← België

T. contra T.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 03 februari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220203.1N.7 Rolnummer: C.20.0403.N Zaak: T. contra T. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Overige Invoerdatum: 2022-03-01 Raadplegingen: 1128 - laatst gezien 2026-06-19 03:58 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220203.1N.7 Fiche 1 Wanneer een handgift is gebeurd als voorschot op erfdeel, kan de latere verklaring dat de gift bij vooruitmaking of buiten erfdeel wordt gemaakt vormvrij gebeuren; dit is dat zij mag maar niet noodzakelijk moet gebeuren in de vorm van een beschikking onder de levenden, zijnde bij notariële akte, of een beschikking bij testament

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: SCHENKINGEN EN TESTAMENTEN Vrije woorden: Handgift als voorschot op erfdeel - Latere verklaring van gift bij vooruitmaking of buiten erfdeel - Vorm Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 919 en 931 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiche 2 De rechter in hoger beroep die een onderzoeksmaatregel bevestigt en daarbij een geschilpunt dat niet de grondslag vormt van de onderzoeksmaatregel anders beoordeelt dan de eerste rechter, dient toepassing te maken van artikel 1068, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek en de zaak, in zoverre de beoordeling ervan afhankelijk is van het resultaat van de onderzoeksmaatregel, te verwijzen naar de eerste rechter
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Vrije woorden: Rechter in hoger beroep - Bevestiging van een onderzoeksmaatregel - Beoordeling van een geschilpunt dat niet de grondslag vormt van de onderzoeksmaatregel - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1068, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Annotaties Publicaties: NJW-Nieuw juridisch weekblad - 2022, nr. 457, p. 187-
  1. - BLOMME, Céline; Noot'Omvorming voorschot op erfdeel naar buiten erfdeel' T.Not.-Tijdschrift voor notarissen - 2023, nr. 1, p. 33-
  2. - BAEL, Jan; Noot'De omvorming onder de levenden van een schenking als voorschot op erfdeel in een schenking met vrijstelling van inbreng en omgekeerd in het geval van een gift...' JLMB-Revue de jurisprudence de Liège, Mons et Bruxelles - 2024, n° 3, p. 101-
  3. - MOREAU, Pierre; Note'De la transmutation d'un don manuel rapportable en une donation préciputaire' Tekst van de conclusie C.20.0403.N Conclusie van eerste advocaat-generaal Ria Mortier :
  4. Feiten en procedure Uit de stukken waarop mag worden acht geslagen blijkt dat in het kader van de vereffening-verdeling van de nalatenschap van A.T., tussen eiseres en verweerders als wettige erfgenamen onder andere zwarigheden werden geformuleerd met betrekking tot een handgift van 75.000 euro waarvan eiseres stelt dat zij die op 30 maart 2010 van haar vader heeft gekregen buiten deel en met vrijstelling van inbreng, terwijl verweerders de rechtsgeldigheid van de handgift betwisten en aanvoeren dat er minstens slechts sprake kan zijn van een schenking op voorschot van erfdeel. De eerste rechter oordeelt onder andere dat de voorgehouden handgift voldoet aan de wettelijke voorwaarden maar er onduidelijkheid bestaat over het feit of de handtekening afkomstig is van wijlen vader T. en beveelt hiertoe een schriftonderzoek. Tegen dit vonnis wordt hoger beroep ingesteld. Met betrekking tot de handgift stelt de appelrechter vast, na de argumenten omtrent de rechtsgeldigheid te hebben verworpen, dat de omzetting van een schenking op voorschot van erfenis naar een schenking buiten deel via een authentieke schenkingsakte of testament moet gebeuren, wat door eiseres op zich niet wordt betwist, maar zij houdt voor dat haar vader reeds op het moment van de schenking een schenking buiten deel verrichtte. De appelrechter oordeelt evenwel dat de ondubbelzinnige wil van de schenker om vrij te stellen niet is aangetoond en verklaart de vordering van eiseres ongegrond. In het beschikkend gedeelte wordt het eerste vonnis wat de zwarigheid inzake de handgift betreft bevestigd met inbegrip van de bevolen onderzoeksmaatregel. Tegen dit arrest van 5 mei 2020 van het hof van beroep te Antwerpen voert eiseres twee middelen aan.
  5. Bespreking 2.
  6. Eerste middel In het eerste middel voert eiseres aan dat de appelrechter de artikelen 829, 843 en 919 Oud BW zoals ter zake van toepassing schendt door te oordelen dat een latere verklaring van vrijstelling van inbreng na de schenking enkel kan gebeuren onder de vorm van een testament of notariële schenkingsakte ook indien de oorspronkelijke schenking niet authentiek gebeurde maar bij handgift. 2.1.
  7. De uitdrukkelijke vermelding in het bestreden arrest dat eiseres op zich niet betwist dat de omzetting van een schenking op voorschot van erfenis naar een schenking buiten deel via authentieke schenkingsakte of testament moet gebeuren leidt er niet toe dat dit middel, als nieuw middel, onontvankelijk moet verklaard worden. Uw Hof oordeelt in vaste rechtspraak dat een middel niet nieuw is wanneer het de schending aanvoert van een wetsbepaling die de rechter had moeten toepassen
(1). Uit de syntheseberoepsbesluiten blijkt weliswaar dat eiseres op dit, door verweerders in conclusie opgeworpen, punt geen expliciet verweer voerde, maar dit gebrek aan betwisting verhinderde niet dat de appelrechter verplicht was het geschil op dit punt te beslechten overeenkomstig de daarop van toepassing zijnde rechtsregels. Uit het enkele feit dat eiseres geen bezwaar formuleerde kan evenmin worden afgeleid dat er tussen partijen een akkoord bestond, ten gevolge waarvan zij het bestaan van elke betwisting bij conclusie zouden hebben uitgesloten. 2.1.2. Artikel 919, tweede lid, Oud BW, zoals van toepassing
(2)bepaalde “Het beschikbaar gedeelte kan, hetzij bij akte onder de levenden, hetzij bij testament, geheel of ten dele gegeven worden aan de kinderen of aan andere erfgerechtigden van de schenker, zonder dat het moet worden ingebracht door de begiftigde of de legataris die tot de erfenis komt, op voorwaarde dat de beschikking uitdrukkelijk bij vooruitmaking of buiten erfdeel gemaakt wordt. De verklaring dat de gift of het legaat bij vooruitmaking of buiten erfdeel gemaakt wordt, kan geschieden, hetzij bij de akte die de beschikking bevat, hetzij naderhand in de vorm van een beschikking onder de levenden of van een beschikking bij testament.” Deze bepaling maakt aldus enerzijds gewag van een initiële vooruitmaking die kan geschieden in de initiële akte zelf. Als het dan gaat over een notariële schenking dan kan deze clausule van vooruitmaking in de akte zelf worden opgenomen, indien het gaat over een handgift, dan kan de clausule van vooruitmaking bv. worden opgenomen in de akte omtrent de handgift. Er wordt aangenomen dat de vooruitmaking op dat ogenblik ook stilzwijgend kan gebeuren
(3). De wil van vooruitmaking dient dan manifest en ondubbelzinnig aanwezig te zijn
(4). Er mag geen twijfel over bestaan. In de zaak die thans voorligt wordt door de appelrechter uitgesloten dat er sprake is van dergelijke initiële vooruitmaking, of deze nu uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend zou zijn geschied
(5). Anderzijds maakt voornoemd artikel gewag van een latere wijziging of omvorming van een schenking binnen erfdeel naar een schenking buiten erfdeel, wat dient te gebeuren met een “beschikking onder de levenden” of via een beschikking bij testament. De rechtsleer gaat er hierbij traditioneel van uit dat de wettelijke term “beschikking onder de levenden” slaat op een authentieke schenkingsakte
(6). Ook Uw Hof overwoog in een arrest van 5 juni 2014 dat wanneer een schenking werd gedaan bij notariële akte als voorschot op de erfenis, de latere verklaring dat de schenking bij vooruitmaking of buiten erfdeel wordt gemaakt enkel gebeurt in de vorm van een notariële akte of van een beschikking bij testament
(7). Wat het Hof echter niet heeft beslecht met voormeld arrest, waar enkel uitdrukkelijk gewag wordt gemaakt van het geval waarin een initiële “schenking bij notariële akte is geschied”, is de vraag die ook in het middel aan de orde wordt gesteld, namelijk of ook een schenking die in een alternatieve vorm wordt gedaan, zoals te dezen in de vorm van een handgift, enkel door middel van een authentieke akte kan worden omgevormd naar een schenking bij vooruitmaking. Zoals eiseres in de toelichting bij het eerste middel terecht stelt is de rechtsleer het over de interpretatie van de formulering van artikel 919, tweede lid, Oud BW niet eens. Evenwel stelt slechts een minderheid voorop dat het formalisme van artikel 919, tweede lid, Oud BW moet worden doorgetrokken naar de alternatieve schenkingsvormen zoals de handgift
(8)wat dus impliceert dat een handgift binnen erfdeel later enkel kan worden omgevormd naar een buiten erfdeel door middel van een authentieke akte en dus niet via onderhandse akte. De meerderheid in de rechtsleer is daarentegen van mening dat het formalisme van artikel 919, tweede lid, Oud BW in dit geval niet dient doorgetrokken te worden wat impliceert dat de omvorming van een handgift binnen erfdeel naar een schenking buiten erfdeel op een later tijdstip zou kunnen gebeuren via onderhandse akte en niet enkel via authentieke akte
(9). Deze visie steunt vooreerst op een tekstargument in die zin dat artikel 919, tweede lid, Oud BW het heeft over “de akte die de beschikking bevat” en aldus enkel verwijst naar de akte houdende de schenking, zoals bedoeld in artikel 931 BW
(10). Dit argument is pertinent nu het Oud BW zelf de handgift niet regelt. Het is immers een ‘algemeen aanvaarde praktijk’
(11), zonder enige wettelijke basis in het Oud BW, dat een schenking, zoals een handgift, ook tot stand kan komen zonder notariële akte en de bijhorende formaliteiten van artikel 931 en volgende. Het is dan ook logisch dat artikel 919, tweede lid Oud BW het enkel heeft over “de akte die de beschikking bevat” en dat Uw Hof in voormeld arrest van 5 juni 2014 deze zinsnede interpreteerde als zijnde een notariële (authentieke) akte in de zin van artikel 931 e.v. BW. Dit artikel verwijst echter enkel naar de akte houdende de schenking, zoals bedoeld in artikel 931 BW, en heeft inderdaad – al van bij oorsprong – helemaal geen toepassing op alternatieve schenkingswijzen zoals een handgift. Bijgevolg moet artikel 919, tweede lid, Oud BW effectief zo gelezen worden dat enkel een wijziging aan een (authentieke) schenkingsakte via beschikking onder de levenden via authentieke schenkingsakte moet gebeuren. Hetzelfde geldt m.i. nog steeds onder het nieuw artikel 834/1, § 3, BW waarvan de voorbereidende werken ook verwijzen naar artikel 931 Oud BW
(12). Een tweede pertinent argument betreft de coherentie van het systeem in die zin dat het tegenstrijdig is dat een onderhandse akte toelaat om te bewijzen dat een handgift meteen is vrijgesteld van inbreng en dit zelfs op dat ogenblik uit omringende omstandigheden kan worden afgeleid (stilzwijgende vooruitmaking), maar dat voor een vrijstelling op een later tijdstip een authentieke akte vereist is, terwijl de gevolgen van een onmiddellijke vrijstelling van inbreng even verregaand zijn als die van een latere
(13). Het ogenblik van de vrijstelling kan volgens deze auteurs het verschil in formalisme niet verantwoorden
(14). Een derde argument steunt op de gedachte dat het formalisme voorbijgestreefd is, ook in verband met de latere omvorming van een handgift binnen erfdeel naar een buiten erfdeel
(15). Ten slotte wordt ook gekeken naar de doelstelling van de onderhavige regels: de regeling waarbij een onderhandse akte toelaat om te bewijzen dat een handgift meteen is vrijgesteld van inbreng en dit zelfs op dat ogenblik uit omringende omstandigheden kan worden afgeleid en waarbij voor een vrijstelling op een later tijdstip een authentieke akte vereist is, zou niet sporen met de wens om de werkelijke wil van de erflater te eerbiedigen, als deze wil duidelijk blijkt uit een latere onderhandse akte
(16). Als een onderhandse akte op een later tijdstip bewijst dat het de vaststaande wil is van de erflater om die handgift (die bv. onderhands werd opgesteld) buiten erfdeel te doen, moet de werkelijke wil van de erflater, als deze wil duidelijk blijkt uit de latere onderhandse akte, dus geëerbiedigd worden. Deze argumenten pleiten mijns inziens terecht voor een soepele opvatting, die een tendens tot deformalisering inhoudt ten voordele van een centrale rol voor de wil van de erflater. Toegepast op de zaak die voorligt volgt hieruit dat de appelrechter die oordeelt dat ook ingeval van handgift de verklaring van vrijstelling van inbreng na de schenking enkel kan gebeuren onder de vorm van een testament of een notariële schenkingsakte de in het middel aangevoerde wetsbepalingen schendt. Het eerste middel komt gegrond voor. 2.2. Tweede middel Ook het tweede middel komt gegrond voor. Uit de stukken waarop mag worden acht geslagen blijkt dat de appelrechter niet enkel de door de eerste rechter bevolen onderzoeksmaatregel bevestigt maar ook de hieraan ten grondslag liggende beslissing. In die omstandigheden diende de appelrechter overeenkomstig artikel 1068, tweede lid Gerechtelijk wetboek de zaak, in zoverre de beoordeling ervan afhankelijk is van het resultaat van de onderzoeksmaatregel, naar de eerste rechter te verwijzen
(17). De appelrechter die dit nalaat schendt bijgevolg artikel 1068, tweede lid Gerechtelijk wetboek. Conclusie : vernietiging met verwijzing. _______________________________
(1)Cass. 21 juni 2018, AR F.17.0075.N, arrest niet gepubliceerd; Cass. 19 december 2016, AR C.16.0133.N, arrest niet gepubliceerd; Cass. 12 mei 2016, AR C.14.0561.N, AC 2016, nr. 318, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160512.7; Cass. 26 december 2014, AR C.14.0063.N, arrest niet gepubliceerd; Zie ook C. PARMENTIER, Comprendre la technique de cassation, Brussel, Larcier, 2017, 173.
(2)Artikel 919, tweede lid, BW werd opgeheven door artikel 53 van de wet van 31 juli 2017 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de erfenissen en de giften betreft en tot wijziging van diverse andere bepalingen ter zake, BS 1 september 2017 (INW. 1 september 2018); Deze materie wordt actueel geregeld door het nieuw artikel 843/1 BW (zie artikel 28 van de wet van 31 juli 2017). De overgangsbepaling in artikel 66 van de wet van 31 juli 2017 stelt in § 1 dat de bepalingen van dat hoofdstuk dat wijzigingen aanbrengt in het BW van toepassing zijn op de nalatenschappen die zijn opengevallen vanaf de inwerkingtreding van de wet. § 2 bepaalt verder dat in afwijking op § 1 de materiële en formele geldigheid van giften, erfovereenkomsten of verklaringen die zijn gedaan voorafgaandelijk aan de inwerkingtreding van deze wet bij toepassing van de dan geldende regels, onverlet worden gelaten door de wet. Hetzelfde geldt voor de kwalificatie van een schenking, die is gedaan voorafgaandelijk aan de inwerkingtreding van deze wet, als een schenking op voorschot van erfdeel, of als een schenking bij vooruitmaking en buiten erfdeel of met vrijstelling van inbreng, ongeacht of de kwalificatie voortvloeit uit de wet, een testament of een overeenkomst. Uit de stukken waarop mag worden acht geslagen blijkt dat de vermeende handgift en de schriftelijke bewijzen dateren van het jaar 2010, toen de oude wetgeving krachtens artikel 66 van de wet van 31 juli 2017 dus nog van kracht was.
(3)Zie bv.: H. DE PAGE, Traité, IX, Brussel, Bruylant 1974, nr. 1226-1230; A. MAYER, “Rapport des libéralités, réserve et quotité disponible, Jurisprudence 1955-1970” in Rec.gén.enr.not. t. 121, (81, nr. 21552) nr. 5; A.-C. VAN GYSEL, Précis du droit des successions et des libéralités, Brussel, Bruylant, 2010, 553 e.v. Zie ook: Brussel 30 mei 1967, Ann.not. 1968, 125, Pas. 1967, II, 297, Réc.gén.enr.not. 1968, 297, noot, Rev.prat.not.b. 1967, 281 en Rev.prat.not.b. 1968, 306, noot F.L.
(4)H. DE PAGE, Traité, IX, Brussel, Bruylant 1974, nr. 1227.
(5)Zie de niet-bekritiseerde motieven in het bestreden arrest p. 18.
(6)H. DE PAGE, Traité, IX, Brussel, Bruylant 1974, nr. 1226a (“toutes les règles de validité des donations et des testaments devront être observées”); A. KLUYSKENS, De erfenissen, II, Beginselen van Burgerlijk Recht, Antwerpen, Standaard, 1954, 240, nr. 172; C. DE WULF, “Regels met betrekking tot de inhoud” in Opstellen van notariële akten, Mechelen, Kluwer, 2011, 10, nr. 488; F. LAURENT, Principes de droit civil, X, Brussel, Bruylant, 1974, 624-625, nr. 572; M. PUELINCKX-COENE, Erfrecht, Openvallen en toewijzing van de nalatenschap, erfovereenkomsten, reserve en inbreng in Beginselen van Belgisch Privaatrecht, Mechelen, Kluwer, 2011, 787, nr. 762; C. SLUYTS, “Artikel 843 BW” in Comm. Erf., Mechelen, Kluwer, 1995, nr. 17; A.-C. VAN GYSEL, Précis du droit des successions et des libéralités, Brussel, Bruylant, 2010, 558; J. VERSTRAETE, “Pactes sur succession future” in Rép. Not., III, Livre II, Brussel, Larcier, 2005, nr. 38; L. WEYTS et al. in De schenkingsakten, recyclagedagen 1981 federale Belgische notarissen, Nederlandstalige afdeling, Antwerpen, Kluwer, 1982, 40. Lijkt dit ook voorop te stellen: H. DU FAUX, “Artikel 919 B.W.”, in Erfenissen schenkingen en testamenten, Artikelsgewijze Commentaar, Mechelen, Kluwer, 1987, IV. Zie impliciet reeds: GRENIER, Traité des donations, de testaments, III, Brussel, De Mat, 1826, 249 (“elle doit l’être par un acte qui ait les formes d’une donation entre vifs”); M. TROPLONG, Donations entre-vifs et des testaments in Droit civil expliqué, Brussel, Labroue, 1855, 304, nr. 885 (“Dans la forme qui lui est propre”) Vgl. LOCRE, Législation civile, commercial et criminelle, Commentaire et complément des Codes Français, Brussel, Tarlier, 1836, 349.
(7)Cass. 5 juni 2014, AR C.13.0479.N, AC 2014, nr. 405, ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140605.3.
(8)Zie C. SLUYTS, “Art. 843 B.W.” in Erfenissen, schenkingen en testamenten. Artikelsgewijze commentaar, Mechelen, Kluwer, 1995, tussen voetnoot 35 en 36.
(9)J. BAEL, Het verbod van bedingen betreffende toekomstige nalatenschappen, Mechelen, Kluwer, 2006, 224, voetnoot 664; R. BARBAIX, “Artikel 919 B.W.” in Comm.Erf., Mechelen, Kluwer, 2016, 0.3in fine, 27, M. PUELINCKX-COENE, Erfrecht, Openvallen en toewijzing van de nalatenschap, erfovereenkomsten, reserve en inbreng in Beginselen van Belgisch Privaatrecht, Mechelen, Kluwer, 2011, 787-788, nr. 762; F. TAINMONT, “La dispense volontaire de rapport ou la délicate conciliation entre un texte légal et le respect de la volonté”, Rev.not.b. 2015,
(699)709, nr. 13 en 714, nr. 18; A. VAN DEN BROECK, “Het onderscheid tussen de onmiddellijk en de latere vrijstelling van inbreng” (noot onder Cass. 5 juni 2014), RW 2015-16, 372-73.
(10)M. PUELINCKX-COENE, Erfrecht, Openvallen en toewijzing van de nalatenschap, erfovereenkomsten, reserve en inbreng in Beginselen van Belgisch Privaatrecht, Mechelen, Kluwer, 2011, 787. Keuren deze redenering van PUELINCKX-COENE expliciet goed: F. TAINMONT, “La dispense volontaire de rapport ou la délicate conciliation entre un texte légal et le respect de la volonté”, Rev.not.b. 2015,
(699)709, nr. 13; A. VAN DEN BROECK, “Het onderscheid tussen de onmiddellijk en de latere vrijstelling van inbreng” (noot onder Cass. 5 juni 2014), RW 2015-16, 373.
(11)R. BARBAIX, Handboek familiaal vermogensrecht, Morstel, Intersentia, 2018, nrs. 1579 e.v.
(12)Hoewel de verhoopte duidelijkheid er met de nieuwe regelgeving van artikel 843/1 BW niet is gekomen.
(13)M. PUELINCKX-COENE, Erfrecht, Openvallen en toewijzing van de nalatenschap, erfovereenkomsten, reserve en inbreng in Beginselen van Belgisch Privaatrecht, Mechelen, Kluwer, 2011, 788. Zie ook: J. BAEL, Het verbod van bedingen betreffende toekomstige nalatenschappen, Mechelen, Kluwer, 2006, 224, voetnoot 664; F. TAINMONT, “La dispense volontaire de rapport ou la délicate conciliation entre un texte légal et le respect de la volonté”, Rev.not.b. 2015,
(699)709, nr. 13; A. VAN DEN BROECK, “Het onderscheid tussen de onmiddellijk en de latere vrijstelling van inbreng” (noot onder Cass. 5 juni 2014), RW 2015-16, 373.
(14)A. VAN DEN BROECK, “Het onderscheid tussen de onmiddellijk en de latere vrijstelling van inbreng” (noot onder Cass. 5 juni 2014), RW 2015-16, 373.
(15)R. BARBAIX, “Artikel 919 B.W.” in Comm.Erf., Mechelen, Kluwer, 2016, 0.3 in fine, 27.
(16)M. PUELINCKX-COENE, Erfrecht, Openvallen en toewijzing van de nalatenschap, erfovereenkomsten, reserve en inbreng in Beginselen van Belgisch Privaatrecht, Mechelen, Kluwer, 2011, 788.
(17)Cass. 9 november 2018, AR C.18.0070.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181109.6, AC 2018, nr. 622. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220203.1N.7 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220203.1N.7 citeert: ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140605.3 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160512.7 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181109.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.