← België

M. contra BELGISCHE STAAT, MIN FINANCIEN

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 21 april 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220421.1N.12 Rolnummer: F.19.0131.N Zaak: M. contra BELGISCHE STAAT, MIN FINANCIEN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2022-05-30 Raadplegingen: 796 - laatst gezien 2026-06-19 03:21 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220421.1N.12 Fiche 1 De inzage van een gerechtsdossier door de administratie, in toepassing van artikel 327 WIB92, is geen onderzoeking in de zin van artikel 333, derde lid, WIB92

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Belastingaangifte Vrije woorden: Belastingaangifte - Onderzoek en controle - Inzage van een gerechtelijk dossier - Onderzoeksdaad Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Artt. 327 en 333 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Fiche 2 De administratie kiest vrij aan de hand van welke bewijsmiddelen zij voor een welbepaald aanslagjaar tot taxatie overgaat; het kan derhalve niet als willekeurig worden beschouwd dat de administratie voor een aanslagjaar gebruik maakt van een bepaald bewijsmiddel en voor het daaropvolgende aanslagjaar gebruik maakt van een ander bewijsmiddel
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Bewijsvoering - Tekenen of indiciën van gegoedheid Vrije woorden: Bewijsmiddel - Keuze van de administratie Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Artt. 340 en 341 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Fiche 3 Het aanwenden van tekenen en indiciën als vermoeden is een bewijsmiddel dat enkel door de administratie kan worden gebruikt; de belastingplichtige kan zich als tegenbewijs beroepen op het uit de tekenen en indiciën voortvloeiend vermoeden, wat nochtans niet betekent dat deze indiciaire verantwoording steeds kan gelden voor het daarop volgende aanslagjaar; of dit het geval is, hangt af van de feitelijke context
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Bewijsvoering - Tekenen of indiciën van gegoedheid Vrije woorden: Vermoeden - Bruikbaarheid als tegenbewijs Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Artt. 340 en 341 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Tekst van de conclusie F.19.0131.N Conclusie van advocaat-generaal J. Van der Fraenen: (…)
  1. Bespreking van het eerste middel EERSTE ONDERDEEL 2.
  2. Eisers voeren aan dat de appelrechter niet wettig heeft beslist dat de aanslagen m.b.t. al de litigieuze aanslagjaren niet nietig zijn omdat door inzage te nemen van het strafdossier geen onderzoekingen werden verricht in de zin van artikel 333 WIB92, op grond dat de administratie niet kon weten welke relevante fiscale informatie dit over welke personen zou bevatten en het niet mogelijk zou zijn voorafgaand aan de inzage ervan een kennisgeving te versturen aan eisers omdat de administratie niet weet over welke personen het gerechtsdossier fiscaal relevante inlichtingen zal bevatten. (schending van de artikelen 327, 333, eerste, tweede en derde lid, 354 en 358, §1, 3° WIB92). 2.
  3. Krachtens artikel 333, derde lid, WIB92 mogen de in dat hoofdstuk bedoelde onderzoekingen worden verricht gedurende de in artikel 354, tweede lid, bedoelde aanvullende termijn van vier jaar, op voorwaarde dat de administratie de belastingplichtige vooraf schriftelijk en op nauwkeurige wijze kennis heeft gegeven van de aanwijzingen inzake belastingontduiking die te zijnen aanzien bestaan voor het bedoelde tijdperk. 2.
  4. Volgens vaststaande rechtspraak van Uw Hof kan de inzage van een gerechtsdossier door de administratie, in toepassing van artikel 327 WIB92, niet als een onderzoeksdaad in de zin van artikel 333, derde lid, WIB92, worden beschouwd daar die inzage het slechts mogelijk maakt over de noodzaak van een nieuw onderzoek te beslissen
(1). In een arrest van 28 september 2001 benadrukte Uw Hof dat het verzoek tot inzage ex artikel 327 WIB92 niet hoeft te worden afgestemd op een welbepaalde belastingplichtige en dat het ook niet ter zake doet dat het bestuur, op het ogenblik dat het kennis neemt van het gerechtelijk dossier, al dan niet redenen kan hebben om te denken dat er in het dossier gegevens zijn die dienstig kunnen zijn voor een nieuw onderzoek
(2). 2.
  1. Eisers menen dat deze rechtspraak dient te worden genuanceerd, in het licht van de arresten van uw Hof van 16 mei 2003 en 20 mei 2016 (zie toelichting, p. 22-23). 2.4.
  2. In het arrest van 16 mei 2003
(3)benadrukte Uw Hof dat de inzage die het mogelijk moet maken te beslissen over de noodzaak van een nieuw onderzoek op zich geen onderzoeksdaad in de zin van artikel 240 WIB64 uitmaakt. Verweerder benadrukt m.i. terecht dat dit arrest net bevestigt dat de inzage in een strafdossier op zich geen onderzoeksdaad kan zijn in de zin van artikel 333 WIB92
(4). Van hun kant benadrukken eisers dat Uw Hof in dit arrest de aangevoerde grief niet in rechte afwees, maar oordeelde dat dit een onderzoek van feiten vereiste. Uw Hof besliste immers: “Overwegende dat het onderdeel ervan uitgaat dat de inzage in het strafdossier (…) is gebeurd in het raam van een onderzoek ten laste van eisers; Overwegende dat het onderdeel uitgaat van een feitelijk gegeven dat het bestreden arrest niet vaststelt”. Eisers gaan ervan uit dat Uw Hof op die manier suggereert dat de inzage van een gerechtsdossier, wanneer deze de toestand van een welbepaalde belastingplichtige betreft die reeds het voorwerp uitmaakt van een fiscaal onderzoek, wel degelijk een onderzoeking in de zin van artikel 333 WIB92 uitmaakt. 2.4.2. Verder verwijzen eisers naar een arrest van 20 mei 2016
(5), waarin Uw Hof besliste dat indien de onderzoekingen die gedurende de aanvullende termijn van twee jaar overwogen worden, de toestand van een belastingplichtige betreffen, de administratie hem vooraf moet kennisgeven van de aanwijzingen van belastingontduiking die jegens hem bestaan, ongeacht de persoon bij wie die onderzoekingen verricht worden. Verweerder werpt met reden op dat het arrest van 20 mei 2016 geen betrekking heeft op een inzage in een strafdossier. In het arrest van 20 mei 2016 werd enkel beslist dat, gelet op de tekstuele context waarin artikel 333 WIB92 zich situeert, ook voor de onderzoeksdaden die niet bij de belastingplichtige, maar bij een derde worden uitgevoerd na het verstrijken van de normale aanslagtermijnen, een voorafgaande kennisgeving is vereist. In hun annotatie bij dit arrest van 20 mei 2016 benadrukken de auteurs BONNÉ en VETTERS dat het voor de toepassing van artikel 333 WIB92 irrelevant is bij wie de onderzoeken plaatsvinden, maar tezelfdertijd geven zij terecht aan: “Daarnaast moet er sprake zijn van een “onderzoeksdaad” opdat de plicht tot voorafgaande kennisgeving speelt. Zo is de inzage van een gerechtsdossier geen onderzoeksdaad in de zin van artikel 333 WIB92 die vooraf aan de belastingplichtige zou moeten worden meegedeeld. De inzage maakt het integendeel voor de administratie juist mogelijk om over de noodzaak van een nieuwe onderzoeksdaden te beslissen
(6). Slechts op basis van de inzage van het strafdossier kan de administratie zich immers pas een beeld vormen van de aard van de eventuele inbreuken op de fiscale wetgeving, de betrokken belastingplichtigen, en het belastbaar tijdperk waarin de inbreuken zich voordoen (aspecten die overigens totaal verschillend kunnen zijn van deze in een al lopend fiscaal onderzoek lastens een welbepaalde belastingplichtige en derhalve tot een heel ander -– nieuw - fiscaal onderzoek kunnen nopen) en over de noodzaak tot nieuwe onderzoeksdaden beslissen. 2.4.
  1. Anders dan eisers aannemen, kan uit deze arresten m.i. niet worden afgeleid dat de inzage in een gerechtsdossier een door artikel 333, derde lid, WIB92 bedoelde onderzoeking zou zijn wanneer deze inzage betrekking heeft op een onderzoek betreffende een bepaalde belastingplichtige. 2.
  2. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de inzage in een gerechtsdossier een door artikel 333, derde lid, WIB92 bedoelde onderzoeking is wanneer deze inzage betrekking heeft op een onderzoek betreffende een bepaalde belastingplichtige, berust m.i. op een onjuiste rechtsopvatting en faalt derhalve naar recht. (….)
  3. Bespreking van het vierde middel 5.
  4. Eisers viseren het feit dat de administratie, anders dan voor de aanslagjaren 2006, 2007, 2008, 2010 en 2011, niet tot een indiciaire taxatie was overgegaan voor de aanslagjaren 2009 en
  5. Volgens eisers is het willekeurig om bij het vestigen van indiciaire taxaties over een tijdspanne die zich uitstrekt over meerdere aanslagjaren om die reeks van indiciaire taxaties voor één of meerdere aanslagjaren te onderbreken en op die één of meerdere aanslagjaren het wettelijk vermoeden van tekenen en indiciën niet toe te passen. Op die manier begaat de administratie volgens eisers een rechtsdwaling, minstens steunt zij zich dan op onjuiste feiten of leidt zij uit juiste feiten niet te rechtvaardigen gevolgtrekkingen af. Het is volgens het middel tevens tegenstrijdig het resultaat van het wettelijk vermoeden voortspruitend uit tekenen en indiciën voor een bepaald aanslagjaar enkel tegenstelbaar te laten zijn aan de belastingplichtige, terwijl de administratie er niet door gebonden zou zijn. De appelrechter zou derhalve niet wettig hebben beslist dat de cesuur door geen indiciaire afrekening te maken voor de eveneens en tegelijk belaste aanslagjaren 2009 en 2012 niet onredelijk is. (schending van artikel 341 WIB92) 5.
  6. Artikel 341 WIB92 bepaalt dat de raming van de belastbare grondslag, zowel voor rechtspersonen als voor natuurlijke personen, behoudens tegenbewijs, mag worden gedaan volgens tekenen en indiciën waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven inkomsten. Volgens een vaststaande rechtspraak van Uw Hof kunnen uitgaven, beleggingen, investeringen en vermogensaangroei die tijdens een belastbaar tijdperk zijn vastgesteld worden aangemerkt als tekenen of indiciën van gegoedheid. Het betreft feitelijke gegevens die, tot tegenbewijs, een wettelijk vermoeden opleveren dat de daarmee gemoeide bedragen afkomstig zijn van belastbare inkomsten die tijdens de belastbare periode werden verkregen door de belastingplichtige. Om het op hem rustende tegenbewijs te leveren, moet de belastingplichtige aan de hand van positieve en controleerbare gegevens aantonen dat die hogere gegoedheid voortkomt uit andere inkomsten dan die welke belastbaar waren in de inkomstenbelastingen of uit inkomsten die tijdens een vroegere periode dan het belastbare tijdvak zijn verkregen
(7). Het aanwenden van tekenen en indiciën van gegoedheid als vermoeden is een bewijsmiddel dat enkel door de administratie kan worden gebruikt. De belastingplichtige kan zich als tegenbewijs beroepen op het uit indiciën voortvloeiend vermoeden
(8). Ter bepaling van het bedrag en van het bestaan van de belastingschuld kan de administratie alle door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen aanvoeren, alsook gebruik maken van de bewijsmiddelen die zijn opgesomd in hoofdstuk IV van Titel VII van het WIB92 (zie de artikelen 339 t.e.m. 345 WIB92). De administratie kiest derhalve vrij aan de hand van welke bewijsmiddelen zij voor een welbepaald aanslagjaar tot taxatie zal overgaan
(9). Waar de belastbare grondslag van elk aanslagjaar, rekening houdend met de werkzaamheden van de belastingplichtige, wordt vastgesteld op grond van zijn werkelijk verkregen inkomsten, en de bewijselementen die de administratie daartoe kan aanvoeren van jaar tot jaar kunnen verschillen, kan haar vroegere houding, zelfs als die gedurende verschillende aanslagjaren onveranderd is gebleven, bij de belastingplichtige bijgevolg de gewettigde overtuiging niet wekken dat de administratie voor latere aanslagjaren geen gebruik zal maken van haar recht om andere bewijselementen aan te dragen
(10). Het lijkt mij dan ook niet willekeurig dat de administratie voor het ene aanslagjaar gebruik maakt van het ene bewijsmiddel en voor het daaropvolgende aanslagjaar andere bewijsmiddelen aanwendt. In zoverre het middel aanvoert dat het "in se willekeurig" is om "bij het vestigen van indiciaire taxaties over een tijdspanne die zich uitstrekt over meerdere aanslagjaren, (..) die reeks van indiciaire taxaties, voor één of meer aanslagjaren te onderbreken en op die één of meer aanslagjaren het wettelijk vermoeden van de tekenen en indiciën niet toe te passen", faalt het m.i. naar recht. 5.
  1. Het feit dat de belastingplichtige zich weliswaar als tegenbewijs in beginsel kan beroepen op het uit indiciën voortvloeiend vermoeden, betekent volgens de appelrechter niet dat deze indiciaire verantwoording steeds kan gelden voor het daarop volgende aanslagjaar. Het bestreden arrest oordeelt m.i. terecht dat zulks afhangt van de concrete feitelijke context en dat de belastingplichtige het bewijs moet leveren. Met betrekking tot het aanslagjaar 2009 oordeelt de appelrechter dat: * deze zaak (…) bijzonder gekenmerkt [wordt] door een complexe samenloop van diverse relevante (inter)nationale inkomstenbronnen (o.a. verkopen van luxehorloges, diamanten, aandelen, een boot en onroerende goederen) verspreid over verschillende binnenlandse en buitenlandse rekeningen en valuta die gedurende jaren voor de administratie verborgen zijn gehouden; * wanneer [eisers] in die context stellen dat voor het aanslagjaar 2009 – jaar waarvoor geen indiciaire afrekening werd opgemaakt – een relevante indiciaire verantwoording bestond (door opname van een rekening), het hen [toekomt] aan te tonen dat die gelden nog steeds voorhanden waren op 1 januari 2009 (aanslagjaar 2010); * de voormelde specifieke situatie van [eisers] niet [toelaat] in alle redelijkheid aan te nemen dat ter beschikking zijnde gelden in het ene jaar nog steeds ter beschikking waren in het andere jaar; * in deze context het beginsel van de eenjarigheid van de belasting [primeert] op de echter als obscuur aan te merken handelspraktijken van [eisers]; * bij gebreke aan bewijs en mede gelet op de concrete feitelijke context in deze zaak niet [kan] aangenomen worden een indiciaire verantwoording aan te nemen wegens het te groot tijdsverloop tussen 31 december 2007 en 1 januari
  2. Dezelfde redenering werd ook aangenomen voor het door eisers berekende indiciaire overschot wat betreft het aanslagjaar 2012 (p. 20, nr. 4.4.8). De appelrechter die aldus oordeelt dat het door eisers berekende indiciaire overschot niet kan worden aangenomen en dat dit de door de administratie vastgestelde belastbare inkomsten niet weerlegt, lijkt mij zijn beslissing naar recht te verantwoorden. In zoverre het middel aanvoert dat het “intern tegenstrijdig [is] het resultaat van het wettelijk vermoeden voortspruitend uit tekenen en indiciën voor een bepaald aanslagjaar enkel tegenstelbaar te laten zijn aan de belastingplichtige, terwijl de administratie er niet door gebonden zou zijn”, kan het m.i. niet worden aangenomen.
  3. Besluit: Verwerping. _______________________________________
(1)Cass. 16 mei 2003, AR F.00.0093.N, AC 2003, nr. 302, ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030516.5; Cass. 14 oktober 1999, AR F.96.0086.N-F.96.0091.N, AC 1999, nr. 531, ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19991014.7; Cass. 2 september 1999, AR F.96.0046.N, AC 1999, nr. 429, ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990902.13.
(2)Cass. 28 september 2001, AR F.99.0146.N, AC 2001, nr. 504, ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010928.4.
(3)Cass. 16 mei 2003, AR F.00.0093.N, AC 2003, nr. 302, ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030516.5.
(4)Memorie van antwoord, p. 3, 4de alinea.
(5)Cass. 20 mei 2016, RG F.15.0175.F, AC 2015, nr. 335, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160520.2.
(6)J. BONNÉ en W. VETTERS, “Onderzoek bij derden vereist dan toch een voorafgaande kennisgeving”, RABG 2016, p. 1397.
(7)Zie bijvb. Cass. 26 mei 2016, AR F.14.0154.N, AC 2016, nr. 351, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160526.1; Cass. 16 februari 2001, AR F.99.0095.N, AC 2001, nr. 95, ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010216.11; Cass. 2 januari 1997, RG F.96.0074.F, AC 1997, nr. 3, ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970102.6.
(8)Cass. 22 maart 1990, RG F.1012.F, AC 1990, nr. 441, ECLI:BE:CASS:1990:ARR.19900322.14.
(9)AFSCHRIFT, T., Bewijs in fiscaal recht, Gent, Larcier, 2002, 123, nr. 202.
(10)Cass. 6 november 2000, RG F.99.0108.F, AC 2000, nr. 598, ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001106.6. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220421.1N.12 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220421.1N.12 citeert: ECLI:BE:CASS:1990:ARR.19900322.14 ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970102.6 ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990902.13 ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19991014.7 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001106.6 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010216.11 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010928.4 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030516.5 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160520.2 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160526.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.