← België

Oilchart International contra O.W. BUNKER bv

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 28 april 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220428.1N.3 Rolnummer: C.21.0150.N Zaak: Oilchart International contra O.W. BUNKER bv Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Internationaal privaatrecht - Unierecht - Insolventierecht Invoerdatum: 2022-08-10 Raadplegingen: 765 - laatst gezien 2026-06-19 02:08 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220428.1N.3 Fiches 1 - 3 Een vordering tot betaling van een factuur voor levering van goederen ter uitvoering van een overeenkomst gesloten vóór de opening van een insolventieprocedure, door de schuldeiser die in de ene lidstaat is gevestigd, in die lidstaat ingesteld tegen de schuldenaar nadat tegen hem een insolventieprocedure is geopend in een andere lidstaat, valt binnen de werkingssfeer van de Brussel 1bis-Verordening, aangezien zij is gebaseerd op een recht of verbintenis voortvloeiend uit de gemene regels van het burgerlijk en het handelsrecht

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - INTERNATIONALE BEVOEGDHEID Vrije woorden: Brussel 1bis-Verordening - Werkingssfeer - Overeenkomst gesloten voor de opening van de insolventieprocedure - Factuur - Vordering tot betaling - Vordering ingesteld in de lidstaat van de schuldeiser - Insolventieprocedure tegen schuldenaar geopend in een andere lidstaat - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken - 12-12-2012 - Art. 1, eerste en tweede lid,
  1. b)Verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures - 29-05-2000 - Art. 1, eerste lid Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALGEMEEN Vrije woorden: Brussel 1bis-Verordening - Werkingssfeer - Overeenkomst gesloten voor de opening van de insolventieprocedure - Factuur - Vordering tot betaling - Vordering ingesteld in de lidstaat van de schuldeiser - Insolventieprocedure tegen schuldenaar geopend in een andere lidstaat - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken - 12-12-2012 - Art. 1, eerste en tweede lid,
  2. b)Verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures - 29-05-2000 - Art. 1, eerste lid Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - GEVOLGEN (PERSONEN, GOEDEREN, VERBINTENISSEN) Vrije woorden: Overeenkomst gesloten voor de opening van de insolventieprocedure - Factuur - Vordering tot betaling - Vordering ingesteld in de lidstaat van de schuldeiser - Insolventieprocedure tegen schuldenaar geopend in een andere lidstaat - Werkingssfeer van de Brussel 1bis-Verordening Wettelijke bepalingen: Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken - 12-12-2012 - Art. 1, eerste en tweede lid,
  3. b)Verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures - 29-05-2000 - Art. 1, eerste lid Fiches 4 - 5 Dat een prealabele vraag moet worden beslecht inzake een krachtens artikel 1, lid 2,
  4. b)van de Brussel 1bis-Verordening uitgesloten materie, staat niet in de weg aan het binnen de werkingssfeer van de Verordening vallen van een dergelijke vordering, aangezien dit de aard van de door de vordering te bewaren rechten niet wijzigt
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - INTERNATIONALE BEVOEGDHEID Vrije woorden: Brussel 1bis-Verordening - Werkingssfeer - Prealabele vraag inzake een uitgesloten materie - Gevolg Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALGEMEEN Vrije woorden: Brussel 1bis-Verordening - Werkingssfeer - Prealabele vraag inzake een uitgesloten materie - Gevolg Fiche 6 De feitenrechter die de buitenlandse wet toepast, moet de draagwijdte ervan bepalen op grond van de uitleg die deze wet in het land van oorsprong krijgt; het Hof gaat na of de beslissing van de feitenrechter conform die uitleg is
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VREEMDE WET Vrije woorden: Toepassing - Draagwijdte - Taak van de rechter Fiches 7 - 8 Artikel 33, Nederlandse Faillissementswet verbiedt gedurende het faillissement uitsluitend de individuele tenuitvoerlegging op het vermogen van de schuldenaar, dit is het tot het faillissement behorende vermogen en staat er aldus niet aan in de weg dat de schuldeiser een bankgarantie afroept die tot persoonlijke zekerheid strekt van een schuld van de gefailleerde, aangezien hij hierdoor geen aanspraak maakt op een bestanddeel van de failliete boedel, maar op een derde vermogen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VREEMDE WET Vrije woorden: Artikel 33, tweede lid, Nederlandse Faillissementswet - Afroep door schuldeiser van bankgarantie tot persoonlijke zekerheid van een schuld van de gefailleerde - Toepassing Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - GEVOLGEN (PERSONEN, GOEDEREN, VERBINTENISSEN) Vrije woorden: Artikel 33, tweede lid, Nederlandse Faillissementswet - Afroep door schuldeiser van bankgarantie tot persoonlijke zekerheid van een schuld van de gefailleerde - Toepassing Tekst van de conclusie C.21.0150.N Conclusie van advocaat-generaal Els Herregodts: (…) Eerste middel. (…) De gegrondheid. 13. Krachtens artikel 1, lid 1, Brussel Ibis-Verordening wordt deze verordening toegepast in burgerlijke en handelszaken, ongeacht de aard van het gerecht. Krachtens artikel 1, lid 2, b), is deze verordening niet van toepassing op het faillissement, akkoorden en andere soortgelijke procedures. Krachtens artikel 1, lid 1, Insolventieprocedures, zoals van toepassing
(1), is deze verordening van toepassing op collectieve procedures die, op de insolventie van de schuldenaar berustend, ertoe leiden dat deze schuldenaar het beheer en de beschikking over zijn vermogen geheel of ten dele verliest en dat een curator wordt aangewezen. 14. Het Hof van Justitie van de Europese Unie oordeelt in vaste rechtspraak dat enkel vorderingen die rechtstreeks voortvloeien uit een insolventieprocedure en daarmee nauw verband houden
(2), buiten de werkingssfeer van de Brussel Ibis-Verordening vallen en bijgevolg alleen vorderingen met die kenmerken binnen de werkingssfeer van de Insolventieverordening vallen
(3). Het doorslaggevend criterium om vast te stellen onder welk gebied een vordering valt, is volgens het Hof van Justitie niet de procedurele context van die vordering, maar de rechtsgrondslag ervan. Volgens die benadering moet worden nagegaan of het recht of de verbintenis waarop de vordering is gebaseerd, voortvloeit uit de gemene regels van het burgerlijk en het handelsrecht, dan wel uit specifieke, afwijkende regels voor insolventieprocedures
(4). Dat na de opening van een insolventieprocedure een vordering wordt ingesteld door de in die procedure aangewezen curator en dat die curator in het belang van de crediteuren handelt, verandert volgens het Hof van Justitie in wezen niets aan de aard van die vordering, die losstaat van de insolventieprocedure en ten gronde onderworpen blijft aan regels van gemeen recht
(5). Een vordering die kan worden ingesteld door de schuldeiser zelf en aldus niet onder de uitsluitende bevoegdheid van de curator valt en die losstaat van de inleiding van een insolventieprocedure, kan volgens het Hof van Justitie niet worden beschouwd als een rechtstreeks en onlosmakelijk gevolg van een dergelijke procedure, zodat er vanuit moet worden gegaan dat deze vordering op de gemene regels van het burgerlijk en handelsrecht is gegrond en bijgevolg niet buiten de werkingssfeer van de Brussel Ibis-Verordening valt
(6). Een beginselarrest waarin voornoemde principes worden samengebracht en bekrachtigd, vormt het arrest van het Hof van Justitie van 6 februari 2019
(7). In zijn conclusie van 18 oktober 2018 inzake C-535/17 bespreekt Advocaat-generaal M. BOBEK het cumulatieve criterium inzake de uitsluiting vervat in artikel 1, lid 2, b), Brussel I-Verordening – en dus de insluiting in de werkingssfeer van de Insolventieverordening en de toepasselijkheid van artikel 3 van die verordening – namelijk dat vorderingen rechtstreeks uit een insolventieprocedure voortvloeien en daarmee nauw samenhangen. Hij benadrukt dat het beslissende criterium het eerste criterium is, namelijk de vraag of de rechtsgrondslag voor de vordering rechtstreeks voortvloeit uit de insolventieregels
(8). Om de rechtsgrondslag van de vordering te beoordelen, moet de aard van de vordering, in de zin van de grond ervan, worden onderzocht. De vraag dient gesteld of het een vordering op basis van gemeenschappelijke regels betreft (bijvoorbeeld onrechtmatige daad, overeenkomsten of ongerechtvaardigde verrijking) dan wel een vordering op basis van regels die specifiek zijn voor insolventie
(9). De advocaat-generaal verduidelijkt dat “de omstandigheid dat een vordering wordt ingesteld door (of tegen) een curator als een enkel gevolg van het feit dat deze is ingesteld gedurende de insolventieprocedure, derhalve de (belangrijkste of onderliggende) aard van de vordering niet zal veranderen. De rechtsgrondslag ervan blijft ongewijzigd
(10)” en dat “deze beide veranderingen bij de „ingang” van de vordering (wie stelt de vordering in, of tegen wie is de vordering gericht) of bij de „uitgang” ervan (waar komt de opbrengst terecht), het natuurlijke en noodzakelijke gevolg zijn van het feit dat er insolventieprocedures lopen, maar op zichzelf de aard van de door de curator ingestelde vordering niet wijzigen. Mochten deze procedures wel aanleiding geven tot de uitzondering op de toepasbaarheid van de Brussel I-Verordening ten gunste van de Insolventieverordening, zou vrijwel alles wat zich in de loop van de insolventieprocedure voordoet aanleiding vormen tot deze uitzondering. Dan zou een soort „insolventie-zwart-gat” ontstaan: omdat de rechtshandeling is verricht door een curator – die handelt krachtens specifieke regels inzake insolventie – en het geld uit de boedel komt of hierin valt – hetgeen ook het gevolg is van de specifieke insolventieregels – zou echt alles wat zich binnen deze twee parameters voordoet in feite onder de Insolventieverordening vallen
(11)”. De advocaat-generaal verduidelijkt daarnaast dat het tweede criterium, namelijk de vraag of de vordering nauw met de insolventieprocedure samenhangt, niet echt een opzichzelfstaand criterium is, maar eerder een aanvullend element ter controle van het belangrijkste criterium, namelijk de rechtsgrondslag
(12). Hij vermeldt dat in de meeste gevallen aan de hand van een tamelijk eenvoudige vraag kan worden nagegaan of er sprake is van nauwe samenhang met de insolventieprocedure, te weten de vraag of dezelfde vordering – dat wil zeggen een vordering van dezelfde juridische aard, maar uiteraard niet in alle opzichten identiek wat de procedurele elementen aangaat – zou kunnen worden ingesteld buiten de lopende insolventieprocedure. Indien die vraag bevestigend wordt beantwoord, is er waarschijnlijk geen sprake van een nauwe samenhang die de in het eerste deel van de toets verrichte beoordeling betreffende de juridische aard van de eis zou kunnen wijzigen
(13). Het Hof van Justitie oordeelt in zijn arrest van 21 november 2019, C-198/18, CeDe Group AB bovendien dat wanneer een vordering voortvloeit uit de specifiek voor insolventieprocedures afwijkende regels, en zij dus binnen de toepassingssfeer van artikel 3, lid 1, Insolventieverordening valt, die vordering, tenzij de verordening anders bepaalt, ook binnen de werkingssfeer van artikel 4 van die verordening valt
(14). Het Hof van Justitie benadrukt vervolgens echter dat artikel 4 een ruimere werkingssfeer heeft dan artikel 3, aangezien dit niet alleen van toepassing is op insolventieprocedures maar tevens op de gevolgen ervan. Uit het enkele feit dat een vordering niet voortvloeit uit de specifiek voor insolventieprocedures geldende afwijkende regels, kan dan ook niet worden afgeleid dat een dergelijke vordering niet binnen de werkingssfeer van artikel 4 Insolventieverordening valt. Daarnaast moet worden nagegaan of de betrokken vordering niet behoort tot de gevolgen van een insolventieprocedure doordat zij het rechtstreekse en onlosmakelijke gevolg van een dergelijke procedure is
(15). Het Hof van Justitie oordeelt in voormeld arrest dat een vordering tot betaling van goederen die zijn geleverd ter uitvoering van een overeenkomst die vóór de opening van een insolventieprocedure was gesloten, niet kan worden aangemerkt als het rechtstreekse en onlosmakelijke gevolg van een insolventieprocedure louter om de reden dat een van de contractpartijen aan de insolventieprocedure is onderworpen. Het instellen van die vordering is geenszins afhankelijk van de opening van een insolventieprocedure, aangezien een dergelijke vordering tot betaling buiten elke insolventieprocedure door de schuldeiser zelf tegen de schuldenaar kan worden ingesteld
(16). Die vordering valt dus niet onder de werkingssfeer van de Insolventieverordening, wanneer zij door de curator van een failliet bedrijf dat is gevestigd in een lidstaat, is ingesteld tegen een contractpartij gevestigd in een andere lidstaat
(17). Tevens oordeelt het Hof van Justitie in vaste rechtspraak dat om te bepalen of een geding binnen het toepassingsgebied van de Brussel Ibis-Verordening valt, men alleen dient te letten op het onderwerp van het geding. Of die verordening kan worden toegepast, wordt inzonderheid bepaald door de aard van de rechten die men door de betrokken procedure beoogt te bewaren of door te zetten
(18)
(19)
(20). Uit de hiervoor aangehaalde rechtspraak kan mijns inziens kennelijk opgemaakt worden dat: - een vordering tot betaling van een factuur voor de levering van goederen ter uitvoering van een overeenkomst die vóór de opening van een insolventieprocedure was gesloten, die de schuldeiser die in de ene lidstaat is gevestigd, in die lidstaat instelt tegen de schuldenaar nadat tegen hem een insolventieprocedure is geopend in een andere lidstaat, binnen de werkingssfeer van de Brussel Ibis-Verordening valt, aangezien zij is gebaseerd op een recht of verbintenis voortvloeiend uit de gemene regels van het burgerlijk en het handelsrecht; - het gegeven dat een prealabele vraag moet worden beslecht inzake een krachtens artikel 1, lid 2, b), uitgesloten materie, namelijk wat het gevolg is van de opening van een insolventieprocedure voor de toelaatbaarheid van een vordering in rechte die tegen de gefailleerde zelf wordt ingesteld, hieraan niet in de weg staat, aangezien dit de aard van de door de vordering te bewaren rechten niet wijzigt. Ook in de Belgische rechtsleer wordt aanvaard dat de Brussel I-Verordening (voorheen EEX-Verdrag) van toepassing is op vorderingen van de curator die de gefailleerde schuldeiser zelf had kunnen instellen. Wanneer de curator betaling vordert van de koopprijs van goederen die de gefailleerde vóór de faillietverklaring aan een koper had geleverd, oefent het faillissement immers geen bijzondere invloed uit op de vordering, behalve dat de curator hier als vertegenwoordiger van de gefailleerde schuldeiser optreedt. De vordering heeft tot doel rechten van de gefailleerde geldend te maken die deze zonder het faillissement zelf kon laten gelden. Het faillissement verandert dus niets aan het karakter van de vordering, doch slechts aan de vertegenwoordiging van de gefailleerde
(21). Rechtsleer erkent dat deze oplossing logischerwijze moet worden doorgetrokken wanneer zulke vorderingen worden ingesteld tegen de curator of de gefailleerde zelf na opening van de insolventieprocedure. De Brussel I-Verordening (voorheen EEX-Verdrag) zal op basis van dezelfde overwegingen van toepassing zijn op de betalingsvordering van de verkoper tegen de inmiddels gefailleerde koper. De grondslag van dergelijke vorderingen ligt immers in vóór het faillissement aangegane commerciële transacties
(22). Uit de besproken rechtspraak van het Hof van Justitie volgt immers dat de procedurele context van de vordering in rechte – namelijk dat zij tegen de curator of de gefailleerde zelf wordt ingesteld en dat de schuldvordering eventueel parallel bij de curator ter verificatie wordt ingediend – niets aan de burgerlijke of handelsrechtelijke aard van de vordering verandert. Naar intern Belgisch recht in art. 574, 2°, Ger.W. wordt eenzelfde criterium gehanteerd. Krachtens die bepaling “neemt de ondernemingsrechtbank kennis van vorderingen en geschillen rechtstreeks ontstaan uit een insolventieprocedure bedoeld in boek XX van het Wetboek van economisch recht, waarvan de gegevens voor de oplossing zich bevinden in het bijzonder recht dat van toepassing is op het stelsel van de insolventie”. Het geschil moet met andere woorden zijn juridische oorzaak vinden in het faillissement of de procedures van gerechtelijke reorganisatie. Bovendien moeten de gegevens voor de oplossing zich bevinden in het bijzonder recht dat van toepassing is op faillissementen en de procedures van gerechtelijke reorganisatie. Is hieraan niet voldaan, dan volgt uit de rechtspraak van het Hof dat artikel 574, 2°, Ger.W. geen toepassing vindt
(23). Eveneens uit de rechtspraak van het Hof volgt dat betwistingen over het al dan niet boedelkarakter van een schuld behoren tot de exclusieve bevoegdheid van de ondernemingsrechtbank
(24)en dat de ondernemingsrechtbank uitsluitend bevoegd is om kennis te nemen van een vordering tot opname van een schuldvordering in het passief van het faillissement
(25):
  1. Het komt mij voor dat uit voorgaande analyse volgt dat het onderwerp van de vordering die eiseres in België tegen eerste verweerster (gefailleerde schuldenaar) heeft ingesteld, nadat tegen haar een insolventieprocedure werd geopend in Nederland, tot betaling van een factuur voor de levering van bunkers in uitvoering van een vóór de opening van de insolventieprocedure gesloten overeenkomst, zijn grondslag vindt in het burgerlijk en handelsrecht. Eiseres zou als schuldeiser de betalingsvordering immers ook buiten de lopende insolventieprocedure kunnen instellen tegen eerste verweerster als schuldenaar zelf. Deze vordering valt dus mijns inziens binnen de werkingssfeer van de Brussel Ibis-Verordening, zodat de rechterlijke bevoegdheid op grond van de bepalingen van die verordening moet worden bepaald.
  2. In het bestreden arrest stellen de appelrechters vast dat er tegen eerste verweerster in Nederland een insolventieprocedure werd geopend die ertoe leidde dat zij op 21 november 2014 door de Nederlandse rechter failliet werd verklaard, dat eiseres op 11 maart 2015 eerste verweerster voor de Belgische rechter dagvaardde tot invordering van een factuur die uitgeschreven werd vóór het faillissement en dat eiseres haar schuldvordering ten aanzien van eerste verweerster eveneens bij de Nederlandse curator indiende krachtens de artikelen 26 en 110 van de Nederlandse Faillissementswet. Ik meen dat de appelrechters die vervolgens oordelen dat de vordering van eiseres buiten het toepassingsgebied van de Brussel Ibis Verordening valt, om de enkele reden dat de schuldvordering van eiseres ook bij de curator werd ingediend en de prealabele vraag moet worden beslecht of na de opening van de insolventieprocedure nog op toelaatbare wijze een vordering in rechte tegen de gefailleerde zelf kan worden ingesteld, terwijl dit de burgerlijke en handelsrechtelijke grondslag van de vordering niet wijzigt, hun beslissing niet naar recht verantwoorden. Het middel komt mij dan ook gegrond voor. Tweede middel. Eerste onderdeel.
  3. Het onderdeel komt op tegen de verwerping door de appelrechters van het middel van eiseres volgens hetwelk de koopovereenkomst met de bunkers als voorwerp, met eiseres werd gesloten in naam en voor rekening van verweersters, gelet op een mandaat waarover eerste verweerster beschikte, op grond van de algemene voorwaarden van de OWB-Groep om derde en vierde verweerster te verbinden ten aanzien van derden. Volgens eiseres hebben de appelrechters de regels inzake lastgeving (artikelen 1994, 1998, lid 1, 1108, 1134, lid 2, Oud Burgerlijk Wetboek, 8.11, § 1 en § 4, Burgerlijk Wetboek en artikel 25 Wetboek van Koophandel, zoals van toepassing), miskend en is hun beslissing aangetast door een motiveringsgebrek.
  4. Eiseres heeft voor de appelrechters aangevoerd dat artikel L4 van de algemene voorwaarden van de OWB-groep aan de vennootschappen van die groep, Bergen Bunkers en eerste verweerster, de bevoegdheid verleende om in naam en voor rekening van hun opdrachtgever, derde en vierde verweerster, scheepsbrandstof te bestellen bij een fysische leverancier, eiseres, om de voorwaarden van deze fysische leverancier namens de opdrachtgever te aanvaarden en om de opdrachtgever rechtstreeks tegenover de fysische leverancier te verbinden door de doorwerking van diens voorwaarden. De appelrechters stellen vast en oordelen: “De koopovereenkomst tussen (derde en vierde verweerster) ten opzichte van BERGEN BUNKERS was overigens onderworpen aan de algemene voorwaarden van de OWB Groep, waarnaar verwezen werd op de door haar verstuurde verkoopbevestiging. Uit geen enkel element blijkt dat (derde en vierde verweerster) kennis zou(den) gehad hebben, dan wel zou(den) ingestemd hebben met deze algemene voorwaarden van Oilchart, die niet te beschouwen was als haar contractpartij. Er is evenmin doorwerking van deze algemene voorwaarden van Oilchart via de toepassing van artikel L.4 van de algemene voorwaarden van OWB Group. Dit artikel L.4 voorziet als volgt: a) These Terms and Conditions are subject to variation in circumstances where the physical supply of bunkers is being undertaken by a third party which insists that the Buyer is also bound by its own terms and conditions. In such circumstances, these Terms and Conditions shall be varied accordingly, and the Buyer shall be deemed to have read and accepted the terms and conditions imposed by the said third party
(26). (…) Vooreerst blijkt uit deze algemene voorwaarden (…) dat deze opgesteld en beheerst worden door het Engels recht zodat niet tot de door Oilchart ingeroepen “doorwerking” volgens de principes uit het Belgisch recht kan worden besloten. Naar Belgisch recht brengen overeenkomsten enkel gevolgen teweeg tussen contracterende partijen en brengen zij aan derden geen nadeel toe (art. 1165 BW). Derhalve zou er slechts sprake zijn van tegenstelbaarheid van deze algemene voorwaarden van Oilchart aan (derde en vierde verweerster) voor zover er sprake zou zijn van een overeenkomst tussen beiden en (derde en vierde verweerster) kennis zouden genomen hebben van deze algemene voorwaarden en deze zouden hebben aanvaard. Hoger werd reeds gewezen op het feit dat dit niet het geval is. (…)”
(27). Mijns inziens oordelen de appelrechts aldus dat noch Bergen Bunkers noch eerste verweerster krachtens artikel L.4 van de algemene voorwaarden van de OWB-Groep over de bevoegdheid beschikten om derde en vierde verweerster te verbinden tegenover eiseres en beantwoorden en verwerpen zij daarmee het verweer van eiseres. In zoverre het onderdeel de schending aanvoert van artikel 149 van de Grondwet en van artikel 780, 3° Gerechtelijk Wetboek, mist het naar ik meen dan ook feitelijke grondslag. Uit het oordeel van de appelrechters blijkt mijns inziens duidelijk dat zij het Belgisch recht toepassen om hun beslissing te motiveren dat de algemene voorwaarden van eiseres niet kunnen doorwerken jegens derde en vierde verweerster via artikel L.4, zodat het mij voorkomt dat het onderdeel eveneens feitelijke grondslag mist in zoverre het een schending aanvoert van artikel 149 Grondwet doordat niet zou blijken op welke principes van Engels recht de appelrechters zich steunen. In zoverre het onderdeel de schending aanvoert van de artikelen 1994, 1998, lid 1, 1108, 1134, lid 2, Oud Burgerlijk Wetboek, 8.11, § 1 en § 4, Burgerlijk Wetboek en artikel 25 Wetboek van Koophandel, zoals van toepassing, berust het naar ik meen op een onjuiste lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag, nu het onderdeel geheel ervan uitgaat dat eerste verweerster of Bergen Bunkers krachtens artikel L.4 van de algemene voorwaarden van de OWM Groep een mandaat hadden om derde en vierde verweerster rechtstreeks te verbinden tegenover eiseres als fysieke leverancier, daar waar de appelrechters het tegendeel vaststellen. Tweede onderdeel.
  1. Het onderdeel komt op tegen de verwerping door de appelrechters van het middel van eiseres volgens hetwelk de gehoudenheid van verweersters voortvloeit uit de ondertekening van de leveringsdocumenten door het bevoegde bemanningslid van het ms Kasugta. Volgens eiseres hebben de appelrechters daarmee de wettelijke vertegenwoordigingsbevoegdheid van de bemanning miskend (artikel 46, § 2 en § 3 Wetboek van bepaalde voorrechten op zeeschepen en diverse bepalingen, hierna “Zeewet”, zoals van toepassing voor de opheffing ervan bij artikel 15 van de wet van 8 mei 2019 tot invoering van het Belgisch Scheepvaartwetboek), de bewijswaarde van de ondertekende leveringsbon, alsmede artikel 1275 Oud Burgerlijk Wetboek. Het onderdeel gaat ervan uit dat een delegatieovereenkomst zou bestaan waarbij de derde/vierde verweerster (gedelegeerde schuldenaar) zich jegens de eiseres (delegataris) heeft verbonden tot het betalen van de schuld van de eerste verweerster (delegans). Dit zou volgens het onderdeel blijken uit de ondertekening van de leveringsnota door de derde/vierde verweerster.
  2. De appelrechters stellen vast en oordelen: Dat op de bunkerleveringsnota van 25 oktober 2014 vermeld werd “for the account of: master and/or owners of charterers and/or operators”
(28)deed (…) evenmin (derde of vierde verweerster) toetreden tot de overeenkomst. De bunkerleveringnota betreft immers louter de uitvoering van de koopovereenkomst en kan geen bijkomende verbintenissen creëren in hoofde van partijen die niet voorzien zijn in de oorspronkelijke overeenkomst. De ingeroepen goedkeuring door de ondertekening door (derde en vierde verweerster) van deze leveringsbon waarvan melding door Oilchart, is dus niet meer dan een bevestiging van de goede ontvangst en van de conformiteit van het geleverde. Uit de loutere verwijzing naar de algemene voorwaarden van Oilchart op deze leveringsdocumenten kan geen instemming of tegenstelbaarheid met de algemene voorwaarden van Oilchart worden afgeleid in hoofde van (derde en vierde verweerster) die zich louter verbonden had(den) ten opzichte van BERGEN BUNKERS. (…)” Anders dan waarvan eiseres uitgaat, oordelen de appelrechters, ongeacht de door hen gebruikte bewoordingen, naar ik meen niet op principiële gronden dat de ondertekening van een leveringsnota niet het bewijs kan vormen van de aanvaarding van de daarin bepaalde bedingen. Uit het geheel van de voormelde overwegingen blijkt dat de appelrechters integendeel oordelen dat uit de ondertekening van de leveringsnota door derde en/of vierde verweerster in de concrete omstandigheden niet kan worden afgeleid dat zij het afwijkend contactueel kader hebben aanvaard en dat zij hebben willen toetreden tot de overeenkomst gesloten tussen eiseres en eerste verweerster. In zoverre eiseres een schending aanvoeren van de artikelen 1134, lid 2, Oud Burgerlijk Wetboek, 8.11, § 1 en § 4, Burgerlijk Wetboek en artikel 25 Wetboek van Koophandel, zoals van toepassing, berust het zodoende mijns inziens op een onjuiste lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag. In zoverre eiseres de schending aanvoert van artikel 1275 Oud Burgerlijk Wetboek, geldt naar ik meen hetzelfde. Anders dan waarvan eiseres uitgaat, stellen de appelrechters immers niet vast dat tussen eiseres, eerste verweerster en derde en/of vierde verweerster een delegatieovereenkomst werd gesloten, waarbij eerste verweerster, als schuldenaar, aan eiseres, als schuldeiser, een andere schuldenaar, met name derde en/of vierde verweerster, heeft aangewezen, die daarmee heeft/hebben ingestemd. In zoverre het onderdeel opkomt tegen de overweging dat de kapitein de scheepseigenaar krachtens artikel 46 Zeewet slechts kan verbinden binnen het kader van de reeds bestaande rechten en verplichtingen van partijen zoals die voortvloeien uit vooraf gesloten overeenkomsten, kan het, al was het gegrond, mijns inziens niet tot cassatie leiden en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Uit het geheel van de overwegingen en de context blijkt dat de appelrechters soeverein in feite oordelen dat het niet de bedoeling was van de ondertekenende partij van de leveringsnota (derde/vierde verweerster) om af te wijken van het bestaande contractuele kader en om toe te treden tot het contract gesloten tussen eiseres en eerste verweerster, hetgeen mijns inziens volstaat om de beslissing te schragen dat de derde en/of vierde verweerster zich niet rechtstreeks hebben verbonden ten aanzien van eiseres. De vraag naar de omvang van de wettelijke vertegenwoordigingsbevoegdheid van de kapitein, en met name of hij voor rekening van de scheepseigenaar afwijkende contractvoorwaarden kan aanvaarden, krachtens artikel 46 Zeewet, is dan ook zonder belang. Uit de vaststellingen van de appelrechters blijkt namelijk hoe dan ook dat de ondertekenende partij niet de bedoeling had om van de bestaande contractuele verhoudingen af te wijken. In zoverre de schending van artikel 46 Zeewet wordt aangevoerd, is het onderdeel zodoende, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. Derde middel. 21. Eiseres voert aan dat door de vordering van tweede verweerster toe te wijzen en, net als de eerste rechter, voor recht te zeggen dat eiseres de bankgarantie die in de plaats gesteld werd van het bewarend scheepsbeslag dat eiseres op het schip van derde en vierde verweerster legde uit hoofde van de zeevordering waarvan eerste verweerster schuldenaar is, niet mag afroepen, op grond van de overweging dat eerste verweerster failliet is, de appelrechters de (oude) artikelen 1468 en 1469 Gerechtelijk Wetboek, die een bewarend scheepsbeslag voor zeevorderingen ook toelaten op het vermogen van de scheepseigenaar, van iedere betekenis ontdoen (schending van de oude artikelen 1468 en 1469 van het Gerechtelijk Wetboek en van de artikelen 1.1, 2 en 3.1 van het Verdrag Scheepsbeslag, alsook, voor zover nodig, van artikel 5 van het Verdrag Scheepsbeslag en de thans in voege zijnde artikelen 2.2.6.1 en 2.2.6.5., § 1 van het Belgisch Scheepvaartwetboek). In zoverre de appelrechters hun beslissing schragen op de overweging dat “[h]et afroepen van een bankgarantie op grond van een veroordeling ten laste van [eerste verweerster], zonder dat een onderscheid gemaakt werd over de aard van deze veroordeling (buiten de boedel of uit de boedel) een vorm van gerechtelijke tenuitvoerlegging [vormt] die onverenigbaar is met de in casu van toepassing zijnde Nederlandse Faillissementswet”, schenden zij volgens eiseres artikel 33 van de Nederlandse Faillissementswet, aangezien dit artikel er niet aan in de weg staat dat een schuldeiser een veroordeling van zijn gefailleerde schuldenaar bekomt om uit hoofde daarvan een beroep te doen op betaling door een derde-zekerheidssteller. (…) De gegrondheid. 24. De appelrechters passen de Nederlandse Faillissementswet toe om de afroepbaarheid van de bankgarantie te beoordelen rekening houdend met de in Nederland lopende insolventieprocedure. De appelrechters worden op dit punt niet bekritiseerd. 25. Het is vaste rechtspraak van het Hof dat wanneer de feitenrechter de buitenlandse wet toepast, hij de draagwijdte ervan moet bepalen op grond van de uitlegging die deze wet in het land van oorsprong krijgt. De toets van het Hof bestaat erin na te gaan of de uitlegging die de rechter aan een vreemde wetsbepaling geeft, overeenstemt met de uitlegging van die wet in het land van oorsprong
(29). 26. Krachtens artikel 33 Nederlandse Faillissementswet kan na het vonnis van faillietverklaring geen gerechtelijke tenuitvoerlegging “op enig deel van het vermogen van de schuldenaar” meer plaatsvinden. Onder “het vermogen van de schuldenaar” moet worden verstaan het tot het faillissement behorende vermogen, te weten de failliete boedel. Het doel van het faillissement is immers dat afzonderlijke beslagen worden vervangen door het algemene faillissementsbeslag en dat executies van (delen van) het vermogen door individuele schuldeisers worden vervangen door de executie van het gehele vermogen door de curator
(30). Beslag op goederen die niet tot de failliete boedel behoren, wordt niet door artikel 33, lid 2, getroffen
(31). De afroep van een bankgarantie betreft echter geen tenuitvoerlegging “op het vermogen van de schuldenaar” maar op het vermogen van een derde, zodat art. 33 Nederlandse Faillissementswet hieraan niet in de weg staat. Zo bevestigt een auteur dat een bankgarantie in het algemeen wordt gezien als een sterke vorm van zekerheid, die voor een schuldeiser voordeliger kan zijn dan een beslag. Zo zou een derdenbeslag (in plaats van een bankgarantie) als gevolg van het faillissement vervallen (art. 33, lid 2, Nederlandse Faillissementswet), zodat de schuldeiser in de praktijk met lege handen zou achterblijven nu er maar weinig faillissementen tot uitdeling komen. Tegen die achtergrond is de bankgarantie volgens die auteur gunstig, ook al moet de schuldeiser nog wachten op de verificatievergadering waarna, in geval van betwisting van de schuldvordering door de curator, de procedure wordt voortgezet om de gegrondheid en de hoogte van de schuldvordering vast te stellen
(32). Volgens die auteur (en de door hem geannoteerde beslissing) bestaat krachtens artikel 33 Faillissementswet dus geen verbod om de bankgarantie in te roepen tijdens het faillissement. Bij betwisting van de schuldvordering door de curator, is echter eerst duidelijkheid nodig omtrent de schuldvordering voordat tot uitkering kan worden overgegaan. De bankgarantie die wordt afgegeven ter opheffing van een conservatoir beslag kan dus pas worden getrokken indien vaststaat dat de begunstigde daadwerkelijk een schuldvordering heeft die is vastgelegd in een uitvoerbare titel. De voormelde vereiste staat in casu niet ter discussie. Uit de voorwaarden van de door vierde verweerster aan eiseres verstrekte bankgarantie blijkt volgens de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, dat deze slechts kan worden afgeroepen op basis van een veroordelend vonnis tot betaling tegen ofwel eerste verweerster en/of derde verweerster en/of vierde verweerster, te weten een vonnis op basis waarvan de schuldvordering vaststaat. 27. Ik meen dat de appelrechters die oordelen dat het afroepen van een bankgarantie een vorm van gerechtelijke tenuitvoerlegging is die onverenigbaar is met artikel 33 Nederlandse Faillissementswet, zodat die afroep moet worden geschorst zolang het faillissement is geopend, hun beslissing niet naar recht verantwoorden. Het middel is mijns inziens zodoende gegrond. Conclusie: Vernietiging van het bestreden arrest met verwijzing, in zoverre het arrest uitspraak doet over de internationale bevoegdheid om kennis te nemen van de vordering van eiseres tegen eerste verweerster, over de afroepbaarheid van de bankgarantie en over de kosten. ___________________________________________
(1)De Insolventieverordening werd ingetrokken bij artikel 91 van Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende insolventieprocedures, in werking getreden op 25 juni 2015; het betreft een herschikking.
(2)Dit is een cumulatief criterium, gelet op het voegwoord “en”; datzelfde criterium is vervat in considerans 6 van de Insolventieverordening.
(3)HvJ 22 februari 1979, 133/78, Gourdain, r.o. 4; 19 april 2012, C-213/10, F-Tex SIA, r.o. 22 en 24; 9 november 2017, C-641/16, Tünkers France, r.o. 19; 6 februari 2019, C-535/17, NK / BNP Paribas Fortis nv, r.o. 26.
(4)HvJ 4 september 2014, C-157/13, Nickel & Goeldner Spedition, r.o. 27; 9 november 2017, C-641/16, Tünkers France, r.o. 22; 20 december 2017, C-649/16, Valach, r.o. 29; 6 februari 2019, C-535/17, NK, r.o. 28.
(5)HvJ 4 september 2014, C-157/13, Nickel & Goeldner Spedition, r.o. 29; 6 februari 2019, C-535/17, NK, r.o. 29.
(6)HvJ 4 september 2014, C-157/13, Nickel & Goeldner Spedition, r.o. 28; 6 februari 2019, C-535/17, NK, r.o. 36.
(7)HvJ 6 februari 2019, C-535/17, NK., r.o. 17, 32, 33, 34-36; in casu viel de vordering binnen de werkingssfeer van de Brussel I-Verordening zodat de internationale bevoegdheid volgens die verordening moest worden bepaald; de bevoegdheid kwam niet, krachtens artikel 3, lid 1, Insolventieverordening, toe aan de rechter van de lidstaat waar de insolventieprocedure was geopend.
(8)Conclusie van advocaat-generaal M. BOBEK van 18 oktober 2018 in C-535/17, punt 57.
(9)Conclusie van advocaat-generaal M. BOBEK van 18 oktober 2018 in C-535/17, punt 58.
(10)Conclusie van advocaat-generaal M. BOBEK van 18 oktober 2018 in C-535/17, punt 60.
(11)Conclusie van advocaat-generaal M. BOBEK van 18 oktober 2018 in C-535/17, punt 61.
(12)Conclusie van advocaat-generaal M. BOBEK van 18 oktober 2018 in C-535/17, punt 65.
(13)Conclusie van advocaat-generaal M. BOBEK van 18 oktober 2018 in C-535/17, punten 66 en 67.
(14)HvJ 21 november 2019, C-198/18, CeDe Group AB, r.o. 32.
(15)HvJ 21 november 2019, C-198/18, CeDe Group AB, 33-34.
(16)HvJ 21 november 2019, C-198/18, CeDe Group AB, 35-36.
(17)HvJ 21 november 2019, C-198/18, CeDe Group AB, 37.
(18)HvJ 17 november 1998, C-391/95, Van Uden, r.o. 33; 10 februari 2009, C-185/07, Allianz SpA, r.o. 22.
(19)In die zin: J. ERAUW, Internationaal Privaatrecht in Beginselen van Belgisch Privaatrecht, XVII, Mechelen, Kluwer 2009, 89, nr. 30.
(20)Ook in de volgende rechtspraak heeft het Hof van Justitie de afwezigheid van invloed van een prealabele vraag op de toepasselijkheid van de Brussel I-Verordening bevestigd: HvJ, 25 juli 1991, C-190/89, Rich, r.o. 26; HvJ 20 januari 1994, C-129/92, Owens Bank, r.o. 34; HvJ 15 mei 2003, C-266/01, Préservatrice foncière Tiard, r.o. 42; Zie A. BERTHE, “Règlement (UE) n° 1215/2012, art. 1” in J.-F. VAN DROOGHENBROECK (ed.), Droit judiciaire européen et international, Brugge, die Keure 2021, 475-476: “uit die rechtspraak blijkt dat, om te bepalen of de Brussel I-Verordening van toepassing is, enkel wordt gekeken naar het onderwerp van de vordering, zonder rekening te houden met het bestaan van een eventuele prealabele vraag, waarover de rechter uitspraak moet doen om het geschil te beslechten, wat ook de inhoud is van die vraag”.
(21)P. WAUTELET, “Artikel 1 EEX-Verdrag”, Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer 1999, 26-27, nr. 31; P. WAUTELET, “De Europese insolventieverordening” in H. VAN HOUTTE en M. PERTEGÁS SENDER (eds.), Het nieuwe Europese IPR: van verdrag naar Verordening, Antwerpen, Intersentia 2001, 122-123.
(22)P. WAUTELET, “Artikel 1 EEX-Verdrag”, Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer 1999, 27, nr. 31; P. WAUTELET, “De Europese insolventieverordening” in H. VAN HOUTTE en M. PERTEGÁS SENDER (eds.), Het nieuwe Europese IPR: van verdrag naar Verordening, Antwerpen, Intersentia 2001, 123.
(23)Cass. 23 december 1988, AR 6548, AC 1988, nr. 253.
(24)Cass. 16 december 2005, AR C.03.0577.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051216.3, AC 2005, nr. 680; Cass. 8 december 1995, AR C.94.0432.N ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19951208.1, AC 1995, nr. 536.
(25)Cass. 21 november 1983, AR 4006, AC 1983, nr. 156.
(26)Vertaling van de appelrechters: “a) Deze Bepalingen en Voorwaarden zijn onderhevig aan aanpassingen indien de fysische levering geschiedt door een derde die aandringt dat de Koper ook geboden is door diens eigen bepalingen en voorwaarden. In dergelijke omstandigheden zullen huidige Bepalingen en Voorwaarden dienovereenkomstig aangepast worden, en zal de Koper geacht worden de door vermelde derde opgelegde bepalingen ene voorwaarden te hebben gelezen en aanvaard”.
(27)Bestreden arrest p. 24-26.
(28)Vertaling van de appelrechters: “Voor rekening van: de kapitein en/of eigenaar en/of beheerder eigenaars en/of operatoren van ms Kasugta”.
(29)Cass. 28 maart 2013, AR C.12.0330.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130328.10, AC 2013, nr. 216; Cass. 4 november 2010, AR C.07.0191.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101104.3, AC 2010, nr. 653; Cass. 21 december 2009, AR C.09.0082.F ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091221.8, AC 2009, nr. 772; Cass. 20 april 2009, AR C.08.0465.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090420.2, AC 2009, nr. 259; Cass. 12 januari 2009, AR C.07.0269.F ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090112.4 en C.07.0284.F, AC 2009, nr. 21; Cass. 9 oktober 1980, AC 1980, nr. 90; Ph. GÉRARD, H. BOULARBAH en J.-Fr. VAN DROOGHENBROECK, Pourvoi en cassation en matière civile in RPDB, Brussel, Bruylant 2012, 287.
(30)N.J. POLAK, Insolventierecht, Deventer, Kluwer 2014, 99; B. WESSELS, Gevolgen van faillietverklaring in Wessels insolventierecht, II, Deventer, Kluwer 2009, 263-264, nr. 2441.
(31)N.J. POLAK, Insolventierecht, Deventer, Kluwer 2014, 99; B. WESSELS, Gevolgen van faillietverklaring in Wessels insolventierecht, II, Deventer, Kluwer 2009, 264-265, nr. 2442a; S. WINKELS-KOERSELMAN, “art. 33 Faillissementswet” in Sdu Commentaar insolventierecht, 2020; M. VAN WINGERDEN, “Comm. Art. 33 Fw” in T&C Insolventierecht, 2021.
(32)M.L.S. KALFF, noot onder Rb. Gelderland 5 juli 2017, JOR 2017, afl. 11, nr. 9. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220428.1N.3 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220428.1N.3 citeert: ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19951208.1 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051216.3 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090112.4 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090420.2 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091221.8 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101104.3 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130328.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.