.), De bronnen van niet-contractuele verbintenissen, Brugge, die Keure, 2007, 215, nr. 8; S. STIJNS, Leerboek Verbintenissenrecht, 1bis, Brugge, die Keure, 2013, 23, nr. 33; P. WÉRY, Droit des obligations, 2, Brussel, Larcier, 2016, 216, nr. 223.
(5)S. STIJNS, Leerboek Verbintenissenrecht, 1bis, Brugge, die Keure, 2013, 23, nr. 33; W. VAN GERVEN en A. VAN OEVELEN, Verbintenissenrecht, Leuven, Acco, 2015, 293.
(6)H. DE PAGE, Traité élémentaire de droit civil belge, III, Brussel, Bruylant, 1967, 47, nr. 37; R. DEKKERS, A.-L. VERBEKE, N. CARETTE en K. VANHOVE, Handboek burgerlijk recht, III, Antwerpen, Intersentia, 2007, 203, nr. 346; P. MAES, “Ongegronde vermogensverschuivingen en driepartijenverhoudingen”, TPR 2010, 201-202, nr. 14; E. MONTERO, A. DELEU en A. PÜTZ, “Les quasi-contrats” in Obligations. Traité théorique et pratique, Mechelen, Kluwer, 2009, losbl., II.4.3, p. 4, nr. 2.3; P. VAN OMMESLAGHE, Les obligations in De Page Traité de droit civil belge, II/2, Brussel, Bruylant, 2013, nr. 783.
(7)H. DE PAGE, Traité, III, 1967, 47, nr. 37.
(8)Cass.25 januari 2013, AR C.12.0202.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130125.3, AC 2013, nr. 64.
(9)B. VAN DEN BERGH en S. SOBRIE, De rechtsplegingsvergoeding in al zijn facetten, Mechelen, Kluwer, 2016, 60, nr. 77; S. VOET, “De rechtsplegingsvergoeding rechtgetrokken (?)” in CBR Jaarboek 2011-2012, Antwerpen, Intersentia, 2012, 140, nr. 20; S. VOET en T. DE JAEGER, “Rechtsplegingsvergoeding in de civiele rechtspleging” in X., Efficiënt procederen voor een goede rechtsbedeling, Mechelen, Kluwer, 2016, 569, nr. 26; H. BOULARBAH, “Les frais et les dépens, spécialement l’indemnité de procédure” in H. BOULARBAH en F. GEORGES (eds.), Actualités en droit judiciaire, Brussel, Larcier, 2013, 362, nr. 20.
(10)B. DE CONINCK en J.-F. VAN DROOGHENBROECK, “La loi du 21 avril 2007 sur la répétabilité des frais et honoraires d’avocat”, JT 2008, 43, nr. 22.
(11)S. MOSSELMANS, Tussenvorderingen in APR, Mechelen, Kluwer, 2007, 23-25; S. VOET en T. DE JAEGER, “Rechtsplegingsvergoeding in de civiele rechtspleging” in X., Efficiënt procederen voor een goede rechtsbedeling, Mechelen, Kluwer, 2016, 570-571, nr. 28.
(12)H. BOULARBAH, “Les frais et les dépens, spécialement l’indemnité de procédure” in H. BOULARBAH en F. GEORGES (eds.), Actualités en droit judiciaire, Brussel, Larcier, 2013, 362, nr. 20; S. VOET, “Rechtsplegingsvergoeding per gerechtelijke band: Where will it all end?”, RW 2010-11, 889, nr. 4
(13)B. VAN DEN BERGH en S. SOBRIE, De rechtsplegingsvergoeding in al zijn facetten, Mechelen, Kluwer, 2016, 60, nr. 77; S. VOET en T. DE JAEGER, “Rechtsplegingsvergoeding in de civiele rechtspleging” in X., Efficiënt procederen voor een goede rechtsbedeling, Mechelen, Kluwer, 2016, 570, nr. 27; H. BOULARBAH, “Les frais et les dépens, spécialement l’indemnité de procédure” in H. BOULARBAH en F. GEORGES (eds.), Actualités en droit judiciaire, Brussel, Larcier, 2013, 367-368, nrs. 26 en 27.
(14)S. VOET, “De rechtsplegingsvergoeding rechtgetrokken (?)” in CBR Jaarboek 2011-2012, Antwerpen, Intersentia, 2012, 147, nr. 25; S. VOET, “Gedingkosten in de civiele rechtspleging” in J. VAN DONINCK en L. VAN DEN HOLE (eds.), Civiel procesrecht vandaag en morgen, Antwerpen, Intersentia, 2013, 110, nr. 36; S. VOET en T. DE JAEGER, “Rechtsplegingsvergoeding in de civiele rechtspleging” in Efficiënt procederen voor een goede rechtsbedeling, Mechelen, Kluwer, 2016, 579, nr. 38.
(15)B. VAN DEN BERGH en S. SOBRIE, De rechtsplegingsvergoeding in al zijn facetten, Mechelen, Kluwer, 2016, 57, nr. 73; S. VOET, “De rechtsplegingsvergoeding rechtgetrokken (?)” in CBR Jaarboek 2011-2012, Antwerpen, Intersentia, 2012, 145-146, nr. 24; S. VOET, “Rechtsplegingsvergoeding per gerechtelijke band: Where will it all end?”, RW 2010-11, 890, nr. 7; S. VOET en T. DE JAEGER, “Rechtsplegingsvergoeding in de civiele rechtspleging” in Efficiënt procederen voor een goede rechtsbedeling, Mechelen, Kluwer, 2016, 578, nr. 37.
(16)Cass. 1 maart 2018, AR C.17.0423.N, arrest niet gepubliceerd; Cass. 24 maart 2016, AR C.14.0282.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160324.11, AC 2016, nr. 214; Cass. 10 januari 2011, AR C.09.0456.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110110.2, AC 2011, nr. 22. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220203.1N.6 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220203.1N.6 citeert: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110110.2 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130125.3 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160324.11 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170622.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.