← België

W. contra B.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 10 maart 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220310.1N.5 Rolnummer: C.21.0290.N Zaak: W. contra B. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Overige Invoerdatum: 2022-05-03 Raadplegingen: 923 - laatst gezien 2026-06-19 00:43 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220310.1N.5 Fiches 1 - 2 De regels inzake het afstammingsrecht en het Belgisch nationaliteits- en verblijfsrecht, die de staat van de persoon in respectievelijk de familie en de natie vaststellen, zijn van fundamenteel belang voor de ordening van de maatschappij, zodat zij de openbare orde raken

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: AFSTAMMING Vrije woorden: Regels inzake afstamming - Regels inzake nationaliteit en verblijfsrecht - Aard Thesaurus CAS: OPENBARE ORDE Vrije woorden: Regels inzake afstamming - Regels inzake nationaliteit en verblijfsrecht - Aard Fiches 3 - 5 De erkenning van een kind heeft een ongeoorloofde oorzaak en is dus volstrekt nietig, wanneer zij bedoeld is om de afstammingsregels aan te wenden in strijd met het doel waarvoor zij zijn ingesteld, namelijk enkel met het doel een verblijfsrechtelijk voordeel te verkrijgen dat verbonden is aan de vaststelling van een afstammingsband
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: AFSTAMMING Vrije woorden: Erkenning van een kind - Beoogd verblijfsrechtelijk voordeel - Gevolg Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 2 en 1131 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: OPENBARE ORDE Vrije woorden: Erkenning van een kind - Beoogd verblijfsrechtelijk voordeel - Gevolg Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 2 en 1131 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Vrije woorden: Oorzaak van de vordering - Erkenning van een kind - Beoogd verblijfsrechtelijk voordeel - Gevolg Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 2 en 1131 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiches 6 - 7 Iedere belanghebbende kan deze volstrekte nietigheid inroepen, die de maatschappelijke ordening wil beschermen, met inbegrip van de erkenner zelf die bewust een leugenachtige erkenning heeft gedaan met de bedoeling een verblijfsrechtelijk voordeel voor het kind te verkrijgen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Vrije woorden: Oorzaak van de vordering - Ongeoorloofde oorzaak - Volstrekte nietigheid - Aanvoering Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 2 en 1131 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: AFSTAMMING Vrije woorden: Erkenning van een kind - Vordering in rechte - Ongeoorloofde oorzaak - Volstrekte nietigheid - Aanvoering Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 2 en 1131 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Annotaties Publicaties: NJW-Nieuw juridisch weekblad - 2022, nr. 468, p. 698-
  1. - VASSEUR, Roeland; Noot'Vernietiging van een erkenning op vordering van de frauduleuze erkenner' RABG-Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent - 2022, nr. 11-12, p. 809-
  2. - GOOSSENS, Laura; VERGAUWEN, Christel; Noot'Schijn(erkenner) bedriegt: over de mogelijkkheden van de erkenner om zijn leugenachtige erkenning te doen vernietigen' T.Fam.-Tijdschrift voor familierecht - 2022, nr. 10, p. 279-
  3. - SENAEVE, Patrick; Noot'Het aanvechten van een frauduleuze vaderlijke erkenning door de erkenner zelf' RGDC-Revue générale de droit civil belge - 2023, n° 2, p. 89-
  4. - VAN DAMME, Nicolas; Note'L'illicéité du détournement d'institution en droit privé: la reconnaissance frauduleuse d'enfant' Tekst van de conclusie C.21.0290.N Conclusie van eerste advocaat-generaal Ria Mortier:
  5. Feiten en procedure Uit de stukken waarop mag worden acht geslagen blijkt dat eiser en eerste verweerster elkaar in 2008 in Senegal ontmoetten en een relatie begonnen. Eerste verweerster had toen reeds een vierjarige dochter. Hoewel eiser niet de biologische vader was erkende hij het meisje met toestemming van eerste verweerster op 3 februari 2009 ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand te Brugge. Eiser en eerste verweerster trouwden op 27 maart 2009 in België en eerste verweerster en haar dochter verwierven de Belgische nationaliteit. In 2013 vorderde eiser voor de familierechtbank de nietigverklaring van de erkenning van het kind. Pas nadat de familierechtbank in 2014 het huwelijk tussen eiser en eerste verweerster nietig verklaarde omdat dit een schijnhuwelijk betrof en deze beslissing bij arrest van 7 januari 2016 door het hof van beroep werd bevestigd, werd de procedure tot nietigverklaring van de erkenning door eiser verder benaarstigd. Zowel de familierechtbank als het hof van beroep wijzen deze vordering echter af. Net zoals de eerste rechter oordeelt de appelrechter dat eisers vordering onontvankelijk is wegens laattijdigheid in het licht van artikel 330, §1, vierde lid (oud)BW waarin een vervaltermijn wordt voorzien van één jaar na de ontdekking van de biologische waarheid. De appelrechter overweegt ook dat wegens Fraus legis omnia corrumpit, eiser zich niet kan beroepen op zijn eigen bedrog om de nietigverklaring van zijn eigen erkenning na te streven en dat als erkenning enkel gericht is om een verblijfsrechtelijk voordeel te verwerven er sprake is van wetsontduiking en schending van de openbare orde. In dat geval kan de erkenner zich hierop misschien beroepen, behoudens indien er bedrog is aan de zijde van de erkenner zoals in onderliggend geschil. Tegen het arrest van 1 februari 2021 van het hof van beroep te Gent voert eiser één middel aan. Eiser voert aan dat de appelrechter, door de vordering van eiser af te wijzen en de erkenning niet nietig te verklaren of alleszins niet ieder rechtsgevolg te ontzeggen niettegenstaande die erkenning er enkel op gericht was een verblijfsrechtelijk voordeel te verwerven, de artikelen 2 en 1131 Oud Burgerlijk wetboek en het algemeen rechtsbeginsel van het verbod op wetsontduiking schendt, nu door rechtshandelingen geen afbreuk kan worden gedaan aan de wetten die de openbare orde en de goede zeden betreffen. Tevens voert eiser aan dat, in zoverre de vordering van eiser als onontvankelijk wordt afgewezen wegens laattijdigheid, de appelrechter de artikelen 2 en 330, §1, vierde lid Oud BW schendt, nu de strijdigheid van een erkenning met de openbare orde niet te vereenzelvigen is met een wilsgebrek uit hoofde waarvan de erkenner binnen de vervaltermijn van artikel 330, §1, vierde lid de erkenning kan betwisten.
  6. Bespreking 2.
  7. De staat van de persoon is het geheel van hoedanigheden die de rechtspositie van een persoon in de maatschappij en in de familie bepaalt en hem onderscheidt van de andere personen, wat het bezit en de uitoefening van bepaalde rechten betreft
(1). Met het oog op rechtszekerheid is de staat van de persoon onderworpen aan een bijzonder juridisch regime dat de openbare orde raakt
(2). De regels inzake de Belgische nationaliteit en verblijfstitel betreffen de staat van de persoon in de natie en zijn dus van cruciaal belang voor de ordening van de maatschappij. Maar ook de afstammingswetgeving overstijgt louter private belangen nu de afstamming de staat van het individu in de familie vaststelt. Omwille van dit ordenend karakter raakt de afstammingswetgeving op immanente wijze de openbare orde
(3). Krachtens artikel 2 Oud Burgerlijk Wetboek kan door bijzondere overeenkomsten geen afbreuk worden gedaan aan wetten die de openbare orde en de goede zeden betreffen. Dit geldt evenwel niet enkel ten aanzien van overeenkomsten, maar ook ten aanzien van rechtshandelingen in het algemeen
(4). Hieruit volgt dat ook bij een erkenning, als vrijwillige rechtshandeling uitgaande van de man of vrouw die een afstammingsband wil creëren t.a.v. een kind, geen afbreuk mag worden gedaan aan wetten die de openbare orde en de goede zeden betreffen
(5). 2.2. De erkenning van een kind kan krachtens artikel 330, §1, Oud BW worden betwist in een vordering tot betwisting van staat, waarbij de erkenner, krachtens art. 330, §1, tweede lid, Oud BW, op straffe van niet-ontvankelijkheid van de vordering, de erkenning alleen mag betwisten als hij bewijst dat aan zijn toestemming een gebrek kleefde. Zo ligt een wilsgebrek voor als de erkenner er onterecht van uitging dat hij een biologische band had met het kind en er dus sprake is van dwaling of bedrog, dan wel als hij onder dwang tot erkenning overging en er dus sprake is van geweld. In het geval evenwel de erkenner wetens en willens handelt en dus vrijwillig een leugenachtige erkenning doet, door bijvoorbeeld uit welwillendheid te beweren dat hij een biologische band heeft met het kind terwijl hij weet dat dit niet het geval is of indien hij instemt met zo’n erkenning kan hij daarop, krachtens art. 330, §1, tweede lid, Oud BW, niet terugkomen
(6). Het lag immers in de bedoeling van de wetgever de betwisting van de erkenning van een kind te beperken tot “zeer uitzonderlijke gevallen” teneinde “inzake erkenning een zo groot mogelijk parallellisme met het vaderschap binnen het huwelijk” te verzekeren zodat “een zelfde stabiliteit als deze die bestaat ten aanzien van een kind dat binnen het huwelijk wordt geboren” kan worden bereikt. De wetgever heeft dan ook beslist de erkenner van het kind het recht te weigeren om die erkenning te betwisten “wanneer hij met kennis van zaken heeft gehandeld, ook wanneer hij niet de vader van dat erkende kind is”, zonder daarom een dergelijke betwisting uit te sluiten wanneer zou vaststaan dat “aan de toestemming een gebrek kleeft”
(7). De wetgever heeft de mogelijkheden om de erkenning van een kind te betwisten dus willen beperken omwille van de rechtszekerheid en heeft ermee rekening gehouden dat de erkenner uitdrukkelijk heeft ingestemd met die erkenning
(8). Met andere woorden, een man die vrij en weloverwogen een kind erkent van wie hij weet dat hij niet de biologische vader is, kan zijn erkenning achteraf niet betwisten. Evenmin kan degene die een leugenachtige erkenning doet, doordat hij het bestaan van een biologische band voorhoudt, die erkenning achteraf betwisten nu hij zeer goed op de hoogte was van de biologische werkelijkheid op het ogenblik van de erkenning. Zijn toestemming was dus niet gebrekkig. Volgens de doelstelling van de wetgever primeren in die omstandigheden rechtszekerheid en bescherming van de stabiliteit in de familiale verhoudingen op het belang van het neutraliseren van de gevolgen van het bedrog door vernietiging van de leugenachtige erkenning. Het algemeen rechtsbeginsel Fraus omnia corrumpit heeft in dit geval dus geen neutraliserende rol nu de bedrieglijk tot stand gekomen erkenning niet wordt teniet gedaan, maar het heeft wel een bestraffend karakter gezien de erkenner die bedrieglijk handelt zich niet mag beroepen op dit bedrog. Hij moet met andere woorden, in het belang van de rechtszekerheid, zelf de gevolgen dragen van zijn bedrieglijk handelen en voor het kind blijven zorgen. 2.3. Wanneer de leugenachtige erkenning evenwel een ongeoorloofde oorzaak heeft is de situatie verschillend van wat hiervoor werd geschetst. De oorzaak van een rechtshandeling, door uw Hof gedefinieerd als de determinerende motieven voor het aangaan van de overeenkomst
(9), is ongeoorloofd als deze strijdig is met een wet van openbare orde. Deze rechtshandeling kan dan krachtens artikel 1131 Oud BW geen gevolg hebben en is absoluut nietig. Uw Hof oordeelt dat een overeenkomst waarbij minstens één van de determinerende beweegredenen van een partij erin bestaat een rechtsregel te ontduiken die de openbare orde aanbelangt, een ongeoorloofde oorzaak heeft en dus absoluut nietig is. Dit kan het geval zijn indien partijen afspreken hun werkelijke rechtsverhouding te verschuilen achter een gesimuleerde of geveinsde overeenkomst en daardoor een regel van openbare orde of van dwingend recht schenden
(10). Dit kan ook het geval zijn wanneer partijen een werkelijke overeenkomst aangaan maar hiermee een resultaat willen bereiken dat door een regel van openbare orde of dwingend recht verboden is
(11)of met het opzet de dwingende wet of de wet van openbare orde bedrieglijk toe te passen. In dit geval erkent uw Hof het bestaan van een schending van het algemeen rechtsbeginsel van het verbod op wetsontduiking
(12). Het verbod op wetsontduiking beteugelt gedrag waardoor de wetsontduiker weliswaar binnen de formele grenzen van een rechtsregel handelt, maar deze rechtsregel aanwendt in strijd met zijn doel. De wetsontduiker doet immers uitsluitend een beroep op deze rechtsregel om aan de toepassing van een andere rechtsregel van openbare orde of van dwingend recht te ontsnappen en om een resultaat te kunnen bereiken dat door deze strengere, ontdoken rechtsregel verboden wordt
(13). Het typevoorbeeld hiervan is een schijnhuwelijk
(14)door een buitenlandse man of vrouw om aan bepaalde dwingende regels van de vreemdelingenwetgeving te ontsnappen. Maar ook de erkenning van een kind met de loutere intentie om een verblijfsrechtelijk voordeel te verkrijgen, wordt beschouwd als een toepassingsgeval van wetsontduiking bestaande in de afwending van het doel van het rechtsinstituut van de erkenning van een kind
(15). De erkenning wordt immers van haar doel afgewend wanneer zij niet wordt aangewend om een juridische afstamming te doen vaststellen gesteund op hetzij de biologische, hetzij de socio-affectieve werkelijkheid van de ouder-kind verhouding, maar zij enkel als doel heeft een verblijfsrechtelijk voordeel te verkrijgen uit de afstammingsband en dus de strengere verblijfsregels voor migranten te omzeilen
(16). De erkenner wil in dat geval immers een onrechtmatig voordeel halen uit de gunstige verblijfsregels die verbonden zijn aan de vaststelling van een afstammingsband (van openbare orde) en, als spiegelbeeld, ontsnappen aan de strengere wetgeving voor migranten (die eveneens van openbare orde is). Een erkenning die er uitsluitend op gericht is een verblijfsrechtelijk voordeel te verkrijgen in strijd met het doel van de afstammingsregels, heeft bijgevolg een ongeoorloofde oorzaak en is absoluut nietig. Bij wet van 19 september 2017
(17)werd in het Oud BW een regeling opgenomen ter bestrijding van zulke “frauduleuze erkenning”, die in art. 330/1 wordt omschreven als “een erkenning die kennelijk enkel gericht is op het voor de erkenner, voor het kind of voor de persoon die zijn voorafgaande toestemming voor de erkenning moet geven, verkrijgen van een verblijfsrechtelijk voordeel dat verbonden is aan de vaststelling van een afstammingsband”. De Raad van State benadrukte in zijn advies dat met deze bepaling niet de afwezigheid van een biologische band wordt gehekeld maar wel “de gevallen waarbij een afstammingsband wordt vastgesteld met de bedoeling om de wetgeving inzake de controle op de immigratie te omzeilen”
(18). Het is in geval van frauduleuze erkenning dus niet enkel het doel van de gebruikte rechtsregel, namelijk het instituut van erkenning, maar ook het doel van de ontdoken rechtsregel, namelijk de migrantenwetgeving, die wordt afgewend
(19). De bepalingen van de Vreemdelingenwet hebben immers als doel enkel verblijfsvoordelen toe te kennen aan vreemdelingen op grond van een biologische of socio-affectieve band. Bij een frauduleuze erkenning is die band in werkelijkheid afwezig, maar wordt, in strijd met het doel van de verblijfswetgeving, toch een verblijfsrecht op grond van afstamming toegekend
(20). Op die manier wordt een situatie gecreëerd die zeer nauw aanleunt bij het resultaat dat verboden is door de omzeilde migrantenwetgeving, nl. de toekenning van een duurzaam verblijfsrecht aan een migrant die in werkelijkheid geen biologische of socio-affectieve banden heeft met een Belg
(21). 2.4. Uit wat voorafgaat volgt dat elke rechtshandeling een ongeoorloofde oorzaak heeft, en aldus absoluut nietig is, wanneer een determinerende beweegreden erin bestaat misbruik te maken van een rechtsregel of rechtsinstelling die de openbare orde aanbelangt, door die rechtsregel of rechtsinstelling aan te wenden in strijd met het doel ervan. Een rechtshandeling met een ongeoorloofde oorzaak wegens strijdigheid met een wet van openbare orde, is absoluut nietig. Deze absolute nietigheid, die de bescherming van het algemeen belang beoogt, kan door alle belanghebbenden, partijen of derden, worden ingeroepen.
(22)De samenleving verlangt immers dat een schending van een regel van openbare orde wordt gesanctioneerd als die in rechte ter discussie staat, ongeacht of de beschermde partij die sanctionering al dan niet zelf nastreeft
(23). Anders dan in het geval van de louter leugenachtige erkenning, heeft het bedrog in dit geval dus geen bestraffend maar een neutraliserend effect. Dit impliceert dat ook de erkenner ondanks zijn eigen leugenachtige verklaringen de vernietiging van een erkenning moet kunnen vorderen als die enkel gericht is op het verkrijgen van een verblijfsrechtelijk voordeel. Hierbij kan enerzijds verwezen worden naar de parallel met de regeling inzake het schijnhuwelijk. Krachtens art. 184, lid 2, Oud BW is het openbaar ministerie verplicht de vernietiging te vorderen van een schijnhuwelijk in de zin van art. 146bis Oud BW. Krachtens die bepaling bestaat een schijnhuwelijk wanneer, ondanks de gegeven formele toestemmingen tot het huwelijk, uit een geheel van omstandigheden blijkt dat de intentie van minstens één van de echtgenoten kennelijk niet is gericht op de totstandbrenging van een duurzame levensgemeenschap, maar enkel op het bekomen van een verblijfsrechtelijk voordeel dat is verbonden aan de staat van gehuwde. Krachtens artikel 184, lid 1, Oud BW kan tegen elk schijnhuwelijk echter ook worden opgekomen door alle belanghebbenden, met inbegrip van de echtgenoten zelf. Die bepaling beteugelt het schijnhuwelijk dus met een absolute nietigheid
(24). Het schijnhuwelijk heeft immers een ongeoorloofde oorzaak wegens strijdigheid met een wet van openbare orde, nl. het afwenden van het doel van het instituut van het huwelijk om te ontsnappen aan de strengere verblijfsregels voor vreemdelingen
(25). Derhalve moet elke belanghebbende zich op deze absolute nietigheid kunnen beroepen, ook de echtgenoten zelf
(26). Anderzijds aanvaardt ook het gemeen verbintenissenrecht dat de “schuldige” partij de vernietiging kan vorderen van een overeenkomst die een ongeoorloofde oorzaak heeft wegens strijdigheid met een wet van openbare orde. Een vordering tot nietigverklaring kan dus niet ontoelaatbaar worden verklaard om de enkele reden dat de eiser de hulp van een rechter onwaardig zou zijn omdat de eiser zelf niet recht in zijn schoenen staat
(27). Het adagium Nemo auditur propriam turpitudinem allegans houdt immers in dat een contractpartij nooit de uitvoering in natura noch bij equivalent kan vorderen van een overeenkomst met een ongeoorloofde oorzaak of een ongeoorloofd voorwerp
(28)en vormt in die zin een toepassing van de regel dat overeenkomsten met een ongeoorloofde oorzaak (of voorwerp) geen rechtsgevolgen mogen hebben
(29), maar dit geldt niet ten aanzien van de nietigheidsvordering. Elke partij kan dus de absolute nietigverklaring van een overeenkomst met een ongeoorloofde oorzaak wegens strijdigheid met een wet van openbare orde inroepen om zich aan haar verbintenissen te onttrekken
(30). 2.5. Uit de stukken waarop mag worden acht geslagen blijkt dat eiser het bedrieglijk deed voorkomen alsof hij de biologische vader was terwijl hij wist dat dit niet het geval was, en hij bedrieglijk verzweeg dat er al een eerder wettelijk vaderschap zou vaststaan op basis van een zgn. “echte” geboorteakte waarvan hij volgens de appelrechter kennis had, met het enkele doel een verblijfsrechtelijk voordeel te verkrijgen voor het kind. De appelrechter die oordeelt “als een erkenning enkel gericht is om een verblijfsrechtelijk voordeel te verwerven, is er sprake van wetsontduiking en wordt de openbare orde geschonden. In dat geval kan de erkenner zich hierop misschien beroepen, behoudens indien er bedrog is aan de zijde van de erkenner, zoals in onderliggend geschil.” en de vordering van de eiser als erkenner tot vernietiging van de leugenachtige erkenning op die grond afwijst gaat dus uit van een bestraffend karakter ten aanzien van de bedrieglijke erkenner die zelf de gevolgen moet dragen van zijn eigen leugenachtige verklaring en hierop niet kan terugkomen, zoals wel het geval is in het kader van een vordering tot betwisting van staat op grond van artikel 330, §1, tweede lid, Oud BW, maar miskent hierdoor het belang van het neutraliseren van deze erkenning met het opzet van wetsontduiking. Aldus verantwoordt de appelrechter zijn beslissing niet naar recht. Het middel komt gegrond voor. Conclusie: vernietiging met verwijzing. ________________________________________
(1)P. SENAEVE, Compendium van het personen- en familierecht, Leuven, Acco, 2011, nr. 50.
(2)F. SWENNEN, Het personen- en familierecht, Antwerpen, Intersentia, 2021, nr. 120; P. SENAEVE, Compendium van het personen- en familierecht, Leuven, Acco, 2011, nr. 54.
(3)G. VERSCHELDEN, Handboek Belgisch familierecht, Brugge, die Keure, 2010, 6-7, nr. 4.
(4)J. LOCRÉ, Législation civile, commerciale et criminelle ou commentaire et complément des codes français, I, Brussel, Tarlier, 1836, 263, nr. 30; zie I. CLAEYS en T. TANGHE, Algemeen contractenrecht, Antwerpen, Intersentia, 2021, 206, nr. 262. Ook in het wetsvoorstel houdende Boek 1 “Algemene bepalingen” van het Burgerlijk Wetboek bepaalt het ontworpen artikel 1.3 in lid 1 dat de rechtshandeling de wilsuiting is waarbij een of meer personen de bedoeling hebben om rechtsgevolgen de doen ontstaan. In lid 2 wordt m.b.t. tot die rechtshandelingen in het algemeen bepaald dat er niet kan worden afgeweken van de openbare orde: Bijgevolg moet elke rechtshandeling een geoorloofd voorwerp en een geoorloofde oorzaak hebben” (Parl.St. Kamer 2020-2021, nr. 55-1805/001, p. 30).
(5)Het openbare orde karakter van de erkenning werd bij de totstandkoming van de wet van 19 september 2017 die de artikelen 330/1 en volgende in het burgerlijk wetboek heeft ingevoegd benadrukt. dat “artikel 330/1 van openbare orde is: de frauduleuze erkenning is immers in strijd met de openbare orde.”
(6)F. SWENNEN, Het personen- en familierecht, Antwerpen, Intersentia, 2021, nr. 750; P. SENAEVE, Handboek familieprocesrecht, Mechelen, Kluwer, 2020, 814, nr. 1293.
(7)Parl.St. Senaat 1984-1985, nr. 904-2, p. 101-102; zie GwH 19 maart 2015, nr. 38/2015, B.6.1
(8)GwH 25 september 2014, nr. 139/2014, B.30.2; GwH 19 maart 2015, nr. 38/2015, B.7.2.
(9)Cass. 30 september 2021, AR C.21.0002.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210930.1N.10, AC 2021, nr. 602; Cass. 22 januari 2021, AR C.19.0605.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210122.1N.42, AC 2021, nr. 54; Cass. 14 maart 2008, C.05.0380.F ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080314.2, AC 2008, nr. 181.
(10)Cass. 18 maart 1988, AR nr. 5627, AC 1988, nr. 451; zie ook S. STIJNS, Leerboek verbintenissenrecht, 1, Brugge, die Keure, 2015, 120, nr. 151; P. WÉRY, Droit des obligations, 1, Brussel, Larcier, 2021, 309, nr. 304; Cass. 14 oktober 1983, RW 1983-84, 1555.
(11)W. VAN GERVEN en A. VAN OEVELEN, Verbintenissenrecht, Leuven, Acco, 2015, 143.
(12)Cass.14 november 2005, AR C.04.0084.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051114.4, AC 2005, nr. 592.
(13)I. CLAEYS en T. TANGHE, Algemeen contractenrecht, Antwerpen, Intersentia, 2021, 243-244, nrs. 306 en 307; A. LENAERTS, Fraus omnia corrumpit in het privaatrecht, Brugge, die Keure, 2013, nr. 344; W. VAN GERVEN en A. VAN OEVELEN, Verbintenissenrecht, Leuven, Acco, 2015, 82-83.
(14)Zie artikel 146bis Oud BW.
(15)P. SENAEVE, “Art. 330/1 Oud BW” in Personen- en familierecht, Bijzondere commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, 2021, nr. 11; N. VAN DAMME, “Verbintenissenrecht – Wetsontduiking in het privaatrecht” in Verbintenissenrecht, Bijzondere commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, 2020, 51-54, nr. 37.
(16)N. VAN DAMME, Wetsontduiking, Antwerpen, Intersentia, 2020, nr. 432.
(17)Zoals de appelrechter terecht vaststelt nog niet van toepassing op het geschil dat thans voorligt.
(18)Adv. RvS nr. 60.382/2 van 9 januari 2017, Parl.St. Kamer 2016-17, nr. 54-2529/0001, 61; zie P. SENAEVE, “De bestrijding van frauduleuze erkenningen. Commentaar bij de wet van 19 september 2017. Deel I. Civielrechtelijke aspecten”, T.Fam. 2018, 109, nr. 58.
(19)zie A. LENAERTS, Fraus omnia corrumpit in het privaatrecht, Brugge, die Keure, 2013, nr. 344 in fine.
(20)N. VAN DAMME, Wetsontduiking, Antwerpen, Intersentia, 2020, 617-618, nr. 432.
(21)A. LENAERTS, Fraus omnia corrumpit in het privaatrecht, Brugge, die Keure, 2013, nr. 344 in fine.
(22)S. STIJNS, Leerboek verbintenissenrecht, 1, Brugge, die Keure, 2015, 41, nr. 50 en 119, nr. 150.
(23)I. CLAEYS en T. TANGHE, Algemeen contractenrecht, Antwerpen, Intersentia, 2021, 502, nr. 680; L. CORNELIS, Openbare orde, Antwerpen, Intersentia, 2019, 926, nr. 5.326.
(24)E. DE BOCK, “Nietigverklaring schijnhuwelijk na echtscheiding”, NjW 2017, 92, nr. 13; F. SWENNEN, Het personen- en familierecht, Antwerpen, Intersentia, 2021, nr. 456.
(25)T. VANSWEEVELT en B. WEYTS, Handboek verbintenissenrecht, Antwerpen, Intersentia, 2019, 256, nr. 401.
(26)Zie P. SENAEVE, Handboek familieprocesrecht, Mechelen, Kluwer, 2020, 913, nr. 1547.
(27)I. CLAEYS en T. TANGHE, Algemeen contractenrecht, Antwerpen, Intersentia, 2021, 516, nr. 696.
(28)T. VANSWEEVELT en B. WEYTS, Handboek verbintenissenrecht, Antwerpen, Intersentia, 2019, 242, nr. 381; P. WÉRY, Droit des obligations, 1, Brussel, Larcier, 2021, 332, nr. 316. Wetsvoorstel houdende Boek 5 ‘Verbintenissen’ van het Burgerlijk Wetboek ingediend bij de Kamer van volksvertegenwoordigers op 24 februari 2021, MvT, Parl.St., Kamer, 2020-2021, nr. 55-1806/001, p. 73.
(29)T. VANSWEEVELT en B. WEYTS, Handboek verbintenissenrecht, Antwerpen, Intersentia, 2019, 242, nr. 38.
(30)T. VANSWEEVELT en B. WEYTS, Handboek verbintenissenrecht, Antwerpen, Intersentia, 2019, 242, nr. 38. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220310.1N.5 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220310.1N.5 citeert: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051114.4 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080314.2 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210122.1N.42 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210930.1N.10 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241004.1N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.