← België

ANKARAMA

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 22 maart 2022 EC

Art. 43q

uater, § 4 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 5ter - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Allerlei Vrije woorden: Eerste Aanvullend Protocol EVRM - Recht op eigendom - Verbeurdverklaring - Goed dat ter beschikking staat van een criminele organisatie - Goed dat geen eigendom is van de beklaagde - Verbeurdverklaring zonder dat de eigenaar is opgeroepen in de strafprocedure - Regelmatigheid van de straf - Rechten van de derde te goeder trouw Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306

Art. 43q

uater, § 4 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 5ter - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op tegenspraak - Verbeurdverklaring - Goed dat ter beschikking staat van een criminele organisatie - Goed dat geen eigendom is van de beklaagde - Verbeurdverklaring zonder dat de eigenaar is opgeroepen in de strafprocedure - Regelmatigheid van de straf - Rechten van de derde te goeder trouw Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306

Art. 43q

uater, § 4 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 5ter - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Vrije woorden: Verbeurdverklaring - Goed dat ter beschikking staat van een criminele organisatie - Goed dat geen eigendom is van de beklaagde - Oproeping van de eigenaar in de strafprocedure - Verzuim - Regelmatigheid van de straf - Rechten van de derde te goeder trouw Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306

Art. 43q

uater, § 4 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 5ter - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: TUSSENKOMST Vrije woorden: Verbeurdverklaring - Goed dat ter beschikking staat van een criminele organisatie - Goed dat geen eigendom is van de beklaagde - Oproeping van de eigenaar in de strafprocedure - Verzuim - Regelmatigheid van de straf - Rechten van de derde te goeder trouw Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306

Art. 43q

uater, § 4 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 5ter - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: EIGENDOM Vrije woorden: Verbeurdverklaring - Goed dat ter beschikking staat van een criminele organisatie - Goed dat geen eigendom is van de beklaagde - Oproeping van de eigenaar in de strafprocedure - Verzuim - Regelmatigheid van de straf - Rechten van de derde te goeder trouw Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306

Art. 43q

uater, § 4 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 5ter - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: VERENIGING VAN MISDADIGERS Vrije woorden: Criminele organisatie - Verbeurdverklaring - Goed dat ter beschikking staat van een criminele organisatie - Goed dat geen eigendom is van de beklaagde - Oproeping van de eigenaar in de strafprocedure - Verzuim - Regelmatigheid van de straf - Rechten van de derde te goeder trouw Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306

Art. 43q

uater, § 4 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 5ter - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiches 12 - 16 Om zijn aanspraak op de verbeurdverklaarde goederen te laten gelden, kan de derde voor de strafrechter een rechtsmiddel instellen tegen de beslissing die de verbeurdverklaring beveelt, dit is naargelang het geval verzet, hoger beroep of cassatieberoep; in die zin wordt de derde ingevolge de verbeurdverklaring van rechtswege een partij in het strafproces en beschikt hij over dezelfde rechtsmiddelen die ook aan de gewone procespartijen ter beschikking staan; geen miskenning van enig recht van de derde kan worden afgeleid uit het feit dat hijzelf het initiatief dient te nemen om zijn aanspraken te laten gelden; bovendien belet niets dat het rechtsmiddel dat de derde kan instellen nadat hij op de hoogte is gebracht van de beslissing tot verbeurdverklaring, onderworpen is aan redelijke beperkingen; dat een derde nadeel kan ondervinden van de lastens een beklaagde bevolen verbeurdverklaring doet als dusdanig geen afbreuk aan het feit dat die straf enkel is opgelegd aan de beklaagde als sanctie voor een lastens hem bewezen verklaard misdrijf en dat zij niet is opgelegd aan de derde zelf; bijgevolg miskent die verbeurdverklaring het vermoeden van onschuld van de derde niet en zijn bepalingen die specifiek gelden voor een beklaagde, zoals artikel 6.3.a EVRM en artikel 195, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, als dusdanig niet van toepassing op die derde; dat sluit evenwel niet uit dat die derde in het algemeen aanspraak kan maken op de eerbiediging van het vermoeden van onschuld, het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging, met inbegrip van het recht op tegenspraak

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Vrije woorden: Goed dat ter beschikking staat van een criminele organisatie - Goed dat geen eigendom is van de beklaagde - Verbeurdverklaring zonder dat de eigenaar is opgeroepen in de strafprocedure - Invloed van de straf op de proceswaarborgen van de derde te goeder trouw - Rechtsmiddelen van de derde te goeder trouw - Rechtsmiddelen die toekomen aan de gewone partijen in het strafproces - Redelijke beperkingen aan de rechtsmiddelen - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.2 en 6.3.a - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 187, 195, 202, 203, 204, 359, 423 en 424 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.a - Recht op informatie over de aard en redenen van de beschuldiging - Verbeurdverklaring - Goed dat ter beschikking staat van een criminele organisatie - Goed dat geen eigendom is van de beklaagde - Verbeurdverklaring zonder dat de eigenaar is opgeroepen in de strafprocedure - Invloed van de straf op de proceswaarborgen van de derde te goeder trouw - Rechtsmiddelen van de derde te goeder trouw - Rechtsmiddelen die toekomen aan de gewone partijen in het strafproces - Redelijke beperkingen aan de rechtsmiddelen - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.2 en 6.3.a - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 187, 195, 202, 203, 204, 359, 423 en 424 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 Vrije woorden: Vermoeden van onschuld - Verbeurdverklaring - Goed dat ter beschikking staat van een criminele organisatie - Goed dat geen eigendom is van de beklaagde - Verbeurdverklaring zonder dat de eigenaar is opgeroepen in de strafprocedure - Invloed van de straf op de proceswaarborgen van de derde te goeder trouw - Rechtsmiddelen van de derde te goeder trouw - Rechtsmiddelen die toekomen aan de gewone partijen in het strafproces - Redelijke beperkingen aan de rechtsmiddelen - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.2 en 6.3.a - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 187, 195, 202, 203, 204, 359, 423 en 424 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: EIGENDOM Vrije woorden: Verbeurdverklaring - Goed dat ter beschikking staat van een criminele organisatie - Goed dat geen eigendom is van de beklaagde - Verbeurdverklaring zonder dat de eigenaar is opgeroepen in de strafprocedure - Invloed van de straf op de proceswaarborgen van de derde te goeder trouw - Rechtsmiddelen van de derde te goeder trouw - Rechtsmiddelen die toekomen aan de gewone partijen in het strafproces - Redelijke beperkingen aan de rechtsmiddelen - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.2 en 6.3.a - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 187, 195, 202, 203, 204, 359, 423 en 424 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Verbeurdverklaring - Goed dat ter beschikking staat van een criminele organisatie - Goed dat geen eigendom is van de beklaagde - Verbeurdverklaring zonder dat de eigenaar is opgeroepen in de strafprocedure - Motivering van de straf - Invloed van de straf op de proceswaarborgen van de derde te goeder trouw - Rechtsmiddelen van de derde te goeder trouw - Rechtsmiddelen die toekomen aan de gewone partijen in het strafproces - Redelijke beperkingen aan de rechtsmiddelen - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.2 en 6.3.a - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 187, 195, 202, 203, 204, 359, 423 en 424 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 17 - 20 De derde die een rechtsmiddel instelt tegen de beslissing tot verbeurdverklaring, doet dat weliswaar ter vrijwaring van zijn vermogen tegen een burgerrechtelijk gevolg van die straf, maar maakt daardoor nog geen loutere eigendomsbetwisting bij de rechter aanhangig; de verbeurdverklaring die aan zijn rechtsmiddel ten grondslag ligt, is immers een straf die aan een beklaagde is opgelegd; bovendien moet de derde voor de rechter die van zijn rechtsmiddel kennisneemt, elk verweer kunnen aanvoeren dat ertoe strekt dat de verbeurdverklaring tegenover hem geen uitwerking heeft; aldus kan de derde voor die rechter verweer voeren, niet enkel over het bestaan van zijn burgerlijk eigendomsrecht of goede trouw, maar ook over de strafrechtelijke grondslag van de lastens de beklaagde bevolen verbeurdverklaring; de rechter moet dat verweer onderzoeken in zoverre hij de verbeurdverklaring tegenover die derde niet op een andere grond teniet doet
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Vrije woorden: Goed dat ter beschikking staat van een criminele organisatie - Goed dat geen eigendom is van de beklaagde - Rechtsmiddelen van de derde te goeder trouw - Aard en voorwerp van de betwisting - Omvang Wettelijke bepalingen:

Art. 43q

uater, § 4 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op tegenspraak - Verbeurdverklaring - Goed dat ter beschikking staat van een criminele organisatie - Goed dat geen eigendom is van de beklaagde - Rechtsmiddelen van de derde te goeder trouw - Aard en voorwerp van de betwisting - Omvang Wettelijke bepalingen:

Art. 43q

uater, § 4 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: EIGENDOM Vrije woorden: Verbeurdverklaring - Goed dat ter beschikking staat van een criminele organisatie - Goed dat geen eigendom is van de beklaagde - Rechtsmiddelen van de derde te goeder trouw - Aard en voorwerp van de betwisting - Omvang Wettelijke bepalingen:

Art. 43q

uater, § 4 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: VERENIGING VAN MISDADIGERS Vrije woorden: Criminele organisatie - Verbeurdverklaring - Goed dat ter beschikking staat van een criminele organisatie - Goed dat geen eigendom is van de beklaagde - Oproeping van de eigenaar in de strafprocedure - Verzuim - Regelmatigheid van de straf - Rechten van de derde te goeder trouw Wettelijke bepalingen:

Art. 43q

uater, § 4 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 21 - 25 Het rechtsmiddel van derdenverzet staat slechts open tegen beslissingen die door een burgerlijk gerecht zijn gewezen en beslissingen van een strafgerecht dat uitspraak doet over de burgerlijke belangen; het gegeven dat de tenuitvoerlegging van een beslissing van een strafgerecht een burgerrechtelijk gevolg heeft, volstaat niet om tegen die beslissing derdenverzet toe te laten; aangezien de verbeurdverklaring een straf is, kan artikel 1122 Gerechtelijk Wetboek dan ook niet worden toegepast in het kader van de aanspraken van een derde op verbeurdverklaarde goederen; een derde die beweert eigenaar te zijn van verbeurdverklaarde goederen, moet ook niet noodzakelijk een rechtsmiddel instellen voor de strafrechter; hij kan ook andere procedurele mogelijkheden aanwenden zoals het formuleren van zijn aanspraken voor de burgerlijke rechter op grond van artikel 3 van het koninklijk besluit van 9 augustus 1991 tot vaststelling van de termijn waarbinnen en de wijze waarop een rechtsmiddel kan worden aangewend door derden die beweren recht te hebben op een verbeurdverklaarde zaak; stelt de derde evenwel een rechtsmiddel voor de strafrechter in, dan zijn daarop de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering van toepassing; dat een derde in dat geval wordt gelijkgesteld met een veroordeelde beklaagde die verstek heeft gelaten, is niet onvoorzienbaar; die omstandigheid houdt dan ook geen ontoelaatbare uitbreiding in van de toepassing van artikel 187, § 1, Wetboek van Strafvordering, maar verleent aan de betrokkene naar analogie met een bij verstek veroordeelde beklaagde het bijkomende recht verzet te kunnen instellen tijdens een buitengewone termijn die pas begint te lopen vanaf het moment van de effectieve kennisneming van de betekening van de beslissing tot verbeurdverklaring

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Vrije woorden: Goed dat ter beschikking staat van een criminele organisatie - Goed dat geen eigendom is van de beklaagde - Rechtsmiddelen van de derde te goeder trouw - Aanspraken voor de burgerlijke rechter op basis van het KB van 9 augustus 1991 - Toegang tot de strafrechter - Ontoelaatbaarheid van het derdenverzet - Gelijkstelling met een veroordeelde die bij verstek is berecht - Voorzienbaarheid van de regels over het verzet in de gewone en buitengewone termijn - Gevolgen Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1122 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 KB 9 augustus 1991 tot vaststelling van de termijn waarbinnen en de wijze waarop een rechtsmiddel kan worden aangewend door derden die beweren recht te hebben op een verbeurdverklaarde zaak - 09-08-1991 - Art. 3 - 30 ELI link Pub nr 1991010216 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op tegenspraak - Verbeurdverklaring - Goed dat ter beschikking staat van een criminele organisatie - Goed dat geen eigendom is van de beklaagde - Rechtsmiddelen van de derde te goeder trouw - Aanspraken voor de burgerlijke rechter op basis van het KB van 9 augustus 1991 - Toegang tot de strafrechter - Ontoelaatbaarheid van het derdenverzet - Gelijkstelling met een veroordeelde die bij verstek is berecht - Voorzienbaarheid van de regels over het verzet in de gewone en buitengewone termijn - Gevolgen Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1122 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 KB 9 augustus 1991 tot vaststelling van de termijn waarbinnen en de wijze waarop een rechtsmiddel kan worden aangewend door derden die beweren recht te hebben op een verbeurdverklaarde zaak - 09-08-1991 - Art. 3 - 30 ELI link Pub nr 1991010216 Thesaurus CAS: VERZET Vrije woorden: Verbeurdverklaring van een goed dat toebehoort aan een derde - Verzet van de derde-eigenaar - Aard en termijnen van het rechtsmiddel - Voorzienbaarheid van de regels over het verzet in de gewone en buitengewone termijn - Gevolgen Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1122 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 KB 9 augustus 1991 tot vaststelling van de termijn waarbinnen en de wijze waarop een rechtsmiddel kan worden aangewend door derden die beweren recht te hebben op een verbeurdverklaarde zaak - 09-08-1991 - Art. 3 - 30 ELI link Pub nr 1991010216 Thesaurus CAS: DERDENVERZET Vrije woorden: Verbeurdverklaring - Goed dat ter beschikking staat van een criminele organisatie - Goed dat geen eigendom is van de beklaagde - Rechtsmiddelen van de derde te goeder trouw - Toegang tot de strafrechter - Ontoelaatbaarheid van het derdenverzet - Gevolgen Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1122 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 KB 9 augustus 1991 tot vaststelling van de termijn waarbinnen en de wijze waarop een rechtsmiddel kan worden aangewend door derden die beweren recht te hebben op een verbeurdverklaarde zaak - 09-08-1991 - Art. 3 - 30 ELI link Pub nr 1991010216 Thesaurus CAS: EIGENDOM Vrije woorden: Verbeurdverklaring van een goed dat toebehoort aan een derde - Verzet van de derde-eigenaar - Aard en termijnen van het rechtsmiddel - Voorzienbaarheid van de regels over het verzet in de gewone en buitengewone termijn - Gevolgen Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1122 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 KB 9 augustus 1991 tot vaststelling van de termijn waarbinnen en de wijze waarop een rechtsmiddel kan worden aangewend door derden die beweren recht te hebben op een verbeurdverklaarde zaak - 09-08-1991 - Art. 3 - 30 ELI link Pub nr 1991010216 Fiches 26 - 29 Een wettelijke bepaling heeft uit haar aard een algemeen karakter en kan zodoende van toepassing zijn op een veelheid aan situaties die niet allemaal specifiek door die bepaling kunnen worden geregeld; het staat aan de rechter om een dergelijke bepaling uit te leggen en in dat kader te beoordelen welke situaties en personen onder de toepassing ervan kunnen vallen; daarbij dient de rechter acht te slaan op de duidelijkheid en de voorspelbaarheid van die bepaling voor de persoon op wie ze van toepassing kan zijn, rekening houdend met onder meer de bewoordingen van de bepaling, de evolutie van de maatschappij en het recht sinds de invoering ervan en de wijze waarop ze door de rechtspraak wordt uitgelegd; het vereiste van de strikte uitlegging van de strafwet verbiedt de rechter niet een bepaling die behoort tot de strafrechtspleging toepasselijk te verklaren op een persoon wiens situatie in die bepaling niet uitdrukkelijk is geregeld; de rechtspraak aanvaardt sinds geruime tijd dat een derde tegen de beslissing die de verbeurdverklaring beveelt van goederen waarop hij aanspraak maakt, de rechtsmiddelen kan aanwenden die ook aan de gewone procespartijen ter beschikking staan, met inbegrip van het verzet, en dat hij zijn aanspraken voor het eerst op verzet kan laten gelden, aangezien hij van rechtswege partij in het geding is, ook al is hij daarin niet verschenen of opgeroepen; indien niet blijkt dat de bij verstek veroordeelde beklaagde kennis heeft gekregen van de betekening van de verstekbeslissing, kan hij in verzet komen totdat de termijnen van verjaring van de straf verstreken zijn; die bepaling kan op grond van de bewoordingen ervan worden toegepast op een derde wiens goed is verbeurd verklaard en die niet verscheen of is opgeroepen in het strafproces
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Vrije woorden: Goed dat ter beschikking staat van een criminele organisatie - Goed dat geen eigendom is van de beklaagde - Rechtsmiddelen van de eigenaar te goeder trouw die niet in het strafproces verscheen of is opgeroepen - Toepassing van de regels over het verzet van de bij verstek veroordeelde beklaagde - Voorspelbaarheid van de regels over het verzet - Verzet in de gewone of buitengewone termijn - Toepassing Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30

Art. 43q

uater, § 4 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op tegenspraak - Verbeurdverklaring - Goed dat ter beschikking staat van een criminele organisatie - Goed dat geen eigendom is van de beklaagde - Rechtsmiddelen van de eigenaar te goeder trouw die niet in het strafproces verscheen of is opgeroepen - Toepassing van de regels over het verzet van de bij verstek veroordeelde beklaagde - Voorspelbaarheid van de regels over het verzet - Verzet in de gewone of buitengewone termijn - Toepassing Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30

Art. 43q

uater, § 4 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: VERZET Vrije woorden: Verbeurdverklaring van een goed dat toebehoort aan een derde - Rechtsmiddelen van de eigenaar te goeder trouw die niet in het strafproces verscheen of is opgeroepen - Toepassing van de regels over het verzet van de bij verstek veroordeelde beklaagde - Voorspelbaarheid van de regels over het verzet - Verzet in de gewone of buitengewone termijn - Toepassing Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30

Art. 43q

uater, § 4 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: EIGENDOM Vrije woorden: Verbeurdverklaring van een goed dat toebehoort aan een derde - Rechtsmiddelen van de eigenaar te goeder trouw die niet in het strafproces verscheen of is opgeroepen - Toepassing van de regels over het verzet van de bij verstek veroordeelde beklaagde - Voorspelbaarheid van de regels over het verzet - Verzet in de gewone of buitengewone termijn - Toepassing Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30

Art. 43q

uater, § 4 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 30 - 33 Voor een persoon die kennis neemt van de betekening van een beslissing waarbij goederen worden verbeurdverklaard waarvan hij voorhoudt eigenaar te zijn, alsook van een modelformulier waarin wordt uitgelegd over welke rechtsmiddelen een bij verstek veroordeelde persoon in strafzaken beschikt, moet het ook bij afwezigheid van een aan die bijzondere situatie aangepaste wetsbepaling of formulier duidelijk zijn dat hij, indien hij tegen die beslissing verzet wil instellen, dat moet doen binnen de wettelijk bepaalde termijn van verzet zoals die ook is vermeld in dat formulier; dit is des te meer het geval wanneer die persoon, steeds bijgestaan door een advocaat, feitelijk op de hoogte was van de beslissing tot verbeurdverklaring en van de strafprocedure die tot deze beslissing heeft geleid, ook al was hij in die procedure niet formeel opgeroepen of was hij niet verplicht daarin tussen te komen; het is voor die derde ook niet onvoorzienbaar dat het verzet dat hij tegen de beslissing kan instellen tijdsgebonden is aangezien er binnen een redelijke termijn zekerheid moet komen over de bestemming van de verbeurdverklaarde goederen; bijgevolg heeft de derde geen recht op verzet zonder enige tijdsbeperking of op de beoordeling van de gegrondheid van zijn aanspraak door een rechter, ongeacht de niet-ontvankelijkheid van zijn verzet wegens de laattijdigheid ervan; hieruit volgt dat artikel 187 Wetboek van Strafvordering voor de derde die kennis heeft genomen van de voormelde betekening en kennisgeving, voldoende duidelijk en voorspelbaar is om de termijn te kennen waarbinnen hij verzet dient aan te tekenen tegen de beslissing tot verbeurdverklaring; door het feit dat de derde binnen de in artikel 187, § 1, Wetboek van Strafvordering bepaalde termijnen, eventueel verlengd ingevolge het bestaan van een situatie van overmacht, verzet kan instellen tegen de beslissing tot verbeurdverklaring die hem benadeelt, worden de rechten van de derde geëerbiedigd, zoals het recht op een eerlijk proces en het recht op eigendom

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Vrije woorden: Vermogen van een criminele organisatie - Verbeurdverklaring van een goed dat toebehoort aan een derde - Rechtsmiddelen van de derde die niet was opgeroepen of niet tussenkwam in het strafproces - Betekening van de beslissing tot verbeurdverklaring - Informatie over de termijnen en vormvereisten van het verzet aan de hand van een modelformulier - Voorzienbaarheid van de termijnen om ontvankelijk verzet in te stellen - Verlenging van de termijnen wegens overmacht - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306

Art. 43q

uater, § 4 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op tegenspraak - Verbeurdverklaring van een goed dat toebehoort aan een derde - Rechtsmiddelen van de derde die niet was opgeroepen of niet tussenkwam in het strafproces - Betekening van de beslissing tot verbeurdverklaring - Informatie over de termijnen en vormvereisten van het verzet aan de hand van een modelformulier - Voorzienbaarheid van de termijnen om ontvankelijk verzet in te stellen - Verlenging van de termijn wegens overmacht - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306

Art. 43q

uater, § 4 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: VERZET Vrije woorden: Verbeurdverklaring van een goed dat toebehoort aan een derde - Rechtsmiddelen van de derde die niet was opgeroepen of niet tussenkwam in het strafproces - Betekening van de beslissing tot verbeurdverklaring - Informatie over de termijnen en vormvereisten van het verzet aan de hand van een modelformulier - Voorzienbaarheid van de termijnen om ontvankelijk verzet in te stellen - Verlenging van de termijnen wegens overmacht - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306

Art. 43q

uater, § 4 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: EIGENDOM Vrije woorden: Verbeurdverklaring van een goed dat toebehoort aan een derde - Rechtsmiddelen van de derde die niet was opgeroepen of niet tussenkwam in het strafproces - Betekening van de beslissing tot verbeurdverklaring - Informatie over de termijnen en vormvereisten van het verzet aan de hand van een modelformulier - Voorzienbaarheid van de termijnen om ontvankelijk verzet in te stellen - Verlenging van de termijnen wegens overmacht - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306

Art. 43q

uater, § 4 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 34 - 37 Het feit dat het openbaar ministerie in het strafproces lastens een beklaagde de verbeurdverklaring heeft gevorderd van goederen die ter beschikking staan van een criminele organisatie en die formeel eigendom zijn van een derde, impliceert niet dat die verbeurdverklaring een straf is die aan die derde is opgelegd

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Vrije woorden: Vermogen van een criminele organisatie - Goed dat geen eigendom is van de beklaagde - Toelaatbaarheid Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 7 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 7 Vrije woorden: Legaliteit van de straffen - Verbeurdverklaring - Vermogen van een criminele organisatie - Goed dat geen eigendom is van de beklaagde - Toelaatbaarheid Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 7 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Allerlei Vrije woorden: Eerste Aanvullend Protocol EVRM - Recht op eigendom - Verbeurdverklaring - Vermogen van een criminele organisatie - Goed dat geen eigendom is van de beklaagde - Toelaatbaarheid Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 7 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Thesaurus CAS: VERENIGING VAN MISDADIGERS Vrije woorden: Criminele organisatie - Verbeurdverklaring - Vermogen van een criminele organisatie - Goed dat geen eigendom is van de beklaagde - Toelaatbaarheid Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 7 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Fiches 38 - 42 Het vereiste dat de derde zijn goede trouw aannemelijk moet maken betreft de beoordeling van de gegrondheid van hetverzet en niet de ontvankelijkheid ervan; de derde moet bijgevolg geen goede trouw aantonen om verzet tegen de beslissing tot verbeurdverklaring te kunnen instellen; voor wat betreft de beoordeling van de gegrondheid van de louter burgerrechtelijke eigendomsaanspraak van de derde op de verbeurdverklaarde zaken houdt de rechter in beginsel rekening met de bewijsstandaard in burgerlijke zaken; voor wat betreft de beoordeling van de feitelijke en juridische grondslag van de verbeurdverklaring en de goede trouw van de derde, waarmee in het geval van artikel 43quater, § 4, Strafwetboek wordt bedoeld dat de derde niet wist en niet kon weten dat zijn goederen ter beschikking stonden van een criminele organisatie, hanteert de rechter de bewijsstandaard in strafzaken; dit laatste wil zeggen dat de rechter zijn beoordeling steunt op het geheel van de gegevens van het strafdossier die hij, gelet op de autonomie van het strafrecht, vrij en zonder gebonden te zijn aan formele burgerrechtelijke of vennootschapsrechtelijke begrippen beoordeelt; die bewijsregeling is toepasselijk op zowel het oorspronkelijke strafproces als het proces na het verzet van de derde
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Vrije woorden: Vermogen van een criminele organisatie - Goed dat geen eigendom is van de beklaagde - Rechten van de derde te goeder trouw die niet was opgeroepen in het strafproces - Bewijs van de goede trouw - Verdeling van de bewijslast Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306

Art. 43q

uater, § 4 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Vrije woorden: Verbeurdverklaring - Vermogen van een criminele organisatie - Goed dat geen eigendom is van de beklaagde - Rechten van de derde te goeder trouw die niet was opgeroepen in het strafproces - Bewijs van de goede trouw - Verdeling van de bewijslast Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306

Art. 43q

uater, § 4 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 Vrije woorden: Vermoeden van onschuld - Verbeurdverklaring - Vermogen van een criminele organisatie - Goed dat geen eigendom is van de beklaagde - Rechten van de derde te goeder trouw die niet was opgeroepen in het strafproces - Bewijs van de goede trouw - Verdeling van de bewijslast Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306

Art. 43q

uater, § 4 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Allerlei Vrije woorden: Eerste Aanvullend Protocol EVRM - Recht op eigendom - Verbeurdverklaring - Vermogen van een criminele organisatie - Goed dat geen eigendom is van de beklaagde - Rechten van de derde te goeder trouw die niet was opgeroepen in het strafproces - Bewijs van de goede trouw - Verdeling van de bewijslast Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306

Art. 43q

uater, § 4 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: VERENIGING VAN MISDADIGERS Vrije woorden: Criminele organisatie - Verbeurdverklaring - Vermogen van een criminele organisatie - Goed dat geen eigendom is van de beklaagde - Rechten van de derde te goeder trouw die niet was opgeroepen in het strafproces - Bewijs van de goede trouw - Verdeling van de bewijslast Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306

Art. 43q

uater, § 4 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 43 - 45 Artikel 6.3.a EVRM is niet van toepassing op de derde die aanspraak maakt op lastens een beklaagde verbeurdverklaarde goederen aangezien die derde geen persoon is tegen wie een vervolging is ingesteld; voor het overige is de derde, alleszins ingevolge de kennisneming van de betekening van de beslissing tot verbeurdverklaring, op de hoogte van de aard en de reden van de tegen de beklaagde ingebrachte beschuldiging en de redenen voor het bevelen van de verbeurdverklaring, te meer daar hij inzage en kopie kan nemen van alle stukken die aan de vervolging van de beklaagde en de verbeurdverklaring ten grondslag liggen; niet vereist is dat het openbaar ministerie opgave doet van elk gegeven van het strafdossier waarop de verbeurdverklaring steunt of het gebrek aan goede trouw van de derde blijkt; aldus is het recht van de derde op een eerlijk proces met inbegrip van zijn recht op informatie voldoende gewaarborgd en beschikt hij over voldoende tijd en middelen om zijn verdediging voor te bereiden; dat de derde zijn aanspraak voor de rechter pas aanhangig maakt in een procedure ingesteld na de beslissing tot verbeurdverklaring, heeft voor die derde dan ook geen onevenredige nadelen waardoor zijn grondrechten zijn miskend

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Vrije woorden: Vermogen van een criminele organisatie - Goed dat geen eigendom is van de beklaagde - Rechten van de derde te goeder trouw die niet was opgeroepen in het strafproces - Informatie over de redenen van de verbeurdverklaring - Recht op inzage en kopie van alle stukken die aan de verbeurdverklaring ten grondslag liggen - Ontbreken van specifieke informatie over de verbeurdverklaring en het gebrek aan goede trouw in de betekening van de veroordelende beslissing - Gevolgen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.3.a en 6.3.b - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.a - Recht op voldoende informatie over de aard en reden van de beschuldiging - Verbeurdverklaring - Goed dat geen eigendom is van de beklaagde - Rechten van de derde te goeder trouw die niet was opgeroepen in het strafproces - Informatie over de redenen van de verbeurdverklaring - Recht op inzage en kopie van alle stukken die aan de verbeurdverklaring ten grondslag liggen - Ontbreken van specifieke informatie over de verbeurdverklaring en het gebrek aan goede trouw in de betekening van de veroordelende beslissing - Gevolgen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.3.a en 6.3.b - 30 Link Justel databank 19501104-30 Vrije woorden: Artikel 6.3.b - Recht op voldoende tijd en faciliteiten om zijn verdediging voor te bereiden - Verbeurdverklaring - Goed dat geen eigendom is van de beklaagde - Rechten van de derde te goeder trouw die niet was opgeroepen in het strafproces - Informatie over de redenen van de verbeurdverklaring - Recht op inzage en kopie van alle stukken die aan de verbeurdverklaring ten grondslag liggen - Ontbreken van specifieke informatie over de verbeurdverklaring en het gebrek aan goede trouw in de betekening van de veroordelende beslissing - Gevolgen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.3.a en 6.3.b - 30 Link Justel databank 19501104-30 Annotaties Publicaties: T.Strafr.-Tijdschrift voor strafrecht: jurisprudentie, nieuwe wetgeving en doctrine voor de praktijk - 2022, nr. 6, p. 334-352. - TERSAGO, Pieter; Noot''Take from them, everything': over het doorgedreven afpakken van het vermogen dat ter beschikking staat van een criminele organisatie en de bescherming van derden te goeder trouw' Tekst van de conclusie P.21.1502.N Conclusie van advocaat-generaal Bart DE SMET: “Het verzet tegen de verbeurdverklaring van een goed door de eigenaar die niet in de strafprocedure was opgeroepen of vrijwillig tussenkwam. Zijn de regels van art. 187 Sv. van toepassing en welke bewijslast ligt er op de derde-eigenaar te goeder trouw om aanspraak te maken op het verbeurdverklaarde goed?” 1. Voorgaanden 1. Het Hof van Beroep te Antwerpen heeft op 24 april 2019 R.M. schuldig verklaard als leider van een criminele organisatie en overeenkomstig artikel 43quater, §4 Strafwetboek goederen verbeurd verklaard die ter beschikking stonden van die organisatie, waaronder goederen die toebehoren aan eiseressen in cassatie. Het gaat om de verbeurdverklaring van 1°°de creditsaldi op vier bankrekeningen op naam van eiseres II, de echtgenote van R.M. en 2°°het creditsaldo op een bankrekening en twee onroerende goederen op naam van Ankamara NV, de patrimoniumvennootschap van R.M. Eiseres II is bestuurder van deze vennootschap (memorie, p.2). 2. Het Hof heeft bij arrest van 24 maart 2020 het cassatieberoep verworpen van R.M. tegen zijn correctionele veroordeling. Zijn derde middel had betrekking op de sanctie van verbeurdverklaring gesteund op artikel 43quater, §4, Strafwetboek
(1).
  1. In de procedure die leidde tot de veroordeling op 24 april 2019 van R.M. als leider van een criminele organisatie waren de actuele eiseressen in cassatie geen partij. Het arrest van 24 april 2019 werd op bevel van de procureur-generaal te Antwerpen per exploot van gerechtsdeurwaarder betekend aan de woonplaats van eiseressen (op 10 juni 2020 aan de woonplaats van eiseres II en op 5 augustus 2020 aan de zetel van de rechtspersoon, eiseres I). In de akte van betekening vermeldde de deurwaarder telkens dat aan de akte van betekening een kennisgeving was gevoegd ‘overeenkomstig de wettelijke bepalingen, vergezeld van de kennisgeving betreffende de rechten van de persoon die in België bij verstek veroordeeld werd’. De dag na elke betekening verzond de deurwaarder conform artikel 38 Ger. W. nog per aangetekende brief gericht aan deze adressen een mededeling dat hij zich had aangeboden, een afschrift van exploot heeft achtergelaten, en dat een eensluidend afschrift van het exploot kan worden afgehaald. Bijkomend heeft de griffie van het hof van beroep eiseressen op 24 juni 2020 bij aangetekende brief op de hoogte gebracht van de verbeurdverklaring, in toepassing van het KB van 9 augustus
  2. Eiseressen hebben verzet ingesteld bij akte van gerechtsdeurwaarder dd. 21 augustus 2020, betekend aan het openbaar ministerie. De aktes (st. 2) bevatten als titel ‘akte van verzet in strafzaken’ en bevatten als standpunt dat de beslissing tot verbeurdverklaring hen is betekend zonder concrete informatie over het aantekenen van verzet, zodat hun verzet ontvankelijk is.
  3. Het hof van beroep te Antwerpen heeft bij arrest van 3 november 2021 het verzet van eiseres II niet-ontvankelijk verklaard wegens laattijdigheid en het verzet van eiseres I ontvankelijk doch ongegrond verklaard. Tegen dit arrest hebben eiseressen tijdig cassatieberoep ingesteld.
  4. Middelen van eiseres II M.K. 2.
  5. De wettelijkheid van de verbeurdverklaring van een goed van een derde
  6. In het eerste middel, eerste onderdeel, stelt eiseres dat de verbeurdverklaring ten laste van een persoon die geen partij was in de strafprocedure in strijd is met het legaliteitsbeginsel artikel 7 EVRM (p. 20). De verbeurdverklaring is een straf die haar niet kon worden opgelegd, omdat zij niet wegens enig strafbaar feit is vervolgd. Bovendien vermeldt het arrest van verbeurdverklaring niet de toepasselijke wetsbepaling om die straf aan eiseres II op te leggen, in strijd met 195 Sv. (p. 20).
  7. Beoordeling. Uit de artikelen 6 en 7 EVRM en artikelen 17 en 47 EU-Handvest Grondrechten volgt niet dat de strafrechter alleen de bijzondere verbeurdverklaring kan uitspreken van goederen die eigendom zijn van de veroordeelde of waarop de veroordeelde een zakelijk recht kan uitoefenen. Is het verbeurdverklaarde goed eigendom van een derde te goeder trouw, die niet in de strafprocedure is betrokken, dan moet die derde wel de mogelijkheid hebben om een vordering in te dienen voor een rechter, om de eigendomsoverdracht van dat goed aan de Staat te verhinderen. Zowel het Europees Hof voor de Rechten van de Mens als het Hof van Justitie van de Europese Unie oordeelden in die zin
(2). 8. Artikel 43quater, §4 Strafwetboek bepaalt dat het vermogen dat ter beschikking staat van een criminele organisatie verbeurd verklaard moet worden, onder voorbehoud van de rechten van derden te goeder trouw
(3). Het betreft een (verplichte) objectconfiscatie, veronden aan een veroordeling wegens deelname aan een criminele organisatie (art. 324bis Sw.). Voorwerp van verbeurdverklaring is elk goed dat ter beschikking staat van de criminele organisatie, met inbegrip van vermogensvoordelen die uit het misdrijf van deelname aan de criminele organisatie zijn verkregen
(4). 9. Deze bepaling laat de strafrechter toe een roerend of onroerend goed verbeurd te verklaren dat eigendom is van een persoon die niet is opgeroepen in het strafproces of niet vrijwillig in het strafproces tussenkwam
(5). Het feit dat deze persoon niet deelnam aan het debat over de verbeurdverklaring staat deze sanctie niet in de weg. In een zaak van witwassen oordeelde het Hof dat wanneer in de strafprocedure “geen enkele partij optreedt in een hoedanigheid waarbij hij aanspraak maakt op voor verbeurdverklaring in aanmerking komende goederen, verplicht geen enkele verdragsrechtelijke of wettelijke bepaling de rechter die een beklaagde schuldig verklaart aan een witwasmisdrijf, ambtshalve na te gaan of de goede trouw van een derde zich verzet tegen de verbeurdverklaring van goederen die het voorwerp van dat misdrijf uitmaken”
(6). 10. Het ingeroepen legaliteitsbeginsel en het beginsel van het persoonlijk karakter van de straffen houden bijgevolg alleen in dat de strafrechter de verbeurdverklaring slechts kan uitspreken tegen de persoon die strafrechtelijk is veroordeeld, in dit geval als dader, mededader of medeplichtige van deelname aan een criminele organisatie, maar niet verhinderen dat de straf van verbeurdverklaring van het goed (dat ter beschikking staat van de criminele organisatie) nadelige gevolgen heeft voor een derde die niet in het strafproces was betrokken, voor zover deze derde zijn rechten nog kan doen gelden
(7). In zoverre faalt het onderdeel naar recht. 11. Over de rechtsbescherming van de derde te goeder trouw, na de verbeurdverklaring van zijn goed, oordeelde het Hof op 16 januari 2018: “Het recht van verdediging, het recht op toegang tot de rechter en het recht op bescherming van de eigendom vereisen dat de derde voor de rechter op verzet of in hoger beroep elk verweer kan aanvoeren dat ertoe strekt dat de verbeurdverklaring tegenover hem geen uitwerking heeft. Aldus kan de derde voor die rechter verweer voeren, niet enkel over het bestaan van zijn burgerlijk eigendomsrecht of goede trouw, maar ook over de strafrechtelijke grondslag van de lastens de beklaagde uitgesproken verbeurdverklaring. De rechter moet dat verweer onderzoeken in zoverre hij de verbeurdverklaring tegenover die derde niet op een andere grond teniet doet”
(8). 12. Het Grondwettelijk Hof stelde eveneens dat de derde te goeder trouw over de mogelijkheid dient te beschikken om de teruggave te verkrijgen van de verbeurdverklaarde zaken die aan hem toebehoren, gelet op het recht op eigendom, zoals beschermd door de artikelen 16 van de Grondwet en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens
(9). 13. De verbeurdverklaring van een goed dat een derde toebehoort komt ook aan bod bij een veroordeling op basis van de Drugswet. Op grond van artikel 4, §6 Drugswet kan de rechter, onverminderd de toepassing van de artikelen 42 en 43 Strafwetboek, de verbeurdverklaring bevelen van voertuigen die hebben gediend om drugmisdrijven te plegen, zelfs indien ze geen eigendom zijn van de veroordeelde. Het Hof nam op 9 maart 2021 aan: “Het feit dat artikel 4, §6, Drugswet bepaalt dat het voor het drugmisdrijf dienstige voertuig kan worden verbeurdverklaard zonder dat het eigendom hoeft te zijn van de veroordeelde, impliceert dat de eigenaar van dat voertuig niet zelf voor dat misdrijf moet zijn vervolgd opdat die verbeurdverklaring kan worden uitgesproken. Enkel is vereist dat de betrokkene voor de rechter zijn aanspraken op dat voertuig kan laten gelden en op die grond kan opkomen tegen de verbeurdverklaring ervan. Aldus is het recht van verdediging geëerbiedigd”
(10). 14. Advocaat-generaal Dirk SCHOETERS stelde terecht over de objectconfiscatie van artikel 4, §6 Drugswet, die ten aanzien van een derde dezelfde uitwerking heeft als deze gesteund op artikel 43quater, §4 Sw.: “Wanneer de wet stelt dat de verbeurdverklaring van een zaak kan uitgesproken worden zelfs indien deze niet de eigendom is van de veroordeelde, impliceert dit dat de eigenaar niet zelf voor dat misdrijf moet zijn vervolgd opdat de verbeurdverklaring kan worden uitgesproken. Met andere woorden, het enkele feit dat de derde niet is veroordeeld voor het drugsmisdrijf, volstaat niet om de verbeurdverklaring ervan lastens de dader van het misdrijf te beletten. Het lijkt mij in deze context eveneens niet voldoende dat deze derde zijn rechtmatig bezit aantoont, het lijkt mij dat deze derde tevens te goeder trouw moet gehandeld hebben, met andere woorden dat hij niet wist en/of niet kon weten dat zijn zaak werd of zou worden gebruik om het misdrijf te plegen (Zie A. DE NAUW, Drugs, in APR 2012, 2de editie, p. 68). Men kan zich immers de vraag stellen wat de draagwijdte is van een verbeurdverklaring zonder eigendomsvereiste, indien het volstaat dat de eigenaar niet vervolgd werd en zijn rechtmatig bezit kan aantonen om de verbeurdverklaring te verhinderen. Dit lijkt elke zin te ontnemen aan een nochtans duidelijke wettekst”
(11). 15. Het beginsel van het persoonlijk karakter van een straf wordt geschonden indien de bijkomende straf van de bijzondere verbeurdverklaring wordt opgelegd aan een derde die niet verantwoordelijk kan worden gesteld voor het misdrijf
(12). Prof. Joëlle ROZIE verduidelijkt deze regel als volgt: “Het persoonlijk karakter van de straf impliceert dat de verbeurdverklaring-straf enkel en alleen aan de veroordeelde kan worden opgelegd en niet aan een derde die vreemd is aan het misdrijf. Dat een straf of maatregel negatieve effecten kan ressorten voor derden, heeft geenszins tot gevolg dat deze moet worden beschouwd als zijnde opgelegd aan een derde. Dat een sanctie ook een andere dan de veroordeelde raakt, is in bepaalde gevallen onvermijdelijk. Daarom heeft de wetgever dan ook in regels voorzien om de rechten van deze derden te vrijwaren. Aan het vermoeden van onschuld wordt trouwens omwille van dezelfde redenering niet geraakt. Het feit dat de verbeurdverklaring kan worden uitgesproken zo de goederen zich in het vermogen van een derde bevinden, betekent dus niet dat de sanctie rechtstreeks aan een derde werd opgelegd wegens het strafbare gedrag van een ander. Magistraten moeten bij de rechterlijke uitspraak evenwel waakzaam zijn bij de gehanteerde formulering. Wanneer men overgaat tot de verbeurdverklaring van goederen die zich in het vermogen van een derde bevinden, mag de verbeurdverklaring niet lastens die derde worden uitgesproken, doch moet de verbeurdverklaring lastens de beklaagde worden bevolen van de goederen die zich in het patrimonium van de derde bevinden”
(13).
  1. De verbeurdverklaring van een goed dat ter beschikking staat van een criminele organisatie is alleen te beschouwen als een straf tegenover de veroordeelde die zich op de telastlegging lidmaatschap van een criminele organisatie diende te verdedigen. Het is niet omdat een derde nadeel kan ondervinden van een verbeurdverklaring uitgesproken in een strafzaak waaraan hij niet deelnam, noch als dader of mededader van enig misdrijf, noch als tussenkomende partij, dat die verbeurdverklaring voor die derde is op te vatten als een straf. Proceswaarborgen die specifiek gelden voor de beklaagde, zoals artikel 195 Sv. en het recht op informatie over de telastlegging (art. 6.3.a EVRM), zijn dan ook niet van toepassing op een persoon die aanspraak maakt op een verbeurdverklaard goed (zie verder, 3.5). In zoverre faalt het onderdeel naar recht.
  2. Het legaliteitsbeginsel en het beginsel van het persoonlijk karakter van een straf zijn m.i. nageleefd. De verbeurdverklaring is alleen uitgesproken tegen beklaagde R.M. en kon door eiseres II worden aangevochten. Het bestreden arrest nam aan dat de situatie van de derde-eigenaar niet dezelfde is als deze van een tot een straf veroordeelde, maar daar wel het best bij aansluit (blz. 11). Verder stelde het hof van beroep dat de derde-eigenaar beschouwd wordt als een veroordeelde wat rechtsmiddelen betreft (blz. 11). Daarmee oordeelt het bestreden arrest niet dat eiseressen schuldig zijn aan de feiten die aan R.M. zijn ten laste gelegd. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. 2.
  3. Gelden de regels van het verzet in strafzaken of het derdenverzet?
  4. In een eerste middel, eerste onderdeel, voert eiseres aan dat zij niet als een strafrechtelijk veroordeelde kan worden beschouwd, in de zin van artikel 187 Sv., omdat zij niet betrokken was in de strafprocedure tegen haar echtgenoot R.M., tegen wie de bijzondere verbeurdverklaring werd uitgesproken voor geldsommen die op haar rekeningen stonden (p. 17-18). De appelrechters hebben eiseres II als een partij in die procedure beschouwd, zonder dat zij van de vereiste rechtsbescherming genoot, waardoor haar recht op een eerlijk proces en het vermoeden van onschuld is miskend (artt. 6.1 en 6.2 EVRM). Niemand kan immers bij verstek worden veroordeeld zonder de kans te krijgen zijn rechten van verdediging nuttig uit te oefenen. Voorts meent eiseres dat de vormvereisten van artikel 187 Sv. niet op haar van toepassing konden zijn, omdat het arrest waarbij de verbeurdverklaring is uitgesproken niet ‘bij verstek’ is gewezen. Artikel 186 Sv. omschrijft het verstek als de situatie waarbij de gedaagde of zijn advocaat die hem vertegenwoordigt, niet verschijnt op de dag en het uur in de dagvaarding bepaald, zodat jegens hem het vonnis bij verstek is gewezen (p. 21). Aangezien eiseres niet in de strafprocedure was gedagvaard, kan zij niet worden gelijkgesteld met een bij verstek veroordeelde persoon. Door het verzet van eiseres niet-ontvankelijk te verklaren wegens laattijdigheid, met basis de termijn van buitengewoon verzet in strafzaken (art. 187, §1 Sv.), miskennen de appelrechters het legaliteitsbeginsel, zoals bepaald in de artikelen 7 EVRM, 12 Grondwet en 14 Grondwet (p. 21) en het vermoeden van onschuld, beschermd door artikel 6.2 EVRM. Van eiseres kan niet worden geëist dat zij zich als een reeds strafrechtelijk vervolgde en veroordeelde presenteert bij de rechtbank om dan een beroep te doen op een rechtsmiddel dat openstaat voor een bij verstek veroordeelde gedaagde persoon (p. 21). Artikel 187 Sv. mag bijgevolg niet per analogie toegepast op een persoon die geen partij was in de strafprocedure, gelet op het legaliteitsbeginsel.
  5. Eiseres voert aan dat het bestreden arrest toepassing had moeten maken van de regels over derdenverzet (art. 1122-1131 Ger. W.), een rechtsmiddel dat binnen de drie maanden kan worden aangewend (art. 1129 Ger. W.), temeer daar het eigendomsrecht een burgerlijk recht is in de zin van artikel 6 EVRM (p. 22). Volgens eiseres is derdenverzet mogelijk tegen uitspraken die grievend zijn voor een niet-betrokken mede-eigenaar of waarbij een derde tot een teruggave van een goed wordt verplicht. Deze regel geldt ook bij een verbeurdverklaring van een zaak die aan een derde toebehoort. Verder komt eiseres in het eerste middel, eerste onderdeel, op tegen de motivering in het bestreden arrest dat tegen mede-partij NV Ankarama geen strafvervolging is ingesteld en geen straf is opgelegd (p. 33 arrest), zodat deze vennootschap geen strafvermindering kan inroepen wegens het overschrijden van de redelijke termijn. Eiseres voert aan dat deze motivering onwettig is, omdat de bijzondere verbeurdverklaring een straf is (art. 43quater Sw.) en tegenstrijdig is, aangezien de verbeurdverklaring wel als een straf werd opgevat voor de beoordeling van het rechtsmiddel van verzet in strafzaken. Aangezien er geen sprake zou zijn van een straf, kunnen de regels over het verzet in strafzaken niet van toepassing zijn. Burgerlijke rechten zoals het eigendomsrecht moeten autonoom worden beoordeeld, gelet op artikel 6.1 EVRM.
  6. De conclusie van het eerste middel, eerste onderdeel, is dat door het verzet van eiseres 2 tegen de verbeurdverklaring af te wijzen op basis van artikel 187 Sv., hoewel zij geen partij was in de strafzaak, het beginsel van voorrang van het internationaal recht in de Belgische rechtsorde is miskend, en het bestreden arrest in strijd is met artikelen 6 en 7 EVRM, artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, artikelen 17 en 47 Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, artikelen 10, 11, 12.2, 14, 16, 149 en 159 Grondwet, artikelen 1122 tot 1131 Gerechtelijk Wetboek, artikelen 187 en 208 Wetboek van Strafvordering, artikel 5ter Voorafgaande Titel van dit Wetboek en met het algemeen rechtsbeginsel van de rechten van verdediging.
  7. Beoordeling. Het is niet omdat de eigenaar van een verbeurd verklaard goed niet is vervolgd als dader of mededader, of niet voor de strafrechter is opgeroepen conform artikel 5ter V.T. Sv., dat een latere procedure over de vermogensrechtelijke aanspraken van deze eigenaar een louter burgerlijk karakter heeft, en aldus de regels over het derdenverzet (art. 1122-1131 Ger. W.) van toepassing zijn. Wanneer het recht op eigendom wordt aangetast door een straf van verbeurdverklaring, is het logisch dat een rechtsmiddel van de derde-eigenaar tegen die straf onderworpen is aan de regels van de strafprocedure, ook al behoort het recht op eigendom tot de categorie van burgerlijke en burgerlijke rechten
(14). Het rechtsmiddel dient immers om de tenuitvoerlegging van de straf van verbeurdverklaring te beletten wegens de aanspraken van de derde-te goeder trouw, eerder dan een uitspraak van de strafrechter op burgerlijk vlak te betwisten. De rechtsmiddelen in de strafprocedure moeten dan ook toekomen aan een derde wiens goed is verbeurd verklaard. Het Hof oordeelde reeds dat: “De derde die beweert eigenaar te zijn van een lastens de beklaagde verbeurdverklaard goed en die aldus dreigt de gevolgen van de verbeurdverklaring te moeten ondergaan, wordt als gevolg van de verbeurdverklaring van rechtswege partij in het strafproces. In die hoedanigheid kan hij deze straf aanvechten door daartegen elke rechtsmiddel aan te wenden dat ook aan de gewone procespartijen ter beschikking staat”
(15). 22. Een derde-eigenaar van een goed waarvan de verbeurdverklaring wordt gevorderd en op de hoogte is van het strafproces (ook zonder officiële kennisgeving kan zijn rechten tijdens het strafproces doen gelden als vrijwillig tussenkomende partij
(16). Daarnaast kan de derde-eigenaar rechtsmiddelen aanwenden tegen het vonnis of arrest dat de verbeurdverklaring uitspreekt, aangezien hij van rechtswege partij is in het geding, ook al is hij daarin niet verschenen noch opgeroepen of tussengekomen
(17). Concreet betekent dit dat de derde-eigenaar verzet of hoger beroep kan aantekenen en zich kan voorzien in cassatie wanneer de verbeurdverklaring van zijn goed lastens de beklaagde in laatste aanleg werd uitgesproken
(18). Daarbij gelden de termijnen en voorschriften van de rechtsmiddelen in strafzaken, namelijk artikel 187 Sv. (verzet), de artikelen 202, 203 en 204 Sv. (hoger beroep) en de artikelen 359, 416 tot 430 Sv. (cassatieberoep), ook al wordt de persoon die aanspraak maakt op een verbeurd verklaard goed niet expliciet in deze wettelijke procesvoorschriften genoemd
(19). 23. Door het feit zelf van de verbeurdverklaring op zijn goed, ook al is die formeel uitgesproken tegen de beklaagde, wordt de derde-eigenaar meteen partij in het strafproces, en kan hij in die hoedanigheid de rechtsmiddelen van verzet, hoger beroep of cassatieberoep aanwenden. Het is pas wanneer de verbeurdverklaring van een goed dat toebehoort aan een derde in kracht van gewijsde is getreden, dat de eigendomsoverdracht ten voor dele van de Staat plaatsvindt, en aan iedereen (erga omnes) tegenstelbaar is
(20). 24. Het is dan ook van belang, zoals in deze zaak is gebeurd, dat het openbaar ministerie de beslissing van verbeurdverklaring bij akte van gerechtsdeurwaarder ter kennis brengt aan de derde-eigenaar die niet in de strafprocedure was betrokken, opdat deze derde rechtsmiddelen kan aanwenden om die eigendomsoverdracht te verhinderen. Aan de derde-eigenaar moet rechtsbescherming toekomen, in die zin dat het openbaar ministerie de verbeurdverklaring alleen mag uitvoeren als de beslissing tot verbeurdverklaring geldig is betekend aan de derde-eigenaar en de termijnen voor het instellen van rechtsmiddelen zijn verstreken. Deze rechtsbescherming wordt het best geboden door de beslissing tot verbeurdverklaring ten aanzien van de derde-eigenaar op te vatten als een verstekbeslissing, wat niet betekent dat de derde-eigenaar op het vlak van schuld of ‘goede trouw (art. 43quater, §4 Sw.) als een ‘veroordeelde bij verstek’ wordt beschouwd. De reden is dat zolang de verstekbeslissing niet geldig is betekend, de termijnen voor verzet niet lopen
(21), en de verbeurdverklaring niet uitvoerbaar is.
  1. De kern van het probleem is dat de wet niet uitdrukkelijk bepaalt over welk rechtsmiddel een persoon wiens goed is verbeurdverklaard zonder dat hij partij was in het strafproces kan beschikken om zijn rechten als derde te goeder trouw te doen gelden voor de strafrechter. Noch artikel 187 Sv. over het verzet in strafzaken, noch artikel 1122 Ger. W. over het derdenverzet reiken een pasklare oplossing aan. Het ontbreken van een concrete wettelijke basis over de rechtsmiddelen van de derde-eigenaar voor de strafrechter, betekent niet dat de derde-eigenaar vrij kan kiezen tussen het verzet en het derdenverzet, om betwisting te voeren voor de strafrechter. Mij komt voor dat dat derde-eigenaar zich niet op het derdenverzet kan beroepen, ook al was hij geen partij in de strafprocedure die uitmondde in verbeurdverklaring van zijn goed.
  2. Artikel 1122, eerste lid, Ger. W. bepaalt dat ieder die niet behoorlijk is opgeroepen of niet in dezelfde hoedanigheid in de zaak is tussen gekomen, derdenverzet kan doen tegen een, zij het voorlopige, beslissing die zijn rechten benadeelt en die gewezen is door een burgerlijk gerecht, of door een strafgerecht in zover dit over burgerlijke belangen uitspraak heeft gedaan
(22). De beslissing tot verbeurdverklaring van een goed dat ter beschikking staat van een criminele organisatie kan m.i. ook ten aanzien van de eigenaar die niet tussenkwam in het strafproces niet onder de noemer worden gebracht van een uitspraak over ‘burgerlijke belangen’, zelfs al heeft die uitspraak effect op het recht op eigendom van die persoon. Een veroordeling van een strafgerecht heeft betrekking op de burgerlijke belangen wanneer zij geen straf is
(23). Tot de burgerlijke belangen behoren wel de veroordeling tot herstel van de aangerichte schade (artt. 1382 en 1383 oud BW) en de teruggave van een goed (art. 44 Sw.)
(24). 27. In de rechtsleer overheerst de visie dat de derde-eigenaar geen derdenverzet kan aantekenen tegen de straf van de verbeurdverklaring, ongeacht of die straf burgerlijke consequenties heeft
(25). Twee uitspraken kunnen dienen als ondersteuning van dat standpunt. In een zaak van jeugdbescherming nam het Hof aan, op 25 april 2001, dat “Overwegende dat uit de enige omstandigheid dat de tenuitvoerlegging van die beslissing een burgerlijke verbintenis ten laste van een derde tot gevolg heeft, niet volgt dat deze het in artikel 1122 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde rechtsmiddel kan aanwenden”
(26). Het Grondwettelijk Hof oordeelde in zijn arrest 65/2014: “De Ministerraad voert eveneens aan dat de derde aan wie de zaken toebehoren, krachtens artikel 1122 van het Gerechtelijk Wetboek derdenverzet zou kunnen aantekenen tegen het vonnis dat de verbeurdverklaring heeft uitgesproken. Dat rechtsmiddel staat evenwel slechts open tegen beslissingen die door een burgerlijk gerecht zijn gewezen en beslissingen van een strafgerecht dat uitspraak doet over de burgerlijke belangen. De omstandigheid dat de tenuitvoerlegging van een beslissing van een strafgerecht een burgerrechtelijk gevolg heeft, volstaat niet om het in artikel 1122 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde rechtsmiddel open te stellen (Cass. 25 april 2001, AC 2001, nr. 232). Aangezien de verbeurdverklaring een bijkomende straf is, geen uitspraak over de burgerlijke belangen, kan artikel 1122 van het Gerechtelijk Wetboek niet worden toegepast in het kader van de teruggave van verbeurdverklaarde zaken aan de eigenaar”
(27). 28. Een bijkomend aspect is dat de procedure op initiatief van de derde te goeder trouw meer inhoudt dan een geschil over het burgerlijk recht van eigendom. De derde kan niet alleen argumenten aanbrengen over zijn eigendomsrecht of goede trouw, maar ook over de strafrechtelijke grondslag van de tegen de beklaagde uitgesproken verbeurdverklaring
(28). Het is dan ook verantwoord het verzet van de persoon die aanspraak maakt op een verbeurdverklaard goed en niet in de strafprocedure was betrokken te onderwerpen aan alleen de vormen en termijnen van het verzet in strafzaken (art. 187 Sv.). Deze toepassing lijkt mij voor de betrokken derde-eigenaar voldoende duidelijk en voorzienbaar om zijn rechten te doen gelden
(29), gelet op vermelde rechtspraak en rechtsleer over artikel 1122 Ger. W. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. 29. Die termijnen van verzet in strafzaken lijken mij voldoende ruim voor de uitoefening van het recht op tegenspraak van de derde die aanspraak maakt op een verbeurdverklaarde zaak, en louter op procedureel vlak met de bij verstek veroordeelde wordt gelijkgesteld. Zolang de beslissing verbeurdverklaring niet is betekend aan de derde-eigenaar, kan deze persoon de zaak aanhangig maken bij de strafrechter via verzet in de gewone termijn, bij akte van gerechtsdeurwaarder (art. 187, §1 Sv.)
(30). Zoals het bestreden arrest correct vermeldt (p. 15), begint deze termijn van 15 dagen begint alleen te lopen na een regelmatige betekening van de beslissing aan de persoon van de betrokkene
(31). 30. Lukt het de gerechtsdeurwaarder niet om de beslissing tot verbeurdverklaring te betekenen aan de persoon van de derde-eigenaar, dan kan hij, net als de veroordeelde bij verstek, verzet aantekenen binnen de buitengewone termijn, uiterlijk tot het moment waarop de opgelegde straf vervalt door verjaring, wat betreft de beslissing op strafgebied
(32). Deze termijn van 15 dagen loopt niet vanaf de betekening van het verstekvonnis aan de woonplaats of gekende verblijfplaats van de betrokkene (art. 38 Ger. W.), maar vanaf de dag na deze waarop de betrokkene kennis heeft genomen van die betekening (art. 187, §1 Sv.)
(33). Het is aan het openbaar ministerie om die kennisname te bewijzen. Bij gebrek aan duidelijkheid daarover dient de strafrechter het verzet in de buitengewone termijn ontvankelijk te verklaren. 31. Ook voor de buitengewone termijn is het vereist dat de rechterlijke beslissing bij verstek regelmatig is betekend aan de betrokkene
(34). Hierbij valt op te merken dat om aan de derde-eigenaar een maximale rechtsbescherming toe te kennen, hij best wordt gelijkgesteld met de bij verstek veroordeelde persoon en niet met een burgerlijke partij of burgerlijk aansprakelijke partij die bij verstek is berecht. Alleen de bij verstek veroordeelde beklaagde beschikt immers over de buitengewone termijn (art. 187, §1 Sv.). Anders dan het onderdeel aanvoert, betekent deze gelijkstelling tussen de derde-eigenaar en de veroordeelde op louter procedureel vlak niet dat de derde-eigenaar op enigerlei wijze als schuldige of derde ‘te kwader trouw’ wordt aangeduid, zonder zijn recht op verdediging te kunnen uitoefenen. 32. Het standpunt van het hof van beroep om het verzet van eiseres II tegen de verbeurdverklaring van haar goederen in een strafprocedure waar zij geen (tussenkomende) partij was te beoordelen overeenkomstig het verzet in strafzaken (art. 187 Sv.) en niet het derdenverzet (art. 1122 Ger. W.) lijkt mij verenigbaar met rechtspraak van het Europees Hof te Straatsburg over het recht op toegang tot een onpartijdige rechter (art. 6.1 EVRM). Volgens het EHRM kan het recht op toegang onderworpen zijn aan termijnen en vormvereisten, waarbij de nationale overheden over een beoordelingsruimte beschikken om een goede rechtsbedeling te verzekeren, voor zover deze beperkingen een wettig doel nastreven en er een redelijke verhouding van evenredigheid bestaat tussen de gebruikte middelen en het beoogde doel. De wettelijke termijnen en vormvereisten van rechtsmiddelen mogen niet zodanig strikt zijn dat ze het recht op toegang tot de rechter in zijn kern aantasten
(35). Het legitiem doel van artikel 43quater, §4 Sw. is de strijd tegen georganiseerde criminaliteit, waarbij goederen die aan een criminele organisatie ter beschikking staan aan die organisatie worden onttrokken, zonder te raken aan de rechten van derden te goeder trouw. 33. Het is daarbij van belang rekening te houden met 1° de proceshouding zelf van de persoon die rechtsmiddelen aanwendt (is er sprake van nalatigheid of vrijwillige afstand van het recht op een proces op tegenspraak?), 2° de voorzienbaarheid van de termijnen en vormvereisten van het rechtsmiddel en 3° de bijstand die de eiser heeft bij het instellen van het rechtsmiddel
(36). Het Europees Hof te Straatsburg verwacht eveneens dat een partij die te maken heeft met een voor haar nadelige uitspraak bij verstek tijdig de nodige informatie krijgt, in een taal die hij verstaat, over de termijnen en vormvereisten van het verzet
(37)(zie verder, 2.4). Waar het op aankomt, zoals advocaat Mr. Hugo VANDENBERGHE het mooi samenvat, is dat lidstaten zich ervan moeten onthouden hindernissen op te werpen die de toegang tot de rechter onnodig bezwaren (negatieve verplichting), en passende maatregelen moeten nemen om deze toegang effectief te verzekeren (positieve verplichting)
(38).
  1. Ik ben van oordeel dat de termijnen van verzet (gewone termijn en buitengewone termijn) voor de eiseres II als derde-eigenaar geen te zware hindernis vormen om de gegrondheid van de verbeurdverklaring voor de strafrechter te betwisten, ook al ontving zij geen oproeping om in de (voorafgaande) strafprocedure tussen te komen, zodat er is voldaan aan de voorwaarden die voortvloeien uit artikel 6.1 EVRM. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  2. Een bijkomend element is dat de derde te goeder trouw die als eigenaar schade ondervindt van de verbeurdverklaring van zijn goed, zijn rechten voor de burgerlijke rechter kan doen gelden
(39). Ieder derde die beweert recht te hebben op één van de zaken waarvan de verbeurdverklaring is uitgesproken, kan zijn aanspraak brengen voor de bevoegde (burgerlijke) rechter
(40), binnen bepaalde termijnen, om de tenuitvoerlegging van de verbeurdverklaring te verhinderen (art. 3 KB van 9 augustus 1991 tot vaststelling van de termijn waarbinnen en de wijze waarop een rechtsmiddel kan worden aangewend op een verbeurdverklaarde zaak, BS 17 oktober 1991)
(41). 36. Strikt genomen is de procedure van het KB van 9 augustus 1991 beperkt tot zaken waarin overeenkomstig artikel 43bis Strafwetboek tot verbeurdverklaring is beslist van een derde, die niet in de strafprocedure tussenkwam. Raadsheer Erwin FRANCIS merkt op dat alle derden wiens goederen verbeurdverklaard werden zich op de burgerlijke procedure kunnen beroepen, om aan het gelijkheidsbeginsel te voldoen
(42). Het is daarbij van belang dat de griffier kort na het in kracht van gewijsde treden de derde die eigenaar is van het verbeurdverklaarde goed verwittigt. Gedurende de termijn van 90 dagen van de burgerlijke procedure is de tenuitvoerlegging van de verbeurdverklaring van rechtswege geschorst en dit totdat de beslissing van de burgerlijke rechter over de rechten op de verbeurdverklaarde goederen zelf in kracht van gewijsde treedt
(43). 37. Het bestreden arrest steunt de beslissing om de vormvereisten van artikel 187 Sv. toe te passen op het verzet van eiseres II op volgende redenen (blz. 10-15): - Door de verbeurdverklaring uit te spreken werden eiseressen van rechtswege partij in de procedure en kunnen zij elk een rechtsmiddel aanwenden dat een gewone procespartij kan aanwenden, zoals het verzet overeenkomstig artikelen 187 en 208 Sv. - Het is duidelijk dat de eigenaar van een goed dat verbeurd werd verklaard in een procedure waarin hij niet aanwezig was, begrepen is in de categorie ‘bij verstek veroordeelde’ in de zin van artikel 187, §1 Sv. De derde-eigenaar werd weliswaar niet zelf tot een straf veroordeeld, maar de verbeurdverklaring lastens een andere persoon uitgesproken, heeft voor deze eigenaar wel belangrijke gevolgen. - De derde-eigenaar is geen burgerlijke partij en bevindt zich ook niet in een gelijkaardige situatie als de burgerlijk aansprakelijke partij, die beiden vernoemd zijn in artikel 187 Sv. - De situatie van de derde-eigenaar is niet dezelfde als deze van een tot een straf veroordeelde, maar sluit daar wel het meest bij aan. Dat deze derde-eigenaar beschouwd wordt als een ‘veroordeelde’ wat de rechtsmiddelen betreft, wordt ten overvloede bevestigd door het feit dat de gerechtsdeurwaarder bij de betekening verwijst naar de ‘kennisgeving betreffende de rechten van de persoon die in België bij verstek veroordeeld werd’. - de bepaling van artikel 187 Sv. is voldoende voorzienbaar. Het gegeven dat het rechtsmiddel van verzet ook geldt voor de derde-eigenaar, werd overigens reeds meermaals bevestigd in de rechtspraak van het Hof van Cassatie. - het feit dat artikel 187 Sv. een termijn voorziet waarbinnen de beslissing bij verstek via het aantekenen van verzet kan worden aangevochten, is op zich niet van aard om het recht op toegang tot de rechter aan eiseressen te ontzeggen of een inbreuk te vormen op hun recht op eigendom. Er zijn niet alleen de belangen van de derde-eigenaar, maar ook de belangen van de maatschappij en de nood aan rechtszekerheid, alsook de belangen van de eventuele koper van de verbeurd verklaarde goederen. Dat een-ten aanzien van de beklaagde-definitieve verbeurdverklaring tot in het oneindige kan worden aangevochten door de derde-eigenaar die kennis had van de verbeurdverklaring, zou deze belangen onevenredig aantasten. - In geval van overmacht, zijnde een omstandigheid buiten de wil van de derde-eigenaar, die door hem niet kan worden voorzien en vermeden, kan het verzet dat buiten de wettelijke termijn wordt aangetekend, toch ontvankelijk verklaard worden. In casu is er echter geen sprake van overmacht, hetgeen ook niet door eiseressen wordt voorgehouden. - Door de derde-eigenaars (eiseressen) in de concrete omstandigheden dezelfde rechtsmiddelen te geven als de (strafrechtelijk) veroordeelde, naast de andere mogelijkheden die zij hebben, worden hun recht op toegang tot de rechter en hun recht op bescherming van de eigendom ten volle gewaarborgd. Volgende mogelijkheden stonden hen ter beschikking: 1°het vragen van een vrijgave van de in beslag genomen goederen tijdens het onderzoek en tijdens de procedure ten gronde: 2°tussenkomst bij de behandeling van de zaak ten gronde voor de eerste rechter en het hof van beroep om hun rechten te laten gelden (zij waren op de hoogte van de zittingsdagen waarop R.M. werd opgeroepen), 3°het aantekenen van verzet tegen het arrest van het hof van beroep van 24 april 2019 dat de verbeurdverklaring uitsprak en waarvan zij op de hoogte waren via de betekeningsakte en via kennisgeving aan hun advocaat en 4°hun rechten doen gelden voor de burgerlijke rechter op grond van het KB van 9 augustus 1991 dat ook van toepassing is op de verbeurdverklaring op grond van artikel 43quater Sw., ongeacht de bewoordingen van artikel 1 van dat KB, gezien zij daarvan op de hoogte werden gebracht door de griffier. - Eiseressen verkozen niet tussen te komen in de procedure ten gronde lastens R.M. en hebben pas verzet aangetekend tegen de verbeurdverklaring nadat het arrest van veroordeling (van 24 april 2019) in kracht van gewijsde ging ten aanzien van R.M.
(44). - Eiseressen wisten reeds tijdens het strafonderzoek tegen R.M. dat hun goederen mogelijks in aanmerking kwamen voor verbeurdverklaring (oa.de kantmelding op het hypotheekkantoor van de vordering tot verbeurdverklaring van de onroerende goederen, hun nauwe (familiale) betrokkenheid met beklaagden R.M. en A.M., de bijstand van eiseressen door advocaten voorafgaand aan het arrest van verbeurdverklaring en voorafgaand aan de betekening ervan, een verzoekschrift van advocaat Mr. W. tot opheffing van het beslag op de rekening van eiseres I, waarbij een advocaat loco Mr. W. hoger beroep instelde tegen de afwijzende beschikking van de onderzoeksrechter, een brief van de advocaat van eiseres II in 2006 (Mr. C) gericht aan de onderzoeksrechter, met de vraag tot teruggave van o.a. rekeninguittreksels. - Eiseressen kunnen in het kader van huidige procedure op verzet, voor zover ontvankelijk, ten volle verweer voeren tegen de verbeurdverklaring, ook wat de verbeurdverklaring zelf betreft, zodat het recht van verdediging, het recht op toegang tot de rechter en het recht op bescherming van de eigendom ten volle wordt gewaarborgd. - Eiseressen hebben effectief toegang tot de rechter, gezien de mogelijkheden die zij hadden om reeds eerder standpunt in te nemen over het lot van hun goederen, gelet op hun kennis van de procedure tegen R.M., tijdens dewelke zij bijstand hadden van een advocaat. Het feit dat zij niet of laattijdig gebruik hebben gemaakt van de diverse mogelijkheden van toegang tot de rechter, zonder dat dit te wijten is aan overmacht, houdt niet in dat hun recht op toegang tot de rechter, hun recht van verdediging of eigendomsrecht is geschonden.
  1. Met deze redenen is het bestreden arrest over het laattijdig verzet van eiseres II m.i. naar recht verantwoord. Als de derde-eigenaar van een verbeurd verklaard goed er niet voor kiest de burgerlijke procedure aan te wenden, voorzien bij het K.B. van 9 augustus 1991, hoewel hij daarvan tijdig is ingelicht door de griffie, en verzet aantekent zoals een partij die wel in de strafprocedure was betrokken (art. 187 Sv.), dan ligt het voor de hand dat het rechtsmiddel verloopt volgens de regels in strafzaken, inclusief de buitengewone termijn van verzet die normaal alleen toekomt aan een veroordeelde, voor zover de beslissing tot verbeurdverklaring bij akte van gerechtsdeurwaarder aan de derde-eigenaar is betekend, temeer daar het derdenverzet voor de strafrechter niet van toepassing is op de verbeurdverklaring. Het bestreden arrest geeft voldoende aan dat de vormvereisten voor het verzet in strafzaken voor de derde-eigenaar voorzienbaar zijn, niet getuigen van excessief formalisme en aldus verenigbaar zijn met artikel 6.1 EVRM. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. 2.
  2. Informatieplicht van het openbaar ministerie
  3. In het eerste middel, eerste onderdeel, werpt eiseres II op dat het arrest (van 24 april 2019) tegen haar een verbeurdverklaring uitsprak zonder dat zij als partij was opgeroepen, haar recht van verdediging kon uitoefenen (p. 19). Haar naam komt in die strafzaak pas voor bij de straftoemeting (p. 3). Het openbaar ministerie voldeed niet aan de plicht van artikel 5 V.T. Sv. om personen in kennis te stellen van de rechtszitting die geen procespartij zijn doch het risico lopen van een verbeurdverklaring van goederen die hen toebehoren.
  4. Beoordeling. Artikel 5ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepaalt: "Elke belanghebbende derde die volgens de door de rechtspleging verschafte aanwijzingen krachtens zijn rechtmatig bezit rechten kan doen gelden op de vermogensvoordelen bedoeld in de artikelen 42, 3°, 43bis en 43quater van het Strafwetboek of die rechten kan doen gelden op de zaken bedoeld in artikel 42, 1, of op de zaken bedoeld in artikel 505 van het Strafwetboek, wordt op de hoogte gebracht van de rechtsdag voor het gerecht dat zal vonnissen over de grond van de zaak."
  5. Deze bepaling houdt voor het openbaar ministerie de ambtsverplichting in om personen die geen procespartij zijn in de betrokken zaak of aanleg, maar die volgens de gegevens van het strafdossier het risico lopen om de eventueel lastens een procespartij te bevelen verbeurdverklaring te moeten ondergaan, omdat die verbeurdverklaring slaat op goederen waarop zij een rechtmatig bezit hebben, op de hoogte te brengen van de rechtszitting waarop de zaak wordt behandeld om daar hun recht van verdediging te kunnen uitoefenen
(45). De kennisgeving op basis van artikel 5ter V.T.Sv. biedt de derde-eigenaar de mogelijkheid om tussen te komen in de strafprocedure, maar houdt niet in dat vanaf deze kennisgeving de derde partij is in die procedure
(46). 42. De verbeurdverklaring van een goed dat toebehoort aan een derde, al dan niet te goeder trouw, is regelmatig als deze derde niet in de strafprocedure is opgeroepen. Artikel 5ter V.T.Sv. is niet op straffe van nietigheid voorgeschreven en belet de strafrechter niet om een goed gebruikt door een criminele organisatie verbeurd te verklaren dat geen eigendom is van de veroordeelde
(47). De strafrechter kan ook geen bevel geven aan het openbaar ministerie om de derde-eigenaar op te roepen tijdens de strafprocedure ten gronde. Het Hof oordeelde: “Het feit dat het openbaar ministerie die bepaling niet naleeft, heeft voor de rechter evenwel niet tot gevolg dat hij in de voor hem aanhangige zaak geen uitspraak mag doen tegenover de procespartijen, noch dat zijn beslissing nietig is ingevolge schending van enige verdragsrechtelijke of wettelijke bepaling, dan wel miskenning van enig algemeen rechtsbeginsel”
(48). 43. Over de rechtsbescherming van de derde-eigenaar in geval van verbeurdverklaring van zijn goed oordeelde het Hof: “Om zijn aanspraken te doen gelden op goederen die in aanmerking komen voor verbeurdverklaring en de rechtmatigheid van zijn bezit op die goederen aan te tonen, kan een derde tussenkomen in elke stand van de procedure en kan hij, ongeacht of hij reeds procespartij is, rechtsmiddelen aanwenden tegen de beslissing die een goed verbeurdverklaart waarop hij aanspraken doet gelden”
(49). 44. Voor de eerste vorm van tegenspraak, de vrijwillige tussenkomst in de strafzaak, moet de derde die het risico loopt van verlies van een goed door een verbeurdverklaring uitgesproken tegen een beklaagde niet wachten op een oproeping van het openbaar ministerie. Hij kan op elk moment in de strafprocedure tussenkomen
(50). De enige voorwaarde is dat het te vrijwaren recht van de derde, zoals in deze zaak, rechtstreeks moet voortvloeien uit de uitspraak van de strafrechter, en voor de derde verder gaat dan een vermeend persoonlijk belang bij de al dan niet toepassing van de strafwet
(51). De belangrijkste waarborg is het recht op toegang tot de rechter van de derde-eigenaar. Hij moet, binnen redelijke beperkingen, een rechtsmiddel kunnen aanwenden tegen de beslissing tot verbeurdverklaring, als straf opgelegd aan de beklaagde. 45. Uit de ingeroepen artikelen 6 EVRM en 47 Handvest Europese Unie volgt niet dat aan de persoon die aanspraak maakt op een verbeurdverklaard goed een rechtsmiddel moet worden toegekend zonder enige termijn of andere vormvereisten. Aan het rechtsmiddel mag de wetgever beperkingen opleggen, voor zover deze duidelijk en voorzienbaar zijn, een wettig doel nastreven en het recht op toegang tot de rechter niet in zijn kern aantasten. De vormvereisten voor een rechtsmiddel mogen aldus niet getuigen van excessief formalisme
(52). 46. Bij de verbeurdverklaring van goederen toebehorend aan een criminele organisatie is het belang van de persoon die aanspraak was op een goed, en niet in het strafproces was betrokken, niet het enige belang waarmee de rechter moet rekening houden. Het bestreden arrest wijst terecht naar het in aanmerking nemen van de belangen van de maatschappij en de nood aan rechtszekerheid, als legitieme doelstelling voor beperkingen aan het rechtsmiddel voor de derde-eigenaar. Wanneer de persoon die aanspraak maakt op een verbeurdverklaard goed niet op de hoogte was van de strafprocedure of de uitspraak, staat er een rechtsmiddel ter beschikking waarbij de termijn voor het instellen ervan (15 dagen) loopt vanaf de dag na de kennisname van de officiële kennisgeving van de beslissing, namelijk het verzet in de buitengewone termijn, voor zover de betekening niet aan de persoon van de betrokkene gebeurde. Die termijn kan met overmacht worden verlengd (art. 187, §5 Sv.)
(53). Bij een persoonlijke betekening loopt de termijn van 15 dagen vanaf de dag na de betekening, behoudens overmacht (art. 187, §5 Sv.). Deze termijnen zijn m.i. verenigbaar met het recht op toegang tot de rechter van de derde-eigenaar. In zoverre faalt het onderdeel naar recht.
  1. Het bestreden arrest stelt over artikel 5ter V.T.Sv. dat als het openbaar ministerie deze bepaling niet naleefde, door een belanghebbende derde die het risico loopt een verbeurdverklaring te ondergaan op zijn goederen niet op te roepen, de strafrechter niet verhindert de verbeurdverklaring uit te spreken tegenover de beklaagde (Vgl. Cass. 20 juni 2017, AR P.15.0817.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170620.2). De belanghebbende derde die niet werd opgeroepen of die wel werd opgeroepen maar niet verscheen om zijn aanspraken te doen gelden, heeft nadien nog steeds diverse mogelijkheden om zijn rechten te doen gelden. Volgens het bestreden arrest waren eiseressen bovendien op de hoogte van de strafprocedure die tegen R.M. werd gevoerd, nog voor het in beraad nemen van de zaak (p. 16), zodat zij de mogelijkheid hadden om vrijwillig tussen te komen in die procedure. Eiseressen konden aan de hand van die informatie er ook mee rekening houden dat als de verbeurdverklaring tegen R.M. wordt uitgesproken, zij binnen de toepasselijke termijn van verzet de verbeurdverklaring kunnen betwisten. De aangehaalde redenen (p. 16) lijken mij toereikend en naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. 2.
  2. Informatie over het rechtsmiddel verzet
  3. In het eerste middel, tweede onderdeel, stelt eiseres II dat er bij de betekening van de beslissing tot verbeurdverklaring van een goed dat haar toebehoort geen concrete informatie is meegedeeld over de vormen en termijnen om verzet in te stellen bij de strafrechter. Aangezien zij geen beklaagde of veroordeelde persoon was in de strafprocedure die leidde tot de verbeurdverklaring, mocht zij ervan uitgaan dat zij beschikte over de termijn van drie maanden om derdenverzet in te stellen tegen de verbeurdverklaring, overeenkomstig artikel 1129 Ger. W. Op de overheid rust de plicht om bij de betekening van een arrest over de verbeurdverklaring aan de persoon die een recht op de verbeurdverklaarde zaak kan doen gelden mee te delen welk rechtsmiddel, aangepast aan de concrete rechtssituatie van die persoon, precies van toepassing is (p. 25-26). Het rechtsmiddel van verzet (art. 187 Sv.) was voor eiseres II geen voorzienbare rechtsbepaling, gezien zij niet tot enige straf is veroordeeld (p. 26). De bij verstek veroordeelde beklaagde en een derde wiens goed wordt verbeurd verklaard bevinden zich in specifieke onderscheiden rechtssituaties, waaraan een specifieke onderscheiden procedurele bescherming moet worden geboden. In de akte van betekening van het arrest van verbeurdverklaring is alleen verwezen naar de ‘kennisgeving betreffende de rechten van de persoon die in België bij verstek werd veroordeeld’, zoals geregeld door een omzendbrief van het College van Procureurs-generaal. Deze informatie over de rechten is niet toegesneden op de rechtspositie van eiseres II, die geen veroordeelde persoon is (p. 28). Het is verder discriminerend en disproportioneel aan een derde die niet betrokken was in de strafprocedure een termijn van verzet van 15 dagen toe te kennen, terwijl een derde die een beslissing van de strafrechter over burgerlijke belangen wil aanvechten beschikt over een termijn van drie maanden, gelet op artikel 1129 Ger. W., temeer daar in beide gevallen rechtstreeks aan het vermogen van de derde wordt geraakt (p. 29). Daarbij komt dat het bestreden arrest de motiveringsplicht schendt, omdat niet is geantwoord op eiseres’ verweer over de juridische aard van de verbeurdverklaring, in relatie met het recht op eigendom (p. 30). De termijn van 15 dagen om verzet in te stellen is bovendien te kort omdat het openbaar ministerie naliet eiseres op te roepen in de strafprocedure die leidde tot verbeurdverklaring, in strijd met artikel 5ter V.T.Sv., en zij aldus zelf een procedure moest voeren om haar onschuld te bewijzen, in een omvangrijk strafdossier (p. 31). Tenslotte is het bestreden arrest onvoldoende gemotiveerd wat betreft haar verweer over een concrete beschuldigingsakte, gelet op artikel 6.3.a EVRM (p. 31).
  4. Beoordeling. In zoverre het tweede onderdeel betrekking heeft op de toepasselijkheid van artikel 187 Sv. op het rechtsmiddel dat eiseres aanwendde, op het verschil in termijnen tussen het verzet (15 dagen) en het derdenverzet (3 maanden), op het verzuim eiseres op te roepen voor tussenkomst in de voorafgaande strafprocedure en de rechten die voortvloeien uit artikel 6.3.a EVRM, heeft het onderdeel dezelfde strekking als de argumenten aangebracht in het eerste onderdeel. In zoverre kan het tweede onderdeel worden verworpen om dezelfde redenen.
  5. Wanneer uit wetsbepalingen over het verzet en het derdenverzet niet duidelijk blijkt welk rechtsmiddel van toepassing is op de persoon die aanspraak maakt op een verbeurdverklaard goed, en niet in de strafprocedure was betrokken, is het aan de rechter om uit te maken welk rechtsmiddel ven toepassing is, met controle op de wettigheid van de motieven door het Hof. De rechter dient daarbij wel rekening te houden met de duidelijkheid en de voorspelbaarheid van de door hem gekozen procesbepaling, om het recht op toegang tot de rechter van de derde te goeder trouw niet te schaden
(54). 51. Wanneer een derde-eigenaar voor de strafrechter wil opkomen tegen de verbeurdverklaring van zijn goed, en niet kiest voor de procedure ingevolge artikel 3 KB van 9 augustus 1991 (BS 17 oktober 1991), dient de rechter m.i. de procesregels in strafzaken toe te passen, aangezien de verbeurdverklaring geen uitspraak is over de burgerlijke belangen, temeer daar zij door die straf opgelegd aan de beklaagde de hoedanigheid van partij verwerft
(55)(zie hoger, 2.2). Vanuit deze invalshoek past het dat de persoon die de verbeurdverklaring voor de strafrechter wil betwisten de rechtsmiddelen aanwendt die aan de gewone procespartijen ter beschikking staan, zoals het verzet in strafzaken (art. 187 Sv.). In zoverre faalt het onderdeel naar recht.
  1. De betekening is op te vatten als een rechtshandeling die ertoe strekt de termijn te laten lopen voor het aanwenden van een rechtsmiddel, wanneer de betrokkene niet op tegenspraak is berecht. Deze termijn, namelijk 15 dagen na de dag van kennisname van de betekening van de akte aan de woonplaats (buitengewone termijn van verzet), werd aan de hand van het modelformulier aan eiseres 2 meegedeeld, op een moment dat zij bijstand had van een advocaat (Mr. F). Het had m.i. eiseres II bekend moeten zijn dat het instellen van verzet bij de strafrechter aan termijnen is verbonden, omdat er binnen een redelijke termijn klaarheid moet ontstaan over het lot van een verbeurdverklaard goed dat ter beschikking staat van een criminele organisatie.
  2. De betekening van de rechterlijke beslissing bij verstek doet alleen de termijn van verzet lopen als ze regelmatig is. Eén van de voorwaarden is dat de akte van betekening informatie bevat over de termijn en de vormvereisten van het verzet, in een taal die de betrokkene begrijpt, om het recht op toegang tot de rechter te verzekeren
(56). De vereiste informatie is thans opgenomen in een standaardformulier dat aan de akte van betekening van de verstekbeslissing wordt gehecht (Coll. 5/2008)
(57). Aan dit recht op informatie over de termijnen en vormvereisten voor het verzet is voldaan, zodat toepassing van de regels over het verzet voor haar voorspelbaar is. 54. Een extra waarborg is dat de termijnen voor verzet in strafzaken (gewone en buitengewone) verlengbaar zijn als de eiser op verzet zich op overmacht kan beroepen
(58)(art. 187, §5, 1° Sv.), zoals het bestreden arrest correct aangeeft (p. 11). Over die overmacht oordeelt de strafrechter soeverein, met controle op de wettigheid van de motieven door het Hof. Al deze elementen laten m.i. toe aan te nemen dat de bestreden beslissing om het verzet van eiseres II te beoordelen volgens de regels van het verzet (art. 187 Sv.), en niet het derdenverzet (art. 1122 Ger. W.), verenigbaar is met de ingeroepen wetsbepalingen, inzonderheid de artikelen 6 EVRM en 47 EU-Handvest Grondrechten. In zoverre faalt het onderdeel naar recht.
  1. Over de informatie over de termijnen en vormvereisten van het verzet nam het bestreden arrest aan dat (p. 16-22): - In de akte van betekening, niet van valsheid beticht, werd vermeld ‘kopijen betekend overeenkomstig de wettelijke bepalingen, vergezeld van de kennisgeving betreffende de rechten van de persoon die in België bij verstek werd veroordeeld”. Ook uit latere correspondentie tussen het openbaar ministerie en de gerechtsdeurwaarder blijkt dat de kennisgeving van rechten van de bij verstek veroordeelde persoon was meegedeeld. - De wijze waarop het verzet dient de gebeuren en de termijn van verzet werden duidelijk meegedeeld bij de betekening van de akte van betekening van de rechterlijke beslissing, in een taal die eiseres II spreekt, zodat zij op de hoogte was van de wijze waarom zij de beslissing tot verbeurdverklaring via die weg kon aanvechten. - Eiseressen waren niet compleet verrast door het nieuws van de verbeurdverklaring, gezien de verbeurdverklaarde gelden reeds tijdens het onderzoek in beslag waren genomen en de echtgenoot van eiseres II in deze procedure in verdenking was gesteld en als beklaagde was gedagvaard. - Eiseressen werden bijgestaan door een advocaat (Mr. F.), die per brief van 5 juni 2020 van het openbaar ministerie kennis kreeg van het arrest van verbeurdverklaring van 24 april 2019 en van de verwerping van het cassatiearrest dat R.M. daartegen had ingesteld. In deze brief van O.M. werd meegedeeld dat het arrest van 24 april 2019 aan eiseressen zou worden betekend en dat de griffier een bericht zou verzenden overeenkomstig het KB van 9 augustus
  2. Op die brief kwam van Mr. F. een antwoord, met vraag tot kopie van het dossier.
  3. Met deze redenen mocht het hof van beroep aannemen dat eiseressen voldoende en tijdig waren geïnformeerd over hun recht om verzet aan te tekenen tegen het arrest van verbeurdverklaring, volgens de termijn en voorwaarden bepaald in artikel 187 Sv. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  4. Het bestreden arrest steunt de beslissing om het verzet van eiseres II niet-ontvankelijk te verklaren wegens laattijdigheid op volgende redenen (p. 19-22): - Eiseres II had al in de loop van de maand juni 2020 kennis van de betekening van het arrest van verbeurdverklaring, gelet op vermelde brief van 5 juni 2020 van het openbaar ministerie aan haar advocaat Mr. F., met de aankondiging dat het arrest aan eiseres II zal worden betekend. Bij brief van 11 juni 2020 dankte Mr. F. het openbaar ministerie voor dit bericht en vroeg hij een toelating tot kopijname van het strafdossier. Op 19 juni 2020 verleende het openbaar ministerie hem toelating tot het bekomen van een digitale kopie van het omvangrijke dossier (130 kartons). - De griffie bracht in opdracht van het openbaar ministerie eiseres II bij aangetekend schrijven van 24 juni 2020 in toepassing van het KB van 9 augustus 1991 op de hoogte van de verbeurdverklaringen, per aangetekende zending, op het adres waar eiseres II toen verbleef en nog steeds verblijft. - Het arrest van verbeurdverklaring werd bij exploot van deurwaarder op 10 juni 2020 betekend aan de woonplaats van eiseres II, door achterlating van een afschrift van het exploot overeenkomstig artikel 38, §1 Ger. W. - Op 11 juni 2020 werd overeenkomstig artikel 38 §1, derde lid, Ger. W. door de gerechtsdeurwaarder nog een aangetekende brief gericht aan de woonplaats van eiseres II, met de vermelding dat hij zich op 10 juni 2020 op haar adres had aangeboden en eiseres II een afschrift van het exploot van betekening kan bekomen. Deze aangetekende brief kwam niet onbesteld terug. - Eiseres II houdt niet voor dat zij in juni 2020 elders verbleef of op vakantie was. Het feit dat eiseres II gedurende diverse weken haar post niet uit de brievenbus zou hebben gehaald, en het achtergelaten afschrift van het exploot pas op 6 augustus 2020 zou hebben gezien (dit is vijftien dagen voor het aantekenen van het verzet), is ongeloofwaardig en wordt niet door haar voorgehouden.
  5. Met deze redenen mocht het hof van beroep aannemen dat het verzet van eiseres ingesteld bij akte van 21 augustus 2020 laattijdig is overeenkomstig artikel 187, §1 Sv., omdat het is ingesteld na het verstrijken van de buitengewone termijn, zonder dat verlenging mogelijk is wegens overmacht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. 2.
  6. Prejudiciële vraag aan het GwH over de termijn van verzet en derdenverzet
  7. Eiseres meent in haar eerste middel dat er geen redelijke verantwoording bestaat voor het onderscheid tussen de termijn van verzet van 15 dagen (art. 187, §1 Sv.) en de termijn van derdenverzet van drie maanden (art. 1129 Ger. W.) in geval van verbeurdverklaring van een goed dat geen eigendom is van de veroordeelde in de strafzaak, aangezien de gevolgaansprakelijkheid dezelfde burgerlijke belangen betreft (p. 22-23).
  8. In een tweede middel stelt eiseres dat de toepassing van artikel 187 Sv. op het verzet dat zij aantekende tegen een beslissing van tenuitvoerlegging op haar geldsommen een schending inhoudt van het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod (art. 10 en 11 Grondwet), omdat 1°zij niet van rechtswege kan worden gelijkgesteld met een veroordeelde die bij verstek is veroordeeld, maar de kans had om aan het strafproces deel te nemen en 2°het derdenverzet als rechtsmiddel meer faciliteiten biedt om haar rechten te vrijwaren.
  9. Eiseres II verzoekt het Hof volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: “Schendt art. 187 W. Sv. de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, art. 6 EVRM, het strikte legaliteitsbeginsel (art. 7, 12 en 14 Grondwet), art. 1 EP bij het EVRM en art. 16 G.W. doordat een eigenaar, alhoewel niet gedaagd in het strafproces, tot een straf van confiscatie van een deel van zijn vermogen door een arrest wordt veroordeeld, bij toepassing van art. 43quater §6 Strafwetboek, en na verzet, wordt geoordeeld dat het rechtsmiddel voor dergelijk verzet in art. 187 W. Sv. te lezen is, met een normale verzettermijn van 15 dagen, terwijl bij een rechterlijk oordeel in strafzaken dat de burgerlijke belangen van een derde-eigenaar treft het derdenverzet (Ger. W. art. 1122-1131), als algemene regel, van toepassing is, met een verzettermijn van 3 maanden na betekening en dit terwijl de inmenging in het eigendomsrecht in beide gevallen vergelijkbaar is en in beide gevallen de eigenaar niet als een veroordeelde kan worden aanzien aan wie een straf kan worden opgelegd, daar hij niet is gedaagd”.
  10. Beoordeling. De voorgestelde prejudiciële vraag steunt m.i. op de onterechte premisse dat de straf van verbeurdverklaring voor de eigenaar van het verbeurdverklaarde goed een uitspraak is die louter burgerlijke belangen regelt. Zoals hoger aangegeven, heeft het Grondwettelijk Hof reeds geoordeeld (arrest 65/2014) dat het derdenverzet (art. 1122 Ger. W.) voor de strafrechter alleen toelaatbaar is tegen een uitspraak over de burgerlijke belangen en dat de omstandigheid dat de tenuitvoerlegging van een beslissing van een strafgerecht een burgerrechtelijk gevolg heeft, niet volstaat om het derdenverzet toe te kennen
(59). Het Grondwettelijk Hof stelde uitdrukkelijk: “Aangezien de verbeurdverklaring een bijkomende straf is, geen uitspraak over de burgerlijke belangen, kan artikel 1122 van het Gerechtelijk Wetboek niet worden toegepast in het kader van de teruggave van verbeurdverklaarde zaken aan de eigenaar”
(60). Artikel 26, §2, 2° Bijzondere Wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof bepaalt dat een prejudiciële vraag niet moet worden gesteld als het Grondwettelijk Hof reeds uitspraak heeft gedaan op een vraag of een beroep met een identiek onderwerp. Ik meen dat deze bepaling kan worden toegepast om de voorgestelde prejudiciële vraag niet te stellen.
  1. Middelen van eiseres I NV ANKAMARA 3.
  2. Verbeurdverklaring van een goed toebehorend aan een derde
  3. In het eerste middel stelt eiseres I dat de verbeurdverklaring ten laste van een persoon die geen partij was in de strafprocedure in strijd is met het legaliteitsbeginsel artikel 7 EVRM. Het arrest oordeelt ten onrechte dat er tegen eiseres I geen strafvervolging was ingesteld en zij niet tot een straf is veroordeeld, aangezien eiseres I op vordering van het openbaar ministerie wel is veroordeeld tot de straf van verbeurdverklaring van artikel 43quater, §4 Strafwetboek, zonder dat zij formeel voor strafbare feiten werden vervolgd of conform artikel 5ter V.T.Sv. was opgeroepen in de procedure. Eiseres I had nooit bij verstek kunnen worden veroordeeld tot de verbeurdverklaring van haar goederen (p. 8). Gezien zij zich in de strafprocedure niet kon verdedigen, is de tegen haar uitgesproken verbeurdverklaring onwettig (p. 9-10). Ook het oordeel dat de situatie van eiseres als eigenaar-derde het meest aansluit bij deze van een bij verstek veroordeelde beklaagde, is in strijd met het recht van verdediging en het legaliteitsbeginsel (p. 10-11). Eiseres had bovendien niet dezelfde mogelijkheden als het openbaar ministerie om haar standpunt te verdedigen in de procedure die leidde tot verbeurdverklaring (p. 11).
  4. De conclusie van het eerste middel is dat door het verzet van eiseres I tegen de verbeurdverklaring af te wijzen als ontvankelijk doch ongegrond, hoewel zij geen partij was in de strafzaak, het beginsel van voorrang van het internationaal recht in de Belgische rechtsorde is miskend, en het bestreden arrest in strijd is met artikelen 6 en 7 EVRM, artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, artikelen 17 en 47 Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, artikelen 10, 11, 12.2, 14, 16, 149, 159 Grondwet, artikelen 43quater, §4 Sw. en met het algemeen rechtsbeginsel van de rechten van verdediging.
  5. Beoordeling. Het middel sluit aan bij het eerste middel van eiseres II en kan om dezelfde redenen worden verworpen. Zoals hoger is aangegeven (2.1), is de strafrechter volgens artikel 43quater, §4 Sw. verplicht goederen die ter beschikking staan van een criminele organisatie verbeurd te verklaren, ook al zijn ze geen eigendom van de veroordeelde, onder voorbehoud van de rechten van een derde te goeder trouw. Het gaat immers om een vorm van objectconfiscatie
(61). De derde-eigenaar moet wel via een tijdig ingestelde verzetsprocedure elk verweer kunnen voeren over zijn eigendomsrecht over de verbeurdverklaarde zaak en over de wettigheid, de strafrechtelijke grondslagen van de verbeurdverklaring die aan de beklaagde is opgelegd. Bij een ontvankelijk rechtsmiddel van de derde-eigenaar tegen de verbeurdverklaring dient de vonnisrechter de aanspraken van die derde in feite en in rechte te onderzoeken, waarbij het Hof de wettigheid van de verbeurdverklaring nagaat
(62). In zoverre faalt het middel naar recht.
  1. Anders dan eiseres I aanvoert, is de verbeurdverklaring die tegen een beklaagde is uitgesproken wegens deelname aan een criminele organisatie, met als voorwerp een goed dat haar toebehoorde, hoewel zij niet bij die strafprocedure was betrokken, voor haar niet te beschouwen als een schuldigverklaring aan hetzelfde misdrijf of als een straf, in strijd met het legaliteitsbeginsel en de rechten van verdediging (zie hoger, 2.1). Het is niet omdat het openbaar ministerie bij schriftelijke vordering in het strafproces tegen beklaagde R.M. de verbeurdverklaring heeft gevraagd van goederen die aan eiseres I toebehoren, om reden dat ze ter beschikking stonden van een criminele organisatie, dat de verbeurdverklaring voor eiseres, als derde, een straf uitmaakt.
  2. Het bestreden arrest stelt vast dat de verbeurdverklaring is uitgesproken tegen beklaagde R.M. en heeft eiseres I niet op enigerlei wijze schuldig verklaart aan het misdrijf van deelname aan een criminele organisatie. Over de aard en omvang van het rechtsmiddel van verzet van de derde-eigenaar tegen de verbeurdverklaring oordeelt het arrest (p. 23-24): “Het recht van verdediging, het recht op toegang tot de rechter en het recht op bescherming van de eigendom vereisen dat de derde-eigenaar voor de rechter op verzet elk verweer kan aanvoeren dat ertoe strekt dat de verbeurdverklaring tegenover hem geen uitwerking heeft. Aldus kan de derde voor die rechter verweer voeren, niet enkel over het bestaan van zijn burgerlijk eigendomsrecht of goede trouw, maar ook over de strafrechtelijke grondslag van de lastens de beklaagde uitgesproken verbeurdverklaring. De rechter moet dat verweer onderzoeken in zoverre hij de verbeurdverklaring tegenover die derde niet op een andere grond teniet doet (Vgl. Cass. 16 oktober 2018, AR P.18.0391.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181016.5). De derde-eigenaar die een ontvankelijk verzet aantekende, kan de verbeurdverklaring op zich nog aanvechten”. Deze motivering over het legaliteitsbeginsel en een effectief rechtsmiddel voor de derde-eigenaar die niet is opgeroepen in de strafprocedure is m.i. naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. 3.
  3. Informatieplicht van het openbaar ministerie
  4. In het eerste middel werpt eiseres I op dat het arrest (van 24 april 2019) tegen haar een verbeurdverklaring uitsprak zonder dat zij als partij was opgeroepen, haar recht van verdediging kon uitoefenen (p. 7-9). Het openbaar ministerie voldeed niet aan de plicht van artikel 5 V.T. Sv. om personen in kennis te stellen van de rechtszitting die geen procespartij zijn doch het risico lopen van een verbeurdverklaring van goederen die hen toebehoren.
  5. Beoordeling. Het middel heeft dezelfde strekking als het eerste middel van eiseres II en kan om dezelfde redenen worden verworpen (zie hoger, 2.3). Het feit dat het openbaar ministerie de verbeurdverklaring vordert van een goed aangewend in een criminele organisatie, zonder de eigenaar ervan op te roepen in de strafprocedure tegen de beklaagde, vervolgd wegens deelname aan de activiteiten van een criminele organisatie, heeft geen onevenredige nadelen voor deze derde-eigenaar. Deze persoon kan achteraf zijn rechten doen gelden en de grondslag van de verbeurdverklaring betwisten, door het aantekenen van verzet in de gewone of buitengewone termijn, naar gelang de beslissing van verbeurdverklaring is betekend aan zijn persoon of woonplaats (art. 187, §1 Sv.). Bovendien oordeelde het hof van beroep onaantastbaar dat eiseres I op de hoogte was van de gevoerde strafprocedure tegen R.M. en de mogelijkheid had vrijwillig tussen te komen, om haar rechten te vrijwaren (p. 13-17). Het middel kan niet worden aangenomen. 3.
  6. Het bewijs van de goede trouw van de derde-eigenaar
  7. In het eerste middel stelt eiseres verder dat wegens het verzuim haar in de strafprocedure op te roepen als partij, zij via verzet diende op te komen tegen de verbeurdverklaring, en daarbij dient aan te tonen dat zij ‘derde te goeder trouw’ is, wat onverenigbaar is met de gelijke behandeling van de procespartijen (p. 11) (art. 6.1 EVRM). Daarbij komt dat in civiele zaken de bewijsregeling in beginsel geen rechterlijke vrijheid toelaat, terwijl het bestreden arrest het vrije bewijsrecht heeft toegepast, zoals geldend in strafzaken (p. 14). De gevolgde procedure en de erin gehanteerde bewijsregeling is in strijd met artikel 6 EVRM, dat vereist dat in burgerlijke zaken de inleidende vordering voldoende in rechte en in feite de aanspraken formuleert zodat ze effectief voor tegenspraak vatbaar zijn door de betrokkene (p. 16). Wanneer het arrest verwijst naar het ganse strafdossier en dan de relevante feiten vrij zelf kiest, zonder dat ze voorwerp uitmaken van een debat, k

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.