← België

S. contra Orde van advocaten bij de rechtbank Antw

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 10 maart 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220310.1N.1 Rolnummer: D.21.0013.N Zaak: S. contra Orde van advocaten bij de rechtbank Antw Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2022-05-03 Raadplegingen: 517 - laatst gezien 2026-06-19 02:01 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220310.1N.1 Fiches 1 - 2 De wet bepaalt niet dat de klager, die gebruik wenst te maken van zijn recht om gehoord te worden in de tuchtprocedure ten laste van een advocaat, enkel persoonlijk kan gehoord worden, en sluit niet uit dat de klager, die wordt bijgestaan door een advocaat, via die advocaat namens hem wordt gehoord

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ADVOCAAT Vrije woorden: Tuchtprocedure ten laste van een advocaat - Klager - Recht om gehoord te worden - Modaliteiten Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 459, § 2, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wet 21 juni 2006 tot wijziging van een aantal bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de balie en de tuchtprocedure voor haar leden - 21-06-2006 - 36 ELI link Pub nr 2006009537 Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - TUCHTZAKEN Vrije woorden: Tuchtprocedure ten laste van een advocaat - Klager - Recht om gehoord te worden - Modaliteiten Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 459, § 2, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wet 21 juni 2006 tot wijziging van een aantal bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de balie en de tuchtprocedure voor haar leden - 21-06-2006 - 36 ELI link Pub nr 2006009537 Fiche 3 Een advocaat mag zich bij de uitvoering van een rechterlijke beslissing in een zaak waarin hij weet dat de tegenpartij wordt bijgestaan door een advocaat, niet rechtstreeks tot die tegenpartij richten, tenzij de advocaat van de tegenpartij daartoe uitdrukkelijk zijn toestemming heeft gegeven en op voorwaarde dat hij daarvan op de hoogte wordt gehouden
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ADVOCAAT Vrije woorden: Uitvoering van een rechterlijke beslissing - Deontologie - Verbod tot rechtstreeks contact met de tegenpartij - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Codex Deontologie voor Advocaten - 27-04-2016 - Art. 102 - 25 Link Justel databank 20160427-25 Tekst van de conclusie D.21.0013.N Conclusie van eerste advocaat-generaal Ria Mortier:
  1. Feiten en procedure Uit de stukken waarop mag worden acht geslagen blijkt dat eiser voor de tuchtraad voor advocaten werd vervolgd voor diverse feiten en tenlasteleggingen. Tegen de beslissing van de tuchtraad, die geen van de tenlasteleggingen bewezen verklaarde, werd door de stafhouder hoger beroep aangetekend. Op de zitting van 16 februari 2021 van de Nederlandstalige tuchtraad van beroep verzette de raadsman van eiser zich tegen het horen van de advocaat van de klagers. De tuchtraad oordeelde evenwel dat geen enkele wettelijke regeling zich ertegen verzet dat een klager, naar aanleiding van het gehoord worden, zich door een advocaat laat vertegenwoordigen. Bij beslissing van 16 maart 2021 verklaarde de tuchtraad van beroep enkel de inbreuk op artikel 102 van de Deontologische code van advocaten, namelijk het rechtstreeks in contact treden met de cliënten van een tegenstrever, bewezen en werd de opschorting van de uitspraak gedurende een periode van drie jaar gelast. Tegen deze beslissingen van 16 februari 2021 en 16 maart 2021 van de Nederlandstalige tuchtraad van beroep voert eiser twee middelen aan.
  2. Bespreking 2.
  3. Eerste middel 2.1.
  4. Eiser voert aan dat indien een advocaat wordt opgeroepen om voor de tuchtraad te verschijnen, de klager, krachtens artikel 459, §2, derde lid Gerechtelijk wetboek, op zijn verzoek kan worden gehoord op de zitting, hij daarbij in voorkomend geval wordt geconfronteerd met de betrokken advocaat en deze beginselen, krachtens artikel 467 Gerechtelijk wetboek, van overeenkomstige toepassing zijn op de procedure voor de tuchtraad van beroep. Nu de klager geen partij is in de tuchtprocedure kan hij zich, aldus eiser, evenwel niet laten vertegenwoordigen door een advocaat op grond van een mandaat ad litem. Dit horen van de klager dient dus in persoon te geschieden en vereist aanwezigheid op de zitting waarbij hij eventueel kan bijgestaan worden door een advocaat. De Nederlandstalige tuchtraad die anderszins oordeelt schendt dienvolgens, aldus eiser, voormelde artikelen van het Gerechtelijk wetboek. 2.1.
  5. Dat een klager in een tuchtprocedure geen “procespartij” in de enge zin van het woord is staat op zich niet ter discussie en blijkt uitdrukkelijk uit de parlementaire voorbereidende werken
(1)die hebben geleid tot de wet van 21 juni 2006 tot wijziging van een aantal bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de balie en de tuchtprocedure voor haar leden. Met die wet werden de rechten van de klager wel uitgebreid en werd zijn positie versterkt, dit voornamelijk om het onpartijdigheidsgevoel en de dynamiek van het onderzoek te vergroten.
(2)Sedertdien worden aan de klager zowel bij aanvang van het tuchtonderzoek als tijdens het onderzoek een aantal rechten verleend die hij voordien niet had. Zo wordt de klager schriftelijk op de hoogte gebracht van de opening van het tuchtonderzoek, wordt hem het recht gegeven gedurende dat onderzoek gehoord te worden en bijkomende informatie en stukken te geven en wordt hem een kopie ter beschikking gesteld van zijn verklaringen die in een proces-verbaal worden opgenomen. Dit alles steunt op een basisfilosofie van openheid, zodat de klager kan vaststellen dat zijn klacht op een efficiënte wijze werd onderzocht en daaraan gebeurlijk de juiste gevolgen werden verbonden
(3). Wat betreft de fase van behandeling van de zaak door de tuchtraad, heeft het feit, dat een klager niet de hoedanigheid van “partij” heeft in de tuchtprocedure, tot gevolg dat hij niet ambtshalve door de tuchtraad wordt opgeroepen om te verschijnen ter zitting. Hij wordt wel ingelicht over plaats en datum van de zitting zodat hij desgewenst kan aanwezig zijn en hij kan vragen om gehoord te worden of te worden geconfronteerd met de betrokken advocaat. 2.1.3. Wat betreft de mogelijkheid om zich in het kader van een tuchtprocedure te laten vertegenwoordigen door een raadsman, overwoog de wetgever uitdrukkelijk dat gelet op de voorbeeldfunctie van de balie als verdediger van personen die zich moeten verantwoorden, de advocaat die het voorwerp is van het tuchtonderzoek, zich tijdens dat onderzoek wel kan laten bijstaan door een advocaat van zijn keuze, maar zich niet kan laten vertegenwoordigen
(4). Evenwel wordt algemeen aangenomen dat bij de behandeling van de zaak door de tuchtraad, waarbij wordt uitgegaan van een volledig tegensprekelijk karakter, de advocaat zelf zijn processtrategie bepaalt. Hij kan er dus voor opteren zelf zijn verdediging te voeren, dan wel een advocaat daarmee te gelasten en daarbij al dan niet zelf zijn verweer te ondersteunen of opmerkingen te maken
(5). Hij kan zich in die fase, mits toestemming van de tuchtraad, ook laten vertegenwoordigen door een advocaat
(6). Met betrekking tot de mogelijkheid voor de klager om zich op de zitting van de tuchtraad te laten vertegenwoordigen door een advocaat voorzien de wet, noch de parlementaire voorbereidende werken een uitdrukkelijk standpunt. 2.1.4. Uit wat voorafgaat volgt dat, hoewel de wetgever de positie van de klager uitdrukkelijk heeft erkend door in artikel 458 Gerechtelijk wetboek te voorzien in een hoorrecht tijdens het onderzoek met daarbij het recht om bijkomende informatie en bewijsstukken te verschaffen, en door ook een hoorrecht en een recht op confrontatie in te schrijven in artikel 459 Gerechtelijk wetboek wat de fase van de terechtzitting betreft, de klager toch niet als “partij” wordt aanzien in de tuchtprocedure. De wetgever ging er immers van uit dat de klager daar geen belang bij heeft gezien de tuchtrechter geen burgerlijke aansprakelijkheid kan vaststellen en de klager dus schadevergoeding noch genoegdoening kan bekomen
(7). Dit neemt evenwel niet weg dat de wetgever de positie van de klagers uitdrukkelijk wou verbeteren en voor hen een ruimere toegang in de tuchtprocedure wou creëren om op die manier het vertrouwen van de burger in een objectieve, onpartijdige tuchtprocedure te bevorderen
(8). De wetgever reikt daarom de klager mogelijkheden aan die hem toelaten op actieve wijze betrokken te worden bij de tuchtprocedure maar laat het initiatief daartoe over aan de klager zelf. De klager wordt hierdoor evenwel partij noch getuige. Enerzijds impliceert het “recht” gehoord te worden door de tuchtraad dat de klager op eigen verzoek in de procedure wordt betrokken, maar de enkele oproeping om te worden gehoord is op zich niet voldoende om als “partij” in de enge zin van het woord te worden beschouwd, aangezien die oproeping niet impliceert dat de klager in een tegensprekelijk debat wordt betrokken
(9). Ingeval van een openbare zitting mag hij na zijn verhoor of confrontatie in de zaal aanwezig blijven, maar ingeval van zitting met gesloten deuren moet hij de zittingszaal op dat moment opnieuw verlaten
(10). Bij afhandeling van de zaak door de tuchtraad (van beroep) wordt aan de klager geen kennis gegeven van de uitspraak. Dit gebeurt wél ten aanzien van de partijen. De stafhouder en de voorzitter van de tuchtraad beslissen uiteindelijk zelf welke informatie zij al dan niet wensen te verstrekken aan de klager
(11). Anderzijds kan een klager in de tuchtprocedure evenmin worden gelijkgeschakeld met een “getuige”
(12), noch wordt zijn persoonlijke verschijning bevolen, zodat de regels van het Gerechtelijk wetboek die een vertegenwoordiging door een raadsman in die gevallen beletten ter zake niet van toepassing zijn. Eens hij verzocht heeft om te worden gehoord ter zitting lijkt de klager mij te kunnen worden aanzien als een “noodzakelijke partij”. Dit concept heeft meer algemeen betrekking op personen die niet in de enge zin van het woord "procespartij" zijn, maar die wel een nauwe band van betrokkenheid hebben met het geding en waarbij een goede rechtsbedeling vereist dat ze in het geding kunnen optreden. Het betreft dus een "tussencategorie" die geen omschrijving kent in het Gerechtelijk wetboek en waarvoor geen globale wettelijke regeling voorligt maar waarvan Uw Hof aanvaardt dat, als er geen wettelijke grondslag voorhanden is, materieelrechtelijke motieven zoals de aard van de procedure of de aard van de functie
(13)kunnen rechtvaardigen dat zij als partij bij een geding worden betrokken. De wetgever voorziet te dezen vooreerst wel een uitdrukkelijk bepaling waardoor de klager in de tuchtprocedure kan worden betrokken. Maar ook het feit dat één van de wezenlijke kenmerken van de advocatuur het bestaan is van een eigen tuchtrecht
(14)dat als primaire doelstelling een behoorlijke beroepsuitoefening moet waarborgen met het oog op de belangen van de rechtszoekende en dit kwaiteitsbeleid dus duidt op de centrale plaats van de cliënt in een modern tuchtrecht
(15), verantwoordt op zich dat de klager hierin als “noodzakelijke partij” kan worden betrokken. Niets verzet er zich dan ook tegen dat, eens hij op actieve wijze wordt betrokken in deze specifieke procedure, hij zich daarbij kan laten bijstaan of vertegenwoordigen door een raadsman. Dit klemt des te meer nu het zijn aanklacht is die ter betwisting voorligt en hij de mogelijkheid moet krijgen op volwaardige wijze zijn standpunt te laten horen hetzij door dit zelf te doen, dan wel een advocaat daarmee te gelasten in zijn aan-of afwezigheid. Het eerste middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting faalt naar recht. 2.
  1. Tweede middel 2.2.
  2. Eiser voert vooreerst een motiveringsgebrek aan. Zoals verweerder in de memorie van antwoord evenwel terecht aanvoert beantwoordt en verwerpt de tuchtraad in beroep met de redenen die de beslissing vermeldt onder randnummer 10 het door eiser gevoerd verweer dat het een andere of nieuwe procedure betrof. 2.2.
  3. Verder voert eiser aan dat de tuchtraad in beroep een te ruime invulling geeft aan artikel 102 van de deontologische code dat bepaalt: “De advocaat heeft met betrekking tot een bepaalde zaak geen rechtstreeks contact met een partij, van wie hij weet dat ze in die zaak wordt bijgestaan door een advocaat. Dat kan wel als de advocaat van die partij daartoe uitdrukkelijk zijn toestemming heeft gegeven en op voorwaarde dat hij daarvan op de hoogte wordt gehouden”. (…) Meer bepaald voert eiser aan dat de tuchtraad van beroep het begrip “ die zaak” een te ruime invulling geeft en aldus op grond van niet-pertinente criteria oordeelt dat er sprake is van dezelfde zaak. Artikel 102 van de deontologische code houdt verband met de confraternele houding die van een advocaat wordt verwacht. Advocaten moeten onderling een geest van vertrouwen en samenwerking handhaven en dienen een aantal regels van fair play in acht te nemen in de omgang met de confraters
(16). Een van die regels houdt in dat eens een confrater zijn tussenkomst in een zaak heeft gemeld, de advocaat niet meer rechtstreeks optreedt bij de tegenpartij. Dit is uiteraard niet beperkt tot één procedure, maar geldt voor de volledige zaak, met inbegrip van de uitvoeringsfase van de in de zaak gewezen rechterlijke beslissing. Enkel indien de confrater zijn toestemming daartoe heeft gegeven en hij ook op de hoogte wordt gehouden kan anders worden gehandeld. De bestreden beslissing die, op grond van de gegevens vermeld in randnummer 10 vaststelt dat het om de uitvoeringsfase van dezelfde procedure gaat, en oordeelt dat de tenlastegelegde inbreuk op artikel 102 deontologische code is bewezen, verantwoordt zijn beslissing naar recht. Het tweede middel kan niet worden aangenomen. Conclusie: verwerping. _____________________________________________
(1)Kamer van Volksvertegenwoordigers, Wetsvoorstel tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de tuchtprocedure voor de leden van de balie, Doc 51-1724/001, p. 17.
(2)Kamer van Volksvertegenwoordigers, Wetsvoorstel tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de tuchtprocedure voor de leden van de balie, Doc 51-1724/001, p. 3 en 16.
(3)J. STEVENS, Advocatuur, regels en deontologie, Wolters Kluwer, 2015, p. 1179-1180.
(4)Kamer van Volksvertegenwoordigers, Wetsvoorstel tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de tuchtprocedure voor de leden van de balie, Doc 51-1724/001, p. 16.
(5)J. STEVENS, Advocatuur, regels en deontologie, Wolters Kluwer, 2015, p. 1271.
(6)J. STEVENS, Advocatuur, regels en deontologie, Wolters Kluwer, 2015, p. 1268; RvSt. 7 december 1988.
(7)Kamer van Volksvertegenwoordigers, Wetsvoorstel tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de tuchtprocedure voor de leden van de balie, Doc 51-1724/001, p. 17-18.
(8)Zie over de filosofie van de wet: J. STEVENS, Advocatuur, regels en deontologie, Wolters Kluwer, 2015, p. 1179-1180.
(9)Zie Cass. 31 januari 1986, AC 1986, nr. 345 met concl. van procureur-generaal KRINGS.
(10)J. STEVENS, Advocatuur, regels en deontologie, Wolters Kluwer, 2015, p. 1269.
(11)Advocatencahier deontologie, Tuchtprocedure en tuchtrechtspraak van de Vlaamse tuchtraden voor advocaten 2007-2012; OVB, nr. 1/2013, p. 24-25.
(12)Zie J. STEVENS, Advocatuur, regels en deontologie, Wolters Kluwer, 2015, p. 1268, nr. 1550 en p. 1269 waar onderscheid wordt gemaakt tussen het horen van de klager en het horen van de getuigen en tevens wordt opgemerkt dat getuigenverhoren uiterst zelden worden gehouden voor de tuchtraad; Zie ook Cass. 3 september 1998, AR D.97.0028.N ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980903.10, AC 1998, nr. 381 waarbij werd geoordeeld dat de bepalingen inzake getuigenverklaringen in burgerlijke zaken niet van toepassing zijn op het horen van getuigen in geval van een tuchtrechtelijk onderzoek.
(13)Cass. 8 maart 2019, AR C16.0506.N, AC 2019, nr. 148, met concl. OM.
(14)J. STEVENS, Advocatuur, regels en deontologie, Wolters Kluwer, 2015, p. 1180; Kamer van Volksvertegenwoordigers, Wetsvoorstel tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de tuchtprocedure voor de leden van de balie, Doc 51-1724/001, p. 5-6: Eén van de premissen van de correcte werking van de balie is zelfbestuur en eigen tuchtrechtelijke bevoegdheid van de Orde over de advocaten. Het is omdat de advocatuur een taak heeft in het gerechtelijk apparaat, maar tevens als antagonist van dat apparaat optreedt, dat de Orde los van de rechterlijke macht en los van de uitvoerende macht moet kunnen werken. Er is geen enkel ander vrij beroep waar deze objectieve noodwendigheid van een onafhankelijke Orde zich op dezelfde wijze stelt. Om dezelfde redenen moet de Orde, (…) zelf de controle behouden over wat in de beroepsuitoefening oorbaar of onoorbaar is.
(15)Kamer van Volksvertegenwoordigers, Wetsvoorstel tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de tuchtprocedure voor de leden van de balie, Doc 51-1724/001, p. 7.
(16)R. DE PUYDT, Deontologie van de Vlaamse advocaat, Intersentia, 2002, p. 117-118. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220310.1N.1 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220310.1N.1 citeert: ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980903.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.