id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 21 april 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220421.1N.13 Rolnummer: F.20.0075.N Zaak: D. contra BELGISCHE STAAT, MIN FINANCIEN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2022-05-30 Raadplegingen: 409 - laatst gezien 2026-06-18 10:37 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220421.1N.13 Fiche Uit artikel 442quater, §§ 1, eerste lid, 2, eerste lid, en 3 volgt dat de bestuurders van een vennootschap die belast zijn met de dagelijkse leiding van de vennootschap hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de niet-betaling van de bedrijfsvoorheffing van die vennootschap indien die niet-betaling te wijten is aan een fout in de zin van artikel 1382 Oud Burgerlijk Wetboek die ze hebben begaan bij het besturen van de vennootschap, en dat het vermoeden van fout dat geldt, behoudens tegenbewijs, in geval van herhaalde niet-betaling van de bedrijfsvoorheffing, niet van toepassing is indien de niet-betaling van de bedrijfsvoorheffing van de vennootschap het gevolg is van financiële moeilijkheden die aanleiding hebben gegeven tot het openen van de procedure van gerechtelijk akkoord, van faillissement of van ontbinding; hieruit volgt eveneens dat de bestuurder, die zich beroept op de afwezigheid van het vermoeden van fout, het bewijs dient te leveren dat de niet-betaling van de bedrijfsvoorheffing van de vennootschap het gevolg is van financiële moeilijkheden die aanleiding hebben gegeven tot het openen van de procedure van gerechtelijk akkoord, van faillissement of van ontbinding
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VOORHEFFINGEN EN BELASTINGKREDIET - Bedrijfsvoorheffing Vrije woorden: Niet-betaling - Hoofdelijke aansprakelijkheid van de bestuurders - Vermoeden van fout - Tegenbewijs Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Artt. 24 en 361 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Tekst van de conclusie F.20.0075.N Conclusie van advocaat-generaal J. Van der Fraenen: (…)
- Bespreking van het enig middel EERSTE ONDERDEEL 2.
- Eisers voeren aan dat de appelrechters hun beslissing dat eisers in toepassing van artikel 442quater, §§ 1 en 2, WIB92 hoofdelijk aansprakelijk zijn tot betaling van de openstaande schulden inzake de gevorderde bedrijfsvoorheffing, niet wettig verantwoorden door aan eisers het tegenbewijs van het foutvermoeden van artikel 442quater, § 2, WIB92 op te leggen, daar waar dit vermoeden niet toepasselijk is op grond van § 3 van hetzelfde artikel vanaf het ogenblik dat de BVBA CLEERPOOL niet meer “in going concern” functioneerde maar onder een insolventiestatuut sedert het openen op 24 februari 2010 van de procedure in gerechtelijke reorganisatie voor de rechtbank van koophandel te Leuven, die resulteerde in haar faling op 24 april 2012 (Schending van artikel 442quater, § 3, WIB92) en derhalve verweerder wel degelijk een andere fout diende aan te tonen, nu dit niet toepasselijk vermoeden hem niet ontsloeg van zijn bewijslast enige fout te moeten aantonen (Schending van artikel 1315, lid 1 BW, artikel 870 Ger. W. en artikel 442quater, §§ 1, 2, 3 en 5 WIB92). 2.
- Het onderdeel faalt m.i. naar recht. Artikel 442quater, § 1, WIB92 voert een hoofdelijke aansprakelijkheidsregeling in voor de bestuurder of bestuurders van de vennootschap of van de rechtspersoon die belast zijn met de dagelijkse leiding voor de tekortkoming door de vennootschap of door de rechtspersoon aan haar verplichting tot het betalen van de bedrijfsvoorheffing, indien die tekortkoming te wijten is aan een fout in de zin van artikel 1382 BW, die ze hebben begaan bij het besturen van de vennootschap of de rechtspersoon. In artikel 442quater, § 2, WIB92 wordt een vermoeden ingevoerd: de herhaalde niet-betaling van de bedrijfsvoorheffing door de vennootschap of door de rechtspersoon, wordt, behoudens tegenbewijs, vermoed voort te vloeien uit een in § 1, eerste lid, bedoelde fout, en dus uit een fout begaan door de bestuurder(s) bij het besturen van de vennootschap of de rechtspersoon. Artikel 442quater, § 3, WIB92 bepaalt wanneer het foutvermoeden niet geldt, namelijk indien de niet-betaling het gevolg is van financiële moeilijkheden die aanleiding hebben gegeven tot het openen van de procedure van gerechtelijke reorganisatie, van faillissement of van gerechtelijke ontbinding. 2.
- Gelet op de rechtspraak van Uw hof met betrekking tot het artikel 93undecies C, WBTW, dat in identiek dezelfde bewoordingen is gesteld als artikel 442quater WIB92, meen ik dat het bewijs dat de niet-betaling het gevolg is van financiële moeilijkheden die aanleiding hebben gegeven tot het openen van de procedure van gerechtelijke reorganisatie, van faillissement of van gerechtelijke ontbinding, moet worden geleverd door de bestuurder van de betrokken vennootschap
(1). Opdat het vermoeden van fout niet toepasselijk zou zijn, dient de bestuurder te bewijzen dat de niet-betaling door de vennootschap van haar fiscale schulden haar oorsprong vindt in de betalingsmoeilijkheden die tot de insolventieprocedure hebben geleid (en niet volgen uit bij vb. een bewuste keuze of strategie van de vennootschap om niet te betalen). Het enkele tussenkomen van een procedure van gerechtelijk akkoord vormt op zich niet het vereiste bewijs, zoals de appelrechters terecht oordelen. Het onderdeel dat geheel berust op de veronderstelling dat het vermoeden van artikel 442quater, § 2, WIB92 niet van toepassing is van zodra de vennootschap functioneert onder een insolventiestatuut, in voorliggend geval sedert het openen van de procedure in gerechtelijke reorganisatie die uiteindelijk resulteerde in een faillissement, miskent m.i. de duidelijke tekst van artikel 442quater, § 3, WIB92, en faalt derhalve naar recht. (….) 3. Besluit: Verwerping. ___________________
(1)Zie i.v.m. artikel 93undecies C, WBTW Cass. 25 januari 2019, AR F.17.0067.N, AC 2019, nr. 47, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190125.4; alwaar Uw Hof oordeelde: “Het bewijs dat de niet-betaling van de belasting over de toegevoegde waarde het gevolg is van financiële moeilijkheden die aanleiding hebben gegeven tot het openen van de procedure van gerechtelijke reorganisatie, van faillissement of van gerechtelijke ontbinding, moet worden geleverd door de bestuurder van de betrokken vennootschap”. Zie ook Cass. 11 maart 2016, AR F.15.0118.F, AC 2016, nr. 179, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160311.3. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220421.1N.13 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220421.1N.13 citeert: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160311.3 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190125.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div