← België

D. contra Wooninspecteur van het vlaams gewest

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 07 april 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220407.1N.11 Rolnummer: C.21.0287.N Zaak: D. contra Wooninspecteur van het vlaams gewest Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Overige Invoerdatum: 2022-06-21 Raadplegingen: 537 - laatst gezien 2026-06-18 21:02 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220407.1N.11 Fiches 1 - 2 Het Hof houdt iedere nadere uitspraak aan tot het Benelux-Gerechtshof uitspraak zal hebben gedaan over de volgende vraag: “In geval de dwangsomrechter een bedrag heeft bepaald waarboven de dwangsom niet meer wordt verbeurd, moeten dan de verbeurde, maar verjaarde dwangsommen mee in rekening worden gebracht om te bepalen of het gesteld maximumbedrag van de dwangsom is bereikt?” Thesaurus CAS: BENELUX - PREJUDICIELE GESCHILLEN Vrije woorden: Dwangsom - Bedrag waarboven geen dwangsom kan worden verbeurd - Verbeurde maar verjaarde dwangsommen - Prejudiciële vraag Benelux-Gerechtshof Thesaurus CAS: DWANGSOM Vrije woorden: Prejudicieel geschil - Eenvormige Beneluxwet - Bedrag waarboven geen dwangsom kan worden verbeurd - Verbeurde maar verjaarde dwangsommen - Prejudiciële vraag Benelux-Gerechtshof Tekst van de conclusie C.21.0287.N Conclusie van advocaat-generaal Els Herregodts Situering Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt het volgende.

  1. Bij vonnis gewezen op 24 maart 2015 door de rechtbank van eerste Aanleg Antwerpen (correctionele kamer), werd aan eiser het bevel gegeven om aan zeven onroerende goederen waarvan hij eigenaar was, een andere bestemming te geven, dan wel ze te slopen, dit binnen een termijn van één jaar na de uitspraak van het vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van 150 euro per dag vertraging en met een maximum van 75.000 euro per onroerend goed waarboven geen dwangsom meer zou worden verbeurd. Eiser berustte in voormeld vonnis, dat hem werd betekend op 13 mei
  2. Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 30 mei 2016 werd op verzoek van verweerder aan eiser een bevel betekend tot betaling van 57.900,67 euro aan verbeurde dwangsommen voor de periode van 24 maart 2016 tot 27 mei 2016, meer diverse uitvoeringskosten. In het bevel werd aanspraak gemaakt op een dwangsom van 150 euro per dag vertraging in het herstel van de gebreken aan zes van de zeven onroerende goederen van eiser. De verbeurde dwangsommen werden als volgt becijferd: 64 dagen x 150 euro x 6 onroerende goederen.
  3. Bij notariële akte verleden op 3 oktober 2016 verkocht eiser vijf van de zeven onroerende goederen.
  4. Met een (tweede) bevel tot betaling betekend aan eiser op 28 oktober 2016, werd deze aangemaand over te gaan tot betaling van 75.474,75 euro, met name van verbeurde dwangsommen voor de periode van 24 maart 2016 tot 27 oktober 2016, aan 150 euro “per dag vertraging tot het herstel van de gebreken” aan zes van de zeven onroerende goederen, meer uitvoeringskosten. De verbeurde dwangsommen werden becijferd als volgt: 217 dagen x 150 euro x zes onroerende goederen, “doch beperkt tot het maximum van 75.000 euro”.
  5. Bevel tot betaling werd vervolgens aan eiser betekend op 25 januari, 20 juni en 22 november 2017, op 18 april en 18 september 2018, op 21 februari, 22 juli en 18 december 2019, alsmede op 26 mei
  6. Met ingang van het bevel tot betaling van 25 januari 2017 werd de beperking tot het maximum van 75.000 euro voor de verschillende onroerende goederen samen, niet hernomen.
  7. Op 25 juli 2019 werd door verweerder uitvoerend beslag onder derden gelegd ten laste van eiser, in handen van notaris K. Ducatteeuw, voor een som van 226.725,46 euro aan verbeurde dwangsommen, meer uitvoeringskosten

(1). In zijn verklaring van derde-beslagene verklaarde de notaris in het bezit te zijn van een som van 225.079,87 euro, ingevolge de verkoop van onroerende goederen bij authentieke akte verleden op 3 oktober
  1. Door eiser werd op 8 augustus 2019 verzet aangetekend tegen voormeld uitvoerend beslag onder derden. Eiser vorderde de opheffing van het beslag ten belope van de “verjaarde som van 201.300 euro” en dat voor recht zou worden gezegd dat de derde-beslagene met het gelegde beslag geen rekening zou mogen houden voor een bedrag van 201.300 euro aan verjaarde dwangsommen en voor 2.129.16 euro aan uitvoeringskosten. Het verzet van eiser werd bij beschikking van 28 januari 2020, gewezen door de beslagrechter in de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, ongegrond verklaard. Eiser tekende bij het hof van beroep van Antwerpen hoger beroep aan tegen de voormelde beschikking en vorderde de opheffing van het uitvoerend derdenbeslag ten belope van 121.200 euro, gelet op de verjaring van de dwangsommen voor een overeenkomstig bedrag. Eiser verwees naar een arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 1 juli
  2. In ondergeschikte orde vorderde eiser dat de appelrechters een prejudiciële vraag zouden stellen aan het Benelux-Gerechtshof.
  3. Het hoger beroep van eiser werd bij arrest gewezen op 16 november 2020 door het hof van beroep Antwerpen ongegrond verklaard, nadat de appelrechters oordeelden dat er geen enkele reden is om het Benelux-Gerechtshof een prejudiciële vraag voor te leggen, dat de verwijzing door eiser naar het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 1 juli 1994 door de eerste rechter terecht als niet ter zake doend werd afgewezen en dat het gegeven dat in het tweede bevel tot betaling ten onrechte gewag werd gemaakt van een beperking tot 75.000 euro, niet heeft kunnen beletten dat het maximum van 450.000 euro (aan te verbeuren dwangsommen) nog zou worden bereikt, zodat het in die omstandigheden voor de beoordeling van het verzet niet van belang is dat de (verjaring)stuitende werking van het tweede bevel tot betaling beperkt werd tot het bedrag aan dwangsommen waarop tot op de dag van betekening van dat bevel ook effectief aanspraak werd gemaakt in dat exploot. De bestreden beschikking van 28 januari 2020 werd in zijn beschikkend gedeelte bevestigd.
  4. Met een mijns inziens tijdige en regelmatige voorziening in cassatie komt eiser met één middel, met twee onderdelen, op tegen het arrest van 16 november 2020 van het hof van beroep van Antwerpen. Bespreking Eerste onderdeel
  5. De grief van eiser luidt dat de appelrechters bij de berekening van het in het vonnis van 24 maart 2015 bepaalde maximumbedrag waarboven de dwangsom niet kan worden verbeurd, ten onrechte geen rekening hebben gehouden met het bedrag aan dwangsommen dat is verbeurd in de periode van 24 maart 2016 tot 27 oktober 2016, waarop de eiser geen aanspraak meer kan maken ingevolge de verjaring daarvan. Volgens eiser dient de rechter, bij de beoordeling of het maximumbedrag waarboven geen dwangsommen meer worden verbeurd, alle verbeurde dwangsommen in aanmerking te nemen, met name ook deze die verjaard blijken te zijn. Eiser voert een schending aan door de appelrechters van: - de artikelen 1385ter en 1385octies, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek; - Artikel 2244 Oud Burgerlijk Wetboek.
  6. Artikel 1385ter Gerechtelijk Wetboek, dat overeenstemt met artikel 2 van de Eenvormige Beneluxwet betreffende de dwangsom, zoals goedgekeurd bij wet van 31 januari 1980, bepaalt dat de rechter de dwangsom kan vaststellen hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid of per overtreding. In de laatste twee gevallen kan de rechter eveneens een bedrag bepalen waarboven geen dwangsom meer verbeurd wordt. Krachtens artikel 1385octies Gerechtelijk Wetboek, dat overeenstemt met artikel 7, lid 1, van de Eenvormige Beneluxwet betreffende de dwangsom, verjaart een dwangsom door verloop van zes maanden na de dag waarop ze is verbeurd. Artikel 2244 Oud Burgerlijk Wetboek bepaalt dat een dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling, een aanmaning tot betaling als bedoeld in artikel 1394/21 Gerechtelijk Wetboek, of een beslag, betekend aan hem die men wil beletten de verjaring te verkrijgen, burgerlijke stuiting vormen.
  7. Artikel 4, §1, van de Gemeenschappelijke memorie van toelichting bij de Eenvormige Beneluxwet betreffende de dwangsom luidt als volgt: “Teneinde een uniforme interpretatie van de bepalingen van de Overeenkomst en van de eenvormige wet te waarborgen, wordt in artikel 4 aan het Benelux Hof de rechtsprekende en adviserende bevoegdheid verleend als bedoeld in de hoofdstukken III en IV van het op 31 maart 1965 te Brussel ondertekende Verdrag betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof. Op deze wijze wordt met name voor die gevallen, waarin een nationale rechter zou twijfelen over de aan een bepaling van de eenvormige wet te geven uitleg, de mogelijkheid geschapen en in bepaalde gevallen zelfs de verplichting opgelegd een vraag van uitleg aan het Hof voor te leggen. (…)” De paragrafen 3 en 4 van artikel 4 van de Gemeenschappelijke memorie van toelichting bij de Eenvormige Beneluxwet betreffende de dwangsom luiden als volgt: “Men kan zich afvragen of het voordeel van het bevoegd verklaren van het Benelux-Gerechtshof – te weten het bevorderen van de eenheid van uitleg – wel opweegt tegen het daaraan inherente bezwaar dat rechtsgedingen kostbaarder en langduriger worden. De Regeringen zijn evenwel van oordeel dat aan het belang van eenheid van uitleg zoveel waarde moet worden gehecht, dat het wenselijk is het Hof bevoegdheid te verlenen t.a.v. de door de Overeenkomst en de eenvormige wet bestreden rechtsregels. (…)” Artikel 6 van het Verdrag van 31 maart 1965 betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof, zoals goedgekeurd bij Wet van 18 juli 1969 en gewijzigd bij Wet van 28 mei 1986, en zoals gewijzigd en aangevuld door het Protocol van 10 juni 1981, het Protocol van 23 november 1984 en het Protocol van 15 oktober 2012, bepaalt: “HOOFDSTUK III. BEVOEGDHEID A. VRAGEN BETREFFENDE DE UITLEG VAN RECHTSREGELS Artikel 6
  8. In de hierna omschreven gevallen neemt de Eerste Kamer bedoeld in artikel 4quinquies kennis van vragen betreffende de uitleg van rechtsregels, bedoeld in artikel 1, voor zover deze zijn gerezen in zaken aanhangig bij een rechtscollege van één der drie landen dat zitting houdt binnen het grondgebied in Europa.
  9. Wanneer blijkt, dat een uitspraak in één voor een nationaal rechtscollege aanhangige zaak medebrengt de beantwoording van een vraag van uitleg van een in artikel 1 bedoelde rechtsregel, kan dat rechtscollege, indien het van mening is dat een beslissing op dit punt noodzakelijk is om vonnis te kunnen wijzen, ook ambtshalve zijn definitieve uitspraak opschorten teneinde een beslissing van het Hof over de vraag van uitleg uit te lokken.
  10. Indien aan de voorwaarden, omschreven in het voorgaande lid is voldaan, is een nationaal rechtscollege, tegen de uitspraken waarvan krachtens het nationale recht geen beroep kan worden ingesteld, verplicht de vraag van uitleg aan het Hof voor te leggen.
  11. Het in lid 2 of lid 3, bedoelde rechtscollege zal dit echter niet doen: 1° indien het van oordeel is, dat er redelijkerwijze geen twijfel kan bestaan omtrent het antwoord op de gerezen vraag van uitleg; 2° indien de zaak wegens haar spoedeisend karakter geen uitstel gedoogt. Voorts kan het rechtscollege nalaten de vraag van het Hof voor te leggen, indien het zich verenigt met een reeds eerder door het Hof in een andere zaak of bij een advies omtrent die vraag van uitleg gegeven beslissing of advies.
  12. De beslissing waarbij uitleg wordt gevraagd omschrijft de feiten, waarop de door het Hof te geven uitleg moet worden toegepast. (…)”
  13. Het middel doet de vraag rijzen of verjaarde dwangsommen al dan niet moeten meegerekend worden om vast te stellen of een door de rechter bepaald bedrag waarboven geen dwangsom meer verbeurd wordt, is bereikt. Het antwoord op deze vraag lijkt mij, anders dan de appelrechters oordeelden, noodzakelijk voor de beoordeling van het verzet van eiser tegen het uitvoerend derdenbeslag waartoe door verweerder werd overgegaan. Het Benelux-Gerechtshof heeft de vraag die in deze zaak aan de orde is en die een uitleg vergt van artikel 2 van de Eenvormige Wet betreffende de dwangsom, niet eerder beantwoord. Het komt mij echter voor dat er redelijkerwijze geen twijfel kan bestaan omtrent het antwoord op de gerezen vraag, met name dat deze vraag positief dient te worden beantwoord of met andere woorden dat verjaarde dwangsommen moeten meegerekend worden om vast te stellen of een door de rechter bepaald bedrag waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd, is bereikt. Het maximum waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd (artikel 1395ter Gerechtelijk Wetboek) heeft geen betrekking op de dwangsommen die worden ingevorderd, maar op de dwangsommen die verbeuren
(2), wat in beginsel overeenstemt met het bedrag dat de schuldeiser kan invorderen, tenzij hij de dwangsom laat verjaren. Mijns inziens en in lijn met hetgeen door de Hoge Raad der Nederlanden met het arrest van 1 juli 1994
(3)werd geoordeeld, verbeuren er geen dwangsommen meer zodra het door de rechter bepaalde maximum aan dwangsommen is bereikt, dit ongeacht de eventuele verjaring van de reeds verbeurde dwangsommen. Zoals door Advocaat-generaal J. Vranken werd geconcludeerd voor het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 1 juli 1994, zou hier anders over oordelen “(niet stroken) met het instituut van de dwangsom, nu zulks zou leiden tot onzekerheid voor de schuldenaar die is overgeleverd aan de tactiek, grillen of luimen van de schuldeiser”
(4). Dat het door de rechter bepaalde maximum betrekking heeft op het bedrag aan dwangsommen die worden verbeurd – ongeacht of die dwangsommen verjaard zijn – blijkt mijns inziens tevens uit de vaststelling dat de rechter het maximumbedrag ook kan bepalen door het opleggen van een termijn waarbinnen de dwangsom zal verbeuren. Zodra die termijn verstreken is (en men dus eigenlijk aan een bepaald maximumbedrag komt), verbeuren er geen dwangsommen meer (en kan men aldus slechts de verbeurde dwangsommen invorderen die op dat ogenblik nog niet verjaard zijn). Ik meen dat de bevestiging hiervan te vinden is in een arrest van het Hof van 31 januari 1995: “Overwegende dat de appelrechters, na te hebben overwogen dat de veroordeling van verweerder tot een dwangsom van vijfduizend frank per dag “in de tijd beperkt wordt tot 3 maanden nu dit in billijkheid en in redelijkheid volstaat om de rechten van (eiser) te vrijwaren”, het beroepen vonnis bevestigen mits de “veroordeling tot betaling van een dwangsom (...) geldt gedurende een termijn van 3 maanden”; Dat de appelrechters aldus een dwangsom vaststellen op een bedrag per tijdseenheid; dat zij door dit bedrag van vijfduizend frank per dag te beperken tot drie maanden, met toepassing van artikel 1385ter van het Gerechtelijk Wetboek, een bedrag bepalen waarboven geen dwangsom meer verbeurd wordt”
(5). Deze termijn wordt niet verlengd doordat de schuldeiser dwangsommen heeft laten verjaren. In casu was op het ogenblik van de betekening van het tweede bevel tot betaling aan eiser, het door de rechter bepaalde maximum van 75.000 euro per onroerend goed nog niet bereikt. De dwangsommen bleven aldus ook na de betekening van het tweede bevel verder verbeuren. Verweerder heeft echter met de betekening van het tweede bevel tot betaling slechts de verjaring gestuit van dwangsommen die zijn verbeurd ten belope van 75.000 euro, hoewel op dat ogenblik reeds dwangsommen voor een hoger bedrag (met name 195.300 euro) waren verbeurd. Daar waar verweerder voor de periode van 24 maart 2016 tot 27 oktober 2016 slechts 75.000 euro kan invorderen, moet voor het te bereiken maximum rekening worden gehouden met het totale bedrag aan verbeurde dwangsommen, met inbegrip van de dwangsommen die verweerder heeft laten verjaren. Bijgevolg kan verweerder het maximum te verbeuren bedrag van 450.000 euro niet meer invorderen, aangezien hij een deel van de verbeurde dwangsommen heeft laten verjaren
(6). De appelrechters die anders oordelen, verantwoorden mijns inziens hun beslissing niet naar recht. 14. Mocht het Hof oordelen dat niet kan gesteld worden dat er redelijkerwijze geen twijfel kan bestaan omtrent het antwoord op de gerezen vraag of dat er nood bestaat aan eenheid van uitleg die zou gelden voor de drie Benelux-lidstaten, meen ik dat, gelet op artikel 6.1, 6.2 en 6.3 van het Verdrag van 31 maart 1965 betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof, de prejudiciële vraag dient gesteld te worden aan het Benelux-Gerechtshof of het artikel 2 van de Eenvormige Beneluxwet betreffende de dwangsom zo moet worden uitgelegd dat verbeurde maar verjaarde dwangsommen mee dienen gerekend te worden om vast te stellen of een door de rechter bepaald bedrag waarboven geen dwangsom meer verbeurd wordt, is bereikt. Conclusie: Vernietiging van het bestreden arrest. In de hypothese dat het Hof oordeelt dat niet kan gesteld worden dat er redelijkerwijze geen twijfel kan bestaan omtrent het antwoord op de gerezen vraag of dat er nood bestaat aan eenheid van uitleg die zou gelden voor de drie Benelux-lidstaten: aanhouden van iedere nadere uitspraak tot het Benelux-Gerechtshof zal uitspraak hebben gedaan over de vraag “Moet artikel 2 van de Eenvormige Beneluxwet betreffende de dwangsom zo worden uitgelegd dat verbeurde maar verjaarde dwangsommen mee dienen gerekend te worden om vast te stellen of een door de rechter bepaald bedrag waarboven geen dwangsom meer verbeurd wordt, is bereikt?” _____________________________________________
(1)450.000 euro, hetzij 75.000 euro x 6 onroerende goederen, meer de uitvoeringskosten van 4.670,76 euro en de inningsrechten van 135,81 euro, verminderd met reeds uitgevoerde betalingen ten belope van 228.081,11 euro.
(2)K. WAGNER, Dwangsom in APR, Antwerpen, Kluwer, 2003, 35-37, nrs 35-36; Gemeenschappelijke memorie van toelichting bij de Eenvormige Beneluxwet betreffende de dwangsom: “In bepaalde omstandigheden, welke ter beoordeling van de rechter moeten worden gelaten, kan het evenwel noodzakelijk zijn een maximum bedrag vast te stellen om het instituut van de dwangsom niet in diskrediet te brengen, namelijk indien de dwangsom een astronomische hoogte zou bereiken, die vermoedelijk niet zonder nadeel voor andere schuldeisers, vooral voor degenen die een onderhoudsuitkering van de schuldenaar te vorderen hebben, zou kunnen worden ingevorderd”, Parl.St. Kamer 1977-78, nr. 353/1, p. 18.
(3)HR 1 juli 1994, NJ 1994, nr. 669, met concl. van advocaat-generaal J. VRANKEN en noot H.E.R.
(4)Concl. van advocaat-generaal J. VRANKEN, voor HR 1 juli 1994, NJ 1994, nr. 669.
(5)Cass. 31 januari 1995, AR P.93.1138.N ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950131.2, AC 1995, nr. 56.
(6)L. BALLON, “De verjaring van de dwangsom”, TBH 1988,
(4)8: “Is aan de aldus te verbeuren dwangsommen een maximumbedrag gesteld, dat als het bereikt wordt, het verder verbeuren van de dwangsom doet ophouden, ook indien de hoofdveroordeling dan nog niet werd nagekomen, dan zal, vanaf het ogenblik dat dit bedrag werd bereikt en indien de schuldeiser erop lette dat intussen geen van de deelbedragen verjaarde die dit maximumbedrag samenstellen, de situatie identiek zijn aan de hypothese dat de dwangsom op een bedrag ineens werd vastgesteld”. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220407.1N.11 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220407.1N.11 gevolgd door: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240627.1N.9 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240627.1N.9 citeert: ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950131.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.