← België

V. contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 03 februari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220203.1N.8 Rolnummer: C.20.0588.N Zaak: V. contra D. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2024-06-27 Raadplegingen: 775 - laatst gezien 2026-06-18 17:16 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220203.1N.8 Fiche 1 De rechter kan vergoeding toekennen voor het verlies van een kans op het verwerven van een voordeel of het vermijden van een nadeel indien het verlies van deze kans te wijten is aan een fout; het verlies van een kans komt voor vergoeding in aanmerking indien tussen de fout en het verlies van deze kans een conditio sine qua non verband bestaat en het om een reële kans gaat

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERBINTENIS Vrije woorden: Niet nakomen van de verbintenis - Verlies van een kans - Vergoeding - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1142 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiche 2 De economische waarde van een verloren gegane kans geeft aanleiding tot vergoeding, waarbij de appelrechters bij gebrek aan verantwoording van de samenstelling van het door eiser vooropgestelde bedrag, dit bedrag mogen verwerpen door er een ander tegenover te plaatsen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERBINTENIS Vrije woorden: Niet nakomen van de verbintenis - Verlies van een kans - Vergoeding - Omvang - Taak van de rechter Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1142 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de conclusie C.20.0588.N Conclusie van eerste advocaat-generaal Ria Mortier:
  1. Feiten en procedure Uit de stukken waarop mag worden acht geslagen blijkt dat eiser een vordering tot schadevergoeding instelde tegen zijn advocaat die voor hem optrad in een strafrechtelijke procedure. De vordering werd tevens ingesteld tegen diens beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar en na overlijden van de advocaat werden zijn erfgenamen, thans eerste en tweede verweerders, gedagvaard in gedwongen tussenkomst en gedinghervatting. Eiser verwijt zijn advocaat in de strafrechtelijke procedure geen verweer te hebben ontwikkeld over de gegrondheid van een tegen hem gerichte vordering van een burgerlijke partij en zich enkel te hebben gefocust op de strafrechtelijke verjaring. De strafrechter in hoger beroep verklaarde de te laste gelegde feiten strafrechtelijk verjaard maar verklaarde niettemin deze burgerlijke vordering ten dele gegrond en veroordeelde eiser tot het betalen van een schadevergoeding. Eiser voert in de thans voorliggende burgerlijke procedure aan dat hij door deze (contractuele) fout van zijn advocaat, een kans op vrijspraak op strafrechtelijk gebied verloor en een kans op niet-betaling of minstens een herleiding van de vordering van de burgerlijke partij. De eerste rechter verklaarde de vordering van eiser ontvankelijk maar ongegrond. Op het hoger beroep van eiser verklaarden de appelrechters de vordering van eiser gedeeltelijk gegrond. Zij oordelen dat de advocaat te kort is gekomen aan de inspanningsverbintenis die op hem rustte met betrekking tot de wijze waarop hij de belangen van zijn cliënt heeft behartigd en dat de schade van eiser bestaat in het verlies van een kans dat zonder die fout van zijn advocaat de behandeling van de zaak voor de strafrechter tot een ander resultaat zou hebben geleid. Wat het niet bewezen verklaren van de ten laste gelegde feiten betreft oordelen de appelrechters dat die kans zo goed als onbestaande dus niet ernstig en reëel is nu de vrijspraak in eerste aanleg verre van een evidentie was en de rechtbank ernstige twijfels had en ook uit de overwegingen van de strafrechters in hoger beroep kan besloten worden dat de gegrondverklaring van de aan eiser ten laste gelegde strafrechtelijke feiten met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid onvermijdbaar was. Het verlies van een kans op een vrijspraak of het ongegrond verklaren van de beschuldigingen is bijgevolg te verwaarlozen en komt niet voor vergoeding in aanmerking bij gebrek aan causaal verband met de in hoofde van de advocaat te weerhouden fout. Wat de kans op een afwijzing minstens een vermindering van de eis van de burgerlijke partij betreft oordelen de appelrechters dat er ongetwijfeld argumenten waren om de vordering van de burgerlijke partij te betwisten zodat de kans dat de vordering in belangrijke mate zou herleid worden ernstig en reëel is. Zij bepalen de kans daartoe op 60%. Andere schade dan de kans op het bekomen van een gunstiger beoordeling van de burgerlijke vordering bewijst eiser niet. Tegen dit arrest van 14 april 2016 van het hof van beroep te Gent voert eiser één middel aan bestaande uit vier onderdelen.
  2. Bespreking (…) 2.
  3. Derde onderdeel Eiser voert aan dat de appelrechters die oordelen dat “de kans zo goed als onbestaande is”, wat een geringe maar niet geheel onbestaande kans impliceert, niet naar recht verantwoord konden oordelen dat deze kans niet ernstig en reëel was en dat er geen sprake kan zijn van hetzij materiële hetzij morele gevolgschade door het feit dat de tenlasteleggingen bewezen werden verklaard. Eiser voert in dit verband terecht aan dat het verlies van een kans voor vergoeding in aanmerking komt indien een conditio sine qua non verband bestaat tussen de fout en het verlies van een kans en indien die kans reëel is, dit is wanneer zij bestaat, hoe gering die kans ook mag zijn en enkel een onbestaande kans niet voor vergoeding in aanmerking komt. Dat er sprake moet zijn van een reële kans om voor vergoeding in aanmerking te komen wordt door Uw Hof bevestigd in vaste rechtspraak
(1). Uw Hof oordeelt in dit verband ook dat het bestaan van een kans geen zekerheid vereist op het verwerven van het verhoopte resultaat
(2). De benadeelde kan dus schadevergoeding verkrijgen voor het verlies van een kans zelfs indien zonder de fout het verhoopte resultaat niet met zekerheid zou zijn verkregen. Uw Hof aanvaardt al geruime tijd dat ook een geringe of een zeer kleine kans aanleiding kan geven tot vergoeding en de vermindering van het realiseren van een reële kans niet betekent dat er geen sprake is van vergoedbare schade
(3). De kans moet echter nog steeds reëel zijn, wat inhoudt dat de kans moet bestaan, zonder zekerheid op het verwerven van het vereiste resultaat en zonder vereiste minimumdrempel met betrekking tot de waarschijnlijkheid dat de kans zich zou realiseren. Enkel als de kans geheel onbestaande is, kan de vergoeding ervan worden uitgesloten
(4). Ook zowel de Belgische rechtsleer als het Franse Hof van Cassatie zijn van mening dat er geen minimumdrempels van waarschijnlijkheid van het zich realiseren van de kans vooropgesteld worden
(5). De graad van waarschijnlijkheid van de verloren kans speelt hier enkel als begrotingselement van de schade
(6). Het is dus enkel een criterium om de omvang van de schade te begroten en geen criterium om het bestaan van de schade te bepalen
(7). Vanuit die optiek wordt er in de rechtsleer voor gepleit dat ook in het geval dat de kans dermate klein is dat ze bijna onbestaande is, het verlies van die kans tot vergoeding aanleiding kan geven, zij het in een zeer beperkte vorm
(8). Evenwel bestaat hierover in de rechtsleer geen eensgezindheid
(9)omdat een kans niet alleen reëel maar ook ernstig moet zijn
(10). Daarom wordt verdedigd dat indien de verloren kans gelijk is aan nul of bijna nul, er geen sprake is van enige vergoeding van deze kans
(11). Een kans gelijk aan nul of bijna gelijk aan nul komt dan als een ‘niet ernstige’ kans niet voor vergoeding in aanmerking. Een kans die als onvoldoende ernstig wordt ingeschat komt er dan in wezen op neer dat het bestaan van de kans gewoonweg niet is aangetoond
(12). Zoals de appelrechters hebben geoordeeld moet de kans op succes niet alleen reëel zijn maar ook ernstig om voor vergoeding in aanmerking te komen. In de huidige zaak stellen de appelrechters voorop dat het verlies van een kans op een ongegrondverklaring van de aan de eiser ten laste gelegde feiten “zo goed als onbestaande [is], dus zeker niet ernstig en reëel” en oordelen zij in wezen dat er geen sprake is van een reële en dus bestaande kans. Met de redenen dat “de gegrondverklaring van de strafrechtelijke feiten, die aan [de eiser] waren ten laste gelegd, met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid onvermijdbaar was en dat het verlies van een kans op een vrijspraak (…) te verwaarlozen is en derhalve niet voor vergoeding in aanmerking komt”, wijzen de appelrechters op een gerechtelijke zekerheid
(13)hieromtrent en aldus op het totaal niet-voorhanden zijn van een bestaande kans op een vrijspraak. De beslissing van de appelrechters dat de kans op een vrijspraak, minstens het ongegrond verklaren van de beschuldigingen te verwaarlozen is en derhalve niet voor vergoeding in aanmerking komt is naar recht verantwoord. Het derde onderdeel kan bijgevolg niet worden aangenomen. 2.
  1. Vierde onderdeel Eiser voert aan dat de appelrechters zich, voor de (raming) beoordeling van de verloren gegane kans, niet hebben geplaatst op het ogenblik van hun beslissing, gezien zij geen rekening hielden met het gegeven dat de omvang van de schade op het ogenblik van de bestreden beslissing reeds was opgelopen. Zo hebben de appelrechters ten onrechte de verloren gegane kans op een afwijzing van de burgerlijke vordering door de burgerlijke partij op 60% van 500.000 euro begroot en niet op 60% van 1.200.000 euro, zijnde de schadevergoeding die tot op heden door de eiser nog niet werd betaald aan de burgerlijke partij, gezien hij bij arrest van 17 februari 2012 werd veroordeeld tot betaling van een bedrag van 500.000 euro aan de burgerlijke partij meer de vergoedende interesten aan de wettelijke rentevoet vanaf 1 juli
  2. Essentieel ter beoordeling van dit onderdeel is dat bij een verlies van een kans enkel de economische waarde van een verloren gegane kans aanleiding geeft tot vergoeding
(14). De rechter moet dus een vergelijking maken met, enerzijds, de voordelen waarop de schadelijder zou hebben kunnen hopen als de kans zich had gerealiseerd, en anderzijds, de waarschijnlijkheid van het zich realiseren van de kans
(15). Eerst moeten dus de schadeposten worden geïdentificeerd en daarna het percentage van kansen dat het slachtoffer had om aan de schade te ontsnappen
(16). Uw Hof oordeelt inderdaad, in lijn met wat eiser aanvoert, dat de rechter zich dient te plaatsen op het tijdstip van zijn beslissing om de schade in concreto te beoordelen
(17). Evenwel oordeelt Uw Hof ook dat bij het ramen van de vergoeding gebeurtenissen die zich voordoen na het schadegeval, maar voor de rechterlijke uitspraak hierbij niet in rekening kunnen worden gebracht, wanneer die vreemd zijn aan de onrechtmatige daad en/of de schade. Bij het ramen van de schade dient de rechter dus het tijdstip van de uitspraak in aanmerking te nemen, maar de omvang van de schade moet bepaald worden op het tijdstip van de fout
(18). Eiser kan dus gevolgd worden in zijn redenering dat de appelrechters zich moeten plaatsen op het ogenblik van hun uitspraak voor wat betreft de raming van de schade, maar zij dienden daarbij geen rekening te houden met latere gebeurtenissen die niet in verband staan met de fout en/of de schade zelf en die de toestand van de schadelijder verergerd zouden hebben. In de zaak die voorligt bestaat de schadepost uit de schade die voortvloeit uit de veroordeling van eiser tot betaling van schadevergoeding aan de burgerlijke partij. Het verlies van een kans bestaat hier immers uit het verlies van een kans op de niet-veroordeling tot de betaling van een schadevergoeding aan de burgerlijke partij. Eiser voert in het onderdeel geen kritiek op de beslissing van de appelrechters dat er slechts een percentage van de kans die hij had om aan de veroordeling tot schadevergoeding te ontsnappen, namelijk 60%, wordt toegekend als schadevergoeding. Hij bekritiseert wel het ‘basisbedrag’ of de ‘schadepost’ waarop deze kans wordt berekend, nu de appelrechters de initiële hoofdsom van 500.000 euro weerhouden en niet het door hem vooropgestelde bedrag van 1.200.000 dat hij beweerdelijk verschuldigd zou zijn aan de burgerlijke partij op de datum van het tussen te komen arrest. Uit de stukken waarop mag worden acht geslagen blijkt dat de uiteindelijke veroordeling tot schadevergoeding bestond op de datum van het veroordelende arrest uit de betaling van een bedrag van 500.000 euro aan de burgerlijke partij meer de vergoedende interesten aan de wettelijke rentevoet vanaf 1 juli 2000. De vergoedende interesten lopen tot aan het veroordelende arrest van 17 februari 2012, datum waarop de schadevergoeding wordt vastgesteld of geconsolideerd door de rechter. Verder wordt eiser ook veroordeeld tot betaling van de moratoire interesten (op de hoofdsom en de vergoedende interesten) vanaf het veroordelend arrest op 17 februari 2012 tot aan de datum van effectieve betaling
(19). Anders dan waarvan eiser uitgaat komt de te weerhouden schadepost evenwel slechts overeen met de initiële hoofdsom van 500.000 euro plus de vergoedende interesten tot aan het veroordelende arrest van 17 februari 2012. Enige (moratoire) interesten die nadien lopen vanaf het veroordelende arrest tot aan het bestreden arrest op 14 april 2016, wegens laattijdige betaling door de eiser aan de burgerlijke partij, kunnen mijns inziens niet worden weerhouden als een schadepost die in relatie staat met de verloren gegane kans en vallen dus niet onder de economische waarde van de verloren gegane kans. De appelrechters stellen vast dat eiser tot op heden nog niets heeft betaald aan de burgerlijke partij. Het is dus eiser zelf die, na de initiële veroordeling, ervoor heeft geopteerd het schadevergoedingsbedrag nog niet te betalen, zodat deze bijkomende schade wegens laattijdige betaling niet in causaal verband staat met de vastgestelde fout van zijn advocaat. Deze laattijdige betaling, en de schade die daaruit voortvloeit, zijn dus vreemd aan de initiële fout en schade
(20)zodat de appelrechters geen rekening dienden te houden met de bijkomende schade die daaruit voortvloeit. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de appelrechters zich dienden te plaatsen op het ogenblik van de uitspraak om de begroting van het verlies van een kans in te schatten en daarbij rekening dienden te houden met gebeurtenissen vreemd aan de initiële fout, faalt bijgevolg naar recht. Conclusie: Verwerping. _________________________________
(1)Cass. 21 april 2016, AR C.15.0286.N, AC 2016, nr. 274 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160421.8 (“De rechter kan vergoeding toekennen voor het verlies van een kans op het verwerven van een voordeel of het vermijden van een nadeel indien het verlies van deze kans te wijten is aan een fout. Het verlies van een kans komt voor vergoeding in aanmerking indien tussen de fout en het verlies van deze kans een conditio sine qua non verband bestaat en het om een reële kans gaat.”) en Cass. 21 oktober 2013, AR C.13.0124.N, AC 2013, nr. 537 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131021.1 (“Het verlies van een kans komt voor vergoeding in aanmerking indien tussen de fout en het verlies van deze kans een conditio sine qua non verband bestaat en het om een reële kans gaat.”); Cass. 15 maart 2010, AR C.09.0433.N, AC 2010, nr. 182 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100315.3 (“Het verlies van een reële kans op het verwerven van een voordeel of het vermijden van een nadeel komt voor vergoeding in aanmerking indien tussen de fout en het verlies van deze kans een conditio sine qua non verband bestaat.”); Cass. 5 juni 2008, AR C.07.0199.N, AC 2008, nr. 350 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080605.5 (“Het verlies van een reële genezings- of overlevingskans komt voor vergoeding in aanmerking indien tussen de fout en het verlies van deze kans een conditio sine qua non verband bestaat.”). Zie ook hierover: N. ESTIENNE, “La perte d’une chance dans la jurisprudence récente de la Cour de cassation: la procession d’Echternach (deux pas en arrière, trois pas en avant…)”, RCJB 2013,
(605)622.
(2)Cass. 15 maart 2010, AR C.09.0433.N, AC 2010, nr. 182 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100315.3 (“Het verlies van een reële kans op het verwerven van een voordeel of het vermijden van een nadeel komt voor vergoeding in aanmerking indien tussen de fout en het verlies van deze kans een conditio sine qua non verband bestaat. Het bestaan van een kans vereist geen zekerheid op het verwerven van het verhoopte resultaat. De benadeelde kan aldus schadevergoeding verkrijgen voor het verlies van een kans zelfs indien zonder de fout het verhoopte resultaat niet met zekerheid zou zijn verkregen” ); Cass. 15 mei 2015, AR C.14.0269.N, AC 2015, nr. 311 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150515.2 (“Het bestaan van een kans vereist geen zekerheid op het verwerven van het verhoopte resultaat. De benadeelde kan aldus schadevergoeding verkrijgen voor het verlies van een kans ook al zou zonder de fout het verhoopte resultaat niet met zekerheid zijn verkregen.”). Zie ook Cass. 13 mei 2016, AR C.15.0395.F, AC 2016, nr. 322 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160513.2, (“Le défaut de certitude quant à l'obtention de l'avantage en l'absence de la faute n'exclut pas son caractère probable.”) met concl. van advocaat- generaal M. NOLET DE BRAUWERE op datum in Pas., ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160513.2 (“En refusant la prise en compte, pour déterminer le dommage, de la perte d’une chance de réaliser le bénéfice escompté, au motif que la réalisation de cette chance est, non pas inexistante, mais incertaine, l’arrêt viole les articles 1382 et 1383 du Code civil”).
(3)Cass. 6 februari 1961, Pas. 1961, I, 608 (“Que la circonstance que la demanderesse ne dispose d’aucun monopole de transport pouvait entraîner non la perte de toute chance de transport mais uniquement la diminution de pareille chance ; Que la circonstance qu’il apparaît pas comme certain que les enfants auraient pris le train ne suffit pas davantage pour écarter tout dommage, puisque celui-ci est également considéré comme suffisamment certain lorsqu’il consiste dans la perte d’une chance sur laquelle la victime pouvait compter ; que le juge du fond ne constate pas qu’était exclue la chance de la demanderesse de transporter à tout le moins quelques-uns de ces 7enfants si le défendeur ne l’avait pas fait”) ; Cass. 17 april 1961, Pas. 1961, I, 882 ("Mais attendu que si cette circonstance pouvait rendre l’éventualité du transport par rail plus aléatoire, elle n’avait point pour conséquence de faire perdre à la demanderesse toute chance d’effectuer ce transport"); Cass. 12 september 1972, Pas. 1973, I, 43 ("Attendu que, même si la demanderesse ne groupe pas tous les architectes de la province du Limbourg, ce qui diminuait ses chances, cette circonstance ne pouvait toutefois avoir pour conséquence de les lui faire perdre toutes").
(4)Zie Cass. 13 mei 2016, AR C.15.0395.F, AC 2016, nr. 322 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160513.2, TBBR 2019, 637 ("De onzekerheid of het voordeel bij gebrek aan fout wel kan worden verkregen, sluit het waarschijnlijk karakter van dat voordeel niet uit. (…) Het arrest, dat overweegt dat het door de eiseres aangevoerde verlies van een kans geen schade oplevert op grond dat de kans dat [de verweerster] voor haar offerte zou hebben gekozen niet onbestaande maar onzeker was, schendt de voormelde wetsbepalingen” met voormelde concl. van advocaat-generaal M. NOLET DE BRAUWERE op datum in Pas., ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160513.2.
(5)H. BOCKEN, “Verlies van een kans. Het cassatiearrest van 5 juni 2008. Vervolg en (voorlopig?) slot”, NjW 2009,
(2)10, nr. 26; I. SAMOY en K. RONSIJN, “Verlies van een geringe kans: geen minimum waarschijnlijkheid vereist” (noot onder Cass. Fr. 16 januari 2013), TBBR 2014,
(125)125-127; T. VANWEEVELT en B. WEYTS, Handboek buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2009, 643, nr. 1022. Zie ook Cass. Fr. 16 januari 2013, TBBR 2014, 125 (“Qu’en statuant ainsi par des motifs impropres à démontrer l’absence de toute probabilité de succès de l’appel manqué, alors que la perte certaine d’une chance même faible, est indemnisable, la cour d’appel a violé le texte susvisé”).
(6)J.-L. FAGNART, “La perte d’une chance ou la valeur de l’incertain” in La réparation du dommage, Brussel, Anthemis, 2006,
(73)78, nr. 12.
(7)H. BOCKEN, “Verlies van een kans. Het cassatiearrest van 5 juni 2008. Vervolg en (voorlopig?) slot”, NjW 2009,
(2)10, nr. 26; I. SAMOY en K. RONSIJN, “Verlies van een geringe kans: geen minimum waarschijnlijkheid vereist” (noot onder Cass. Fr. 16 januari 2013), TBBR 2014,
(125)127; T. VANWEEVELT en B. WEYTS, Handboek buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2009, 643, nr. 1022. Zie ook: Cass. 21 oktober 2013, AR C.13.0124.N, AC 2013, nr. 537 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131021.1 (“Enkel de economische waarde van de verloren gegane kans komt voor vergoeding in aanmerking. Deze waarde kan niet bestaan uit het volledige bedrag van het uiteindelijk geleden nadeel of het verloren voordeel. De rechter dient bij de begroting van de schadevergoeding rekening te houden met de graad van waarschijnlijkheid van de gunstige uitkomst van de kans.”); zie hierover ook S. JANSEN, “Actuele ontwikkelingen inzake de (niet-)nakoming van contracten” in Themis Verbintenissenrecht 95, Brugge, die Keure, 2015-16, nr. 26.
(8)I. SAMOY en K. RONSIJN, “Verlies van een geringe kans: geen minimum waarschijnlijkheid vereist” (noot onder Cass. Fr. 16 januari 2013), TBBR 2014,
(125)127. Zie ook: N. ESTIENNE, “La perte d’une chance dans la jurisprudence récente de la Cour de cassation: la procession d’Echternach (deux pas en arrière, tois pas en avant…)”, RCJB 2013,
(605)623; S. LIERMAN, “Het verlies van genezings- en overlevingskansen blijft vergoedbaar”, T.Gez. 2008-09,
(213)214; S. SOMERS, “Moet de rechter het verlies van een kans ambtshalve opwerpen?”, TBBR 2018,
(371)373; A. VAN OEVELEN, “Schade door fout van een advocaat bij de behandeling van een fiscale zaak: verlies van een kans of integrale vergoeding van de ten onrechte betaalde belasting?”, TFR 2014,
(996)996. Zie ook recent: S. BAEYENS, “De theorie van het verlies van een kans: een rechtsvergelijkende analyse toegepast op de zuivere vermogensschade”, RW 2016-17,
(363)368, nr. 15.
(9)Zie J.-L. FAGNART, “La perte d’une chance ou la valeur de l’incertain” in La réparation du dommage, Brussel, Anthemis, 2006,
(73)78, nr. 12 (“Un grand débat existe en doctrine sur le rôle que joue l’importance des chances que l’on dit perdues”).
(10)Zie ook concl. van advocaat-generaal T. WERQUIN op datum in Pas. voor Cass. 6 december 2013, AR C.10.0204.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131206.5, AC 2013, nr. 661 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20131206.5.
(11)B. DUBUISSON, V. CALLEWAERT, G. GATHEM, La responsabilité civile. Chronique de jurisprudence 1996-2007, Vol. 1, Le fait générateur et le lien causal, Brussel, Larcier, 2009, nrs. 438 en 443 (“Si les chances perdues sont nulles ou proches de zéro, il convient d’exclure l’indemnisation”).
(12)J.-L. FAGNART, “La perte d’une chance ou la valeur de l’incertain” in La réparation du dommage, Brussel, Anthemis, 2006,
(73)78, nr. 12.
(13)Vgl: F. AUVRAY, “Over de beoordelingsperikelen van het oorzakelijk verband tussen het gebrek van de zaak en de schade”, TBBR 2016,
(149)152 (de zinsnede “met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid” doelt op de gerechtelijke zekerheid en niet zozeer op de hypothese van een grote doch onvoldoende zekerheid). Zie ook M. VAN QUICKENBORNE, “Overzicht van rechtspraak. Aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad 2000-2007” Deel I. Oorzakelijk verband”, TPR 2010,
(283)313 (“Er is echter geen absolute zekerheid vereist; een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, de zgn. gerechtelijke zekerheid, volstaat”).
(14)Zie Cass. 21 oktober 2013, AR C.13.0124.N, AC 2013, nr. 537 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131021.1 (“Enkel de economische waarde van de verloren gegane kans komt voor vergoeding in aanmerking. Deze waarde kan niet bestaan uit het volledige bedrag van het uiteindelijk geleden nadeel of het verloren voordeel. De rechter dient bij de begroting van de schadevergoeding rekening te houden met de graad van waarschijnlijkheid van de gunstige uitkomst van de kans.”); Cass. 23 september 2013, AR C.12.0559.N, AC 2013, nr. 472 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130923.2, (“Enkel de economische waarde van de verloren gegane kans komt voor vergoeding in aanmerking. Deze waarde kan niet bestaan uit het volledige bedrag van het uiteindelijk geleden nadeel of het verloren voordeel.”); Cass. 17 december 2009, AR C.09.0190.N, AC 2009, nr. 760 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091217.7, (“Enkel de economische waarde van de verloren gegane kans komt voor vergoeding in aanmerking. Deze waarde kan niet bestaan uit het volledige bedrag van het uiteindelijk geleden nadeel of het verloren voordeel.”). Zie ook concl. van advocaat-generaal T. WERQUIN op datum in Pas. voor Cass. 6 december 2013, AR C.10.0204.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131206.5, AC 2013, nr. 661 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20131206.5.
(15)J.-L. FAGNART, “La perte d’une chance ou la valeur de l’incertain” in La réparation du dommage, Brussel, Anthemis, 2006,
(73)79, nr. 14. Zie ook concl. van advocaat-generaal T. WERQUIN op datum in Pas. voor Cass. 6 december 2013, AR C.10.0204.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131206.5, AC 2013, nr. 661 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20131206.5.
(16)J.-L. FAGNART, “La perte d’une chance ou la valeur de l’incertain” in La réparation du dommage, Brussel, Anthemis, 2006,
(73)79, nr. 14.
(17)Zie Cass. 1 juni 2016, AR P.16.0085.F, AC 2016, nr. 365 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160601.2 (“Pour apprécier en fait un dommage, le juge doit, en se plaçant au moment où il statue, tenir compte de toutes les circonstances de la cause susceptibles d'influer sur l'existence et l'étendue du dommage. A cet égard, il doit prendre en considération tous les évènements postérieurs au dommage qui l'auraient aggravé ou réduit, à condition que ces évènements ne soient pas étrangers au fait générateur du préjudice et à celui-ci.”).
(18)Cass. 2 februari 1996, AR C.95.0092.F, AC 1996, nr. 70 ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960202.1, JLMB 1997, 278, noot D. PHILIPPE, Pas. 1996, I, 166, RW 1998-99, 1466 en Verkeersrecht 1996, 195. Zie ook recenter: Cass. 2 mei 2001, AR P.00.1703.F, AC 2001, nr. 247 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010502.9, RGAR 2003, 13.726, TBBR 2003, 45, noot D. SIMOENS (“Attendu que pour déterminer l'indemnité relative à un dommage causé par un acte illicite, le juge doit se placer au moment où il statue; que, pour l'évaluation du dommage, il ne peut tenir compte d'événements ultérieurs qui sont étrangers à l'acte illicite ou au dommage mêmes et qui ont aggravé ou amélioré la situation de la personne lésée; que, cependant, lors de cette évaluation, il doit tenir compte des événements ultérieurs qui, bien qu'étrangers à l'acte illicite, exercent une influence sur le dommage qui en résulte”); Cass. 28 januari 2011, AR C.10.0017.N, (“De elementen van de schade moeten daarentegen worden bepaald op het tijdstip van de fout. De rechter mag aldus bij de raming van de schade geen rekening houden met latere gebeurtenissen die niet in verband staan met de fout en de schade en die de toestand van de schadelijder zouden verbeterd of verergerd hebben”); Cass. 28 maart 2017, AR P.16.0751.N, AC 2017, nr. 221 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170328.4, (“Bij de raming van de vergoeding van de door een misdrijf veroorzaakte schade mogen geen latere gebeurtenissen die niet in verband staan met de fout of de schade en waardoor de toestand van de schadelijder verbeterd of verergerd zou zijn, in aanmerking genomen worden. Hoewel de rechter bij de raming van de schade het tijdstip van de uitspraak in aanmerking moet nemen, moet de omvang van de schade worden bepaald op het tijdstip van de fout en kan de omstandigheid dat er in de schade veranderingen zijn opgetreden die niet hun oorsprong vinden in de onrechtmatige daad degene die de fout heeft begaan, niet ontslaan van zijn verplichting tot algehele vergoeding van de schade.”). Zie ook Cass. 29 september 1948, Pas. 1948, I, 509 (“Attendu que l’indemnité accordée à la personne lésée par un infraction doit réparer le préjudice que cette personne a subi du fait de l’infraction sans tenir compte des événements postérieurs, étrangers à celle- ci ou au dommage lui-même, qui auraient amélioré ou aggravé sa situation”); Cass. 14 december 1993, AR 7100, AC 1993, nr. 522 ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19931214.18, ("Attendu que, pour déterminer l'indemnité relative à un dommage causé par un acte illicite, le juge doit se placer à l'époque de la décision; que, lors de l'évaluation du dommage, il ne peut tenir compte d'événements ultérieurs qui sont étrangers à l'acte illicite ou au dommage mêmes et qui ont amélioré ou aggravé la situation de la personne lésée; que, cependant, lors de cette évaluation, il doit tenir compte des événements ultérieurs qui, bien qu'étrangers à l'acte illicite, exercent une influence sur le dommage qui en résulte"). Vgl.: Cass. 28 februari 2020, AR C.19.0358.F, AC 2020, nr. 156 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200228.1F.4, (“Pour déterminer l'indemnité relative à un dommage causé par un acte illicite, le juge doit se placer au moment où il statue. Si, lors de cette évaluation, il doit certes tenir compte des événements ultérieurs qui, même étrangers à l'acte illicite, exercent une influence sur le dommage qui en résulte, ces événements doivent être certains et non hypothétiques.”) Zie ook hierover: L. SCHUERMANS, A. VAN OEVELEN, C. PERSYN, P. ERNST, J.-L. SCHUERMANS, “Overzicht van rechtspraak. Onrechtmatige daad, schade & schadeloosstelling (1983-1992)”, TPR 1994, 1038-1042; T. VANSWEEVELT en B. WEYTS, Handboek buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2009, 664; L. VANHOOFF, “Aansprakelijkheid van de advocaat voor laattijdig indienen van een vergoedingsaanvraag bij het Slachtofferfonds”, TBBR 2019,
(296)298, nr. 7 en nr. 12; D. SIMOENS, “Latere gebeurtenissen, al dan niet vreemd aan de schade: alternatieven voor de vaste cassatieregel”, TBBR 2003,
(46)48-50.
(19)Zie p.6 syntheseberoepsconclusie van eiser.
(20)Zie L. VANHOOFF, “Aansprakelijkheid van de advocaat voor laattijdig indienen van een vergoedingsaanvraag bij het Slachtofferfonds”, TBBR 2019,
(296)298, nr. 7 en nr.
  1. Zie ook bv.: Cass. 2 februari 1996, AR C.95.0092.F, AC 1996, nr. 70 ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960202.1, JLMB 1997, 278, noot D. PHILIPPE, Pas. 1996, I, 166, RW 1998-99, 1466 en Verkeersrecht 1996,
  2. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220203.1N.8 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220203.1N.8 citeert: ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19931214.18 ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960202.1 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010502.9 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080605.5 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091217.7 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100315.3 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130923.2 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131021.1 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131206.5 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20131206.5 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150515.2 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160421.8 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160513.2 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160601.2 ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160513.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170328.4 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200228.1F.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.