id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 28 april 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220428.1N.5 Rolnummer: C.20.0091.N Zaak: WOLFF E.A.G.T. bv contra HAECK BEVEILIGING bv Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Intellectuele eigendom Invoerdatum: 2022-08-10 Raadplegingen: 395 - laatst gezien 2026-06-15 05:24 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220428.1N.5 Fiche 1 Bij de beoordeling van de overeenstemming tussen het merk en het beweerd inbreukmakend teken wordt in beginsel uitgegaan van een vergelijking tussen het merk zoals gedeponeerd met het inbreukmakend teken zoals dit effectief wordt gebruikt en waargenomen door het publiek
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: MERKEN - BENELUX-MERK Vrije woorden: Overeenstemming tussen merk en beweerd inbreukmakend teken - Beoordeling - Taak van de rechter Wettelijke bepalingen: Benelux-Verdrag inzake de intellectuele eigendom (merken en tekeningen of modellen), gedaan te Den Haag op 25 febriuari 2005 - 25-02-2005 - Art. 2.20.1, b) - 53 Link Justel databank 20050225-53 Fiche 2 Wanneer bepaalde bestanddelen van een beweerd inbreukmakend teken als merk gedeponeerd zijn, moet niet enkel worden uitgegaan van die gedeponeerde bestanddelen, maar moet een vergelijking worden gemaakt met het teken in zijn geheel zoals dit daadwerkelijk wordt gebruikt, volgens de totaalindruk die door dit teken bij de gemiddelde consument wordt opgeroepen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: MERKEN - BENELUX-MERK Vrije woorden: Overeenstemming tussen merk en beweerd inbreukmakend teken - Bestanddelen van beweerd inbreukmakend teken als merk gedeponeerd - Beoordeling - Taak van de rechter Wettelijke bepalingen: Benelux-Verdrag inzake de intellectuele eigendom (merken en tekeningen of modellen), gedaan te Den Haag op 25 febriuari 2005 - 25-02-2005 - Art. 2.20.1, b) - 53 Link Justel databank 20050225-53 Tekst van de conclusie C.20.0091.N Conclusie van advocaat-generaal Els Herregodts: Situering. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt het volgende.
- Eiseres oefent haar activiteiten uit onder de handelsnaam “Wolff Security” en is tevens houder van het semi-figuratieve Benelux-merk ingeschreven bij het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom op 20 maart 2015 onder het nummer 0973440, voor waren in klassen 9 en 37 en voor diensten in klassen 42 en
- Het semi-figuratieve merk van eiseres bestaat uit de woordtekens “WOLFF SECURITY” met daarboven een beeld van een wolvenkop, met rechts en links daarvan telkens drie gebogen verticale lijnen die, vertrekkend vanuit de wolvenkop, langer worden
(1):
- Eiseres stelde in 2018 vast dat verweerster concurrerende activiteiten uitoefent onder de handelsnaam “Wolf Security”. Verweerster is houder van het Benelux-woordmerk “WOLF SECURITY” ingeschreven bij het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom op 24 augustus 2016 onder het nummer 1000928, voor waren in klassen 9 en
- Verweerster maakt gebruik van een logo dat bestaat uit een beeld van de gestileerde kop van een wolf, met daaronder of daarnaast in grote hoofdletters “WOLF”, met daaronder in kleinere hoofdletters “SECURITY.BE”
(2): Dit logo maakt niet het voorwerp uit van een gedeponeerd/ingeschreven merk.
- Eiseres dagvaardde verweerster voor de voorzitter van de ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent, zetelend als stakingsrechter, zoals in kort geding, teneinde verweerster te horen veroordelen om elk gebruik van de handelsnaam “Wolf Security”, zowel alleen als gecombineerd met enig beeldmerk, in het economisch verkeer te staken.
- Bij vonnis gewezen op 5 december 2018 werden de vorderingen van eiseres ontvankelijk doch ongegrond verklaard.
- Recht doend op het hoger beroep van eiseres tegen dit vonnis, werd op 7 oktober 2019 een arrest gewezen door het hof van beroep van Gent, waarmee de appelrechter het hoger beroep van eiseres ontvankelijk doch ongegrond verklaarde en het bestreden vonnis bevestigde.
- Met een mijns inziens tijdige en regelmatige voorziening in cassatie komt eiseres, met één middel met twee onderdelen, op tegen het arrest van 7 oktober 2019 van het hof van beroep van Gent. Voor verweerster werd op 19 mei 2020 een memorie van antwoord neergelegd. Bespreking. Eerste onderdeel.
- De grief van eiseres luidt dat de appelrechter nagelaten heeft om het semi-figuratieve merk van eiseres te vergelijken met het (zuivere) woordmerk “WOLF SECURITY” van verweerster, doch een vergelijking heeft gemaakt tussen het semi-figuratieve merk van eiseres en het – niet als merk beschermde – logo van verweerster. Volgens eiseres heeft de appelrechter, door daarmee het verkeerde teken in zijn beoordeling te betrekken, geen correcte beoordeling van de vereiste overeenstemming tussen het beschermde merk en het gebruikte teken, en bijgevolg evenmin van het vereiste verwarringsgevaar, gemaakt en zodoende artikel 2.20.1.b. BVIE geschonden. Met het onderdeel rijst de vraag welk teken als uitgangspunt moet dienen om de overeenstemming te beoordelen met het beschermde merk, in het kader van de beoordeling of er verwarringsgevaar bestaat in de zin van artikel 2.20.1.b BVIE: dient dit beschermde merk uitsluitend te worden vergeleken met het teken zoals dit als merk is gedeponeerd of, integendeel, met het teken zoals dit in feite wordt gebruikt, met inbegrip van de niet-gedeponeerde bestanddelen?
- Artikel 2.20.1.b Benelux-Verdrag betreffende de Intellectuele Eigendom (merken en tekeningen of modellen) (kortweg “BVIE”), zoals van toepassing, bepaalt: “
- Het ingeschreven merk geeft de houder een uitsluitend recht. Onverminderd de eventuele toepassing van het gemene recht betreffende de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad kan de merkhouder op grond van zijn uitsluitend recht iedere derde die niet zijn toestemming hiertoe heeft verkregen, het gebruik van een teken verbieden: (…) b. wanneer dat teken gelijk is aan of overeenstemt met het merk en in het economisch verkeer gebruikt wordt voor dezelfde of soortgelijke waren of diensten, indien daardoor bij het publiek verwarring kan ontstaan, inhoudende het gevaar van associatie met het merk; (…).” Artikel 2.20.1.b BVIE, zoals van toepassing, vormt de omzetting van artikel 5.1.b van richtlijn 89/104/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten, zoals vervangen door artikel 5.1.b van richtlijn 2008/95/EG van 22 oktober 2008 en door artikel 10.2.b van richtlijn (EU) 2015/2436 van 16 december
- De uitleg die het Hof van Justitie heeft gegeven betreffende het verwarringsgevaar en het vereiste van overeenstemming tussen het oudere merk en het jongere teken in het kader van voornoemde bepalingen, is derhalve bindend voor de nationale rechter die de draagwijdte moet bepalen van artikel 2.20.1.b BVIE. Het verwarringsgevaar en het vereiste van overeenstemming tussen de tekens moeten derhalve ingevuld worden zoals bepaald door de rechtspraak van het Hof van Justitie. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie is er sprake van verwarringsgevaar wanneer het publiek kan menen dat de betrokken waren of diensten van dezelfde onderneming of, in voorkomend geval, van economisch verbonden ondernemingen afkomstig zijn
(3). Het gevaar voor verwarring bij het publiek dient globaal te worden beoordeeld, met inachtneming van alle relevante omstandigheden van het concrete geval
(4). Die beoordeling dient, wat de visuele, fonetische of begripsmatige overeenstemming tussen de betrokken merken betreft, te berusten op de totaalindruk die door deze merken bij het relevante publiek wordt opgeroepen De gemiddelde consument neemt een merk gewoonlijk als een geheel waar en let niet op de verschillende details ervan
(5)
(6). Ook het Hof heeft in een arrest van 8 december 2008
(7)aan deze rechtspraak herinnerd. Bij de beoordeling van de overeenstemming mag volgens het Hof van Justitie niet slechts één bestanddeel van een samengesteld merk in beschouwing worden genomen en met een ander merk worden vergeleken. Bij een dergelijke vergelijking moeten de betrokken merken juist elk in hun geheel worden onderzocht. Alleen wanneer alle andere bestanddelen van het merk te verwaarlozen zijn, kan de overeenstemming op basis van enkel het dominerende bestanddeel worden beoordeeld
(8). Het Benelux-Gerechtshof oordeelde in dezelfde zin in een arrest van 20 mei 1983
(9)dat “het woord ‘overeenstemmend’ (…) aldus moet worden uitgelegd, dat van overeenstemming tussen een merk en een teken sprake is, wanneer – mede gezien de bijzonderheden van het gegeven geval, en met name de onderscheidende kracht van het merk – merk en teken, elk in zijn geheel en in onderling verband beschouwd, auditief, visueel of begripsmatig zodanige gelijkenis vertonen dat reeds daardoor de mogelijkheid bestaat dat bij iemand die met het teken wordt geconfronteerd associaties tussen het teken en het merk worden gewekt”. Het Hof oordeelde eveneens in dezelfde zin met arresten van 30 september 1983 en 9 februari 2001
(10). Het Hof oordeelde in een arrest van 2 december 1993
(11)dat “de uitdrukking ‘merk en teken elk in zijn geheel’, in het Frans ‘la marque et le signe considérés en soi’, betekent dat de rechter, bij de beoordeling van de overeenstemming tussen merk en teken, deze globaal moet onderzoeken, dat wil zeggen in hun geheel”. In de rechtsleer wordt aangenomen dat bij de beoordeling van de overeenstemming tussen het merk en het beweerd inbreukmakend teken volgens de totaalindruk ervan, wordt uitgegaan van een vergelijking tussen het merk zoals ingeschreven met het inbreukmakend teken zoals gebruikt en zoals waargenomen door het publiek
(12). Wat enerzijds het oudere, beschermde merk betreft, wordt de inschrijving als uitgangspunt genomen. Het uitsluitend recht van de houder wordt krachtens artikel 2.20.1.b BVIE immers slechts verkregen door inschrijving/depot
(13). De beschermingsomvang wordt bepaald door het depot van het merk. Zo oordeelde het Hof in een arrest van 3 november 2006
(14)dat “geen enkele vordering gegrond op een merk kan worden ingesteld indien het merk niet is gedeponeerd. Bij de beoordeling van de overeenstemming met een inbreukmakend teken, zal, omdat het recht wordt verkregen door depot, het merk zoals gedeponeerd als uitgangspunt worden genomen”. In voornoemd arrest heeft het Hof evenwel geoordeeld dat uitzonderlijk ook niet-gedeponeerde elementen die in of bij het oudere merk een rol spelen – zoals de aard van de waren, de prijs en andere objectieve eigenschappen (zoals de kwaliteit van het product waarop het teken of merk is aangebracht) – en die op zichzelf genomen geen onderscheidende kracht hebben, in acht mogen worden genomen bij het vormen van de totaalindruk
(15). Uit een ander arrest van het Hof van 6 juni 2005
(16)volgt bovendien dat bij het vormen van de totaalindruk ook rekening moet worden gehouden met een niet apart gedeponeerd onderdeel van een merk dat een eigen onderscheidend vermogen bezit
(17). Een arrest van het Benelux-Gerechtshof van 16 december 1994
(18)bevestigt dat de regel op grond waarvan het oudere merk zoals gedeponeerd als uitgangspunt moet worden genomen, met enige soepelheid moet worden gehanteerd. Volgens dit arrest moet de in feite gebruikte vormgeving van een gedeponeerd woordmerk immers in beginsel worden beschouwd als een element van dit woordmerk. Het Benelux-Gerechtshof oordeelt dat “de aan het ingeschreven woordmerk te ontlenen bescherming mede de door de merkhouder in feite gebruikte wijzen van vormgeving van dat woordmerk omvat, behoudens indien de vormgeving een zo overheersende rol speelt dat het publiek in het gebruikte teken nog slechts een beeldmerk zal zien”. Dit merk dient dan te worden vergeleken met het beweerd inbreukmakend teken zoals dat wordt gebruikt
(19). In zijn arrest van 18 juli 2013, Specsavers
(20)onderschrijft het Hof van Justitie de visie dat bij het vormen van de totaalindruk van het beschermde merk ook rekening kan worden gehouden met bepaalde niet-gedeponeerde elementen. Dit Hof oordeelde immers dat wanneer een Uniemerk niet in kleur is ingeschreven, maar de houder het op ruime schaal in een specifieke kleur of kleurencombinatie heeft gebruikt, waardoor een aanzienlijk deel van het publiek dit merk met die kleur of kleurencombinatie is gaan associëren, de kleur of kleuren die een derde gebruikt voor de weergave van een teken dat beweerdelijk inbreuk maakt op dat merk, relevant zijn bij de beoordeling van het verwarringsgevaar. Het Hof van Justitie oordeelt dat “op zijn minst in de gevallen waarin het gaat om een merk dat niet in een specifieke of kenmerkende kleur, maar in zwart-wit is ingeschreven, de kleur of de kleurencombinatie waarin het merk daarna effectief wordt gebruikt, de wijze beïnvloedt waarop de gemiddelde consument van de betrokken waren dit merk waarneemt en die kleur of kleurencombinatie bijgevolg het gevaar voor verwarring of associatie tussen het oudere merk en het teken dat daarop beweerdelijk inbreuk maakt, kan doen toenemen”
(21). Het Hof van Justitie bevestigt zodoende dat, hoewel de groene kleur die Specsavers in de praktijk gebruikt niet uit haar merkinschrijving blijkt, met die groene kleur bij de beoordeling van de inbreuk toch rekening mag worden gehouden
(22). Wat anderzijds het jongere, beweerd inbreukmakend teken betreft, wordt de wijze waarop het teken wordt gebruikt en waargenomen door het publiek als uitgangspunt genomen. Het inbreukmakend teken hoeft immers niet als merk ingeschreven te zijn opdat het gebruik kan worden verboden krachtens artikel 2.20.1 BVIE
(23). Dit is anders bij de beoordeling van de relatieve nietigheid van een ingeschreven merk of van een oppositie tegen de inschrijving van een jonger merk. Daar zal het oudere merk zoals ingeschreven worden vergeleken met het later gedeponeerde of ingeschreven merk
(24). Zo oordeelde het Benelux-Gerechtshof in een arrest van 1 juni 1978
(25), dat “de merkhouder zich ingevolge (artikel 2.20.1.b BVIE) kan verzetten tegen elk gebruik, dat van dat merk of van een overeenstemmend teken wordt gemaakt voor de waren waarvoor het merk is ingeschreven of voor soortgelijke waren, ongeacht of dat teken al dan niet als merk is ingeschreven”. In deze zaak bestond er geen verwarringwekkende gelijkenis tussen het beschermde merk (“Lady en Lady Luxe”) en het latere woordmerk zoals gedeponeerd (“Mimosept Lady”). Er bestond evenwel een overeenstemming die aanleiding gaf tot verwarring tussen het beschermde merk en het teken zoals dit werd gebruikt, namelijk door de commerciële presentatie waaronder het jongste merk onder ogen van het publiek werd gebracht. Het woord “Mimosept” werd op de verpakking en anderszins in de werving namelijk in weinig zichtbare goudgedrukte letters aangebracht, terwijl het woord “Lady” in zeer grote en massief zwarte letters werd aangeduid, zodat vanaf enige afstand (bijna) alleen de aandacht werd getrokken door het woord “Lady”
(26). Het Benelux-Gerechtshof oordeelde dat het als merk ingeschreven teken slechts dan als “overeenstemmend” mocht worden beschouwd “voor zover (dit) wordt gebruikt in de presentatie die tot verwarring omtrent de herkomst der waren aanleiding kan geven.” De merkhouder kon zich evenwel niet verzetten tegen het gebruik van het als merk ingeschreven teken op zichzelf – dus zonder de presentatie die tot verwarring aanleiding gaf – zodat de rechter zijn verbod niet tot zulk gebruik kon uitstrekken. Om dezelfde reden was het niet mogelijk om het als merk gedeponeerde teken (zonder de betwiste presentatie) te laten nietigverklaren. In deze zaak vormde het teken, zoals dit als woordmerk was gedeponeerd, dus geen inbreuk op het oudere merk. Het teken in zijn geheel, zoals dit effectief werd gebruikt en waargenomen door het publiek (namelijk in een bepaalde commerciële presentatie), was daarentegen wel inbreukmakend. In dezelfde lijn heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat bij de beoordeling van de overeenstemming tussen het merk en het teken “rekening moet worden gehouden met de specifieke context waarin is gebruikgemaakt van het teken dat beweerdelijk overeenstemt met het ingeschreven merk”
(27). Het Hof van Justitie oordeelde dat bij een aanvraag tot inschrijving van een merk (onder artikel 4.1.b Merkenrichtlijn 89/104, thans artikel 5.1.b Merkenrichtlijn (EU) 2015/2436) moet worden onderzocht of er gevaar van verwarring met het oudere merk van de opposant bestaat in alle omstandigheden waarin het aangevraagde merk, indien het zou worden ingeschreven, kan worden gebruikt. Wanneer een merk eenmaal is ingeschreven, heeft de houder ervan immers het recht om het naar eigen goeddunken te gebruiken. In het in artikel 5.1.b Merkenrichtlijn 89/104 (thans artikel 10.2.b Merkenrichtlijn (EU) 2015/2436) bedoelde geval “beroept de derde die gebruikmaakt van een teken dat gelijk is aan of overeenstemt met een ingeschreven merk, zich daarentegen niet op enig merkrecht op dit teken, maar maakt hij er gericht gebruik van. In deze omstandigheden dient het onderzoek of de houder van het ingeschreven merk het recht heeft om zich tegen dit specifieke gebruik te verzetten, zich te beperken tot de omstandigheden waarin genoemd gebruik plaatsvindt, zonder dat moet worden nagegaan of een ander gebruik van hetzelfde teken in andere omstandigheden eveneens verwarringsgevaar zou opleveren”
(28). 9. Mijns inziens volgt uit hetgeen voorafgaat dat bij de beoordeling van de overeenstemming tussen het merk en het beweerd inbreukmakend teken in beginsel wordt uitgegaan van een vergelijking tussen het merk zoals gedeponeerd, nu het uitsluitend recht van de houder krachtens artikel 2.20.1.b BVIE slechts verkregen wordt door depot, met het inbreukmakend teken zoals dit effectief wordt gebruikt en waargenomen door het publiek
(29). Hieruit vloeit voort dat wanneer bepaalde bestanddelen van een beweerd inbreukmakend teken als merk gedeponeerd zijn, niet enkel moet worden uitgegaan van die gedeponeerde bestanddelen, maar een vergelijking moet worden gemaakt met het teken in zijn geheel zoals dit daadwerkelijk wordt gebruikt, volgens de totaalindruk die door dit teken bij de gemiddelde consument wordt opgeroepen. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de feitenrechter bij de beoordeling van de overeenstemming tussen het merk van eiseres en het beweerd inbreukmakend teken van verweerster, bestaande in een samengesteld logo waarvan uitsluitend het woordelement als merk is gedeponeerd, enkel rekening mocht houden met dit woordmerk en niet met het logo in zijn geheel zoals dit effectief wordt gebruikt en volgens de totaalindruk die het bij de gemiddelde consument oproept, faalt mijns inziens naar recht. (…) Conclusie: Verwerping van het cassatieberoep. __________________________________
(1)Voorziening in cassatie, p. 2.
(2)Voorziening in cassatie, p. 3.
(3)HvJ 22 juni 1999, C-342/97, Lloyd Schuhfabrik Meyer & C GmbH, Jur., p. I-3819, r.o. 17; HvJ 29 september 1998, C-39/97, Canon, Jur., p. I-5507, r.o. 29.
(4)HvJ 8 mei 2014, C 591/12 P, Bimbo/BHIM, ECLI:EU:C:2014:305, r.o. 20; HvJ 2 september 2010, C 254/09 P, Calvin Klein Trademark Trust/BHIM, ECLI:EU:C:2010:488, r.o. 44; HvJ 12 juni 2007, C 334/05 P, BHIM/Shaker, ECLI:EU:C:2007:333, r.o. 34; HvJ 22 juni 1999, C-342/97, Lloyd Schuhfabrik Meyer & C° GmbH, r.o. 18; HvJ 29 september 1998, C-39/97, Canon, Jur., p. I-5507, r.o. 16; HvJ 11 november 1997, C-251/95, Sabel, Jur., p. l-6191, r.o. 22.
(5)HvJ 5 maart 2020, C-766/18, Halloumi / EUIPO, r.o. 67-69; HvJ 4 maart 2020, C-328/18, EUIPO / Equivalenza Manufactory SL, r.o. 57-58; HvJ 8 mei 2014, C-591/12, Bimbo sa / BHIM, r.o. 20-21; HvJ 18 juli 2013, C-252/12, Specsavers / Asda, r.o. 34-35; HvJ 24 maart 2011, C-552/09, Ferrero / BHIM, r.o. 64 en 86-87; HvJ 2 september 2010, C 254/09 P, Calvin Klein Trademark Trust/BHIM, ECLI:EU:C:2010:488, r.o. 45; HvJ 3 september 2009, C-498/07,Aceites / BHIM, r.o. 59-60; HvJ 18 december 2008, C-16/06, Les Editions Albert René Sàrl, r.o. 45-46; HvJ 12 juni 2007, C-334/05, BHIM / Shaker, r.o. 34-35; HvJ 12 januari 2006, C-361/04, C. Ruiz-Picasso / BHIM, r.o. 18-19; HvJ 22 juni 1999, C-342/97, Lloyd Schuhfabrik, r.o. 18 en 25-26; HvJ 11 november 1997, C-251/95, Sabel / Puma, r.o. 22-23.
(6)Zie A. BRAUN en E. CORNU, Précis des marques, Brussel, Larcier, 2009, nr. 370; F. GOTZEN en M.-C. JANSSENS, Europees en Benelux Merkenrecht, Gent, Larcier, 2016, 227-228; H. VANHEES, “Artikel 2.20 BVIE” in Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, 2016, nr. 72.
(7)Cass. 8 december 2008, AR C.06.0439.F ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081208.1, AC 2008, nr. 703.
(8)HvJ 12 juni 2007, BHIM / Shaker, C-334/05, r.o. 41-42; HvJ 3 september 2009, Aceites / BHIM, C-498/07, r.o. 61-62; HvJ 8 mei 2014, Bimbo sa / BHIM, C-591/12, r.o. 22-23; HvJ 22 oktober 2015, BGW Beratungs-Gesellschaft Wirtschaft mbH / Scholz, C-20/14, r.o. 36-37.
(9)BenGH 20 mei 1983, zaak A 82/5, Henri Julien t./ Verschuere, met concl. van advocaat-generaal E. KRINGS, https://www.courbeneluxhof.be/nl/arresten.asp?RID=25.
(10)Cass. 9 februari 2001, AR C.95.0148.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010209.6, AC 2001, nr. 81; Cass. 30 september 1983, AR 3204, AC 1983, nr. 56.
(11)Cass. 2 december 1993, AR C.93.0254.F ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19931202.9, AC 1993, nr. 499.
(12)T. COHEN JEHORAM, C.J.J.C. VAN NISPEN en J.L.R.A. HUYDECOPER, Industriële eigendom, Deel 2, Merkenrecht, Deventer, Kluwer 2008, 309; P.G.F.A. GEERTS, “Art. 2.20 BVIE” in Intellectuele eigendom. Tekst en commentaar, 2020, nr. 8.d; C. GIELEN, “Art. 2.20 BVIE” in C. GIELEN en D. VISSER (eds.), Intellectuele eigendom – Tekst & commentaar, Deventer, Kluwer 2013, 291; H. VANHEES, “Artikel 2.20 BVIE” in Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer 2016, nr. 70.
(13)Zie eveneens artikel 2.2 BVIE, zoals van toepassing.
(14)Cass. 3 november 2006, AR C.05.0423.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061103.4, AC 2006, nr. 536.
(15)Cass. 3 november 2006, AR C.05.0423.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061103.4, AC 2006, nr. 536, r.o. 5 en 6.
(16)Cass. 6 juni 2005, AR C.03.0249.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050606.9, AC 2005, nr. 323.
(17)Zie A. BRAUN en E. CORNU, Précis des marques, Brussel, Larcier 2009, nr. 374bis; F. GOTZEN en M.-C. JANSSENS, Europees en Benelux Merkenrecht, Gent, Larcier 2016, 230.
(18)BenGH 16 december 1994, zaak A 93/7, r.o.12, Michelin t./ Michels, met concl. adv.-gen. Th. B. TEN KATE, https://www.courbeneluxhof.be/nl/arresten.asp?RID=94.
(19)Zie F. GOTZEN en M.-C. JANSSENS, Wegwijs in het intellectueel eigendomsrecht, Brugge, VANDEN BROELE, 2014, 188.
(20)HvJ 18 juli 2013, C-252/12, Specsavers v Asda, r.o. 41.
(21)HvJ 18 juli 2013, C-252/12, Specsavers v Asda, r.o. 37.
(22)F. GOTZEN en M.-C. JANSSENS, Europees en Benelux Merkenrecht, Gent, Larcier 2016, 230.
(23)In die zin: T. COHEN JEHORAM, C.J.J.C. VAN NISPEN en J.L.R.A. HUYDECOPER, Industriële eigendom, Deel 2, Merkenrecht, Deventer, Kluwer 2008, 309, vn. 148.
(24)Ibid., 309, vn. 149.
(25)BenGH 1 juni 1978, zaak A 77/3, Mölnicke A.B. e.a. t./ NV Satoma, met concl. adv.-gen. W.J.M BERGER, https://www.courbeneluxhof.be/nl/arresten.asp?RID=6.
(26)Ben.GH 1 juni 1978, zaak A 77/3, Mölnicke A.B. e.a. t./ NV Satoma, met concl. adv.-gen. W.J.M BERGER, https://www.courbeneluxhof.be/nl/arresten.asp?RID=6.
(27)HvJ 12 juni 2008, O2 Holdings / Hutchison 3G, C-533/06, r.o. 64; HvJ 18 juli 2013, Specsavers / Asda, C-252/12, r.o. 45.
(28)HvJ 12 juni 2008, O2 Holdings / Hutchison 3G, C-533/06, r.o. 66-67.
(29)T. COHEN JEHORAM, C.J.J.C. VAN NISPEN en J.L.R.A. HUYDECOPER, Industriële eigendom, Deel 2, Merkenrecht, Deventer, Kluwer 2008, 309-310; P.G.F.A. GEERTS, “Art. 2.20 BVIE”, in Intellectuele eigendom. Tekst en commentaar, 2020, nr. 8.d; H. VANHEES, “Artikel 2.20 BVIE” in Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer 2016, nr. 70. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220428.1N.5 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220428.1N.5 citeert: ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19931202.9 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010209.6 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050606.9 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061103.4 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081208.1 ECLI:EU:C:2007:333 ECLI:EU:C:2010:488 ECLI:EU:C:2014:305 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div