← België

VLAAMS GEWEST contra W.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 21 april 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220421.1N.9 Rolnummer: F.21.0026.N Zaak: VLAAMS GEWEST contra W. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2022-06-02 Raadplegingen: 812 - laatst gezien 2026-06-18 14:05 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220421.1N.9 Fiche Een door de erflater in de verzekeringsovereenkomst aangewezen begunstigde is ingevolge de schenking aan hem van alle rechten uit die verzekeringsovereenkomst, niet langer een derde aan de verzekeringsovereenkomst, maar wel een verzekeringnemer, partij bij deze overeenkomst; de sommen, renten of waarden die hem vervolgens bij het overlijden van de erflater toekomen, zijn niet langer bij toepassing van het artikel 2.7.1.0.6, § 1, VCF aan de successierechten onderworpen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: SUCCESSIERECHTEN Vrije woorden: Verzekeringsovereenkomst - Derdenbeding - Schenking aan de begunstigde - Gevolg Wettelijke bepalingen: Decreet 13 december 2013 houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit - 13-12-2013 - Art. 2.7.1.0.6, § 1 - 06 ELI link Pub nr 2013036154 Annotaties Publicaties: Fiscologue-Fiscologue - 2022, n° 1749, p. 9-
  1. - VAN CROMBRUGGE, Stefaan; Note'Cassation sur la donation d'une assurance-placement dans l'ancien régime' T.Not.-Tijdschrift voor notarissen - 2022, nr. 7/8, p. 690-
  2. - WEYTS, Luc; Noot'Over de verzekeringsgift en de al dan niet toepasselijkheid van artikel 2.7.1.0.6 VCF / artikel 8 W.Succ.' Tekst van de conclusie F.21.0026.N Conclusie van advocaat-generaal J. Van der Fraenen:
  3. Situering 1.
  4. Uit de vaststellingen van het bestreden arrest blijkt dat mevrouw V., moeder van verweerder op 6 mei 2010, de volgende twee levensverzekeringscontracten (tak-21) afsloot bij AG Insurance, met een duurtijd van 8 jaar en één dag: * het contract “Fix” betrof een levensverzekeringscontract met dekking bij leven en bij overlijden met mevrouw V. als verzekeringnemer, verzekerde en begunstigde bij leven op de einddatum van het contract. Als begunstigde bij overlijden werden de kinderen van de verzekerde, elk voor een gelijk deel, aangeduid. * het contract “Income” betrof een levensverzekeringscontract van het type dadelijk ingaande maandelijkse rente met mevrouw V. als verzekeringnemer, verzekerde en rentegenieter. Bij notariële akte verleden op 2 februari 2011 schonk mevrouw V. aan haar zonen, ieder voor een onverdeelde helft, de volle eigendom van alle rechten die zij in haar hoedanigheid van verzekeringnemer onder beide levensverzekeringen ten aanzien van de verzekeraar kon laten gelden, daaronder begrepen het recht een begunstigde of een nieuwe begunstigde aan te wijzen en het recht de begunstiging te herroepen. Registratierechten van 3% op de afkoopwaarde van de geschonken levensverzekeringscontracten op het ogenblik van de schenking werden betaald. Na de schenking werd de begunstigingsclausule van het contract “Income” gewijzigd door de verweerder en zijn broer, die zichzelf als rentegenieters aanduidden. Op 27 augustus 2016 overleed mevrouw V. In uitvoering van het contract “Fix” ontvingen verweerder en zijn broer een bedrag van 2.707.667,13 EUR. Onder het contract “Income” werden alle rentebetalingen stopgezet. De aangifte in de nalatenschap werd op 19 december 2016 ingediend. Op 7 maart 2017 werd in hoofde van verweerder een aanslag in de erfbelasting voor het aanslagjaar 2016 gevestigd voor een te betalen bedrag van 368.190,83 EUR. In de toelichting werd vermeld dat er betreffende de levensverzekeringen toepassing was gemaakt van het administratief standpunt nr.
  5. Op 25 april 2017 tekende verweerder bezwaar aan tegen deze aanslag om reden dat hij niet akkoord kon gaan met de toepassing van voormeld administratief standpunt; doch dit bezwaar werd afgewezen. 1.
  6. De rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, verklaarde bij vonnis van 10 april 2019 de vordering van verweerder tot ontheffing van de aanslag in de erfbelasting voor het aanslagjaar 2016 gegrond, waarbij eiser werd veroordeeld tot de terugbetaling van het eventueel reeds teveel geïnde. Het hof van beroep te Gent bevestigde het eerste vonnis bij arrest van 6 oktober
  7. Eiser komt op tegen dit arrest met één middel tot cassatie.
  8. Bespreking van het enig middel (…) TWEEDE ONDERDEEL 2.
  9. Eiser voert de schending aan van de artikelen 894, 938, 1121, 1134 en 1689-1701 Oud BW, de artikelen 22, 106, §1, 112, 114, 119 en 120 van wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomsten, de artikelen 77, 169, §1, 176, 178, 183 en 184 van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen en artikel 2.7.1.0.6, §1, eerste en tweede lid, en §2, laatste lid, 1° VCF vóór zijn wijziging bij Decreet van 23 december
  10. In zoverre de appelrechter oordeelt dat een derdenbeding vanaf de verzekeringsgift aan de initieel begunstigde kwalificeert als een beding ten behoeve van zichzelf, zou de appelrechter de rechtsgevolgen en het voorwerp miskennen van een overdracht van een schuldvordering en in het bijzonder van de overdracht van een verzekeringsovereenkomst (eerste subonderdeel). Bovendien zou de appelrechter ook de verbindende kracht van de overgedragen verzekeringsovereenkomsten hebben miskend (tweede subonderdeel) en het fiscaal wettelijkheidsbeginsel hebben geschonden op grond waarvan het aan eiser verboden zou zijn een administratief standpunt toe te toepassen dat strijdig is met de wet (derde subonderdeel). 2.
  11. Artikel 2.7.1.0.6, §1, VCF, zoals hier van toepassing, luidt als volgt: “De sommen, renten of waarden die kosteloos aan een persoon kunnen toekomen bij het overlijden van de erflater, ingevolge een contract dat een door de erflater of door een derde in het voordeel van die persoon gemaakt beding bevat, worden geacht als legaat te zijn verkregen door die persoon. Ook de sommen, renten of waarden die kosteloos aan een persoon kunnen toekomen, hetzij binnen drie jaar vóór het overlijden van de erflater, hetzij na het overlijden van de erflater, ingevolge een contract dat een door de erflater in het voordeel van die persoon gemaakt beding bevat, worden geacht als legaat te zijn verkregen door die persoon. Wanneer een overledene gehuwd was onder een stelsel van gemeenschap, gelden de bepalingen van het eerste en het tweede lid ook voor de sommen, renten of waarden die kosteloos aan de langstlevende echtgenoot toekomen ingevolge een contract dat door die langstlevende echtgenoot is gesloten.” 2.
  12. Artikel 2.7.1.0.6 VCF werd ingevoerd bij artikel 10 van het Vlaams Decreet van 19 december 2014 met ingang van 1 januari
  13. Uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling blijkt dat het artikel inhoudelijk een overname is van artikel 8 van het federale Wetboek der Successierechten
(1). De Vlaamse decreetgever gaf bij de invoering van de op het geding toepasselijke versie van artikel 2.7.1.0.6 VCF aan geen inhoudelijke wijzigingen aan te brengen op de bestaande wetgeving
(2). Dit houdt in dat de administratieve rechtspraak en de rechtsleer van vóór 1 januari 2015 relevant blijven om deze nieuwe bepaling te interpreteren
(3). 2.6. Artikel 8 W. Succ. kent zijn oorsprong in artikel 50 van de wet van 30 augustus 1913 dat aanving als volgt: “Dans le cas d’un contrat renfermant une stipulation au profit d’un tiers nommément déssigné”
(4). In de toelichting bij die wetsbepaling schreef de wetgever: “De verzekering op het leven aangegaan ten bate van eenen aangewezen derde is een beding voor een ander, dat beheerscht is door artikel 1121 van het Burgerlijk Wetboek. Derhalve, worden de gevolgen van het contract verwezenlijkt, dan wordt het verzekerde kapitaal door den rechthebbende rechtstreeks verkregen, krachtens een eigen recht uit eigen hoofde ontstaan, tegenover den verzekeraar, op’t oogenblik van het beding. […] Derhalve, onderwerpt artikel 50 van het ontwerp, op eene algemeene wijze, aan het successierecht de sommen en waarden welke door eenen bij name aangewezen derde, te kosteloozen titel, moeten ontvangen worden bij het overlijden van dengene die bedingt, krachtens een verzekeringscontract”
(5). Diezelfde aanhef weerklonk toen artikel 8 W.Succ. in 1919 werd uitgebreid en toegelicht: “Dans le cas d’un contrat renfermant une stipulation au profit d’un tiers nommément désigné”
(6). In 1936 werd artikel 8 W.Succ. voor het eerst gecodificeerd met als aanhef: “Dans le cas d’un contrat renfermant une stipulation au profit d’un tiers nommément désigné”
(7). Uit de wetsgeschiedenis blijkt derhalve dat deze wetsbepaling beoogt om bij wege van fictie de sommen, renten of waarden aan de successierechten te onderwerpen die een derde-begunstigde bij het overlijden van de erflater kosteloos bekomt door de uitwerking van een door de erflater of een derde gemaakt beding te zijnen behoeve. 2.7. Tot voor het standpunt nr. 15133 van Vlabel stond de federale belastingdienst, gesteund door een meerderheid van auteurs, het standpunt voor dat een verzekeringsgift van alle rechten en plichten uit de verzekeringsovereenkomst aan de in die overeenkomst aangeduide derde-begunstigde het derdenbeding omvormde tot een beding ten behoeve van zichzelf. Dat standpunt zou worden versterkt door het feit dat de begunstigde, eenmaal hij door de schenking verzekeringnemer is geworden, het recht bekomt om de begunstigde aan te duiden en dus zichzelf als begunstigde kan herbevestigen. Door de begunstiging niet uitdrukkelijk te wijzigen, duidt de nieuwe verzekeringnemer als het ware zichzelf aan als begunstigde
(8)., Een dergelijk beding ten behoeve van zichzelf opende aldus niet de deur voor een toepassing van artikel 2.7.1.0.6 VCF. Enkel schenkbelasting zou mogelijk zijn, geen erfbelasting
(9). In het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest blijft dit het geldende standpunt
(10). Vlabel deelt die mening niet. In standpunt nr. 15133
(11)en later ook standpunt nr. 15142 meent Vlabel dat artikel 2.7.1.0.6 VCF wel van toepassing is op de uitkering vanwege de verzekeraar aan de derde-begunstigde ten tijde van het overlijden van de erflater, ook al had de erflater als initiële verzekeringnemer de verzekeringsovereenkomst geheel overgedragen aan de in die overeenkomst aangeduide derde-begunstigde. Het voorwerp van de verzekeringsgift is volgens Vlabel de rechten als verzekeringnemer. Dat voorwerp zou niet hetzelfde zijn als het voorwerp dat de initiële begunstigde, nu ook verzekeringnemer, van de verzekeraar ontvangt ten tijde van het overlijden van de verzekerde: de verzekeringsprestatie. Op dat ogenblik verwerft de begunstigde, nu ook verzekeringnemer, de uitkering vanwege de verzekeraar als gevolg van een beding ten zijne gunste gemaakt door de initiële verzekeringnemer (tenzij de begunstiging naderhand is gewijzigd door de nieuwe verzekeringnemer), zo luidt het standpunt van Vlabel. De verzekeringsgift heeft volgens Vlabel geen impact op de verhouding tussen de verzekeraar en de begunstigde
(12). In 2017 heeft de Vlaamse decreetgever dit standpunt, met enige verzachting
(13), in de VCF verankerd
(14). De vraag rijst welk standpunt van voor de decreetwijziging van 2016 correct was. Auteurs bekritiseren in grote getale het standpunt van Vlabel. DELANOTE laat als (schijnbaar) enige een ander geluid horen
(15). 2.8. De schenking van alle rechten en plichten uit een verzekeringsovereenkomst plaatst de begiftigde in de plaats van de schenkende verzekeringnemer. Hij verkrijgt alle rechten en plichten van de verzekeringnemer ten aanzien van de verzekeraar
(16). Die rechten omvatten onder meer het recht op de verzekeringsprestaties indien geen derde-begunstigde is aangeduid, het recht een derde-begunstigde aan te duiden, het recht de derde-begunstiging te herroepen en het recht op afkoop
(17). Er is aldus sprake van een contractoverdracht, niet van een schuldvernieuwing
(18). Bijgevolg is er geen inhoudelijke wijziging van de overeenkomst, enkel een subjectieve wijziging in die zin dat de verzekeringnemer wijzigt. De overnemer zet de overeenkomst voort zoals die bestond
(19). In het bijzonder met betrekking tot het derdenbeding uit de levensverzekeringsovereenkomst neemt de begiftigde de plaats in van de verzekeringnemer als bedinger van het derdenbeding. De verzekeraar blijft de belover. Bijgevolg verkrijgt de begiftigde het recht van begunstiging en van herroeping van de begunstiging. “Door de schenking” neemt hij niet de hoedanigheid van derde-begunstigde over
(20). De begiftigde die eerder al derde-begunstigde van het derdenbeding was, beschikte toen al over een eigen en rechtstreeks recht ten aanzien van de verzekeraar zodra het derdenbeding tot stand kwam
(21). Dat eigen en rechtstreeks recht zit niet vervat in de schenking (wel het recht om de titularis ervan te wijzigen of het te herroepen). Het standpunt van Vlabel is aldus op dit punt te volgen. Het voorwerp van de schenking is inderdaad verschillend van het voorwerp van de verzekeringsprestatie op het ogenblik dat de verzekerde overlijdt. 2.9. Evenwel rijst nog de vraag naar de rechtsgevolgen van de schenking op het punt van de verhouding partij-derde
(22). Daarbij sluit ik mij aan bij de klassieke strekking in de rechtsleer dat een partij “bij een overeenkomst” niet tezelfdertijd derde kan zijn “aan diezelfde overeenkomst”. Die combinatie wordt ondenkbaar geacht
(23)Het lijkt mij derhalve dat een door de erflater in de verzekeringsovereenkomst aangewezen begunstigde ingevolge de schenking aan hem van alle rechten en plichten uit die verzekeringsovereenkomst niet langer als derde aan de verzekeringsovereenkomst, maar wel als verzekeringnemer, partij bij de verzekeringsovereenkomst, optreedt. Na de verzekeringsgift kunnen alle juridische verhoudingen slechts tussen de nieuwe verzekeringnemer, de verzekeraar en de begunstigde worden beoordeeld. Ingevolge de verzekeringsgift aan de begunstigde van een verzekeringscontract verwordt het beding ten behoeve van die derde m.i. van rechtswege tot een beding ten behoeve van zichzelf, waarop de fictiebepaling van artikel 2.7.1.0.6, §1 VCF niet van toepassing is. 2.
  1. De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: * mevrouw V., de moeder van verweerder en zijn broer, bij notariële akte van 2 februari 2011 aan haar zonen de volle eigendom heeft geschonken van alle rechten die zij in haar hoedanigheid van verzekeringnemer onder twee levensverzekeringscontracten, “Fix” en “Income”, ten aanzien van de verzekeraar kon laten gelden, daarin begrepen het recht om een begunstigde of een nieuwe begunstigde aan te wijzen en het recht om de begunstiging te herroepen; * op het ogenblik van de schenking registratierechten op de afkoopwaarde van de geschonken levensverzekeringscontracten werden betaald; * verweerder en zijn broer de begunstigingsclausule van het contract “Income” na de schenking wijzigden door zichzelf als rentegenieters aan te duiden; * mevrouw V. overleed op 27 augustus 2016; * mevrouw V. middels de schenking de volle eigendom van de levensverzekeringsovereenkomsten heeft geschonken aan haar zonen, met inbegrip van alle rechten die exclusief aan de verzekeringnemer toekomen; * hieruit volgt dat de volledige titulariteit op de polis werd overgedragen, als gevolg waarvan verweerder samen met zijn broer de nieuwe verzekeringnemers werden; * het beding dat verweerder en zijn broer aanduidt als begunstigden onder het contract, vanaf de schenking kwalificeert als een beding ten behoeve van zichzelf; * het begunstigingsbeding vanaf het ogenblik van de schenking immers niet langer een beding ten behoeve van een derde kan zijn, aangezien de begunstigden de verzekeringnemers zijn en in hun hoedanigheid van contractant geen derden bij het contract zijn; * het feit dat de begunstigingsclausule bij het afsluiten van de levensverzekeringsovereenkomsten door mevrouw V. als een beding ten behoeve van een derde kwalificeerde, niet belet dat deze clausule ingevolge de overdracht in volle eigendom aan verweerder en zijn broer zijn initiële kwalificatie verliest; * dit overigens duidelijk blijkt uit de wijziging van de begunstigingsclausule opgenomen in het contract “Income” waar verweerder samen met zijn broer als verzekeringnemers de begunstigden onder het contract ten behoeve van zichzelf wijzigden. De appelrechter die op grond van deze redenen oordeelt dat van artikel 2.7.1.0.6 VCF geen toepassing kon worden gemaakt op het ogenblik van het overlijden van mevrouw V., verantwoordt m.i. zijn beslissing naar recht. Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen. 2.
  2. Voor het overige lijkt het onderdeel geheel afgeleid uit de tevergeefs aangevoerde kritiek dat de appelrechter ondanks de verzekeringsgift niet tot de conclusie vermocht te komen dat het initieel gestipuleerde derdenbeding na de verzekeringsgift in hoofde van de nieuwe verzekeringnemer een beding ten behoeve van zichzelf is geworden en dus geen door de erflater gemaakt derdenbeding meer betrof. In zoverre is het onderdeel m.i. niet ontvankelijk. (…)
  3. Besluit: Verwerping. _____________________________________
(1)MvT, Parl. St. Vlaams Parlement 2014-2015, nr. 114/1, 12: “In dit artikel werden de woorden “geroepen is kosteloos te ontvangen” en “geroepen was kosteloos te ontvangen” vervangen door de woorden “kosteloos kan toekomen”. Die wijziging heeft niet tot doel om de interpretatie van oorspronkelijk […] artikel te wijzigen. Enkel het verhogen van de leesbaarheid staat voorop, alsook het hanteren van meer hedendaags taalgebruik.”.
(2)Zie GwH 28 februari 2019, nr. 34/2019 (stuk C.3), r.o. B.3.2: “Bij het decreet van het Vlaamse Gewest van 19 december 2014 « tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 » werden de bestaande regels inzake de successierechten door de decreetgever gecodificeerd, met het oog op een betere stroomlijning van de structuur van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 en met het oog op taalkundige aanpassingen zonder dat de materieelrechtelijke bepalingen inhoudelijk werden gewijzigd. Zo werd artikel 8 van het Wetboek der successierechten overgenomen in de artikelen 2.7.1.0.6 en 2.7.3.2.8 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013.”
(3)N. GEELHAND DE MERXEM, “De (oude) Vlaamse standpunten inzake de verzekeringsgift zijn onwettig”, TFR, juni 2021, nr. 604, 616.
(4)Artikel 50 van de wet van 30 augustus 1913, BS 5 september 1913.
(5)MvT Parl.St. Kamer 11 juni 1913, nr. 294, p. 24-25 (paginanummering van het Nederlandstalige deel).
(6)Artikel 4 van de wet van 11 oktober 1919, BS 13 november 1919.
(7)KB nr. 308 van 31 maart 1936 tot invoering van het Wetboek der successierechten, BS 7 april 1936.
(8)M. DELBOO en E. DOENS, “Levensverzekeringen in de successieplanning: hoe zit dat nu ook alweer?”, AFT 2018, 5-7; S. HUBRECHT, “De uitschakeling van artikel 8 W.Succ. door een verzekeringsgift”, Successierechten 2013, 5.
(9)Brief 9 april 2013, nr. EE/105.349, onuitg. (“De Administratie gaat van het standpunt uit dat door een overdracht van de rechten van verzekernemer aan de begunstigde het initieel beding ten behoeve van een derde is omgezet in een beding ten behoeve van zichzelf. Wanneer op de dag van het overlijden het beding (en tevens het contract) uitwerking krijgt en de uitkering zal dienen te gebeuren, kan gelet op de gedane overdracht (schenking) art. 8 W.Succ. bijgevolg niet worden toegepast. Indien binnen de 3 jaar vóór het overlijden het schenkingsrecht hierover werd geheven, kan evenmin art. 7 W.Succ. worden toegepast”); M. DELBOO en E. DOENS, “Levensverzekeringen in de successieplanning: hoe zit dat nu ook alweer?”, AFT 2018, 7-8; M. DELBOO en E. VAN TONGERLOO, “Grondwettelijk Hof over de verzekeringsgift: erfbelasting verzekerd!”, TFR 2019, 782; S. HUBRECHT, “De uitschakeling van artikel 8 W.Succ. door een verzekeringsgift”, Successierechten 2013, 4-5; T. ROOVERS, “De civiele en fiscale aspecten van de schenking (door middel) van een individuele levensverzekering”, Not.Fisc.M. 2012, 359; A. TIBERGHIEN, Tiberghien, Handboek voor fiscaal recht 2020-2021, Mechelen, Kluwer, 2020, 1456.
(10)J. DECUYPER en J. RUYSSEVELDT, Bedingen ten behoeve van een derde in Successierechten 2018-2019, 2018, 234; A. TIBERGHIEN, Tiberghien, Handboek voor fiscaal recht 2020-2021, Mechelen, Kluwer, 2020, 1746.
(11)“Indien een verzekeringnemer een bestaande polis tijdens zijn leven schenkt aan de begunstigde, schenkt hij zijn rechten als verzekeringnemer. Als deze schenking ter registratie wordt aangeboden en fiscaal gelokaliseerd is in het Vlaamse Gewest, wordt op deze schenking de schenkbelasting geheven (tarief roerend). De belastbare grondslag van de schenkbelasting wordt begroot op de waarde van de vordering die de verzekeringsnemer heeft tegenover de verzekeringsmaatschappij, nl. de afkoopwaarde van de polis op datum van de schenking. Indien er nadien sommen, renten of waarden worden uitgekeerd ingevolge het door de oorspronkelijke verzekeringnemer in het voordeel van de begunstigde gemaakte beding, vallen deze onder de toepassing van artikel 2.7.1.0.6, §1 VCF. Het voorwerp van deze uitkering is immers niet hetzelfde als het voorwerp dat met de schenkbelasting is belast. Daarom kan er geen toepassing worden gemaakt van artikel 2.7.1.0.6, §2, laatste lid, 1° VCF. Dit standpunt geldt voor alle overlijdens vanaf 1 maart 2016 ongeacht de datum van de schenking. De erfbelasting zal niet verschuldigd zijn : 1) als de rechten van de levensverzekering zelf niet geschonken worden maar omgezet worden in geld (door het contract af te kopen) om vervolgens het geld te schenken en daar schenkbelasting (3% ingeval van ouders aan kinderen) op te betalen. Met deze schenking en de betaalde schenkbelasting wordt meteen ook zekerheid bekomen dat op deze schenking nooit nog erfbelasting moet worden betaald zelfs al overlijdt de schenker de volgende dag. 2) In het geval de levensverzekering reeds werd geschonken of de lopende polis niet wordt afgekocht en de begiftigde een nieuwe begunstigde in de polis aanduidt is de erfbelasting niet verschuldigd in de nalatenschap van de oorspronkelijke verzekeringnemer als wordt aangetoond dat de begiftigde van de polis kosteloos heeft bedongen in het voordeel van de nieuwe begunstigde (zie artikel 2.7.1.0.6, §2, derde lid, 4° VCF). Een nieuwe begunstigde aanduiden kan door een bijlage te voegen bij de initiële polis waarin iemand anders als begunstigde wordt aangeduid. Wat niet wordt aanvaard is dat de oorspronkelijke begunstigde zichzelf herbenoemt als begunstigde of dat men tijdelijk iemand anders benoemt als begunstigde, om dan kort daarna opnieuw zichzelf als begunstigde aan te duiden. Dergelijke rechtshandelingen worden beschouwd als ontwijking van artikel 2.7.1.0.6 VCF waarop de antimisbruikbepaling van art. 3.17.0.0.2 VCF zal worden toegepast”.
(12)M. DELBOO en E. VAN TONGERLOO, “Grondwettelijk Hof over de verzekeringsgift: erfbelasting verzekerd!”, TFR 2019, 782.
(13)De dubbele belasting (schenkrecht en erfbelasting) wordt vermeden (nieuw artikel 2.7.3.2.8 VCF).
(14)Parl.St. Vl.Parl. 2016-17, nr. 928/1, 106. WEYTS vindt dit een mooie oplossing: L. WEYTS, Bedingen ten behoeve van een derde (art. 2.7.1.0.6 VCF/art. 8 W.Succ.) in Notarieel fiscaal recht, 2, De aangifte van nalatenschap, 2019, 587.
(15)M. DELANOTE, “Erfbelasting en levensverzekeringen”, T.Not. 2017, 220 e.v.
(16)C. DE GEYTER, “Giften met betrekking tot de levensverzekering op verzekeringsrechterlijk vlak”, T.Verz. 2008, 73-74; M. DELBOO en E. VAN TONGERLOO, “Grondwettelijk Hof over de verzekeringsgift: erfbelasting verzekerd!”, TFR 2019, 781; T. ROOVERS, “De verzekeringsgift: de decreetgever komt tussen”, Not.Fisc.M. 2017, 102; T. ROOVERS, “De verzekeringsgift: ceci n’est pas une donation … of toch?”, TEP 2020, 659.
(17)K. BERNAUW, “Verzekeringen en erfrecht”, T.Verz. 2008, 36; C. DE GEYTER, “Giften met betrekking tot de levensverzekering op verzekeringsrechterlijk vlak”, T.Verz. 2008, 72; T. ROOVERS, “De civiele en fiscale aspecten van de schenking (door middel) van een individuele levensverzekering”, Not.Fisc.M. 2012, 354.
(18)C. DE GEYTER, “Giften met betrekking tot de levensverzekering op verzekeringsrechterlijk vlak”, T.Verz. 2008, 74 (deze beschouwt de overdracht van alle rechten en plichten als een overdracht van een vorderingsrecht en niet als een schuldvernieuwing. De plichten uit de verzekeringsovereenkomst minimaliseert hij omdat de enige plicht tot betaling van de premies geen werkelijke plicht is). Zie ook algemener: I. CLAEYS, Samenhangende overeenkomsten en aansprakelijkheid. De quasi-immuniteit van de uitvoeringsagent herbekeken, Antwerpen, Intersentia, 2003, 100 (“Aan de andere kant kan een persoon ook contractpartij worden door overname van een overeenkomst, waarbij hij in zowel de rechten als de verplichtingen van de overdrager (die zelf uit de rechtsverhouding verdwijnt) treedt”); I. CLAEYS en T. TANGHE, Algemeen contractenrecht, Antwerpen, Intersentia, 2021, 380; E. DIRIX, Obligatoire verhoudingen tussen contractanten en derden, Antwerpen, Kluwer, 1984, 47 (“Contractsoverdracht strekt ertoe het geheel van rechten en verplichtingen van één der partijen van een overeenkomst over te dragen op een derde, derwijze dat de derde de plaats inneemt van die contractspartij en deze geheel uit de contractsband verdwijnt. […] Contractsoverdracht heeft derhalve nooit novatoire werking”) en 63 (“In de eerste plaats zullen dus alle rechten overgedragen worden die de overdrager krachtens de overeenkomst bezat”); T. VANSWEEVELT en B. WEYTS, Handboek verbintenissenrecht, Antwerpen, Intersentia, 2019, 603 e.v.
(19)E. DIRIX, Obligatoire verhoudingen tussen contractanten en derden, Antwerpen, Kluwer, 1984, 63 e.v.; V. WITHOFS, Contractsoverdracht, Brugge, die Keure, 2015, 111-113, 283-284, 469 e.v. en 491 e.v.
(20)Zie over de schenking van een verzekeringsovereenkomst aan een andere dan de aangeduide derde-begunstigde (in het geval die schenking niet wordt geïnterpreteerd als een herroeping van de derde-begunstiging): C. DE GEYTER, “Giften met betrekking tot de levensverzekering op verzekeringsrechterlijk vlak”, T.Verz. 2008, 81 (“Strikt juridisch gezien heeft dit als gevolg dat de begiftigde de nieuwe titularis wordt van de rechten m.b.t. de schuldvordering van de verzekeringnemer maar geen recht heeft op de verzekeringsprestaties. Wordt die begunstiging niet herroepen, dan heeft bij de opeisbaarheid, zolang er geen herroeping plaats had, de aangewezen begunstigde recht op de verzekeringsprestatie en niet de begiftigde”).
(21)Cass. 14 mei 2021, AR C.20.0374.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210514.1N.5, AC 2021, nr. 349, (“Krachtens artikel 1121 Oud Burgerlijk Wetboek kunnen contractspartijen, de bedinger en de belover genoemd, aan een derde een recht verlenen tot nakoming van een bepaalde prestatie vanwege de belover. Dit recht ontstaat rechtstreeks uit de overeenkomst zonder de toestemming van de derde-begunstigde”). Zie ook: I. CLAEYS en T. TANGHE, Algemeen contractenrecht, Antwerpen, Intersentia, 2021, 388; V. WITHOFS, Contractsoverdracht, Brugge, die Keure, 2015, 70-71.
(22)Zie in de zin dat het voorwerp verschilt bij schenking en uitkering, doch dat toch het derdenbeding vervelt tot een beding ten gunste van zichzelf als gevolg van de verzekeringsgift: S. HUBRECHT, “Overdracht van alle rechten om niet en artikel 8 W.Succ.”, Successierechten 2009, 10.
(23)Bijvoorbeeld: E. DIRIX, Obligatoire verhoudingen tussen contractanten en derden, Antwerpen, Kluwer, 1984, 22; I. VANSTAPEL, “Wie is partij en wie is derde aan een contract?” in I. SAMOY (ed.), Derden in het contractenrecht, Antwerpen, Intersentia, 2009, 11; T. VANSWEEVELT en B. WEYTS, Handboek verbintenissenrecht, Antwerpen, Intersentia, 2019, 594. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220421.1N.9 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220421.1N.9 citeert: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210514.1N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.