← België

A.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 19 april 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220419.2N.11 Rolnummer: P.21.1232.N Zaak: A. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Unierecht - Sociale-zekerheidsrecht - Arbeidsrecht - Overige - Internationaal publiekrecht - Strafrecht - Bestuursrecht - Burgerlijk recht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2022-05-12 Raadplegingen: 1751 - laatst gezien 2026-06-18 23:22 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220419.2N.11 Fiches 1 - 3 Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak C-17/19 (Bouyges travaux publics, Elco construct Bucarest, Welbond armatures) van 14 mei 2020 volgt dat moet worden onderzocht of de Belgische regelgever met de Dimona-aangifteplicht enkel een socialezekerheidsrechtelijke doelstelling heeft dan wel of hij daarnaast ook beoogt de doeltreffendheid van de door de bevoegde nationale autoriteiten uitgevoerde controles te waarborgen om ervoor te zorgen dat de in het arbeidsrecht vastgestelde arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden worden nageleefd

(1).
(1)Zie andersluidende concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALGEMEEN Vrije woorden: Verordeningen EU 1408/71 en 883/2004 - Buitenlandse werknemers met een A1-attest - Coördinatie van de sociale zekerheid - Dimona-aangifteplicht - Naleving van arbeidsvoorwaarden - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: KB 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstels - 05-11-2002 - 42 ELI link Pub nr 2002022901 Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Vrije woorden: Verordeningen EU 1408/71 en 883/2004 - Buitenlandse werknemers met een A1-attest - Coördinatie van de sociale zekerheid - Dimona-aangifteplicht - Naleving van arbeidsvoorwaarden - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: KB 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstels - 05-11-2002 - 42 ELI link Pub nr 2002022901 Thesaurus CAS: ARBEID - ARBEIDSBESCHERMING Vrije woorden: Verordeningen EU 1408/71 en 883/2004 - Werknemers - Buitenlandse werknemers met een A1-attest - Coördinatie van de sociale zekerheid - Dimona-aangifteplicht - Naleving van arbeidsvoorwaarden - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: KB 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstels - 05-11-2002 - 42 ELI link Pub nr 2002022901 Fiches 4 - 6 Artikel 4 KB Dimona van 5 november 2002 verplicht de werkgever aan de instelling die belast is met de inning van de socialezekerheidsbijdragen een aantal gegevens mee te delen betreffende de werkgever, de werknemer en zijn tewerkstelling en geeft uitlegging aan artikel 38 Wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels; die regeling heeft in elk geval tot doel te waarborgen dat de betrokken werknemers bij een van de takken van het socialezekerheidsstelsel zijn aangesloten en dus de naleving van de wetgeving ter zake te verzekeren; de Sociale documentenwet verplicht de werkgever bepaalde sociale documenten bij te houden; die wet beperkt de controledoelstelling van die documenten niet tot specifieke sociale wetten; bijgevolg is het personeelsregister dat met deze wet wordt verplicht gesteld, bedoeld om zowel de toepassing van de sociale wetten betreffende de sociale zekerheid als die betreffende het arbeidsrecht met inbegrip van de arbeidsreglementering te controleren
(1).
(1)Zie andersluidende concl. OM. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Vrije woorden: Dimona-aangifteplicht - Plicht tot het bijhouden van sociale documenten - Personeelsregister - Controle op de tewerkstelling en arbeidsreglementering - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels - 26-07-1996 - Art. 38 - 31 ELI link Pub nr 1996021237 KB 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstels - 05-11-2002 - Art. 4 - 42 ELI link Pub nr 2002022901 Thesaurus CAS: ARBEID - ARBEIDSBESCHERMING Vrije woorden: Werknemers - Dimona-aangifteplicht - Plicht tot het bijhouden van sociale documenten - Personeelsregister - Controle op de tewerkstelling en arbeidsreglementering - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels - 26-07-1996 - Art. 38 - 31 ELI link Pub nr 1996021237 KB 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstels - 05-11-2002 - Art. 4 - 42 ELI link Pub nr 2002022901 Thesaurus CAS: ARBEID - SOCIALE DOCUMENTEN Vrije woorden: Werknemers - Dimona-aangifteplicht - Plicht tot het bijhouden van sociale documenten - Personeelsregister - Controle op de tewerkstelling en arbeidsreglementering - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels - 26-07-1996 - Art. 38 - 31 ELI link Pub nr 1996021237 KB 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstels - 05-11-2002 - Art. 4 - 42 ELI link Pub nr 2002022901 Fiches 7 - 9 Uit de artikel 4, § 1, 1., en 4, § 1bis Sociale Documentenwet en art. 3, § 1 KB van 8 augustus 1980 betreffende het bijhouden van sociale documenten volgt dat de Dimona-aangifteplicht het bijhouden van een personeelsregister vervangt; daaruit moet worden afgeleid dat de regelgever met de invoering van de Dimona-aangifteplicht niet uitsluitend beoogt te verzekeren dat de betrokken werknemers zouden zijn aangesloten bij een sociaalzekerheidsstelsel en de naleving van de ter zake geldende regelgeving, maar daarnaast en dus bijkomend ook als doel heeft de doeltreffendheid te waarborgen van de door de bevoegde nationale autoriteiten uitgevoerde controles betreffende de in het arbeidsrecht vastgestelde arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden
(1).
(1)Zie andersluidende concl. OM. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Vrije woorden: Dimona-aangifteplicht - Aansluiting van de werknemer bij de sociale zekerheid - Arbeidsvoorwaarden en omstandigheden - Controle - Doelstellingen Wettelijke bepalingen: KB nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten - 5 - 23-10-1978 - Art. 4, § 1, 1., en § 1bis - 01 ELI link Pub nr 1978102310 KB 8 augustus 1980 betreffende het bijhouden van sociale documenten - 08-08-1980 - Art. 3, § 1 - 03 ELI link Pub nr 1980080803 Thesaurus CAS: ARBEID - ARBEIDSBESCHERMING Vrije woorden: Werknemers - Dimona-aangifteplicht - Aansluiting van de werknemer bij de sociale zekerheid - Arbeidsvoorwaarden en omstandigheden - Controle - Doelstellingen Wettelijke bepalingen: KB nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten - 5 - 23-10-1978 - Art. 4, § 1, 1., en § 1bis - 01 ELI link Pub nr 1978102310 KB 8 augustus 1980 betreffende het bijhouden van sociale documenten - 08-08-1980 - Art. 3, § 1 - 03 ELI link Pub nr 1980080803 Thesaurus CAS: ARBEID - SOCIALE DOCUMENTEN Vrije woorden: Werknemers - Dimona-aangifteplicht - Aansluiting van de werknemer bij de sociale zekerheid - Arbeidsvoorwaarden en omstandigheden - Controle - Doelstellingen Wettelijke bepalingen: KB nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten - 5 - 23-10-1978 - Art. 4, § 1, 1., en § 1bis - 01 ELI link Pub nr 1978102310 KB 8 augustus 1980 betreffende het bijhouden van sociale documenten - 08-08-1980 - Art. 3, § 1 - 03 ELI link Pub nr 1980080803 Fiches 10 - 13 Uit het legaliteitsbeginsel zoals het is verwoord in artikel 7.1 EVRM, artikel 15.1 IVBPR en artikel 2 Strafwetboek volgt dat indien de wetgever een misdrijfomschrijving heeft gewijzigd na het plegen van het misdrijf, de rechter een beklaagde in beginsel slechts schuldig kan verklaren indien hij vaststelt dat dit misdrijf strafbaar is zowel onder de oude als onder de nieuwe wet
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Vrije woorden: Legaliteitsbeginsel - Strafzaken - Wijziging van de misdrijfomschrijving van na het plegen van het misdrijf - Strafbaarheid van de gedraging onder de nieuwe wet - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 7.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 15.1 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 2 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 7 Vrije woorden: Legaliteitsbeginsel - Wijziging van de misdrijfomschrijving van na het plegen van het misdrijf - Strafbaarheid van de gedraging onder de nieuwe wet - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 7.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 15.1 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 2 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - INTERNATIONAAL VERDRAG BURGERRECHTEN EN POLITIEKE RECHTEN Vrije woorden: Artikel 15 - Legaliteitsbeginsel - Strafzaken - Wijziging van de misdrijfomschrijving van na het plegen van het misdrijf - Strafbaarheid van de gedraging onder de nieuwe wet - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 7.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 15.1 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 2 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALLERLEI Vrije woorden: Legaliteitsbeginsel - Strafzaken - Wijziging van de misdrijfomschrijving van na het plegen van het misdrijf - Strafbaarheid van de gedraging onder de nieuwe wet - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 7.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 15.1 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 2 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 14 - 15 Volgens artikel 4, § 1, eerste lid, Buitenlandse Arbeidskrachtenwet 1999 moet de werkgever die een buitenlandse werknemer wenst tewerk te stellen vooraf een arbeidsvergunning hebben verkregen van de bevoegde overheid; volgens artikel 5 van dezelfde wet moet, om arbeid te verrichten, de buitenlandse werknemer vooraf een arbeidskaart hebben verkregen van de bevoegde overheid, hij mag deze arbeid enkel verrichten binnen de perken van deze arbeidskaart; volgens artikel 6 van dezelfde wet is de in artikel 5 bedoelde arbeidskaart niet vereist wanneer de werkgever één der volgende documenten heeft verkregen: 1° een gemeenschappelijke arbeidsvergunning zoals bepaald in artikel 4, § 3; 2° een voorlopige arbeidsvergunning zoals bepaald in artikel 4, § 4; de tewerkstelling van een werknemer zonder te voldoen aan de verplichtingen van de Buitenlandse Arbeidskrachtenwet 1999 is aldus steeds strafbaar gebleven; volgens artikel 2, 1°, Buitenlandse Arbeidskrachtenwet 1999 moet voor de toepassing van deze wet worden verstaan onder buitenlandse onderdanen en werknemers: de onderdanen en werknemers die niet de Belgische nationaliteit bezitten; volgens artikel 2, 1°, koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, zoals toepasselijk tijdens de incriminatieperiode, zijn de onderdanen van de Europese Economische Ruimte vrijgesteld van de verplichting tot het verkrijgen van een arbeidskaart; volgens artikel 38ter van hetzelfde koninklijk besluit zoals toepasselijk tijdens de incriminatieperiode waren de vrijstellingen bedoeld bij artikelen 2, 1°, in de regel niet van toepassing op de onderdanen van onder meer de Republiek Bulgarije; vanaf de opheffing van deze overgangsmaatregel is voor de tewerkstelling van Bulgaarse onderdanen niet langer een arbeidskaart en arbeidsvergunning vereist; uit de omstandigheid dat een onderdaan van een ander land tot 31 december 2013 in bezit diende te zijn van een arbeidskaart en de werkgever van een arbeidsvergunning om in België te worden tewerkgesteld, maar vanaf dan een vrijstelling geldt, volgt niet dat de bedoelde feiten na 31 december 2013 niet langer strafbaar zijn
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: VREEMDELINGEN Vrije woorden: Tewerkstelling van Bulgaarse werknemers zonder arbeidskaart vóór 1 januari 2014 - Vrijstelling van de arbeidskaart na 1 januari 2014 - Ongewijzigde strafbaarstelling - Legaliteitsbeginsel - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wet 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers - 30-04-1999 - Artt. 2 en 4 - 45 ELI link Pub nr 1999012338 KB 9 juni 1999 houdende uitvoering wet 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers - 09-06-1999 - Artt. 2, 1° en 38ter - 35 ELI link Pub nr 1999012496 Thesaurus CAS: ARBEID - TIJDELIJKE ARBEID Vrije woorden: Tewerkstelling van Bulgaarse werknemers zonder arbeidskaart vóór 1 januari 2014 - Vrijstelling van de arbeidskaart na 1 januari 2014 - Ongewijzigde strafbaarstelling - Legaliteitsbeginsel - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wet 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers - 30-04-1999 - Artt. 2 en 4 - 45 ELI link Pub nr 1999012338 KB 9 juni 1999 houdende uitvoering wet 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers - 09-06-1999 - Artt. 2, 1° en 38ter - 35 ELI link Pub nr 1999012496 Fiches 16 - 18 Het recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd door artikel 6.1 en 6.3.c EVRM en uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in het bijzonder met het arrest Beuze t/ België van 9 november 2018 vereist dat aan een verdachte bijstand van een advocaat wordt verleend tijdens zijn verhoor door opsporingsambtenaren; het recht van toegang tot het verhoren houdt in dat de advocaat tijdens het vooronderzoek bij de verhoren fysiek mag aanwezig zijn, wat moet toelaten een effectieve en concrete bijstand te verlenen en erop toe te zien dat het recht van verdediging niet wordt miskend; dit recht van toegang tot de advocaat kan een verdachte enkel worden ontzegd indien daartoe dwingende redenen zijn; dat zal slechts uitzonderlijk het geval zijn, die redenen hebben noodzakelijk een tijdelijk karakter en ze kunnen slechts worden aangenomen op grond van een specifieke beoordeling van de omstandigheden van de zaak, zoals de dringende noodzaak om in een bepaalde zaak een ernstige aantasting van het leven, de vrijheid of de fysieke integriteit te voorkomen; een beperking van het recht op toegang op een wettelijke en dus algemene, verplichte en systematische basis vormt als dusdanig geen dwingende reden
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Recht op bijstand van een advocaat tijdens elk verhoor - Inhoud en doel van deze waarborg - Beperking van de waarborg wegens dwingende redenen - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.c - Recht op bijstand van een advocaat tijdens elk verhoor - Inhoud en doel van deze waarborg - Beperking van de waarborg wegens dwingende redenen - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: ADVOCAAT Vrije woorden: Strafzaken - Recht op bijstand van een advocaat tijdens elk verhoor - Inhoud en doel van deze waarborg - Beperking van de waarborg wegens dwingende redenen - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 19 - 21 Een beperking van het recht van toegang tot de advocaat leidt evenwel bij afwezigheid van dwingende redenen niet automatisch tot een schending van artikel 6 EVRM; het staat aan de rechter te onderzoeken of in het licht van de omstandigheden van de zaak de beperking van het recht van toegang tot de raadsman de eerlijkheid van het proces in zijn geheel beschouwd al dan niet onherstelbaar heeft aangetast; bij die beoordeling kan onder meer rekening worden gehouden met de volgende elementen, voor zover die van toepassing zijn op de te beoordelen zaak: de bijzondere kwetsbaarheid van de verdachte in het licht van bijvoorbeeld zijn leeftijd of geestelijke mogelijkheden, de wettelijke regeling van het vooronderzoek en de toelaatbaarheid van de bewijzen, de mogelijkheid voor de betrokkene om de authenticiteit van het verzamelde bewijs te betwisten en zich te verzetten tegen het gebruik ervan, de kwaliteit van het bewijs en het al dan niet bestaan van twijfel over hun betrouwbaarheid en de juistheid in het licht van de omstandigheden waarin ze werden verkregen, de aard van de onwettigheid waarmee het bewijs desgevallend werd verkregen en de aard van een eventuele verdragsrechtelijke schending, de aard van verklaringen en het gegeven of ze dadelijk werden ingetrokken of verbeterd, het gebruik van de bewijzen en in het bijzonder of die een overwegend of belangrijk deel van de bewijslast uitmaken waarop de veroordeling is gesteund, alsook het belang van de andere dossierelementen, het belang dat het onderzoek van het misdrijf en de bestraffing van de dader heeft voor de publieke opinie en het bestaan in het interne recht van andere procedurele garanties
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Recht op bijstand van een advocaat tijdens het verhoor - Criteria vooropgesteld in het arrest Beuze van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 9 november 2018 - Toepassing van de criteria op verhoren afgenomen vóór het arrest Beuze - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.c - Recht op bijstand van een advocaat tijdens het verhoor - Criteria vooropgesteld in het arrest Beuze van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 9 november 2018 - Toepassing van de criteria op verhoren afgenomen vóór het arrest Beuze - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: ADVOCAAT Vrije woorden: Strafzaken - Recht op bijstand van een advocaat tijdens het verhoor - Criteria vooropgesteld in het arrest Beuze van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 9 november 2018 - Toepassing van de criteria op verhoren afgenomen vóór het arrest Beuze - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 22 - 26 Uit artikel 192 Grondwet, artikel 601, 1° Gerechtelijk Wetboek, artikel 2 Decreet 20 juli 1831, artikel 31 Taalwet Gerechtszaken, artikel 62 Sociaal Strafwetboek en artikel 47bis, § 1, 5 Wetboek van Strafvordering volgt dat behoudens afwijkende regeling alle burgers die met een openbare dienst worden belast de door artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831 bedoelde eed moeten afleggen en dat dit ook het geval was voor een tolk die in gerechtszaken een vertaal- of vertolkingsopdracht uitvoert, tenzij hij op de rechtszitting zelf wordt beëdigd
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: EED Vrije woorden: Vooronderzoek - Verhoor van verdachten en getuigen - Bijstand van een beëdigde tolk tijdens het verhoor door een sociaal inspecteur vóór 1 december 2016 - Aflegging van de eed van artikel 2 Decreet 20 juli 1831 voor de vrederechter - Gevolg Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 192 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 601, 1° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 31 - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Wet 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek - 06-06-2010 - Art. 62 - 07 ELI link Pub nr 2010A09589 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 47bis, § 1, 5) - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 192 Vrije woorden: Eed - Vooronderzoek - Verhoor van verdachten en getuigen - Bijstand van een beëdigde tolk tijdens het verhoor door een sociaal inspecteur vóór 1 december 2016 - Aflegging van de eed van artikel 2 Decreet 20 juli 1831 voor de vrederechter - Gevolg Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 192 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 601, 1° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 31 - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Wet 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek - 06-06-2010 - Art. 62 - 07 ELI link Pub nr 2010A09589 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 47bis, § 1, 5) - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Eed Vrije woorden: Vooronderzoek - Verhoor van verdachten en getuigen - Bijstand van een beëdigde tolk tijdens het verhoor door een sociaal inspecteur vóór 1 december 2016 - Aflegging van de eed van artikel 2 Decreet 20 juli 1831 voor de vrederechter - Gevolg Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 192 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 601, 1° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 31 - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Wet 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek - 06-06-2010 - Art. 62 - 07 ELI link Pub nr 2010A09589 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 47bis, § 1, 5) - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Vrije woorden: Vooronderzoek - Bijstand van een beëdigde tolk tijdens het verhoor door een sociaal inspecteur vóór 1 december 2016 - Aflegging van de eed van artikel 2 Decreet 20 juli 1831 voor de vrederechter - Gevolg Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 192 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 601, 1° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 31 - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Wet 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek - 06-06-2010 - Art. 62 - 07 ELI link Pub nr 2010A09589 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 47bis, § 1, 5) - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - ALGEMEEN Vrije woorden: Vooronderzoek - Verhoor van verdachten en getuigen - Bijstand van een beëdigde tolk tijdens het verhoor door een sociaal inspecteur vóór 1 december 2016 - Aflegging van de eed van artikel 2 Decreet 20 juli 1831 voor de vrederechter - Gevolg Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 192 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 601, 1° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 31 - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Wet 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek - 06-06-2010 - Art. 62 - 07 ELI link Pub nr 2010A09589 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 47bis, § 1, 5) - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 27 - 30 De rechtstoestand waarin een persoon die met behulp van een beëdigd tolk door een opsporingsambtenaar wordt verhoord tijdens een gerechtelijk- of opsporingsonderzoek valt niet te vergelijken met de rechtstoestand van een beklaagde of een beschuldigde die met behulp van een beëdigd tolk wordt verhoord door de rechter op een rechtszitting, gebeurlijk in aanwezigheid van een rechtsprekende jury; in het eerste geval kunnen na het verhoor betwistingen over de onpartijdigheid van de tolk en de kwaliteit van de vertolking worden voorgelegd aan het onderzoeks- of het vonnisgerecht, in het tweede geval gebeurt de vertolking in aanwezigheid van het rechtscollege dat dadelijk over eventuele betwistingen te oordelen heeft
(1)
(2)
(3).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM.
(2)Art. 282 Wetboek van Strafvordering, in de versie van vóór de wijziging bij art. 4 Wet 10 april 2014.
(3)Art. 332 Wetboek van Strafvordering, in de versie van vóór de wijziging bij art. 148 Wet 21 december
  1. Thesaurus CAS: EED Vrije woorden: Vooronderzoek - Verhoor van verdachten of getuigen met bijstand van een beëdigde tolk door een opsporingsambtenaar - Verschil met het verhoor van een beklaagde of beschuldigde op de openbare terechtzetting met bijstand van een beëdigde tolk - Betwistingen over de onpartijdigheid van de tolk en de kwaliteit van de vertolking - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 282 en 332 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 31 - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Eed Vrije woorden: Vooronderzoek - Verhoor van verdachten of getuigen met bijstand van een beëdigde tolk door een opsporingsambtenaar - Verschil met het verhoor van een beklaagde of beschuldigde op de openbare terechtzetting met bijstand van een beëdigde tolk - Betwistingen over de onpartijdigheid van de tolk en de kwaliteit van de vertolking - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 282 en 332 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 31 - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Vrije woorden: Vooronderzoek - Verhoor van verdachten of getuigen met bijstand van een beëdigde tolk door een opsporingsambtenaar - Verschil met het verhoor van een beklaagde of beschuldigde op de openbare terechtzetting met bijstand van een beëdigde tolk - Betwistingen over de onpartijdigheid van de tolk en de kwaliteit van de vertolking - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 282 en 332 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 31 - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - ALGEMEEN Vrije woorden: Vooronderzoek - Verhoor van verdachten of getuigen met bijstand van een beëdigde tolk door een opsporingsambtenaar - Verschil met het verhoor van een beklaagde of beschuldigde op de openbare terechtzetting met bijstand van een beëdigde tolk - Betwistingen over de onpartijdigheid van de tolk en de kwaliteit van de vertolking - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 282 en 332 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 31 - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Annotaties Publicaties: RW-Rechtskundig weekblad - 2022-23, nr. 28, p. 1097-
  2. - VAN DE CALSEYDE, Tony; Noot'Toepasselijk recht en fraude m.b.t. internationale tewerkstelling: Cassatie draait de duimschroeven aan' Tekst van de conclusie P.21.1232.N Conclusie van advocaat-generaal Bart DE SMET: “1° De draagwijdte van artikel 181, §1 Sociaal Strafwetboek (Dimona-aangifte) ten aanzien van buitenlandse werknemers met een A1-attest (EU-Verordeningen 883/2004 en 987/2009), 2° De bepaling van het loon waarop gedetacheerde buitenlandse werknemers recht hebben, 3° De strafbaarheid van de tewerkstelling van buitenlandse werknemers zonder geldige arbeidskaart en verblijfsvergunning die nadien, door een nieuw uitvoeringsbesluit, van die formaliteiten zijn vrijgesteld, 4° Het recht van de verdachte op bijstand van een advocaat tijdens het verhoor afgenomen door een sociaal inspecteur voorafgaand aan de Wet van 21 november 2016 en 5° De toelaatbaarheid als bewijs van het verhoor met bijstand van een tolk die voor de vrederechter de eed van artikel 2 Decreet 20 juli 1831 heeft afgelegd, voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet van 10 april 2014.”
  3. Voorgaanden
  4. Eiseres I. 2 FONAK EOOD is een eenpersoonsvennootschap in de transportsector, opgericht in 2012 naar Bulgaars recht en ingeschreven in de kruispuntbank ondernemingen van Bulgarije. De zetel van de onderneming is gevestigd in Staro Selishte (BG). Eiser A. is enig aandeelhouder en zaakvoerder van deze Bulgaarse vennootschap. De NV FONTEYNE & CIE en haar bestuurder F.F. waren de enige klant van FONAK EOOD, wier zaakvoerder A. een werknemer (chauffeur) van de NV FONTEYNE & CIE was.
  5. Eisers werden aanvankelijk vervolgd wegens voor volgende telastleggingen, als dader of mededader (art. 66 Sw.): A. om met inbreuk op artikel 181 Sociaal Strafwetboek en de artikelen 4, 5, 6, 7, 8 en 9bis K.B. van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, de vereiste gegevens voor de inning van sociale zekerheidsbijdragen (Dimona-aangifte) niet te hebben meegedeeld aan de instelling belast met de inning van de sociale zekerheidsbijdragen in de voorgeschreven vorm, uiterlijk de dag waarop de werknemers hun prestaties aanvatten, met betrekking tot zeven werknemers, in de periode van 23 november 2010 tot en met 1 maart 2015, herhaaldelijk. B. om met inbreuk op artikel 162, eerste lid, 1° Sociaal Strafwetboek en de artikelen 3 en 9 Wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, het loon van de werknemer niet te hebben uitbetaald op de datum dat het loon invorderbaar is, met betrekking tot zes werknemers, in de periode van 23 november 2010 tot en met 1 maart 2015, herhaaldelijk. C. om met inbreuk op artikel 175, §1 Sociaal Strafwetboek en de Wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, arbeid te hebben doen of laten verrichten door een buitenlandse onderdaan die niet was toegelaten of gemachtigd tot een verblijf van meer dan drie maanden tot vestiging in België, met betrekking tot 4 werknemers, in de periode van 23 november 2010 tot en met 31 december
  6. D. bij samenhang, (art. 155 Ger. W.), bij inbreuk op de artikelen 433quinquies, §1, 3° en 433septies, 2° Strafwetboek, mensenhandel, door personen te (laten) aan het werk zetten in omstandigheden die in strijd zijn met de menselijke waardigheid, hen te hebben aangeworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest, opgevangen, de controle over hen daadwerkelijk te hebben gewisseld of overgedragen, de toestemming van hen met de voorgenomen of daadwerkelijke uitbuiting van geen belang zijnde, met de omstandigheid dat misbruik werd gemaakt van de bijzonder kwetsbare positie omschreven in artikel 433septies, 2° Sw., ten aanzien van 6 personen, op diverse data, tussen 23 november 2010 en 1 maart
  7. De correctionele rechtbank afd. Brugge heeft op 10 mei 2017 eisers op tegenspraak schuldig verklaard voor de telastleggingen A, B en C en sprak volgende veroordelingen uit: 6 maanden gevangenisstraf, een geldboete van 3.600€ per werknemer
(7)en een verbeurdverklaring van 30.060€ (aan eiser I.1), een geldboete van 18.000€ per werknemer
(7)en een verbeurdverklaring van 30.060€ (aan eiseres I.2), 6 maanden gevangenisstraf, een geldboete van 3.600€ per werknemer
(7)(aan eiser II) en een geldboete van 18.000€ per werknemer
(7)(aan eiseres III). De burgerlijke belangen werden ambtshalve aangehouden.
  1. Op hoger beroep van de beklaagden en het openbaar ministerie heeft het hof van beroep te Gent bij arrest van 2 september 2021, op tegenspraak en met eenparigheid van stemmen, de schuldigverklaring van eiseres aan de feiten A, B en C bevestigd en ook de opgelegde gevangenisstraffen en geldboetes bevestigd. De verbeurdverklaring uitgesproken tegen eisers I werd opgetrokken naar een bedrag van 65.865,65€ en dat bedrag werd ook opgelegd aan eiseres III. Het hof van beroep heeft voor telastleggingen A en C de thans geldende strafbaarstellingen toegevoegd (p. 109), namelijk artikel 181, §1 Sociaal Strafwetboek en artikel 12/1 Wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers.
  2. Middelen van eisers I 2.
  3. De Dimona-aangifte van werknemers met een A1-attest
  4. In zoverre de cassatieberoepen zijn gericht tegen de vrijspraak wegens telastlegging D, zijn ze niet-ontvankelijk, bij gebrek aan belang. Het cassatieberoep van eiseres Fonak Eood is eveneens niet-ontvankelijk in zoverre gericht tegen de beslissing van vrijspraak voor de telastleggingen A.1, A.4, B.1, B.4, C.1 en C.4 tijdens de periode van 23 november 2010 tot en met 12 juli 2012, A.5 en B.5 tijdens de periode van 23 november 2011 tot en met 12 juli 2012 en C.2 tijdens de periode van 28 april 2011 tot en met 12 juli 2012 (p. 100 en 111).
  5. Het bestreden arrest (p. 92-93) stelt dat de Dimona-meldingsplicht (KB 5 november 2002) niet alleen aan aangelegenheid is van Belgisch sociaalzekerheidsrecht. Het hof van beroep neemt aan, met verwijzing naar het Verslag aan de Koning van het KB van 5 november 2002, dat Dimona een ‘eerder hybride regeling’ uitmaakt, met ook verplichtingen voor de werkgever om de werknemers de identificeren, waardoor Dimona ‘ook een instrument van personeelsbeleid’ is. De Dimona-reglementering overstijgt de dichotomie arbeidsrecht/sociale zekerheidsrecht en is in wezen een handhavingsmaatregel, temeer daar een melding van werknemers Dimona mogelijk is zonder dat deze onderworpen zijn aan de sociale zekerheid. Bijgevolg levert het feit dat er A1-verklaringen zijn afgeleverd door het buitenlands bevoegd orgaan geen argument op om de Dimona-aanmeldingsplicht uit te schakelen. De appelrechters leiden uit rechtspraak van het Hof van Justitie af (zaken Vueling C-370/17, C-37/18 en Bouygues-Elco, C-17-19) af dat de A1-documenten voor buitenlandse werknemers beperkt zijn tot verplichtingen die worden opgelegd door de nationale zekerheidswetgeving die onder de coördinatiereglementering valt (p. 90-91). De waarde van deze certificaten met betrekking tot verplichtingen van werkgevers onder de arbeidswet valt niet onder het communautair mechanisme (p. 91).
  6. Eisers I voeren in een eerste middel aan dat de Dimona-meldingsplicht enkel een aangelegenheid is van Belgisch sociaal zekerheidsrecht en de voor de personeelsleden afgeleverde A1-verklaringen betrekking hebben op het toepasselijke sociale zekerheidsrecht. Gezien de bevoegde instantie te Bulgarije de A1-verklaringen afleverde voor de (gedetacheerde) werknemers, die niet zijn ingetrokken, was de Belgische rechter niet bevoegd om de geldigheid en de waarachtigheid van die documenten te beoordelen, zodat het Belgische sociale zekerheidsrecht niet van toepassing is. De veroordeling van eiseres I wegens telastlegging A (ontbreken van Dimona-aangiftes voor de werknemers) is dan ook in strijd met de artikelen 101, 103, 181 Sociaal Strafwetboek, de artikelen 4-8, 9bis en 12bis Dimona-KB 5 november 2002 en artikel 149 Grondwet.
  7. Beoordeling. Wanneer een Belgische onderneming een beroep doet op werknemers die een arbeidsovereenkomst hebben gesloten met een onderneming in een andere lidstaat (gedetacheerde werknemers), is het Belgisch sociaalzekerheidsrecht in de regel niet van toepassing, wanneer het bevoegde orgaan van de zendstaat een geldig A1- detacheringsattest heeft uitgereikt. Artikel 5 Verordening (EG) nr. 987/2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels bepaalt over buitenlandse werknemers die beschikken over een A1-attest
(1): "Juridische waarde van in een andere lidstaat afgegeven documenten en bewijsstukken”
  1. De door het orgaan van een lidstaat voor de toepassing van de basisverordening en de toepassingsverordening afgegeven documenten over iemands situatie en de bewijsstukken op grond waarvan de documenten zijn afgegeven, zijn voor de organen van de andere lidstaten bindend zolang de documenten of bewijsstukken niet door de lidstaat waar zij zijn afgegeven, zijn ingetrokken of ongeldig verklaard.
  2. Bij twijfel omtrent de geldigheid van het document of de juistheid van de feiten die aan de vermeldingen daarin ten grondslag liggen, verzoekt het orgaan van de lidstaat dat het document ontvangt, het orgaan van afgifte om opheldering en eventueel om intrekking van het document. Het orgaan van afgifte heroverweegt de gronden voor de afgifte van het document en, indien noodzakelijk, de intrekking van het document.
  3. Overeenkomstig lid 2, wordt, bij twijfel omtrent de geldigheid van het document of ondersteunend bewijs of de juistheid van de feiten die aan de vermeldingen daarin ten grondslag liggen, voor zover dit mogelijk is, de noodzakelijke verificatie van deze informatie of dit document op verzoek van het bevoegde orgaan uitgevoerd door het orgaan van de woon- of verblijfplaats.
  4. Worden de betrokken organen het niet eens, dan kan door de bevoegde autoriteiten de zaak aan de Administratieve Commissie worden voorgelegd, zulks op zijn vroegst één maand na de datum waarop het orgaan dat het document heeft ontvangen zijn verzoek heeft ingediend. De Administratieve Commissie tracht binnen zes maanden na de datum waarop de zaak aan haar is voorgelegd, een voor beide zijden aanvaardbare oplossing te vinden.
  5. Het beginsel van EU-Verordening 987/2009 is dat een werknemer slechts aan de wetgeving over sociale zekerheid van één lidstaat onderworpen kan zijn
(2). Het Hof van Justitie oordeelde meermaals dat de A1-detacheringsdocumenten (voordien E101-documenten), zolang ze niet zijn ingetrokken of ongeldig zijn verklaard in de lidstaat van uitgifte, een bindende kracht hebben voor rechtbanken in de ontvangststaat (of werkstaat), gelet op de beginselen van wederzijds vertrouwen en loyale samenwerking tussen de EU-lidstaten
(3). Er is aldus een vermoeden dat de werknemer op regelmatige wijze is aangesloten bij het sociale zekerheidsstelsel van de zendstaat (de lidstaat van vestiging van de tewerkstellende onderneming) en de A1-documenten zijn ‘in beginsel bindend’ voor de rechterlijke instanties van de lidstaat waar die werknemer arbeid verricht
(4). 10. Zolang een A1-document niet is ingetrokken of ongeldig is verklaard in de lidstaat van de zetel van de tewerkstellende onderneming, dient het bevoegde orgaan van de lidstaat waar de werknemer effectief arbeid verricht er rekening mee te houden dat die werknemer reeds is aangesloten bij de socialezekerheidsregeling van de lidstaat waar de tewerkstellende onderneming is gevestigd, zodat het orgaan van de staat van effectieve tewerkstelling de betrokken werknemer niet aan zijn eigen socialezekerheidsregeling mag onderwerpen
(5). 11. In geval van fraude of misbruik van recht is het aan het bevoegde orgaan van de zendstaat de juistheid van de verklaring opnieuw dient te onderzoeken en ze ‘zo nodig in te trekken’, binnen een redelijke termijn
(6). In de zaken CRPNPAC en Bouygues oordeelde het Hof van Justitie (in 2020) dat een rechterlijke instantie van de lidstaat van ontvangst A1-verklaringen van buitenlandse werknemers buiten beschouwing mag laten als tegelijk aan twee voorwaarden is voldaan: 1°het orgaan dat de A1-documenten heeft afgegeven en door de ontvangststaat is aangezocht voor onderzoek naar de juistheid ervan, heeft nagelaten een dergelijk nieuw onderzoek te verrichten en binnen een redelijke termijn een standpunt in te nemen over de intrekking van de A1-documenten en 2°de rechterlijke instantie van de ontvangststaat is, met respect voor het recht op een eerlijk proces, in staat om vast te stellen dat de A1-documenten op bedrieglijke wijze zijn verkregen of ingeroepen
(7).
  1. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat aan het bevoegde orgaan van Bulgarije, de lidstaat van de tewerkstellende onderneming FONAK EOOD, is gevraagd om de A1-attesten in te trekken wegens vermoedens van fraude of rechtsmisbruik, overeenkomstig artikel 5 Verordening (EG) nr. 987/2009 of dat de geldigheid van de A1-documenten voor de werknemers vermeld in telastlegging A is betwist. Daaruit vloeit voort dat aan de A1-attesten voor de werknemers vermeld in telastlegging A een bindende waarde moet worden toegekend, wat betreft verplichtingen die te maken hebben met bijdragen voor de sociale zekerheid.
  2. De vraag rijst evenwel of de Dimona-verplichting (KB 5 november 2002), zoals aangehaald in telastlegging A, alleen gericht is op verplichtingen van sociale zekerheid voor werknemers, of ook dient voor andere verplichtingen, inzake arbeidsbescherming.
  3. Het Hof van Justitie besloot in de zaak Bouygues dat: “E101- en A1-verklaringen weliswaar bindende gevolgen hebben, maar dat deze enkel gelden voor de verplichtingen die worden opgelegd bij de nationale socialezekerheidswetgevingen waarop de bij verordening nr. 1408/71 en verordening nr. 883/2004 tot stand gebrachte coördinatie betrekking heeft” (RO 44) en verder (RO 48): “E 101- en A 1-verklaringen hebben dus geen bindende gevolgen ten aanzien van de verplichtingen die bij het nationale recht worden opgelegd op andere gebieden dan de sociale zekerheid in de zin van die verordeningen, zoals verplichtingen die verband houden met de arbeidsverhouding tussen werkgevers en werknemers, in het bijzonder met de arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden voor werknemers”
(8). 15. Het Hof van Justitie stelde eveneens in de zaak Bouygues (RO 53) dat het aan de nationale rechter staat om vast te stellen of “de in het arbeidswetboek neergelegde verplichting tot aanmelding vóór indienstneming uitsluitend tot doel heeft te waarborgen dat de betrokken werknemers bij een van de takken van het socialezekerheidsstelsel zijn aangesloten en er dus enkel toe strekt de naleving van de wetgeving ter zake te waarborgen – in welk geval de door het orgaan van afgifte verstrekte E 101- en A 1-verklaringen in beginsel in de weg zouden staan aan een dergelijke verplichting – dan wel of met deze verplichting tevens, zij het gedeeltelijk, wordt beoogd de doeltreffendheid van de door de bevoegde nationale autoriteiten uitgevoerde controles te waarborgen om ervoor te zorgen dat de in het arbeidsrecht vastgestelde arbeidsvoorwaarden en omstandigheden worden nageleefd, in welk geval die verklaringen geen enkele invloed zouden hebben op die verplichting, die namelijk hoe dan ook niet kan leiden tot de aansluiting van de betrokken werknemers bij een van de takken van het socialezekerheidsstelsel”
(9).
  1. Vertrekkend vanuit de principes in het arrest Bouygues, zijn de appelrechters van mening dat de Dimona-melding verplicht is voor buitenlandse werkgevers (ook met A1-attest) omdat deze melding alleszins (mede) tot doel heeft controles door de inspectiediensten en de administratie mogelijk te maken, om werknemers te identificeren en de band met de werkgever vast te stellen (p. 94-95). Deze verwijzing naar aspecten van arbeidsrecht lijkt mij onvoldoende als reden om de bindende waarde van de A1-attesten voor de coördinatie van de sociale zekerheid in de zendstaat opzij te schuiven.
  2. Artikel 38 Wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels (BS 1 augustus 1996) bepaalt: “De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, wijzigingen aanbrengen inzake de wijze van de inzameling van de gegevens nodig voor de toepassing van de sociale zekerheid en de fiscaliteit bij de werkgevers en de sociaal verzekerden, waarbij het beheer van de gegevens gebeurt overeenkomstig de bepalingen van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid. De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, alle nuttige maatregelen nemen om de elektronische inzameling en de kwaliteit van de gegevens te bevorderen en te regelen”.
  3. Artikel 4 KB van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling (BS 22 november 2002) bepaalt in uitvoering van artikel 38 Wet van 26 juli 1996 dat de werkgever aan de instelling die belast is met de inning van de sociale zekerheidsbijdragen specifieke gegevens moet meedelen, zoals het identificatienummer van de sociale zekerheid van werkgever en werknemers, de datum van indiensttreding en uitdiensttreding van de werknemer en het bewijs dat de sociale identiteitskaart elektronisch werd gelezen.
  4. Uw Hof heeft op 2 februari 2016 artikel 38 Wet 26 juli 1996 en het KB van 5 november 2002 als volgt geïnterpreteerd: “Hieruit volgt dat de DIMONA-reglementering de toepassing beoogt van de Belgische sociale zekerheidsbepalingen en enkel geldt voor de tewerkstelling van de personen waarop die bepalingen van toepassing zijn. Zij geldt niet ten aanzien van personen die beschikken over een A1-attest van een lidstaat van de Europese Unie op grond waarvan de toepassing van de Belgische sociale zekerheid wordt uitgesloten
(10)”. Het Hof nam in andere arresten aan dat de Dimona-aangifteplicht een aangelegenheid is als bedoeld door artikel 580, 1°, Gerechtelijk Wetboek, namelijk een geschil betreffende de verplichtingen van de werkgevers opgelegd door de wetgeving inzake sociale zekerheid
(11).
  1. In het Verslag aan de Koning van het KB van 5 november 2002 van de Ministers L. Onkelinx en F. Vandenbroucke (BS 20 november 2002) is bepaald dat de Dimona-aangifte als doel heeft “de administratieve verplichtingen voor werkgevers op het vlak van de sociale zekerheid drastisch te vereenvoudigen via een doorgedreven informatisering van het beheer van de sociale zekerheid. De veralgemeende Dimona-aangifte garandeert immers een juiste en snelle identificatie van werknemers en stelt op ondubbelzinnige en uniforme wijze de band vast tussen een werknemer en diens werkgever. Beide elementen zijn onontbeerlijk in een gemoderniseerd beheer van de sociale zekerheid”. Het verslag stelt eveneens dat de “veralgemening van de Dimona-aangifte toelaat dat een aantal verplichtingen op het vlak van sociale documenten worden vereenvoudigd. Zo kunnen worden gerealiseerd: de afschaffing van het personeelsregister; de afschaffing van het individueel document; de vereenvoudiging van het speciaal personeelsregister; de afschaffing van de verplichting tot het toezenden van een kopie van de arbeidsovereenkomst voor studenten aan de Inspectie van de sociale wetten” (BS 20 november 2002).
  2. Het bestreden arrest leidt uit dit Verslag aan de Koning af dat de Dimona-aangifte geen exclusieve verplichting van sociaal zekerheidsrecht is, maar ook een instrument van personeelsbeleid uitmaakt (p. 93). Deze redenering, die indruist tegen rechtspraak van het Hof (Cass. 2 februari 2016, AR P.15.0846.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160202.4), geeft m.i. een te brede interpretatie aan het Verslag aan de Koning. Men kan uit het Verslag afleiden dat de Dimona-aangifte als doel heeft de verplichtingen van werkgevers op het vlak van sociale zekerheid te vereenvoudigen, en aspecten van arbeidsrecht daarvan een neveneffect zijn. Het feit dat de Dimona-aangifte het sociale inspecteurs makkelijker maakt om toe te zien op regels van arbeidsrecht, omdat zij over elektronische gegevens van werknemers beschikken, betekent niet dat deze aangifte is ingesteld met als specifiek doel regels van Belgisch arbeidsrecht te handhaven voor alle personen die in België arbeid verrichten, ook gedetacheerde buitenlandse werknemers die over een geldig A1-attest beschikken. Deze visie (van het bestreden arrest) lijkt mij overigens te stroken met de formulering van telastlegging A, waarin alleen sprake is van het niet meedelen van de ‘vereiste gegevens voor de inning van sociale zekerheidsbijdragen’. Eisers werden niet specifiek vervolgd wegens het nalaten documenten van arbeidsrecht op te stellen of bij te houden.
  3. Het eerste middel over schending van artikel 181 Sociaal Strafwetboek en het KB van 5 november 2002 lijkt mij dan ook gegrond te zijn, aangezien in de incriminatieperiode de betrokken chauffeurs beschikten over A1-attesten, zoals is vastgesteld in het bestreden arrest (blz. 94). De veroordeling van eiseres voor telastlegging A is niet naar recht verantwoord. 2.
  4. Loon en dagvergoedingen
  5. In een tweede middel stellen eisers I dat de appelrechters inzake de uitbetaling van lonen de bewijslast hebben omgekeerd, door aan te nemen dat de dagvergoedingen geen deel uitmaken van het loon van de Bulgaarse werknemers, om reden dat eisers I niet aannemelijk zouden maken dat zij kosten van die werknemers effectief hebben betaald. Eisers stellen dat de dagvergoedingen betaald aan de Bulgaarse werknemers wel te beschouwen zijn als loon. Bovendien blijkt het standpunt van de appelrechters dat de dagvergoedingen geen loon zouden zijn, maar alleen terugbetaling van kosten, uit geen enkel gegeven van het strafdossier. Het bestreden arrest is volgens eisers in strijd met de artikelen 101, 103 en 162 Sociaal Strafwetboek, de artikelen 3bis, 9 en 42, 1° Wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, de artikelen 1319 en 1320 BW (thans art. 8.17 en 8.18 BW), de artikelen 149 Grondwet en 6 EVRM en de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en de regels inzake bewijs en bewijslast.
  6. Beoordeling. Loon is de tegenprestatie van arbeid die ter uitvoering van een arbeidsovereenkomst wordt verricht
(12). Tot het loon van een werknemer naar Belgisch recht behoren onder meer het loon in geld waarop de werknemer ingevolge zijn dienstbetrekking recht heeft ten laste van de werkgever; de fooien of het bedieningsgeld waarop de werknemer recht heeft ingevolge zijn dienstbetrekking of krachtens het gebruik en de in geld waardeerbare voordelen waarop de werknemer ingevolge zijn dienstbetrekking recht heeft ten laste van de werkgever (art. 2 Wet 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, BS 30 april 1965, gewijzigd door art. 10 Wet 14 december 2018, BS 21 december 2018).
  1. Voor gedetacheerde werknemers in de transportsector die arbeid verrichten in België, en een arbeidsovereenkomst sloten met een onderneming gevestigd in een andere EU-lidstaat, gelden de voorwaarden van de Richtlijn 96/71/EG van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten (Publ. 1997, L 018), gewijzigd door de Richtlijn 2018/957 van 28 juni 2018 (Pub. L173, www.eur-lex.europa.eu). Onder “ter beschikking gestelde werknemer” wordt verstaan iedere werknemer die gedurende een bepaalde periode werkt op het grondgebied van een Lidstaat die niet de Staat is waar die werknemer gewoonlijk werkt (art. 2 Richtlijn 96/71).
  2. Het Hof van Justitie oordeelde in zaak C-185/18 dat de Richtlijn 96/71/EG van toepassing is op transnationale diensten in het wegvervoer. Een werknemer die als chauffeur werkzaam is in de sector van het internationaal wegvervoer is ter beschikking gesteld op het grondgebied van een lidstaat indien het werk dat hij gedurende de aan de orde zijnde bepaalde periode verricht een voldoende nauwe band vertoont met dat grondgebied; waarbij die band afhangt van o.a. de aard van de werkzaamheden die de betrokken werknemer op dat grondgebied verricht en het aandeel van die werkzaamheden op het grondgebied van elke lidstaat in de vervoersdienst als geheel
(13).
  1. Artikel 3.1 Richtlijn 96/71, zoals gewijzigd door artikel 1.2 EU Richtlijn 2018/957 van 28 juni 2018 (www.eur-lex.europa.eu), verplicht de Lidstaten om elk op hun grondgebied toe te zien op de arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden van de ter beschikking gestelde werknemers die zijn vastgelegd in wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en collectieve arbeidsovereenkomsten (o.a.. over minimumlonen, vergoedingen voor overwerk), ongeacht het recht dat van toepassing is op het dienstverband. Deze normen vormen evenwel geen beletsel voor de toepassing van arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden die gunstiger voor de werknemers zijn (art. 3.7).
  2. Toeslagen in verband met de detachering worden als onderdeel van de beloning beschouwd, voor zover ze niet worden uitgekeerd als vergoeding van daadwerkelijk in verband met de detachering gemaakte kosten, zoals reis-, maaltijd-, en verblijfkosten (art. 3.7 EU-Richtlijn 96/71)
(14). De werkgever vergoedt onverminderd lid 1, eerste alinea, onder i (over reis-, maaltijd- en verblijfkosten voor de verplaatsing naar de gewone werkplaats of andere werkplaats), ter beschikking gestelde werknemers voor die uitgaven volgens het voor het dienstverband van de ter beschikking gestelde werknemer geldende nationaal recht en/of de nationale praktijk (art. 3.7 Richtlijn 71/96, zoals gewijzigd door art. 1, 2, c) Richtlijn 2018/957).
  1. Indien niet uit de arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden die van toepassing zijn op het dienstverband blijkt of, en zo ja welke, onderdelen van een toeslag in verband met detachering worden uitgekeerd als vergoeding voor kosten die daadwerkelijk verband houden met de detachering of die onderdeel zijn van de beloning, wordt de volledige toeslag geacht te zijn betaald als vergoeding voor kosten (art. 3.7 Richtlijn 71/96 en Overwegingen 18-20 Richtlijn EU 2018/957).
  2. In de zaak C-396/13 nam het Hof van Justitie aan, op 12 februari 2015 dat: 1° een dagvergoeding als een deel van het minimumloon moet worden aangemerkt onder dezelfde voorwaarden als die waaronder de betrokken vergoeding begrepen is in het minimumloon dat wordt betaald aan lokale werknemers die binnen de betrokken lidstaat worden gedetacheerd; 2° een dagelijkse reistijdvergoeding die aan de werknemers wordt uitgekeerd mits de reis die zij dagelijks naar en van hun werkplek maken, meer dan een uur in beslag neemt, moet worden aangemerkt als een deel van het minimumloon van de gedetacheerde werknemers voor zover aan deze voorwaarde is voldaan; het staat aan de nationale rechter na te gaan of dat het geval is; 3° de bekostiging van de huisvesting van die werknemers niet kan worden aangemerkt als een bestanddeel van hun minimumloon; 4° een toeslag in de vorm van aan die werknemers verstrekte maaltijdbonnen niet kan worden aangemerkt als een deel van hun minimumloon, en 5° het vakantiegeld dat aan de gedetacheerde werknemers moet worden toegekend voor het minimumaantal betaalde vakantiedagen, overeenkomt met het minimumloon waarop zij in de referentieperiode recht hebben
(15). Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in zijn arrest C-428/19 van 8 juli 2021 artikel 3, lid 7, tweede alinea, van richtlijn 96/71 uitgelegd in die zin dat een dagvergoeding waarvan het bedrag verschilt naargelang van de duur van de terbeschikkingstelling van de werknemer, een toeslag in verband met de terbeschikkingstelling vormt die deel uitmaakt van het minimumloon, tenzij deze wordt uitgekeerd als vergoeding van daadwerkelijk gemaakte onkosten in verband met de terbeschikkingstelling, zoals reiskosten, verblijfkosten en kosten voor voeding, of tenzij het gaat om een toeslag die een wijziging brengt in de verhouding tussen de prestatie van de werknemer en de tegenprestatie die hij daarvoor ontvangt
(16). 31. Het is aan de feitenrechter om na te gaan of een betaling van de werkgever aan zijn werknemers in de vorm van een dagvergoeding de tegenprestatie vormt voor de arbeid die zij hebben verricht, dan wel of het louter terugbetaling betreft voor gemaakte kosten, dan wel of het gaat om een gift wegens bijzondere omstandigheden
(17), waarbij het Hof toeziet op de wettigheid van de motieven.
  1. Over telastlegging B (inbreuk uitbetaling loon), waarover eisers I het verweer voerden dat de dagvergoedingen toegekend aan de Bulgaarse deel uitmaken van het minimumloon van de chauffeurs en losstaan van door hen gemaakte kosten, oordeelt het bestreden arrest (p. 96-97): - eisers houden ten onrechte voor dat de Belgische minimumlonen zouden zijn gerespecteerd. Het beperkte loon van de Bulgaarse chauffeurs (223€ per maand) werd aangevuld met dagvergoedingen (de zgn. ‘diurna’), zonder dat meer werd betaald dan het Belgische minimumloon; - eisers houden ten onrechte voor dat de aan de werknemers betaalde dagvergoedingen moeten worden beschouwd als deel van hun loon; - de dagvergoeding die aan de Bulgaarse werknemers verplicht diende te worden toegekend is eigen aan de tewerkstelling in het buitenland (zie Bulgaarse wetgeving, st. 26) en de Belgisch strafrechtelijk gesanctioneerde CAO-verplichting (CAO van 26 november 2009 tot vaststelling van de verblijfs-en ARAB-vergoedingen voor het rijdend personeel tewerkgesteld in de ondernemingen van het goederenvervoer ten lande voor rekening van derden en/of de goederenbehandeling voor rekening van derden, BS 18 oktober 2018); - de dagvergoeding is bedoeld om onder meer de kosten van voedsel, vervoer en andere kleine kosten eigen aan de arbeidsrechtelijke tewerkstelling in het buitenland te dekken (en die dus in principe door de werkgever zou moeten gedragen worden). De vergoeding wordt betaald voor elke dag dat de werknemer in het buitenland verblijft om de aldaar doorgaans hogere levenskosten te dekken, los van het feit of hij/zij moet werken of niet; - de terugbetaling van de dagvergoeding maakt vanzelfsprekend geen loon uit, want zij is niet de vergoeding van de werknemer voor de door hem geleverde arbeid; anders zou aan de betrokken werknemers de economische tegenwaarde van hun arbeid worden onthouden; - zowel naar Belgisch als Bulgaars recht betreft de kostenvergoeding of ‘diurna’ een dagvergoeding die in essentie integraal als kostenvergoeding moet worden beschouwd en derhalve niet kan worden meegenomen in de vergelijking met het van toepassing zijnde Belgische loon; - eisers maken hoegenaamd niet aannemelijk (door overlegging van stukken) waaruit zou kunnen blijken dat zij alle aldus bijkomende kosten voor de in België tewerkgestelde Bulgaarse werknemers ook effectief betaald zouden hebben; - terecht haalt het openbaar ministerie aan dat het samengevoegde bedrag dat bestaat uit een beperkt (minimum)loon verschuldigd in het land van herkomst (Bulgarije) en een veel groter bedrag dat wordt voorgesteld als kostenvergoeding waarop geen sociale zekerheidsbijdragen verschuldigd zijn, niet in zijn geheel kan beschouwd worden als het minimumloon dat aan in België tewerkgestelde werknemers-overeenkomstig de Rome I-verordening 593/2008- betaald diende te worden. Het feit dat de chauffeurs deze vergoedingen ontvangen zonder enig bewijs te moeten leveren van de door hen werkelijk gemaakte kosten, doet hieraan geen afbreuk; - eisers dienden het (dwingend) Belgisch arbeidsrecht (algemeen verbindend verklaarde CAO’ s), met inbegrip van de Belgische loonvoorwaarden te respecteren. De verwijzing naar en de bewering dat het Bulgaarse recht zou zijn gerespecteerd, is derhalve niet dienend, nu alleszins vaststaat dat de Belgische minimumlonen niet werden gerespecteerd.
  2. Met deze redenen is naar mijn mening de schuldigverklaring aan telastlegging B naar recht verantwoord, gelet op artikel 3.7 EU-Richtlijn 71/96 (gewijzigd door de EU-Richtlijn 2018/957), zonder dat er sprake is van een verschuiving van de bewijslast van het openbaar ministerie naar de beklaagden, in strijd met artikel 6.2 EVRM. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  3. Voor het overige verduidelijken eisers niet hoe en waarom het bestreden arrest de bewijskracht zou miskennen van een specifiek door hen aangehaald stuk, en is het middel niet-ontvankelijk. 2.
  4. Het legaliteitsbeginsel en de retroactiviteit van de mildere strafwet (art. 7 EVRM en art. 2 Sw.)
  5. In een vierde middel voeren eisers aan dat de feiten van telastlegging C (tewerkstelling van buitenlandse onderdanen zonder verblijfsvergunning) niet meer strafbaar waren op moment van de veroordeling, zodat het bestreden arrest in strijd is met de artikelen 101 en 175 Sociaal Strafwetboek, artikelen 12 en 14 Wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, artikel 2, lid 2 Strafwetboek en de artikelen 6 EVRM en 149 Grondwet.
  6. Beoordeling. De omstandigheid dat de rechter over de strafbaarheid van de gedragingen vermeld in telastlegging C anders oordeelt dan wat eisers in conclusie aanvoeren, vormt geen motiveringsgebrek. In zoverre het middel steunt op de artikelen 6 EVRM en 149 Grondwet, faalt het naar recht.
  7. Krachtens artikel 4 Wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers (BS 21 mei 1999), moet de werkgever die een buitenlandse werknemer wil tewerk stellen, vooraf aan arbeidsvergunning hebben verkregen van de bevoegde overheid. De werkgever mag de diensten van deze werknemer enkel gebruiken binnen de perken van deze vergunning
(18). De werknemer dient op zijn beurt in het bezit te zijn van een arbeidskaart en moet gemachtigd zijn tot een verblijf van meer dan drie maanden of tot vestiging in België (art. 5 Wet van 30 april 1999). 38. Hoewel Bulgarije in 2007 toetrad tot de Europese Unie, heeft België ingevolge van de toetredingsakkoorden bepaald, als vorm van overgangsmaatregel tot 1 januari 2014 inzake vrij verkeer van werknemers, dat Bulgaarse werknemers niet zijn vrijgesteld van arbeidskaarten (KB van 19 december 2006, BS 28 december 2006 en KB van 17 juli 2013, BS 26 juli 2013). Het bestreden arrest nam aan dat aangezien de incriminatieperiode dateert van vóór 1 januari 2014, de Bulgaarse werknemers over een arbeidskaart en een verblijfstitel van meer dan drie maanden dienden te beschikken (p.99). De appelrechters verwierpen het standpunt van eisers dat zij vanaf 1 januari 2014 niet meer kunnen worden bestraft voor inbreuken op de Wet van 30 april 1999. 39. Ten tijde van een deel van de feiten (tussen 23 november 2010 en 1 juli 2011) werd de inbreuk op artikel 4 Wet 30 april 1999 bestraft overeenkomstig oud artikel 12, 1° Wet 30 april 1999, namelijk: “Onverminderd de artikelen 269 tot 274 van het Strafwetboek worden gestraft met gevangenisstraf van een maand tot een jaar en met een geldboete van 6 000 tot 30 000 frank of met één van die straffen alleen:
  1. a)de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers die, in strijd met de bepalingen van deze wet of van de uitvoeringsbesluiten ervan, arbeid doen of laten verrichten door een buitenlandse onderdaan die niet is toegelaten of gemachtigd tot een verblijf in België van meer dan drie maanden of tot vestiging;
  2. b)al wie een buitenlandse onderdaan België heeft laten binnenkomen om er te worden tewerkgesteld of tot dit binnenkomen heeft bijgedragen, voor zover de buitenlandse onderdaan geen houder is van een geldige arbeidskaart en zich niet bevindt in een van de gevallen, krachtens artikel 4, §2, tweede lid, bepaald door de Koning”. 40. De strafbaarstelling van artikel 12 werd vervangen door de wetten en uitvoeringsbesluiten van het Sociaal Strafwetboek (art. 109, 47° Wet 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek, BS 1 juli 2010), met inwerkingtreding op 1 juli 2011. Als toepasselijke strafbaarstelling gold voor de verdere periode in telastlegging C van 1 juli 2011 tot en met 31 december 2013 (oud) artikel 175 §1 Sociaal Strafwetboek, dat bepaalde: “Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, arbeid doen of laten verrichten door een buitenlandse onderdaan die niet is toegelaten of gemachtigd tot een verblijf van meer dan drie maanden of tot vestiging in België. De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers. De rechter kan bovendien de straffen bepaald in de artikelen 106 en 107 uitspreken”. Een sanctie niveau 4 bestaat volgens artikel 101 Sociaal Strafwetboek uit een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en een strafrechtelijke geldboete van 600 tot 6000 euro of uit een van die straffen alleen, hetzij een administratieve geldboete van 300 tot 3000 euro
(19)”. 41. Ingevolge de zesde Staatshervorming (art. 21 Bijzondere Wet van 3 januari 2014 met betrekking tot de zesde staatshervorming, BS 31 januari 2014), werden de Gewesten bevoegd voor de tewerkstelling van buitenlandse arbeidskrachten, met uitzondering van de normen betreffende de arbeidskaart afgeleverd in het kader van de specifieke verblijfssituatie van de betrokken personen en de vrijstellingen van beroepskaarten verbonden aan de specifieke verblijfssituatie van de betrokken personen alsook de toepassing van de normen betreffende de arbeidskaart afgeleverd in het kader van de specifieke verblijfssituatie van de betrokken personen
(20).
  1. In uitvoering van de zesde Staatshervorming werd wat betreft de tewerkstelling in het Vlaams Gewest de federale bepaling van artikel 175, §1 Sociaal Strafwetboek opgeheven en werd met ingang van 1 januari 2017 de erin vermelde strafbaarstelling ondergebracht in artikel 12/1 §1 Wet van 30 april 1999, ingevoegd bij artikel 28 Decr. Vl. van 23 december 2016 houdende de implementatie van de zesde staatshervorming en houdende diverse bepalingen met betrekking tot het beleidsdomein Werk en Sociale Economie, BS 9 februari 2017, luidend als volgt: “Met behoud van de toepassing van artikel 269 tot en met 274 van het Strafwetboek wordt de werkgever, zijn lasthebber of een aangestelde gestraft met een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en een strafrechtelijke geldboete van 600 tot 6000 euro, of met een van die straffen alleen, als hij in strijd met de bepalingen van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan arbeid heeft doen of laten verrichten door een buitenlandse onderdaan die niet is toegelaten of gemachtigd tot een verblijf van meer dan drie maanden of tot vestiging in België. De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal bij de inbreuk betrokken buitenlandse onderdanen. De vermenigvuldigde geldboete mag evenwel niet meer dan het honderdvoud van de maximumgeldboete bedragen. De rechter kan bovendien de straffen, vermeld in artikel 12/5 en 12/6, uitspreken”. Het onderliggende artikel 4 Wet 30 april 1999 betreffende de arbeidskaart en de verblijfsvergunning voor buitenlandse werknemers bleef in het Vlaamse Gewest ongewijzigd (art. 26-39 Decr. Vl. 23 december 2016). Ingevolge artikel 55 Decr. Vl. van 23 december 2016 werd de federale bepaling artikel 175, §1 Sociaal Strafwetboek opgeheven, eveneens met ingang op 1 januari 2017, in domeinen waarvoor de Decreetgever bevoegd is.
  2. Vervolgens werd de federale wet van 30 april 1999, met de verplichting van de arbeidskaart (art. 4) opgeheven, behalve wat de tewerkstelling van jonge au pairs betreft, namelijk buitenlandse onderdanen die zonder een arbeidsovereenkomst prestaties van arbeid in ondergeschikt verband leveren (art. 11 Wet 9 mei 2018 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse onderdanen die zich in een specifieke verblijfssituatie bevinden, BS 8 juni 2018). De au pairs moeten over een verblijfsvergunning beschikken (art. 6), waarbij het niet-naleven van die voorwaarde aanleiding kan geven tot sancties op basis van het Sociaal Strafwetboek (art. 12). Artikel 175/1, §1 Strafwetboek, ingevoegd door artikel 4 Wet 9 mei 2018 tot invoeging van een artikel 175/1 in het Sociaal Strafwetboek (BS 8 juni 2018), bepaalt thans, wat betreft deze categorie van buitenlandse werknemers zonder arbeidsovereenkomst (waarvoor de federale wetgever bevoegd is): “Met een sanctie van niveau 4 wordt bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die, in strijd met de wet van 9 mei 2018 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse onderdanen die zich in een specifieke verblijfssituatie bevinden, arbeid doen of laten verrichten door een buitenlandse onderdaan die niet is toegelaten of gemachtigd tot een verblijf van meer dan drie maanden of tot vestiging in België. De geldboete wordt vermenigvuldigd met het aantal betrokken werknemers”.
  3. Samengevat kan men stellen dat wat betreft de tewerkstelling van de Bulgaarse werknemers, met arbeidsovereenkomst, zonder geldige arbeidskaart of verblijfsvergunning er een strafbaarstelling gold ten tijde van de feiten (oud art. 12 Wet 30 april 1999 en oud art. 175 Sociaal Strafwetboek) en ten tijde van het bestreden arrest (art. 12/1 Wet van 30 april 1999, zoals van toepassing in het Vlaams Gewest, Decr. Vl. van 23 december 2006). De opheffing van de artikelen 4 Wet 1999 en artikel 175 Sociaal Strafwetboek door de federale wetgever, met uitzondering van au pairs, en de invoeging van een artikel 175/1 Sociaal Strafwetboek (Wetten van 9 mei 2018, BS 8 juni 2018), heeft geen invloed op het misdrijf van tewerkstelling van een buitenlandse onderdaan met arbeidsovereenkomst zonder arbeidskaart of geldige verblijfstitel in het Vlaamse Gewest (art. 4 en 12/1 Wet van 30 april 1999), omdat de federale overheid alleen die bepalingen kon opheffen, waarvoor hij bevoegd is, en een wet en een decreet rechtsnormen zijn met dezelfde waarde in de hiërarchie der rechtsnormen
(21). Sinds de zesde Staatshervorming
(2014)zijn alleen de Gewesten bevoegd voor de regels en strafsancties in verband met de tewerkstelling van buitenlandse werknemers (art. 6, §1, IX, 3° Bijzondere Wet tot hervorming van de instellingen van 8 augustus 1980, gewijzigd door artikel 22 Bijzondere Wet van 6 januari 2014 mbt de zesde staatshervorming)
(22). 45. Het Hof oordeelde op 3 november 2020 dat: “Uit het legaliteitsbeginsel zoals het is verwoord in artikel 7.1 EVRM, artikel 15.1 IVBPR en artikel 2 Strafwetboek volgt dat indien de wetgever een misdrijfomschrijving heeft gewijzigd na het plegen van het misdrijf, de rechter een beklaagde in beginsel slechts schuldig kan verklaren indien hij vaststelt dat dit misdrijf strafbaar is zowel onder de oude als onder de nieuwe wet”
(23). Aan deze voorwaarde is voldaan. Het bestreden arrest verwees voor de strafbaarheid van telastlegging C naar oud artikel 12, eerste lid, Wet 30 april 1999 en oud artikel 175 Sociaal Strafwetboek, van toepassing ten tijde van de feiten (p. 5 en 108) en naar het thans geldende artikel 12/1 Wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers (p. 109).
  1. Anders dan eisers aanvoeren, geldt het principe van de mildere strafwet (art. 2 Sw.) niet wanneer de strafbaarstelling ongewijzigd blijft tussen de feiten en de eindbeslissing, maar de voorheen strafbaar gestelde feiten na de incriminatieperiode zijn toegelaten ingevolge een uitvoeringsbesluit van de ongewijzigd gebleven strafbaarstelling.
  2. Het Hof nam op 20 november 2007 aan: “Artikel 2, tweede lid, Strafwetboek is enkel toepasselijk wanneer de wet ten tijde van het vonnis verschilt van de wet ten tijde van het misdrijf. Deze bepaling vindt geen toepassing wanneer een vroeger besluit wordt vervangen door een later besluit dat genomen werd ter uitvoering van dezelfde wet als het vroegere besluit, zonder dat de wet zelf gewijzigd werd. De feiten die ingevolge het vroegere besluit strafbaar waren ten tijde waarop ze werden gepleegd, blijven strafbaar, zelfs indien ze ingevolge het latere besluit, genomen ter uitvoering van dezelfde wet die niet werd gewijzigd, ten tijde van de uitspraak geen strafbaar feit meer opleveren. Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, bestaat er geen wettelijke bepaling noch een algemeen rechtsbeginsel dat bepaalt dat de uitvoeringsreglementen van een "blanco-strafwet" uit het bijzonder strafrecht beantwoorden aan de notie van een "evolutieve" reglementering, aan te passen aan de "ontwikkeling der opvattingen", met toepassing van artikel 2, tweede lid, Strafwetboek tot gevolg”
(24). Over de toepassing van artikel 15 IVBPR stelde het Hof in hetzelfde arrest: “Voormelde verdragsrechtelijke bepaling heeft enkel voor gevolg dat de beklaagde retroactief aanspraak kan maken op een gunstiger regime dan datgene dat van toepassing was ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde feit, wanneer uit de nieuwe regeling blijkt dat het inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van dit feit is gewijzigd. Vermits dergelijk inzicht niet blijkt bij een latere meer gunstige uitvoeringsreglementering zonder wijziging van de strafwet zelf, leidt de niet-toepassing van voormelde retroactiviteitsregel niet tot een schending van de aangehaalde verdragsbepaling”
(25). 48. Het Hof oordeelde op 17 oktober 2017 dat de artikelen 7.1 EVRM, 15.1 IVBPR en 2 Strafwetboek en het algemeen rechtsbeginsel van de toepassing van de mildere strafwet enkel van toepassing zijn “indien de wet ten tijde van de rechterlijke beslissing verschilt van de wet ten tijde van het misdrijf. Die regel is niet van toepassing wanneer een uitvoeringsbesluit wordt vervangen door een ander uitvoeringsbesluit, zonder dat de wet zelf wordt gewijzigd. Uit het ongewijzigd blijven van de strafbepaling blijkt het ongewijzigd inzicht van de wetgever op het vlak van de bestraffing. Een wijziging van een uitvoeringsbesluit dat door zijn aard tijdelijk en veranderlijk is, doet hieraan geen afbreuk”
(26).
  1. Ik ben van oordeel dat deze interpretatie van het legaliteitsbeginsel in deze zaak van toepassing is. Het feit dat in de incriminatieperiode (van 23 november 2010 tot en met 31 december 2013) enkele Bulgaarse werknemers niet beschikten over een arbeidskaart en een verblijfsvergunning, zoals voorgeschreven door artikel 4 Wet Buitenlandse Arbeidskrachten 1999 en destijds strafbaar was door oud artikel 12 Wet Buitenlandse Arbeidskrachten en oud artikel 175 Sociaal Strafwetboek, laat een veroordeling toe voor dat misdrijf als nadien, vanaf 1 april 2014, de Bulgaarse werknemers wel zonder deze formaliteiten in België kunnen worden tewerkgesteld. Vermelde strafbaarstellingen zijn niet gewijzigd in het thans geldende artikel 12/1 Wet Buitenlandse Arbeidskrachten, alleen de voorwaarden waaraan aan buitenlandse onderdaan moet voldoen om in België legale arbeid te verrichten. Er blijkt ook niet dat het inzicht van de wetgever na 1 januari 2014 is veranderd over de strafwaardigheid van feit C, het ontbreken van een arbeidskaart van Bulgaarse werknemers, daterend van vóór 1 januari
  2. Zoals de auteurs Christine VAN DEN WYNGAERT, Steven VANDROMME en Philip TRAEST aangeven, blijven inbreuken tegen oude uitvoeringsbesluiten van een wet strafbaar nadat een oud uitvoeringsbesluit is vervangen door een voor de beklaagde gunstig uitvoeringsbesluit, zonder dat de strafwet zelf gewijzigd werd, zelfs als de inbreuk ingevolge het nieuwe uitvoeringsbesluit geen strafbaar feit meer oplevert. Doordat de wet zelf niet is veranderd, is het inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van de erin omschreven gedraging immers niet fundamenteel veranderd
(27). In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 2.
  1. Verhoren van verdachten afgelegd zonder bijstand van een advocaat.
  2. Eisers I wierpen voor de appelrechters op dat de verklaring van eiser I.1 aan de sociale inspecteurs niet in aanmerking komen als bewijs, omdat hij geen bijstand genoot van een advocaat tijdens het verhoor.
  3. Het bestreden arrest oordeelt (p. 38-40) dat het recht op een eerlijk proces slechts een recht op bijstand van een advocaat tijdens het verhoor inhoudt voor een verdachte die zich in een bijzonder kwetsbare positie bevindt. Aangezien sociale inspecteurs niet bevoegd zijn tot arrestatie van de verdachte of tot het nemen van andere dwangmaatregelen, bevindt de verdachte verhoor door een sociaal inspecteur zich niet in een kwetsbare positie (Cass. 17 april 2012, AR P.11.0975.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120417.7). Verder heeft het verhoor van een verdachte zonder bijstand van een advocaat niet automatisch als gevolg dat het aanwenden van de afgelegde verklaringen als bewijs een eerlijk proces verhinderen, gelet op onder meer de mogelijkheid om de afgelegde verklaringen te vervolledigen of in te trekken.
  4. Eisers I voeren in een achtste middel aan dat verklaringen afgelegd van de verdachte voor een sociale inspecteur zonder bijstand van een advocaat nooit tot het bewijs mogen meewerken, gelet op de ‘Salduz-rechten’ die voortvloeien uit artikel 6.1 EVRM.
  5. Beoordeling. Het Hof oordeelde op 1 februari 2022 dat: “Het recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd door artikel 6.1 en 6.3.c EVRM en in het bijzonder uitgelegd door het EHRM in het arrest van 9 november 2018 (Beuze t/ België, nr. 71409/10) vereist dat aan een verdachte bijstand van een advocaat wordt verleend tijdens zijn verhoor door de politie indien hij zich in een bijzonder kwetsbare positie bevindt, wat onder meer het geval is wanneer hij van zijn vrijheid is beroofd. Die vereiste geldt eveneens in het geval dergelijk verhoor plaatsvond voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 47bis, §6, Wetboek van Strafvordering. Dit recht van toegang tot de advocaat houdt in dat vanaf het ogenblik van de vrijheidsberoving de verdachte contact kan hebben met een advocaat en er vertrouwelijke aanwijzingen kunnen worden gegeven, alsook dat de advocaat bij de verhoren tijdens het vooronderzoek fysiek mag aanwezig zijn, wat moet toelaten een effectieve en concrete bijstand te verlenen en erop toe te zien dat het recht van verdediging niet wordt miskend”
(28). 54. Het bestreden arrest geeft voldoende aan dat eiser I.1 zich ten tijde van zijn verhoren door een sociaal inspecteur niet in een bijzonder kwetsbare positie bevond, omdat hij steeds beschikte over de vrijheid van komen en gaan (p. 38). Sociale inspecteurs hebben voor de opheldering van sociaalrechtelijke inbreuken niet de mogelijkheid om voor of tijdens het verhoor van een verdachte over te gaan tot arrestatie van de verdachte (art. 18 tot 52 en art. 62 Sociaal Strafwetboek). Hieruit volgt dat de werkgever die door een sociale inspecteur wordt verhoord, zich in niet een kwetsbare positie bevindt
(29). In zoverre faalt het middel naar recht. 55. Ten tijde van het verhoor van eiser door een sociaal inspecteur, zonder arrestatie, was het recht op bijstand van een advocaat nog niet bij wet toegekend. Deze waarborg werd pas in artikel 47bis Sv. ingeschreven ingevolge de Wet van 21 november 2016 (BS 24 november 2016) en geldt ook voor een verhoor (geleide ondervraging) van een verdachte over strafbare feiten met een zekere ernst, afgenomen door een sociaal inspecteur
(30). Dit betekent evenwel niet dat elk verhoor van een in vrijheid gelaten verdachte afgenomen vóór die Wet, zonder bijstand van een advocaat, in strijd is met de artikelen 6.1 en 6.3.c EVRM. 56. Het Hof stelde op dit punt, op 1 februari 2022: “Een beperking van het recht van toegang tot de advocaat leidt evenwel bij afwezigheid van dwingende redenen niet automatisch tot een schending van artikel 6 EVRM. Het staat aan de rechter te onderzoeken of in het licht van de omstandigheden van de zaak de beperking van het recht van toegang tot de raadsman de eerlijkheid van het proces in zijn geheel beschouwd al dan niet onherstelbaar heeft aangetast. Bij die beoordeling kan onder meer rekening worden gehouden met de volgende elementen, voor zover die van toepassing zijn op de te beoordelen zaak: de bijzondere kwetsbaarheid van de verdachte in het licht van bijvoorbeeld zijn leeftijd of geestelijke mogelijkheden, de wettelijke regeling van het vooronderzoek en de toelaatbaarheid van de bewijzen, de mogelijkheid voor de betrokkene om de authenticiteit van het verzamelde bewijs te betwisten en zich te verzetten tegen het gebruik ervan, de kwaliteit van het bewijs en het al dan niet bestaan van twijfel over de betrouwbaarheid en de juistheid ervan in het licht van de omstandigheden waarin het werd verkregen, de aard van de onwettigheid waarmee het bewijs desgevallend werd verkregen en de aard van een eventuele verdragsrechtelijke schending, de aard van verklaringen en het gegeven of ze dadelijk werden ingetrokken of verbeterd, het gebruik van de bewijzen en in het bijzonder of die een overwegend of belangrijk deel van de bewijslast uitmaken waarop de veroordeling is gesteund, alsook het belang van de andere dossierelementen, het belang dat het onderzoek van het misdrijf en de bestraffing van de dader heeft voor de publieke opinie en het bestaan in het interne recht van andere procedurele garanties”
(31). 57. Vermelde criteria om uit te maken of een verhoor van een verdachte zonder bijstand van een advocaat en zonder vrijwillige afstand van die waarborg het recht op een eerlijk proces aantast zijn vooropgesteld in meerdere arresten van het Europees Hof te Straatsburg
(32). Het is niet nodig dat de rechter die een verklaring van een verdachte afgelegd in het vooronderzoek zonder bijstand van een advocaat wil aanwenden als bewijs, als doorslaggevend bewijs of slechts als bewijs ter ondersteuning van andere gegevens, alle aangehaalde criteria toetst. Ik ben van mening dat het hof van beroep voldoende de impact heeft beoordeeld van de verklaring van eiser II.1 afgelegd zonder bijstand van een advocaat op de rechtspleging in haar geheel. Criteria waarmee is rekening gehouden zijn het feit dat eiser zich niet in een kwetsbare positie bevond, bijstand genoot van een advocaat, zijn verklaringen kon intrekken (p. 38-40), stukken à décharge kon aanbrengen (p. 48). De appelrechters hielden bij de beoordeling van schuld ook of vooral rekening met materiële vaststellingen in processen-verbaal van sociale inspecteurs, die eiser ter rechtszitting kon betwisten (p. 47-48), zoals verklaringen van de Bulgaarse chauffeurs dat zij maandenlang in België verbleven (p. 50 en 54), de vaststelling dat hun vrachtwagens permanent in België gestald waren, ook in verlofperiodes (p. 54), de vaststelling dat de Bulgaarse onderneming Fonak Eood beschikte over een Belgisch bankrekeningnummer op naam van eiser I.1 (p. 57), de vaststelling dat de arbeidsovereenkomsten met de Bulgaarse chauffeurs in België werden ondertekend (p. 69), het aantreffen van zes Bulgaarse chauffeurs in een gebouw in Beernem dat door Fonak Eood werd gehuurd (p. 95) en de gegevens van de Dienst Vreemdelingenzaken over de verblijfsstatus van de Bulgaarse chauffeurs (p. 99). In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 58. Het zwijgrecht van de verdachte als één van de ingeroepen ‘Salduz-rechten’
(33)is in deze zaak gerespecteerd. Het bestreden arrest stelt vast dat eiser I.1 zich tijdens zijn verhoren niet bevond in een kwetsbare positie (p. 38-39) en hij in de uitnodiging tot verhoor en bij aanvang van het verhoor op zijn rechten werd gewezen. Het gaat om rechten die thans aan alle verdachten zijn toegekend door de Wet van 21 november 2016 (p. 39), zoals het recht te zwijgen en het recht zichzelf niet te beschuldigen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  1. Voor het overige verduidelijkt het middel niet hoe en waarom het bestreden arrest de bewijskracht miskent van akten (art. 8.17 en 8.18 BW) en is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet-ontvankelijk. 2.
  2. Het wederrechtelijk voordeel ingevolge een inbreuk op de Loonwet
  3. Het bestreden arrest stelt vast, wat betreft de illegaal verkregen vermogensvoordelen uit het bewezen verklaarde misdrijf B (inbreuk op de loonwet) er met een bedrieglijke constructie is gewerkt, om aan de Bulgaarse chauffeurs niet de in België voorziene minimumlonen te betalen, hoewel dit wettelijk verplicht was (p. 106). Het totaal illegaal vermogensvoordeel kan niet worden verminderd met de uitgekeerde kostenvergoeding, omdat deze vergoeding hoe dan ook aan de Bulgaarse chauffeurs verschuldigd was voor hun tewerkstelling in België. In werkelijkheid dienden de minimumlonen en deze kostenvergoeding telkenmale aan de chauffeurs te worden betaald, aangezien de chauffeurs ver van huis waren tewerkgesteld en kosten moesten maken voor voedsel en gebruikelijke uitgaven (p. 106).
  4. Eisers voeren in een vierde middel aan dat het arbeidsrechtelijk loonbegrip niet relevant is voor het bepalen van het illegaal vermogensvoordeel en dat er bij de berekening van dat vermogensvoordeel wel met de dagvergoedingen moet worden rekening gehouden (1e onderdeel). Het arrest zou ook ten onrechte geen rekening houden met periodes die de Bulgaarse chauffeurs doorbrachten in Bulgarije (vierde middel, 2e onderdeel en vijfde middel). In een zesde middel werpen eisers op dat het arrest voor de raming van het wederrechtelijk verkregen vermogensvoordeel slechts rekening houdt met hypotheses en niet met concrete feitelijke gegevens, zoals de afwezigheid van personeel wegens ziekte of effectief geleverde prestaties zoals die blijken uit de tachograafschijven.
  5. Beoordeling. Het Hof neemt over de omvang van de cassatie (art. 434 Sv.) aan dat als er grond is tot cassatie van de schuldigverklaring aan één telastlegging, de cassatie beperkt is tot de schuldigverklaring van dat ene misdrijf en van de uitgesproken straffen voor het geheel van de feiten, waarbij de schuldigverklaring aan de andere feiten onaangetast blijft, met die nuance dat dat de eiser in cassatie het voordeel behoudt van de eenheid van opzet voor feiten waarvoor de schuldigverklaring niet wordt vernietigd
(34). De middelen die verband houden met de straftoemeting kunnen m.i. niet leiden tot een ruimere cassatie en behoeven geen antwoord. 2.
  1. Motivering over een postbusonderneming in Bulgarije
  2. In een zevende middel voeren eisers I aan dat het arrest tegenstrijdig is gemotiveerd, omdat het oordeelt dat FONAK EOOD geen vaste inrichting heeft in Bulgarije en tegelijk aanneemt dat deze firma in Bulgarije een parkingplaats huurt van 206 m
  3. Beoordeling. Het bestreden arrest nam aan, in deel 3 ‘Algemene vaststellingen’, m.i. niet specifiek gericht op telastlegging A, dat de maatschappelijke zetel In Staro Sellishte (BG) het privéadres betreft van één van de Bulgaarse chauffeurs tewerkgesteld in België (K.S.) en geen adequate voorziening heeft om een transportfirma te runnen of er vrachtwagens te stallen (p. 53). Van een vaste inrichting is er geen sprake, omdat er alleen een louter formele inschrijving plaatsvond in een privé-woning waar geenszins bedrijfsactiviteiten plaatsvonden (p. 62-63). Het arrest oordeelt niet dat FONAK EOOD geen stalllingsmogelijkheid had voor vrachtwagens in Bulgarije, wel dat er geen stallingsmogelijkheid was op het adres van inschrijving van de maatschappelijke zetel (p. 62-63). Deze vaststelling is verenigbaar met het stuk van de Bulgaarse autoriteiten dat FONAK EOOD in het dorp Osenets een stallingsplaats huurt en FONAK EOOD geen transportopdrachten uitvoert in Bulgarije. Het zevende middel mist bijgevolg feitelijke grondslag.
  4. Middelen van eiser II en eiseres III
  5. In zoverre de cassatieberoepen zijn gericht tegen de vrijspraak wegens telastlegging D, zijn ze niet-ontvankelijk, bij gebrek aan belang. 3.
  6. De eed van tolken 3.1.
  7. Middel van eisers
  8. Eisers II en III voeren in een eerste middel een schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 62 Sociaal Strafwetboek, artikel 31 Taalwet Gerechtszaken en artikel 47bis, §6, 4 Sv. Het bestreden arrest oordeelt volgens hen ten onrechte dat het voldoende is dat een tolk de eedformule aflegt van het Decreet van 20 juli 1831, aangezien deze eed geen verband houdt met de beëdiging van een vertaler-tolk. De eed van 1831 “Ik zweer getrouwheid aan de Koning, gehoorzaamheid aan de Grondwet en aan de wetten van het Belgisch volk” is bestemd voor een persoon belast met een openbare dienst, niet een persoon die optreedt als vertaler-tolk. Voor de eed van een tolk was een specifieke eed nodig, voorgeschreven door oud artikel 332 Sv., ook al is die bepaling gericht op een tolk die een persoon ter zitting bijstaat.
  9. Ten tijde van de feiten was het begrip ‘beëdigd tolk’ in de zin van artikel 31 Taalwet Gerechtszaken, artikel 62 Sociaal Strafwetboek en oud artikel 47bis, §6, 4° Wetboek van Strafvordering niet nader toegelicht. Tolk H.K., die bijstand verleende bij het verhoor van de Bulgaarse chauffeurs, had alleen de eed afgelegd van artikel 2 Decreet van 20 juli 1831, dit is een algemene eed die verschilt van de eed die een tolk ter rechtszitting dient af te leggen ingevolge oud artikel 332 Sv., toepasselijk op moment van de eedaflegging. Voor bijstand van een getuige of verdachte tijdens een verhoor was ook ten tijde van de feiten een specifieke eed nodig van de tolk. Er anders over oordelen, zou betekenen dat eenieder die de ambtseed van 1831 heeft afgelegd als beëdigd tolk zou kunnen deelnemen aan een verhoor. 3.1.
  10. de ambtseed van gerechtstolken vóór artikel 555/15 Ger. W.
  11. Beoordeling van het middel. Artikel 192 Grondwet bepaalt dat geen eed kan worden opgelegd dan krachtens de wet en dat de wet de eedformule vaststelt. De eedverplichting wordt aldus bij federale wet geregeld
(35). Ten tijde van de feiten en de verhoren van de Bulgaarse chauffeurs in 2014 en 2015 werd er bij de parketten en arbeidsauditoraten gewerkt met officieuze lijsten van vertalers en tolken, zonder uniforme regels over de vereiste beroepservaring of het toezicht op geleverde prestaties
(36). Afdelingsvoorzitter Luc HUYBRECHTS stelde daarover: “Om op die lijst te komen, moet men een opleiding hebben gevolgd, een certificaat of diploma hebben behaald en een deontologische code hebben ondertekend. Het is een gebruik dat deze vertalers en tolken dan beëdigd werden door de rechtbank van eerste aanleg”
(37).
  1. Ingevolge de Wet van 10 april 2014 (BS 19 december 2014), gewijzigd door de Wet van 9 april 2017 (BS 4 mei 2017) en de Wet van 5 mei 2019 (BS 19 juni 2019), met inwerkingtreding op 1 december 2016, dienen beëdigde tolken aan bepaalde eisen van opleiding te voldoen om voor het gerecht prestaties van vertolking te leveren (artikelen 555/8 en 555/13 Ger. W.). Na erkenning door de Minister van Justitie leggen zij een eenmalige eed af voor de eerste voorzitter van het hof van beroep, schriftelijk of mondeling, en worden zij opgenomen in het nationaal register voor beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken (art. 555/14 Ger. W., laatst gewijzigd door artikel 102 Wet 23 december 2021, BS 30 december 2021). De eenmalige eed luidt: “Ik zweer dat ik mijn opdracht in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk zal vervullen”. Bij gemotiveerde beschikking kan de rechter in bepaalde gevallen een beroep doen op een niet-erkende tolk, die dan per prestatie de eed aflegt. Deze ‘occasionele’ eed luidt: “ik zweer dat ik mijn opdracht in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk zal vervullen” en is voor tolken niet op straffe van nietigheid voorgeschreven (art. 555/15 Ger. W.).
  2. Artikel 62 Sociaal Strafwetboek bepaalt dat als de ondervraagde persoon zich in een andere taal dan de procestaal wil uitdrukken, er ofwel een beroep wordt gedaan op een beëdigde tolk, ofwel dat zijn verklaringen worden genoteerd in zijn taal, ofwel dat hem wordt gevraagd zelf zijn verklaring te noteren. Zo het verhoor plaatsheeft met bijstand van een tolk, wordt diens identiteit en hoedanigheid vermeld (art. 62 Sociaal Strafwetboek). Deze bepaling, die ook gold ten tijde van de feiten, bepaalt niet welke eed de tolk moet afleggen om als ‘beëdigde tolk’ bijstand te verlenen tijdens een verhoor afgenomen door een sociaal inspecteur.
  3. Artikel 62 Sociaal Strafwetboek sluit aan op het toenmalige artikel 47bis, lid 5, Sv., dat eveneens bepaalde dat bij een verhoor van een persoon die zich niet in de procestaal wil uitdrukken, er ofwel een beroep wordt gedaan op een beëdigde tolk, ofwel zijn verklaringen worden genoteerd in zijn taal, ofwel hem wordt gevraagd zelf zijn verklaring te noteren
(38). Welke eed de tolk moet hebben afgelegd en voor welke instantie, om als tolk bijstand te verlenen tijdens verhoren in het vooronderzoek, is in deze bepalingen niet toegelicht. Afdelingsvoorzitter Luc HUYBRECHTS merkt daarover op: “Het is straf te noemen dat bij de invoering van deze bepaling de beëdiging van de tolken niet werd geregeld in plaats van op het gebruik van beëdiging terug te vallen. Indien het verhoor van een beëdigde tolk wordt afgenomen, worden diens identiteit en hoedanigheid vermeld”
(39). Voor de eed van tolken ter rechtszitting gold ten tijde van de ondervragingen wel een specifieke eed. De tolk diende voor de vonnisrechter de eed af te leggen: “ik zweer dat ik trouw het gezegde zal vertalen, dat moet worden overgebracht aan degenen die een verschillende taal spreken”
(40)(oud art. 282 Sv., ingevoegd door artikel 79 Wet 21 december 2009, BS 11 januari 2010, waarbij die eedformule is opgeheven door artikel 12 Wet 28 oktober 2016, BS 24 november 2016, met inwerkingtreding op 1 juni 2017). 72. Bij gebrek aan een nationaal register van beëdigde tolken in 2014 en 2015, werd de voorwaarde van beëdiging van de tolk tijdens politieverhoren soepel opgevat. Het volstond dat de politie (of een sociaal inspecteur) een beroep deed op een tolk die vooraf de ‘ambtseed’ had afgelegd in handen van een rechter, na inschrijving op de officieuze lijst van tolken van het openbaar ministerie
(41), en vervolgens in het proces-verbaal melding maakte van de tussenkomst van een beëdigde tolk
(42). Deze eed van artikel 2 Decreet 20 juli 1831 houdt de plechtige belofte in: “Ik zweer getrouwheid aan de Koning, gehoorzaamheid aan de Grondwet en aan de wetten van het Belgisch volk”. Deze eed wordt opgelegd aan onder meer “al de ambtenaren van de gerechtelijke en de administratieve orde” en “al de burgers belast met enig openbaar ambt of openbare dienst”
(43). 73. Bij gebrek aan specifieke bepaling over de instantie die vóór 1 december 2016 de eed afnam van tolken, gold artikel 601, 1° Gerechtelijk Wetboek, dat de vrederechter aanwijst als instantie die de eed afneemt van personen die wegens hun ambt en bediening ervan de eed dienen af te leggen
(44). Aan de sociale inspectie was ten tijde van de verhoren geen bevoegdheid toegekend om, zoals de vonnisrechter ter zitting, van de opgeroepen tolk een specifieke eed af te nemen, destijds opgenomen in oud artikel 282 Sv., waarbij de tolk beloofde trouw het gezegde te vertalen, dat moet worden overgebracht aan degenen die een verschillende taal spreken. 74. Een tolk die in opdracht van de overheid bijstand verleent in een strafzaak vóór 1 december 2016 kan men beschouwen als een burger die met een openbare dienst is belast, en bijgevolg gerechtigd is de eed van artikel 2 Decreet 20 juli 1831 af te leggen. Die eed (voor de vrederechter) kan dan als basis dienen om voor verhoren door een sociaal inspecteur de tolk als beëdigd te beschouwen, aangezien de sociaal inspecteur zelf niet bevoegd is de eed van een tolk af te nemen, gelet op artikel 192 Grondwet
(45). Een element dat deze visie ondersteunt, is het misdrijf van slagen aan ‘enig ander persoon met een openbare hoedanigheid bekleed, in de uitvoering of ter gelegenheid van de uitoefening van zijn bediening’ (art. 280 Sw.). Tot deze categorie van deze personen behoren deskundigen, vertalers en tolken die in een strafzaak zijn aangesteld
(46). In zoverre het middel aanvoert dat er in 2014 of 2015 geen eed voor tolken bij wet was voorzien, faalt het middel naar recht. 75. Men mag ervan uitgaan dat tolk die in de periode vóór 1 december 2016 de ambtseed van 1831 heeft afgelegd, tot bewijs van het tegendeel, nauwgezet en eerlijk de verklaringen van de verhoorde persoon vertaalde naar de procestaal en de woorden van de verhoorder vertaalde naar de taal die de verhoorde persoon spreekt. De eed van 1831 met als component gehoorzaamheid aan de wetten van het Belgische volk houdt meer in dan het naleven van alleen de Grondwet en wetten aangenomen door de federale wetgever. De term ‘wetten’ vermeld in artikel 159 Grondwet wordt ruim geïnterpreteerd, in die zin dat daarmee ook decreten en ordonnanties en internationale normen met rechtstreekse werking in de Belgische rechtsorde worden bedoeld
(47). De tolk die destijds aan de vrederechter de eed van 1831 aflegde, legde m.i. ook een plechtige belofte af het recht op een eerlijk proces van elke beklaagde na te leven (art. 6.1 EVRM) en het recht op vertolking van verdachten en beklaagden die de taal van de strafprocedure niet spreekt of verstaat, en dit voor politieverhoren en verhoren ter zitting (art. 2 EU-Richtlijn 2010/64). Daarmee is niet gezegd dat elke persoon die de ambtseed van 1831 heeft afgelegd en geen bewijs kan voorleggen van talenkennis zomaar als beëdigde tolk bijstand kon verlenen aan een persoon die tijdens het vooronderzoek wordt ondervraagd. Het was aan de verhorende instantie (in de periode vóór 1 december 2016) om na te gaan of de opgevorderde tolk geschikt is voor de opdracht en de eed van 1831 voor de vrederechter heeft afgelegd, waarna zij in het proces-verbaal van verhoor melding maakte van de tussenkomst van een beëdigde tolk
(48). Op die formaliteit zag ook de vonnisrechter toe. Bovendien was het voor de vrederechter niet mogelijk de voor hem verschijnende tolk een eed van de vroegere bepalingen artikelen 282 en 332 Sv. te laten afleggen, aangezien artikel 601, 1° Ger. W. alleen melding maakt van de ambtseed van 1831 en een bijkomende eed alleen mogelijk is krachtens een specifieke wet, die toen ontbrak voor tolken tijdens het vooronderzoek (art. 192 Gw.). In zoverre het middel ervan uitgaat dat de tolk de eed van oud artikel 282 Sv. diende af te leggen tijdens een verhoor in het vooronderzoek, faalt het naar recht.
  1. Het bestreden arrest stelt vast dat de werknemers van FONAK EOOD hun verklaringen hebben afgelegd met bijstand van een beëdigde tolk. Het proces-verbaal van verhoor, opgesteld door de sociaal inspecteur, vermeldt over de identiteit van de tolk dat de ‘identiteit van de tolk gekend was bij de diensten van de verbalisanten’ (p. 33). Het vermelden van gegevens van de tolk is volgens artikel 62 Sociaal Strafwetboek niet op straffe van nietigheid voorgeschreven (p. 33). Het komt aan de rechter toe na te gaan, aan de hand van regelmatig voorgelegde gegevens, of de persoon is verhoord door een beëdigde tolk (p. 33). Het hof van beroep nam kennis van stukken van het openbaar ministerie over de aanstelling van de tolk N.K. en heeft sociaal inspecteur A. en de tolk N.K. onder ede verhoord over het verhoor (p. 33). Uit het onderzoek ter zitting is gebleken dat werknemer I.A. is verhoord met bijstand van tolk N.K., de werknemers G.M., A.S en R.J werden verhoord met bijstand van dezelfde tolk N.K. en de overige drie werknemers werden verhoord met bijstand van de tolk J.I. (p. 33-34). Deze tolken werden gekozen uit de lijst van beëdigde tolken, ter beschikking gesteld door de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg. Hun facturen werden ter rechtszitting van 19 december 2019 aan het strafdossier gevoegd (p. 34). De appelrechters stelden vast dat de twee tolken die bijstand verleenden tijdens de verhoren beëdigde tolken zijn. Zij hebben in 2004 de eed van het Decreet van 20 juli 1831 afgelegd voor de vrederechter te Kortrijk (p. 35) en de tolken zijn thans opgenomen in het nationaal register voor beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken. Bij de eedaflegging was een magistraat van het openbaar ministerie aanwezig, die bevestigde dat beide tolken voldeden aan de voorwaarden van deskundigheid en moraliteit (p. 35). Het hof van beroep stelde verder dat de tolken de eed voor de vrederechter hebben afgelegd ‘in de specifieke hoedanigheid van vertaler-tolk’, en er geen bijkomende eed nodig was tijdens het verhoor (p. 36).
  2. Met deze redenen mochten de appelrechters aannemen dat alle Bulgaarse werknemers werden verhoord in hun taal met bijstand van een beëdigd tolk en er uit de wijze van verhoor geen onregelmatigheid volgt die de rechten van verdediging van eisers II en III of de betrouwbaarheid van de afgelegde verklaringen zou aantasten. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 3.1.3 Prejudiciële vraag over artikel 601 Ger. W.
  3. Eisers verzoeken het Hof een eerste prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: “Schenden artikel 601 van het Gerechtelijk Wetboek juncto het Decreet van 20 juli 1831 artikel 10 en 11 Grondwet in de mate dat zij wel mogelijk zouden maken om de hoedanigheid van beëdigd tolk te bekomen en op te treden als dusdanig buiten de context van tolken voor de vonnisgerechten, zonder dat echter een aangepaste eedformule voor vertaler-tolk als voorzien in de context van de procedure voor de vonnisgerechten in artikel 332 Sv. is voorzien en zonder dat de verdediging de mogelijkheid heeft om een tolk te wraken, terwijl dit wel voorzien is in de procedure voor de vonnisgerechten conform artikel 332 Sv.?”.
  4. Als reden voor de prejudiciële vraag stellen eisers: “Ondergeschikt, in zo verre uw Hof van oordeel zou zijn dat de eedformule van het Decreet van 20 juli 1831 wel voldoende zou zijn om, ten tijde van de betrokken ondervragingen, te kunnen optreden als beëdigd vertaler-tolk, dan nog meent verzoeker een probleem te kunnen ontwaren. In deze hypothese is het immers niet te begrijpen waarom een tolk die ter zitting optreedt en een tolk die dit doet buiten de context van een zitting in rechte, een andere eedformule zou hebben moeten gebruiken en de beëdiging ter zitting omringd was met veel meer waarborgen zoals voorzien in artikel 332 Sv.”.
  5. Beoordeling. Artikel 332 Sv., gewijzigd bij artikel 6 wet van 3 mei 2003 (BS 17 juni 2003) bepaalde oorspronkelijk, ten tijde van de eedaflegging van tolk H.K. in 2004: “Ingeval de beschuldigde, de burgerlijke partij, de getuigen of een van hen niet dezelfde taal of hetzelfde idioom spreken, benoemt de voorzitter ambtshalve, op straffe van nietigheid, een tolk, ten minste eenentwintig jaar oud, en doet hem, eveneens op straffe van nietigheid, de eed afleggen dat hij trouw het gezegde zal vertalen, dat moet worden overgebracht aan degenen die een verschillende taal spreken. De beschuldigde, de burgerlijke partij en de procureur-generaal kunnen de tolk wraken, op voorwaarde dat zij de reden van hun wraking opgeven”.
  6. Ingevolge artikel 148 Wet 21 december 2009 (BS 11 januari 2010) werd vermelde bepaling (art. 332 Sv.) gewijzigd: Artikel 332 Sv. bepaalde ten tijde van de verhoren van de Bulgaarse werknemers: “De gezworenen komen daarna in de zittingszaal terug en nemen opnieuw hun plaats in. De voorzitter vraagt hun welke de uitslag is van hun beraadslaging. Het hoofd van de jury verklaart: “In eer en geweten is de jury tot een verklaring gekomen”. of: “En honneur et conscience, le jury est parvenu à une déclaration” of: “Auf Ehre und Gewissen sind die Geschworenen zu einer Erklärung gekommen”. Artikel 332 Sv. werd uiteindelijk opgeheven door artikel 110 Wet 5 februari 2016 (BS 19 februari 2016).
  7. In 2009 werd de eed van tolken ter rechtszitting ondergebracht in artikel 282 Sv.
(49)Deze bepaling werd door artikel 79 Wet van 21 december 2009 vervangen als volgt: " Ingeval de beschuldigde, de burgerlijke partij, de getuigen of een van hen niet dezelfde taal of hetzelfde idioom spreken, benoemt de voorzitter ambtshalve, op straffe van nietigheid, een tolk, ten minste eenentwintig jaar oud, en doet hem, eveneens op straffe van nietigheid, de eed afleggen dat hij trouw het gezegde zal vertalen, dat moet worden overgebracht aan degenen die een verschillende taal spreken. De beschuldigde, de burgerlijke partij en de procureur-generaal kunnen de tolk wraken, op voorwaarde dat zij de reden van hun wraking opgeven. De voorzitter doet uitspraak. Zelfs met instemming van de beschuldigde, van de burgerlijke partij en van de procureur-generaal kan de tolk niet worden gekozen uit de getuigen en de gezworenen, zulks op straffe van nietigheid”.
  1. Artikel 282 Sv., later gewijzigd door artikel 4 Wet 10 april 2014 (BS 19 december 2014) en artikel 12 Wet 28 oktober 2016 (BS 24 november 2016), bepaalt in de huidige versie: “Ingeval de beschuldigde, de burgerlijke partij, de getuigen of een van hen niet dezelfde taal spreken, benoemt de voorzitter ambtshalve een beëdigd tolk. Het proces-verbaal van de terechtzitting maakt melding van de bijstand door de beëdigd tolk, alsmede van diens naam en hoedanigheid. De kosten van vertolking zijn ten laste van de Staat. De beschuldigde, de burgerlijke partij en de procureur-generaal kunnen de tolk wraken, op voorwaarde dat zij de reden van hun wraking opgeven. De voorzitter doet uitspraak. Zelfs met instemming van de beschuldigde, van de burgerlijke partij en van de procureur-generaal kan de tolk niet worden gekozen uit de getuigen en de gezworenen, zulks op straffe van nietigheid”.
  2. Eisers gaan er onterecht van uit dat “ten tijde van de ondervragingen“ van de Bulgaarse chauffeurs (2014 en 2015) de specifieke eed van tolken ter rechtszitting was bepaald door artikel 332 Sv., aangezien op dat moment de eed van tolken ter rechtszitting was opgenomen in oud artikel 282 Sv. Er is dan ook geen reden om deze prejudiciële vraag te stellen, bij gebrek aan nauwkeurigheid.
  3. Wanneer in de voorgestelde prejudiciële vraag oud artikel 332 Sv. (van toepassing ten tijde van de eedaflegging van de tolk H.K. in 2004) zou worden vervangen door oud artikel 282 Sv. over de eed van tolken ter rechtszitting (van toepassing ten tijde van de ondervragingen), lijkt mij er evenmin grond te zijn deze prejudiciële vraag voor te leggen aan het Grondwettelijk Hof. Een verhoor in het vooronderzoek van een werknemer met bijstand van een tolk, waarbij wegens het geheim van het opsporingsonderzoek (art. 28quinquies Sv.) de werkgever in zijn hoedanigheid van verdachte niet aanwezig is, is niet te vergelijken met een verhoor van die werknemer als getuige op de openbare terechtzitting, waarbij de beklaagde de tolk wel kan wraken. In de eerste situatie heeft de beklaagde de mogelijkheid om nadien (ter zitting) de betrouwbaarheid van de tolk te betwisten (zoals in deze zaak is gebeurd), om de afgenomen schriftelijke verklaring als bewijs uit te sluiten (art. 2.5 Richtlijn EU 2010/64 van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures, www.eur-lex.europa.eu). 3.1.
  4. Prejudiciële vraag over oud artikel 332 Sv.
  5. Bijkomend stellen eisers II voor een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof over oud artikel 332 Sv., namelijk “Schendt (oud) artikel 332 Wetboek van Strafvordering, zoals van toepassing tussen publicatie op 17 juni 2003 en 11 januari 2010, artikel 10 en 11 Grondwet in die mate dat de eedprocedure voorzien in die procedure ook zou worden toegepast voor de eedaflegging van een vertaler-tolk buiten de context van een concrete zitting in rechte en zonder dus dat aan met name de beklaagde de rechten toegekend in dit artikel zouden worden toegekend?”.
  6. Mij lijkt er geen reden deze tweede prejudiciële vraag te stellen, omdat 1°oud artikel 332 Sv. niet van toepassing was ten tijde van het ondervragen van de Bulgaarse werknemers met bijstand van de beëdigde tolk H.K. (zie hoger, 3.1.3) en 2°het bestreden arrest artikel 332 Wetboek van Strafvordering niet toepast
(50). Het bestreden arrest oordeelt in tegendeel dat voor de eedaflegging tijdens het vooronderzoek de ambtseed van artikel 2 Decreet van 20 juli 1831 volstaat voor de tolk die de verhoorde persoon bijstaat. Eisers stellen trouwens zelf in hun memorie (p. 7): “Verzoekster treedt in hoofdorde wel het bestreden arrest bij in haar oordeel dat de eedformule ex artikel 332 Sv. (zoals van toepassing ten tijde van de feiten) niet toepasselijk is” en achten de prejudiciële vraag alleen nodig “in de mate dat uw Hof zou oordelen dat wel de eedformule ex artikel 332 Sv. noodzakelijk is om te kunnen tolken als beëdigd ook buiten de context van de vonnisgerechten” (p. 9). 3.
  1. Mededaderschap (art. 66 Sw.)
  2. In een tweede middel werpen eisers II op dat het bestreden arrest niet verduidelijkt of zij als mededader dan wel als medeplichtige zijn veroordeeld en ook niet tot strafbare deelneming kon besluiten, omdat niet is vastgesteld dat eisers wetens en willens hebben gehandeld bij het tot stand komen van de strafbare feiten. Er is alleen bepaald dat eiser niet wist hoeveel de Bulgaarse werknemers werden betaald. De vraag rijst hoe men kennis van een loonmisdrijf (telastlegging B) in hoofde van de deelnemer kan bewijzen als niet eens wordt aangetoond dat de deelnemer wist of zelfs maar behoorde te weten hoeveel er aan de werknemers werd betaald. Het aspect weten van het te gering loon van de werknemer wordt in het arrest als niet-relevant afgedaan. Daarbij komt dat het Belgisch transportrecht geen controleplicht bepaalt over de verloning of de Dimona-regeling van een werknemer of een onderaannemer. Verder wordt aangegeven dat de feiten aan eisers toerekenbaar zijn als dader en/of medeplichtige, terwijl alleen uitdrukkelijk is verwezen naar artikel 66, tweede en derde lid, Strafwetboek over mededaderschap. De in het arrest aangehaalde feiten van gebruik van gebouwen, gebruik van vrachtwagens en tanken zijn geenszins van aard om het vereiste opzet van strafbare deelneming aan te tonen. Aldus houdt het bestreden arrest een schending in van de artikelen 149 Grondwet, 66 en 67 Strafwetboek en 195 Wetboek van Strafvordering.
  3. Beoordeling. De regels over strafbare deelneming (art. 66 en 67 Sw.) zijn eveneens van toepassing op de beteugeling van sociaalrechtelijke inbreuken (art. 109 Sociaal Strafwetboek)
(51). Eisers II en III worden vervolgd als daders van de misdrijven omschreven in telastleggingen A, B en C. Weliswaar is achter de formulering ‘als daders, zoals voorzien door artikel 66 Strafwetboek’, de omschrijving toegevoegd van mededaderschap, zoals bepaald in artikel 66 Sw. Van medeplichtigheid (art. 67 Sw.) is er in de omschrijving van de telastleggingen geen sprake. 90. Strafbare deelneming als bedoeld in artikel 66 Strafwetboek vereist dat de mededader een door de wet bepaalde vorm van medewerking aan een misdaad of een wanbedrijf verleent, weet dat hij zijn medewerking aan een bepaalde misdaad of een bepaald wanbedrijf verleent en het opzet heeft aan die misdaad of dat wanbedrijf zijn medewerking te verlenen. De rechter oordeelt onaantastbaar of de als mededader vervolgde beklaagde aan die voorwaarden voldoet en het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen trekt die daarmee geen verband houden of daardoor niet kunnen worden verantwoord
(52).
  1. Over de toepassing van artikel 66 Strafwetboek oordeelt het bestreden arrest als volgt (p. 100-101): “De bewezen verklaarde feiten zijn dan ook aan eisers II en II toerekenbaar, als mededader en/of medeplichtige. Het weze in dit verband opgemerkt dat om een beklaagde als mededader of medeplichtige te kunnen veroordelen, het niet vereist is dat alle bestanddelen van het misdrijf in de deelnemingshandelingen begrepen zijn. Voldoende is dat wordt vastgesteld dat de deelnemer wetens en willens aan de uitvoering van het misdrijf heeft meegewerkt op één van de wijzen bepaald in artikel 66, tweede en derde lid van het Strafwetboek. Dit is onmiskenbaar het geval. … Eisers leverden de noodzakelijke hulp aan de misdrijven die door eisers I.1 en I.2 wetens en willens werden gepleegd”.
  2. Met deze redenen geeft het arrest m.i. voldoende duidelijk aan dat het eisers II en II schuldig verklaart als dader of mededader aan de bewezen verklaarde misdrijven A, B en C (art. 66 Sw.), niet als medeplichtige aan deze misdrijven. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  3. Strafbare deelneming vereist dat de betrokkene kennis heeft van het feit dat hij deelneemt aan een welbepaalde misdaad of een welbepaald wanbedrijf. Hiertoe is vereist maar ook voldoende dat hij kennis heeft van alle omstandigheden die aan een handeling van de hoofddader het kenmerk van een misdaad of wanbedrijf verlenen, maar niet dat hij kennis heeft van alle bijzondere uitvoeringsmodaliteiten van het misdrijf
(53). De feitenrechter oordeelt onaantastbaar over het aspect kennis van het misdrijf, met controle op de wettigheid van de motieven door het Hof.
  1. Het bestreden arrest oordeelt op dit punt (p. 101) dat: Eisers II en III wisten met zekerheid dat zij meewerkten aan misdrijven. Eiseres III was de enige klant van de Bulgaarse vennootschap FONAK EOOD, wier zaakvoerder L.A. een werknemer van eiseres III was, die derhalve onder haar gezag, leiding en toezicht stond. Eisers leverden de noodzakelijke hulp aan de misdrijven die door eisers I.1 en I.2 wetens en willens werden gepleegd. De bewering van eiseres III als zou zij niet weten hoeveel de chauffeurs van FOOD EOOD verdienden, doet hieraan geen afbreuk. Evenmin relevant is het ingeroepen argument dat artikel 30bis van de RSZ-wet niet zou gelden in de transportsector. In het kader van dit strafdossier staat dit nergens ter discussie. Er werd niet vervolgd voor socialezekerheidsrechtelijke fraude of oplichting. Wel staat vast dat de FONAK EOOD gebruik maakte van gebouwen en terreinen die haar door eiseres III werden verhuurd en van vrachtwagens die eigendom bleven van eiseres III totdat de volledige koopsom vereffend was, via het leveren van transportdiensten. De chauffeurs van de FONAK EOOD konden tanken bij eiseres III en zij beschikten over een DKV-kaart van eiseres III om te tanken en tol te betalen in het buitenland. Eiseres III betaalde de facturen voor het onderhoud van de Bulgaarse vrachtwagens. Bij afwezigheid van eiser I.1 werd hij vervangen door eiser II, en dit onder meer voor het afleveren en ontvangen van vrachtbrieven en documenten, voor het uitlezen van bestuurderskaarten, voor het uitbetalen van loonvoorschotten. Een werknemer verklaarde ook dat hij bij ziekte eiser II moest verwittigen. Het voorbestaan van FONAK EOOD stond of viel bijgevolg met de opdrachten die zij van eiseres III toevertrouwd kreeg, zodat de telastleggingen ook aan deze beklaagde en haar aangestelde/lasthebber eiser II toerekenbaar zijn.
  2. Met deze redenen geeft het bestreden arrest voldoende aan dat eisers II en III wetens en willens hebben gehandeld. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 3.
  3. Overige middelen
  4. Het derde middel, eerste onderdeel van eisers II en III over de toepassing van de Dimona-aangifte (KB 5 november 2002) op arbeidsprestaties in België van chauffeurs die over een A1-detacheringsattest beschikken (telastlegging A), uitgereikt door een onderneming in Bulgarije, heeft dezelfde strekking als het eerste middel van eiseres I, en is om dezelfde reden gegrond.
  5. Het tweede onderdeel over schending van artikel 5 EG-Verordening 1071/2009 over het beroep van wegvervoerondernemer en artikelen 3, 5 en 13 EG- Verordening 883/2004 over de coördinatie van socialezekerheidsstelsels, met als vraag om aan het Hof van Justitie een prejudiciële vraag te stellen
(54), kan niet tot een ruimere cassatie leiden en behoeft geen antwoord.
  1. Het vierde middel over de dagvergoedingen die deel zouden uitmaken van het loon van de werknemers (telastlegging B) en het vijfde middel over de strafbaarheid van de tewerkstelling van buitenlandse werknemers (telastlegging C) hebben dezelfde strekking als resp. het tweede en derde middel van eisers I en kunnen om dezelfde redenen niet worden aangenomen.
  2. Het zesde middel van eiseres III over de berekening van het illegaal vermogensvoordeel en de tegen haar uitgesproken verbeurdverklaring kan niet leiden tot een ruimere cassatie en behoeft geen antwoord. Besluit. Er zijn geen ambtshalve middelen aan te voeren die kunnen leiden tot een ruimere cassatie. Mijn advies is cassatie met verwijzing van de zaak, beperkt tot 1° de schuldigverklaring van eisers aan telastlegging A, 2° de hen opgelegde straffen voor het geheel van de feiten (A, B en C) en 3° de veroordeling tot de bijdrage aan het Slachtofferfonds, en verwerping van de cassatieberoepen voor het overige. _______________________________________
(1)Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, Publ. 30 oktober 2019, www.eur-lex.europa.eu Over deze bepaling zie Cass. 29 juni 2021, AR P.21.0332.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.5, AC 2021, nr. 485 met concl. OM.
(2)HvJ 14 mei 2020, C-17/19, Bouygues Travaux Publics, Eco construct Bucarest en Welbond armatures, RO 39, www.curia.europa.eu. Over de bindende waarde van A1-attesten en de toepasselijke sociale zekerheid zie L. ELIAERTS, “Detachering binnen de Europese Economische Ruimte en bestrijding van sociale fraude”, RW 2013-14, 396-398; Y. STOX, “De dimona-aangifte en de detachering van (schijn)zelfstandigen”, JTT 2016, 471-474; K. NEVENS, “De aard en de draagwijdte van de onmiddellijke aangifte van tewerkstelling (dimona)”, JTT 2017, 244-251; K. DECRUYENAERE, “Blijft ook na Altun de loyauteit nog steeds zoek?”, RABG 2019, 264-271; L. ELIAERTS, “Het Europees detacheringsattest is niet bindend in geval van fraude”, RW 2017-18, 1682; M. MORSA, “La Cour de Justice de l’Union européenne contribue à la lutte contre la fraude

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.