← België

E. contra DYLISA STORE bv

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 04 april 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220404.3N.3 Rolnummer: S.20.0025.N Zaak: E. contra DYLISA STORE bv Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2022-05-25 Raadplegingen: 444 - laatst gezien 2026-06-14 03:56 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220404.3N.3 Fiches 1 - 2 Het begrip moederschap in artikel 4, § 1, van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen, betekent niet het moeder zijn in het algemeen, maar heeft slechts specifiek betrekking op de periode onmiddellijk na de bevalling gedurende dewelke de biologische gesteldheid van de vrouw en de bijzondere relatie met het kind wordt beschermd; bijgevolg valt een probleem van kinderopvang niet onder moederschap in de zin van voormeld artikel 4, § 1

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - ALLERLEI Vrije woorden: Discriminatieverbod - Slachtoffer van discriminatie - Ongunstige of nadelige behandeling - Moederschap - Begrip - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen - 10-05-2007 - Art. 4, § 1 - 36 ELI link Pub nr 2007002098 Thesaurus CAS: ARBEID - VROUWEN Vrije woorden: Discriminatieverbod - Slachtoffer van discriminatie - Ongunstige of nadelige behandeling - Moederschap - Begrip - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen - 10-05-2007 - Art. 4, § 1 - 36 ELI link Pub nr 2007002098 Annotaties Publicaties: RABG-Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent - 2022, nr. 14-15, p. 1024-
  1. - VAN HOORDE, Eva; Noot'Kinderopvang, geen zaak van alleen moeders' RW-Rechtskundig weekblad - 2023, nr. 36, p. 1425-
  2. - VAN DE CALSEYDE, Tony; Noot'Over het uitdijend verbod van geslachtsdiscriminatie' Tekst van de conclusie S.20.0025.N Conclusie van advocaat-generaal Vanderlinden:
  3. Eisers tot cassatie komen op tegen de arresten van het Arbeidshof te Brussel, gewezen op 15 januari 2019 en 10 september
  4. Door eisers wordt er één middel aangevoerd.
  5. Probleemstelling. De problematiek in huidige zaak betreft de invulling van het begrip “moederschap” zoals dit aan te treffen is in artikel 4, §1 van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen (hierna Genderwet). In concreto stelt zich de vraag of de bescherming desbetreffend zich tevens uitstrekt tot de aspecten die betrekking hebben op kinderlast/kinderopvang. De appelrechters oordelen dat dit niet het geval is daar de moederschapsbescherming betrekking heeft op de bescherming van de biologische gesteldheid van de vrouw en de bijzondere relatie met het kind tijdens de zwangerschap, de bevalling, de lactatie en het zwangerschapsverlof.
  6. Beoordeling. a. Wat betreft het eerste onderdeel. Dit onderdeel betreft het aspect rechtstreekse discriminatie. De beslissing van de werkgever om tot ontslag over te gaan was het gevolg van een kinderopvangprobleem. Eisers voeren aan dat dit inherent is aan “moederschap” hetgeen een beschermd criterium is zodat er sprake is van directe discriminatie. De Genderwet betreft de omzetting van diverse Europese Richtlijnen die de gelijke behandeling tussen vrouwen en mannen tot doel hebben. Het betreft meer in het bijzonder de bestrijding van discriminatie. In artikel 2 van deze wet wordt een overzicht gegeven van de Richtlijnen die worden omgezet
(1). De bescherming die voortvloeit uit deze richtlijnen is derhalve de eerste maatstaf die dient gehanteerd te worden. Immers de nationale regelgeving dient Richtlijnconform te worden geïnterpreteerd. De eerste vraag is dan ook wat de strekking is van de Europese regelgeving betreffende het moederschap. Een tweede vraag, in subsidiaire orde zo de Europese norm niet een dergelijke bescherming omvat, is of deze ruimere bescherming dan eventueel voortvloeit uit de Genderwet zelf. Immers, een Richtlijn voorziet enkel in een minimum beschermingsdrempel. Dit staat de lidstaten evenwel niet in de weg om een ruimere bescherming op te nemen in hun nationale regelgeving. Een en ander blijkt uit artikel 27.1 van Richtlijn 2006/54. In eerste instantie bekijken we de Europese regelgeving. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie blijkt dat de bescherming “moederschap” niet de strekking heeft die eisers in aanmerking nemen. Niettegenstaande, in casu, enkel “moederschap” aan de orde is, worden de aspecten “zwangerschap en moederschap” bij de bespreking in aanmerking genomen gelet op het feit dat de samenhang tussen deze beide beschermingscriteria zijn relevantie heeft voor het bepalen van de uitgestrektheid in de tijd van het beschermde criterium “moederschap”. Inzake de bescherming van „zwangerschap en moederschap" stelt het Hof van Justitie dat men hiermee enerzijds de bescherming van de biologische gesteldheid van de vrouw tijdens en na de zwangerschap wil verzekeren tot op het ogenblik waarop haar fysiologische en psychische functies zich van de bevalling hebben hersteld, en anderzijds de bijzondere relatie tussen moeder en kind wil beschermen, en verstoring van die relatie door cumulatie van lasten als gevolg van gelijktijdige beroepsuitoefening wil voorkomen
(2). Wanneer het gaat over deze bijzondere relatie wordt door het Hof van Justitie dit tijdvak bepaald als “tijdens de periode na de zwangerschap en de bevalling”
(3). Dit heeft tot doel dat de moeder de mogelijkheid heeft om na de bevalling zelf voor haar kind te zorgen
(4). Dit betreft het beschermingscriterium “moederschap”. Uit de rechtspraak blijkt duidelijk dat de bescherming handelt over de aaneenschakeling van de diverse fases van zwangerschap en moederschap waarbij de ene naadloos aansluit op de andere. De bescherming van het moederschap betreft dus de fase die onmiddellijk volgt op deze van de bevalling. Dit naadloos op elkaar aansluiten van de verschillende periodes sluit derhalve uit dat de bescherming “moederschap” zich in de tijd uitstrekt en zich identificeert met “ouderschap”, want bij “kinderopvang” gaat het inderdaad om “ouderschap” en niet meer om de mogelijkheid van de moeder om zelf voor haar kind te zorgen in de periode onmiddellijk na de bevalling. Het criterium “ouderschap” situeert zich in een andere fase/tijdvak dan wanneer men het heeft over de bescherming van de bijzondere relatie tussen moeder en kind. Uit de Europese regelgeving volgt derhalve dat de bescherming van het moederschap niet het aspect kinderopvang omvat. Stelt zich vervolgens de vraag of artikel 4, §1 van de Genderwet een ruimere toepassing heeft dan deze die in aanmerking genomen wordt door de Europese regelgeving. Want, zoals hoger gesteld, verzet deze er zich, in principe, niet tegen dat een ruimere bescherming wordt gegeven. Er moet worden opgemerkt worden dat noch uit de wettekst zelf, noch uit de parlementaire werkzaamheden bij de totstandkoming van de Genderwet, zoals ze in deze van toepassing is, blijkt dat de toenmalige regelgever inzake moederschap een ruimere bescherming voor ogen had dan deze die voortvloeit uit de Europese regels en de interpretatie desbetreffend door het Hof van Justitie. Inderdaad uit de parlementaire werkzaamheden blijkt dat de regelgever is overgegaan tot het getrouw overzetten van de verplichtingen die voortvloeien uit de Europese regelgeving zonder enige toevoeging wat betreft de omvang/verruiming van deze bescherming
(5). De beschermingsgronden van artikel 4 maakten niet het voorwerp uit van enige bespreking
(6)of amendement dat als een vingerwijzing in die zin kan worden begrepen. De wet van 4 februari 2020 tot wijziging van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen wat het discriminatieverbod op vaderschap of meemoederschap is in deze niet van toepassing, maar ik neem ze volledigheidshalve in ogenschouw. In de huidige stand van de regelgeving geniet de biologische moeder een ruimere bescherming dan deze die oorspronkelijk voorzien was in de Genderwet. Uit de wet van 2020 blijkt dat de verruiming van de discriminatiegronden, door de hier relevante categorieën van “vaderschap of meemoederschap”, tot gevolg heeft dat de beschermingsgrond moederschap wordt verruimd. De verruiming in hoofde van de biologische moeder vloeit voort uit het doel dat de nieuwe regelgeving heeft. Namelijk, dat door het voorzien van “vaderschap of meemoederschap” als beschermingsgronden in artikel 4 van de Genderwet, de beschermden in de mogelijkheid worden gesteld om zorgtaken op te nemen in het gezin
(7)zonder dat ze op deze grond kunnen worden gediscrimineerd. Hierdoor wordt in het beschermingsschema een tweede accent gelegd, te weten zorgtaken in het gezin. Dit tweede accent is evenwel, om voor de hand liggende redenen, vreemd aan de gronden die weerhouden werden voor de bescherming “zwangerschap en moederschap”. Voor wat betreft moederschap onderscheidt zij zich inderdaad van de “bijzondere relatie tussen moeder en kind”. De zorgtaken in het gezin die vervuld worden door de vader of meemoeder situeren zich, in principe, in een latere fase en kunnen zich uitstrekken over een langere periode. Zo men het voorbeeld ouderschapsverlof neemt, dan blijkt dat de toepasselijke regelgeving voorziet dat deze zich uitstrekt in de tijd en moduleerbaar is
(8). De creatie van dit tweede accent heeft evenwel ook tot gevolg dat het beschermingscriterium “moederschap” verruimd wordt want, het voorbeeld van ouderschapsverlof hernemend, dit is ook een recht in hoofde van de biologische moeder. Derhalve door het invoeren van een specifieke bescherming desbetreffend voor de vader/meemoeder creëert de regelgever op dat ogenblik dezelfde rechten in hoofde van de biologische moeder en verruimt men de bescherming. Doch dit heeft slechts plaatsgehad door de wijzigingen die werden ingevoerd door de wet van 2020. Het eerste onderdeel faalt dan ook naar recht. b. Wat betreft het tweede onderdeel. (…) Conclusie: cassatie op het tweede onderdeel. _________________________________________
(1)Door de Richtlijn 2006/54/EG van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (herschikking) werd tot coördinatie overgegaan van de in huidige zaak relevante Richtlijnen.
(2)HvJ, 12 juli 1984, 184/83, ECLI:EU:C:1984:273, Ulrich Hofmann t/ Barner Ersatzkasse, Jur. 1984, 03047, r.o. 25.
(3)HvJ 5 mei 1994, nr. C-421/92, ECLI:EU:C:1994:187, G. Habermann-Beltermann t/ Arbeiterwohlfahrt, Bezirksverband NdB./Opf. e. V., Jur. 1994, I, 1668, r.o. 21; 14 juli 1994, nr. C-32/93, ECLI:EU:C:1994:300, C.L. Webb t/ EMO Air Cargo (UK), Jur. 1994, I, 03567, r.o. 20; HvJ 30 april 1998, nr. C-136/95, ECLI:EU:C:1998:178, Caisse nationale d'assurance vieillesse des travailleurs salariés (CNAVTS)/Evelyne Thibault, Jur. 1998, I, 02011, r.o. 25; HvJ 30 juni 1998, nr. C-394/96, ECLI:EU:C:1998:331, M. Brown t/ Rentokil Initial UK Ltd (voorheen Rentokil Ltd), r.o. 17; HvJ 27 februari 2003, nr. C-320/01, ECLI:EU:C:2003:114, Wiebke Busch en Klinikum Neustadt GmbH & Co. Betriebs-KG, http://curia.eu.int (consultatie (1 oktober 2003)), r.o. 42; zie ook HvJ 18 november 2004, nr. C-284/02, ECLI:EU:C:2004:722, Land Brandenburg t/ Ursula Sass, Jur. 2004, I, 11143, r.o. 32; HvJ 1 februari 2005, ECLI:EU:C:2005:76, Europese Commisse/Republiek Oostenrijk, RW 2005-06, 728, noot K. NEVENS, r.o. 43; HvJ 19 september 2013, nr. C-5/12, ECLI:EU:C:2013:571, Marc Betriu Montull t/ Instituto Nacional de la Seguridad Social (INSS), r.o. 49-50 en 62; HvJ 19 oktober 2017, nr. C-531/15, ECLI:EU:C:2017:789, Elda Otero Ramos t/ Servicio Galego de Saúde, Instituto Nacional de la Seguridad Social, r.o. 61; HvJ 18 november 2020, nr. C-463/19, ECLI:EU:C:2020:932, Syndicat CFTC du personnel de la Caisse primaire d’assurance maladie de la Moselle t/ Caisse primaire d’assurance maladie de Moselle, r.o. 52.
(4)HvJ 18 november 2004, nr. C-284/02, ECLI:EU:C:2004:722, Land Brandenburg t/ Ursula Sass, Jur. 2004, I, 11143, r.o. 32, 52 en 53.
(5)Parl. St., Wetsontwerp, Kamer, Zittijd 51, Doc. 51 2721/001, p. 3, 5, 6, 10, 12 en 37; Parl. St. Verslag, Kamer, Zittijd 51, Doc. 51 2720/009, p. 5 en 18.
(6)Parl. St. Verslag, Kamer, Zittijd 51, Doc. 51 2720/009, p. 93.
(7)Parl. St., Wetsvoorstel, Kamer, Zittijd 55, Doc. 55 0165/001, p. 1 en 6.
(8)K.B. 29 oktober 1997 tot invoering van een recht op ouderschapsverlof in het kader van de onderbreking van de beroepsloopbaan. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220404.3N.3 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220404.3N.3 citeert: ECLI:EU:C:1984:273 ECLI:EU:C:1994:187 ECLI:EU:C:1994:300 ECLI:EU:C:1998:178 ECLI:EU:C:1998:331 ECLI:EU:C:2003:114 ECLI:EU:C:2004:722 ECLI:EU:C:2005:76 ECLI:EU:C:2013:571 ECLI:EU:C:2017:789 ECLI:EU:C:2020:932 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.