id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 03 mei 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220503.2N.12 Rolnummer: P.21.0402.N Zaak: BROVEE B.V.B.A. c. DE STEBENBOUWKUNDIG INSPECTEUR Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-05-30 Raadplegingen: 715 - laatst gezien 2026-06-19 02:15 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.12 Fiche Uit de artikelen 4.4.1, § 3, derde lid, 6.1.1, eerste lid, 6°, en 6.2.1, eerste lid, 4° Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening volgt dat het gebruik van een gebouw waarvan de functie werd gewijzigd zonder de daartoe bij toepassing van artikel 4.2.1, 6°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening vereiste vergunning, in beginsel niet langer als strijdig met de voorschriften van onder meer gewestplannen wordt beschouwd en derhalve niet meer strafbaar is op grond van artikel 6.2.1, eerste lid, 4°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening; hieraan wordt geen afbreuk gedaan door de omstandigheid dat het doorvoeren van een in artikel 4.2.1, 6°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bedoelde functiewijzing zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning, thans omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen, wel strafbaar is gebleven; het gebruik van een bebouwd onroerend goed voor een bepaalde functie die eerder werd gewijzigd zonder de vereiste vergunning, moet immers worden onderscheiden van het doorvoeren van die functiewijziging zelf
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - BOUWVERGUNNING Vrije woorden: Handelingen in strijd met een gewestplan - Wijzigingen van de hoofdfunctie van een gebouw zonder omgevingsvergunning - Vergunningsplichtige handelingen - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Artt. 4.4.1, § 3, derde lid, 6.1.1, eerste lid, 6°, en 6.2.1, eerste lid, 4° - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Annotaties Publicaties: T.Gem.-Tijdschrift voor gemeenterecht - 2022, nr. 3, p. 147-
- - DEFOORT, Pieter-Jan; Noot'Een met de bestemmingsvoorschriften'strijdig gebruik'van een onvergund gebouw is niet langer strafbar' Tekst van de conclusie P.21.0402.N Conclusie van advocaat-generaal Bart DE SMET: “Toepassing van de strafbaarstelling van niet-vergunde handelingen die in strijd zijn met nog steeds van kracht zijnde plannen van aanleg en verordeningen van stedenbouw op het gebruik van een gebouw waarvan zonder de vereiste vergunning de hoofdfunctie is gewijzigd (artikelen 4.2.1.6, 4.4.4, § 3 en 6.2.1.4 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening).”
- Verloop van het strafproces
(1)- Eiseressen worden vervolgd, als daders of mededaders, wegens twee misdrijven van stedenbouw, namelijk 1°van 13 oktober 2008 tot 26 september 2009, het geheel of gedeeltelijk wijzigen van de hoofdfunctie van een bebouwd onroerend goed (een voorste loods in Stabroek), meer bepaald het omvormen van een runderstal en hangar tot een winkel van een filiaal voor landbouwproducten, in strijd met artikel 4.2.1.6° VCRO (telastlegging I) en 2° van 1 juli 2006 tot minstens 5 juni 2018, het gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten van een grond voor het opslaan van o.a. allerhande materialen, namelijk het opslaan in een tot handelsruimte omgevormde stalling en in open lucht van elektrische apparaten en allerhande huisraad, in strijd met artikel 4.2.1.5°, a) VCRO (telastlegging II). Telastlegging II heeft betrekking op een achterliggende loods op hetzelfde perceel. Als strafbaarstellingen werden in de dagvaarding vermeld de artikelen 6.1.1.1° en 6.1.1.3° VCRO.
- BVBA BROVEE, met als zaakvoerder eiseres II, is opstalhouder van de loodsen, gelegen in landbouwgebied volgens het gewestplan (KB 3 oktober 1979) en in een Vogelrichtlijngebied. De grond is eigendom van FL en MB, die niet in de strafzaak betrokken zijn. De achterste loods werd verhuurd aan oorspronkelijk derde en vierde beklaagde. Over de regularisatie van de voorste loods als verkoopruimte is er nog een administratieve procedure hangende.
- De correctionele rechtbank te Antwerpen heeft bij vonnis op tegenspraak van 22 maart 2019 telastlegging II heromschreven als volgt: “Bij inbreuk op artikel 6.1.1.6° Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 (VCRO), na datum van inwerkingtreding van dit decreet, een inbreuk te hebben gepleegd op de plannen van aanleg en verordeningen, tot stand gekomen volgens de bepalingen van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 en die nog van kracht waren omdat ze niet vervangen worden door nieuwe voorschriften uitgevaardigd krachtens onderhavig decreet dat de uitgevoerde handelingen vergund zijn, of het gaat om onderhoudswerken aan een hoofdzakelijk vergunde constructie of om handelingen die vrijgesteld zijn van de vergunningsplicht; namelijk: het gebruik van de stallingen als opslagplaats bij de uitbating van een handelsruimte van elektrische apparaten en allerhande huisraad in strijd met de bestemming als agrarisch gebied, overeenkomstig het gewestplan, te hebben voortgezet; de feiten thans omschreven als hetzij zonder voorafgaande omgevingsvergunning, hetzij na verval, vernietiging of het verstrijken van de termijn van de vergunning, hetzij in geval van schorsing van de vergunning, na 1 mei 2000 stedenbouwkundige handelingen te hebben gepleegd, te hebben toegestaan of aanvaard, in strijd met artikel 6.2.1, 4° VCRO, tenzij het gaat om handelingen, vermeld in artikel 6.2.2.6°”.
- De eerste rechters hebben de incriminatieperiode van telastlegging II beperkt tot de periode van 1 april 2011 tot 5 juni 2018, wegens verjaring van de feiten van vóór 2011, gelet op de vaststellingen van de stedenbouwkundige inspecteur van 1 april 2016 (blz. 9). De correctionele rechtbank stelde dat de vergunningsplicht vervat in artikel 4.2.1.5° VCRO, zoals vermeld in de dagvaarding, het gebruik van een grond betreft en is te onderscheiden van de vergunningsplicht voor de ingebruikname of gebruikswijziging van bebouwde onroerende goederen (blz. 8). De correctionele rechtbank achtte het niet-vergund gebruik van een loods voor opslag van elektrische apparaten in een landbouwgebied (volgens de gewestplanbestemming) strafbaar wegens de ruimtelijke implicatie van dit gebruik (blz. 11). Eiseressen (verhuurders) zijn volgens de rechtbank schuldig als mededaders aan de stedenbouwkundige inbreuk van feit II, omdat zij de huurders noodzakelijke hulp boden (blz. 11). Eisers werden in eerste aanleg veroordeeld tot de eenvoudige schuldigverklaring wegens feit I, om reden van het overschrijden van de redelijke termijn, en tot effectieve geldboetes wegens feit II (resp. 1.000€ en 500€). Daarnaast sprak de correctionele rechtbank de verbeurdverklaring uit van 131.000€ tegen eiseres I en het herstel in de oorspronkelijke staat van de voorste loods (feit I) en achterste loods (feit II) binnen een termijn van zes maanden, onder verbeurte van een dwangsom per dag vertraging.
- Het hof van beroep te Antwerpen heeft bij arrest op tegenspraak van 24 februari 2021 voor feit I de verjaring van de strafvordering vastgesteld, doch dit feit bewezen verklaard en de tijdig ingestelde herstelvordering toegekend
(2). Deze beslissing wordt in cassatie niet betwist. De heromschrijving van telastlegging II werd in hoger beroep bevestigd, namelijk “het wederrechtelijk gebruik van de loods” als opslagplaats bij de uitbating van een handelsruimte in strijd met de bestemming als agrarisch gebied zoals vermeld in het gewestplan, van 1 april 2011 tot 5 juni 2018 (datum van de controle), in strijd met het thans geldende artikel 6.2.1.4° Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO), voordien artikel 6.1.1.6° VCRO. De herstelvordering voor feit II werd zonder voorwerp verklaard (blz. 29), omdat uit een controle in 2020 bleek dat de achterliggende loods alleen wordt gebruikt voor de opslag van hooi, stro en materiaal voor landbouw. Wegens feit II werd eerste eiseres veroordeeld tot een geldboete van 1.000€, waarvan 600€ met uitstel gedurende drie jaar en tot bijzondere verbeurdverklaring van een bedrag van 86.000€. Aan eiseres II werd een geldboete opgelegd van 500€, met uitstel van 250€ gedurende drie jaar.
- Toepasselijke wetsbepalingen
- In een eerste onderdeel stellen eiseressen dat de appelrechters het gebruik van een loods als opslag voor elektrische apparaten en huisraad ten onrechte hebben beschouwd als een vergunningsplichtige handeling, zodat de veroordeling wegens feit II in strijd is met artikel oud artikel 6.1.1.6° VCRO en de thans geldende artikelen 4.2.1, 6.2.1.4° en 4.4.1, §3, 3e lid VCRO.
- Beoordeling. Artikel 6.1.1.6° Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, zoals deels van toepassing ten tijden van de feiten (vóór 1 maart 2018) stelde strafbaar, met een gevangenisstraf van acht dagen tot vijf jaar en met een geldboete van 26 euro tot 400.000€ of met één van deze straffen alleen, de persoon die na 1 mei 2000 een inbreuk pleegt op de plannen van aanleg en verordeningen die tot stand zijn gekomen volgens de bepalingen van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 en die van kracht blijven zolang en in de mate dat ze niet vervangen worden door nieuwe voorschriften uitgevaardigd krachtens onderhavige codex, of dit voortzet of in stand houdt, op welke wijze ook, tenzij de uitgevoerde werken, handelingen of wijzigingen vergund zijn, of tenzij het gaat om onderhoudswerken aan een hoofdzakelijk vergunde constructie of om handelingen die vrijgesteld zijn van de vergunningsplicht
(3). 8. Drie handelingen zonder vergunning waren aldus strafbaar op basis van oud artikel 6.1.1.6° VCRO: een activiteit die een inbreuk pleegt op plannen van aanleg en verordeningen, het voortzetten van de inbreuk of in stand houden ervan, behalve voor onderhoudswerken of werken die van vergunning zijn vrijgesteld
(4). Het niet- vergund gebruik van een onroerend goed in strijd met de gewestplanbestemming "agrarische gebied" na 1 mei 2000 kon ingevolge oud artikel 6.1.1, 6°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening een strafbare handeling uitmaken, voor zover dit strijdig gebruik op zich een ruimtelijke implicatie heeft, hetgeen de rechter in het concrete geval diende na te gaan
(5). De strafbaarstelling van oud artikel 6.1.1.6° VCRO werd ingevolge artikel 30 Decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning (BS 27 augustus 2014) ondergebracht in een nieuw artikel 6.2.1.4 VCRO, waarbij het “in stand houden” als strafbare gedraging werd geschrapt
(6). Vervolgens werd het ‘voortzetten’ als strafbare gedraging opgeheven ingevolge artikel 163, 2° Decreet van 8 december 2017 houdende wijziging van diverse bepalingen inzake ruimtelijke ordening, milieu en omgeving, BS 20 december 2017
(7).
- Het thans geldende artikel 6.2.
- 4 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, van toepassing vanaf 1 maart 2018, bestraft “het na 1 mei 2000 plegen van een schending, op welke wijze ook, van de plannen van aanleg en verordeningen die tot stand zijn gekomen volgens de bepalingen van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, en die van kracht blijven zolang en in de mate dat ze niet vervangen worden door nieuwe voorschriften, uitgevaardigd krachtens deze codex, tenzij de uitgevoerde werken, handelingen of wijzigingen vergund zijn of tenzij het gaat om de handelingen, vermeld in artikel 6.2.2.6”
(8).
- Dit laatste artikel 6.2.2.6° VCRO, over stedenbouwkundige inbreuken, heeft als voorwerp: “het uitvoeren van de handelingen, vermeld in artikel 4.4.1, §3, tweede lid, in strijd met bijzondere plannen van aanleg, gemeentelijke uitvoeringsplannen en verkavelingsvergunningen of omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden, voor zover die plannen of vergunningen, of de relevante delen ervan niet zijn opgenomen in een door de gemeenteraad vastgestelde lijst als vermeld in het voormelde artikel”.
- Van belang is artikel 4.4.1, §3, derde lid, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (ingevoegd bij Decreet van 18 december 2015, BS 29 december 2015), dat stelt dat behoudens onderhoudswerken vermeld in het eerste en tweede lid, het stellen van niet-vergunningsplichtige handelingen in beginsel niet strijdig is met voorschriften van het gewestplan, algemene plannen van aanleg, gewestelijke of provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen, bijzondere plannen van aanleg, gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen en verkavelingen, tenzij de voorschriften van die plannen deze handelingen uitdrukkelijk en specifiek beperken of verbieden
(9). 12. Onder niet-vergunningsplichtige stedenbouwkundige handelingen worden begrepen die handelingen die niet vergunningsplichtig zijn in de zin van artikel 4.2.1 VCRO
(10). Een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen is onder meer vereist voor onder meer het geheel of gedeeltelijk wijzigen van de hoofdfunctie van een bebouwd onroerend goed, indien de Vlaamse Regering deze functiewijziging als vergunningsplichtig heeft aangemerkt (artikel 4.2.1.6° VCRO, met als strafbaarstelling artikel 6.2.1.1 VCRO)
(11). Tot de ‘hoofdfuncties’ waarvoor een omgevingsvergunning is vereist behoren onder meer 4°‘land-en tuinbouw in de ruime zin’ en 8°‘industrie en bedrijvigheid’ (Artikel 2, §1 B. Vl. Reg. van 14 april 2000 tot bepaling van de vergunningsplichtige functiewijzigingen, BS 1 mei 2000, zoals gewijzigd door artikel 1 B. Vl. Reg. 17 juli 2015, BS 19 november 2015).
- Uit deze bepalingen volgt m.i. dat het louter gebruik van een gebouw waarvan de hoofdfunctie zonder de vereiste vergunning werd gewijzigd, in beginsel niet langer strijdig is met de voorschriften van gewestplannen, aldus dus niet meer strafbaar is op basis van artikel 6.2.1.4° VCRO. Het feit dat het uitvoeren van werken die de functie van een gebouw wijzigen strafbaar is, tenminste als ze gebeuren zonder omgevingsvergunning (artikel 4.2.1, 6° en 6.2.1.1 VCRO), doet niets anders te besluiten. Het bewezen verklaarde feit II heeft immers geen betrekking op het misdrijf van het wijzigen van de hoofdfunctie van een gebouw zonder voorafgaande omgevingsvergunning of het gebruik van een grond voor het opslaan in een stalling van elektrische apparaten (oorspronkelijke omschrijving van feit II).
- Het gebruik van een bebouwd onroerend goed voor een nieuwe hoofdfunctie, aangebracht zonder de vereiste vergunning, is niet hetzelfde als het doorvoeren zelf van de functiewijziging van een gebouw, zoals vermeld in de artikelen 4.2.1.6 en 6.2.1.1 VCRO. Het gebruik van een gebouw waarvan de hoofdfunctie is gewijzigd behoort immers niet tot de lijst van stedenbouwkundige handelingen waarvoor een omgevingsvergunning is vereist (artikel 4.2.1 VCRO), zodat artikel 4.4.1.§3 VCRO over de niet-vergunningsplichtige handelingen van toepassing is, handelingen die op zich niet in strijd zijn met o.a. een gewestplan. Anders geformuleerd, het gebruik van een hangar in landbouwgebied waarvan de functie zonder vergunning werd gewijzigd van stal naar een loods voor een commerciële activiteit buiten de sector van landbouw is als een niet-vergunningsplichtige handeling te beschouwen, op zicht niet in strijd met het gewestplan. Het gebruik van een aldus omgevormd gebouw lijkt mij dan ook niet onder de noemer te vallen van het ‘plegen van een schending, op welke wijze ook’ van het gewestplan (de strafbaarstelling van huidig artikel 6.2.1.4° VCRO, voordien artikel 6.1.1.6° VCRO).
- Op dit punt oordeelde het Hof op 18 januari 2019: “Artikel 4.4.1, § 3, derde lid, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, ingevoegd bij Decreet van 18 december 2015 houdende diverse bepalingen inzake omgeving, natuur en landbouw en energie, bepaalt dat, behoudens de onderhoudswerken vermeld in het eerste en tweede lid, niet-vergunningsplichtige handelingen niet worden beschouwd als strijdig met de voorschriften van het gewestplan, de algemene plannen van aanleg, gewestelijke of provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen, noch met de voorschriften van bijzondere plannen van aanleg, gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen en verkavelingen, tenzij deze voorschriften deze handelingen uitdrukkelijk en specifiek beperken of verbieden. Uit deze bepaling volgt dat het gebruik van een gebouw waarvan de functie zonder de daartoe vereiste vergunning werd gewijzigd, op zich niet langer als strijdig met de voorschriften van onder meer gewestplannen wordt beschouwd. Uit deze bepaling volgt echter niet dat de functiewijziging zelf geen vergunningsplichtige handeling meer is en niet meer de basis kan vormen voor een herstelvordering
(12)”.
- De appelrechters stellen voor telastlegging II vast dat “enkel het wederrechtelijk gebruik van de loods wordt geviseerd”, wat een inbreuk uitmaakt op artikel 6.2.1.4 VCRO (voorheen artikel 6.1.1.6 VCRO), namelijk het gebruik van een stalling als opslagplaats bij de uitbating van een handelsruimte in strijd met de bestemming als landbouwgebied, overeenkomstig het gewestplan, te hebben voortgezet van 1 april 2011 tot 5 juni 2018 (blz. 13). De appelrechters oordeelden dat de landbouwactiviteit was stopgezet in september 2015 (blz. 16), de loods was vergund voor agrarische doeleinden, namelijk het opslaan van stro, en werd gebruikt als opslagplaats is voor elektrische apparaten, wat een functiewijziging is die volgens artikel 4.2.1.6 VCRO een vergunning vereist (blz. 19), aangezien er ruimtelijke implicaties zijn, zoals het aan-en afrijden van vrachtwagens voor de opslag en de export van de huishoudtoestellen (blz. 20). De niet-vergunde bedrijfsactiviteiten in de achterliggende loods hebben een onaanvaardbare mobiliteitsimpact op de leefomgeving in agrarisch gebied en hebben een aantoonbare weerslag op de ruimtelijke draagkracht van dat gebied (blz. 20). Ook uit een vergunning van opslag van zonevreemde producten, uitgereikt door het gemeentebestuur van Stabroek in 2015, kan volgens het arrest geen toelating tot de opslag van elektrische apparaten in de achterliggende loods worden afgeleid (blz. 20).
- Met deze redenen maakt het bestreden arrest voor de toepassing van artikel 6.2.1.4 VCRO geen onderscheid tussen enerzijds de strafbare functiewijziging, namelijk het omvormen van een loods met een agrarische functie naar een loods met een handelsfunctie zonder de vereiste omgevingsvergunning en anderzijds het gebruik van een gebouw (loods) met een gewijzigde hoofdfunctie zonder voorafgaande vergunning, wat thans op basis van artikel 6.2.1.4 VCRO niet strafbaar is, ongeacht de ruimtelijke implicaties
(13).
- De strafbaarstelling waarop de veroordeling van feit II steunt is verschillend van andere stedenbouw-inbreuken, met name het uitvoeren van handelingen zonder de vereiste vergunning, zoals het wijzigen van de hoofdfunctie van een bebouwd onroerend goed waarbij de Vlaamse Regering deze functiewijziging als vergunningsplichtig heeft aangemerkt (artikel 6.2.1.
- VCRO); de instandhouding van illegale gevolgen van de stedenbouwmisdrijven van artikel 6.2.1.1 VCRO met gevolgen in kwetsbaar gebied (artikel 6.2.2.1 VCRO) en het ‘uitvoeren’ van niet-vergunningsplichtige handelingen in strijd met de voorschriften van o.a. bijzondere plannen van aanleg, voor zover die plannen niet zijn opgenomen in een lijst aangenomen door de gemeenteraad (artikel 6.2.2.6 VCRO). De veroordeling van eiseressen wegens feit II, gesteund op artikel 6.2.1.4 VCRO, lijkt mij bijgevolg niet naar recht verantwoord. In zoverre is het eerste onderdeel gegrond.
- De overige grieven in het tweede onderdeel, dat eveneens betrekking heeft op telastlegging II, kunnen niet tot een ruimere cassatie leiden en behoeven geen antwoord. Besluit. Er zijn geen ambtshalve middelen aan te voeren die kunnen leiden tot een ruimere cassatie. Mijn advies is cassatie met verwijzing van de zaak, beperkt tot de schuldigverklaring van eiseressen aan telastlegging II, de opgelegde straffen, de bijdragen aan het Slachtofferfonds, de gerechtskosten en de vaste vergoeding. _______________________________________________
(1)Met dank aan Dr. Sanne JANSEN, referendaris bij het Hof van Cassatie, voor haar medewerking bij het opstellen van de conclusie.
(2)Over het oordeel over de herstelvordering na het vaststellen van de verjaring Cass. 5 april 2022, AR P.21.1288.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220405.2N.5, AC 2022, nr. 246.
(3)Betreft de strafbaarstelling van toepassing vóór de inwerkingtreding van het nieuwe artikel 6.1.1 VCRO van artikel 15 Decr. Vl. van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning, BS 27 augustus 2014, met inwerkingtreding op 28 februari 2018 (artikel 145 Decr. Vl. van 25 april 2014 en artikel 52 B. Vl. Reg. van 9 februari 2018, BS 28 februari 2018).
(4)P. VANSANT, “Handhaven van ruimtelijk gebruik”, Tijdschrift voor Milieurecht, 2010, 682-695.
(5)Cass. 25 februari 2016, AR C.13.0098.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160225.4, AC 2016, nr. 137 met concl. van advocaat-generaal C. VANDEWAL; Cass. 25 februari 2016, AR C.15.0003.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160225.6, AC 2016, nr. 139 met concl. van advocaat-generaal C. VANDEWAL, Cass. 25 februari 2016, AR C.15.0102.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160225.7, AC 2016, nr. 140, met concl. van advocaat-generaal C. VANDEWAL; Cass. 24 oktober 2013, AR C.12.0068.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131024.1 en C.12.0069.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131024.2, AC 2013, nr. 545 et 546 met concl. van advocaat-generaal C. VANDEWAL.
(6)De Decreetgever wees hierbij op het feit dat ‘de stedenbouwkundige vergunningsplichtige functiewijziging leidt tot een feitelijk gebruik dat op zich niet vergunningsplichtig is” en “het voortgezet actief gebruik als gevolg van een onvergunde, doch vergunningsplichtige functiewijziging is op zich geen inbreuk op de vergunningsplicht, en zal bijgevolg slechts strafbaar zijn wanneer het strijdig is met rechtstreeks door de burger na te leven stedenbouwkundige voorschriften, zoals de bestemmingsvoorschriften van plannen van aanleg en ruimtelijke uitvoeringsplannen” (Ontwerp van Decreet betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning, 31 januari 2014, Doc 2419 (2013-14), nr. 1, p. 22, www.vlaamsparlement.be).
(7)F. DE PRETER e.a., ”De Codextrein 2017- Een eerste analyse”, in Tijdschrift voor Ruimtelijke Ordening, Omgeving en Stedenbouw (TROS), Die Keure, 2017, punt 9.3. Over het vroegere ‘voortzetten’ van niet-vergund gebruik in strijd met bestemmingsvoorschriften Cass. 30 januari 2018, AR P.16.1161.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180130.1, AC 2018, nr. 62; Cass. 31 maart 2017, AR C.13.0517.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170331.1, AC 2017, nr. 232 met concl. van advocaat-generaal C. VANDEWAL.
(8)P. FLAMEY, E. MEES, S. AERTS en E. VOORTMANS, De omgevingsvergunning in het Vlaamse Gewest, Die Keure, 2021, 649; P. LEFRANC, “DHO strafbare feiten”, in Bestuurlijke handhaving in de ruimtelijke ordening, Intersentia, 2021, 14-18. Het Grondwettelijk Hof nam aan het misdrijf van dat werken, handelingen of wijzigingen in strijd met plannen van aanleg en verordeningen, ook al zijn ze niet-vergunningsplichtig, zoals destijds strafbaar door artikel 146, lid 1, 6° Decr. Vl. van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, voldoende precies is omschreven, verenigbaar is met het legaliteitsbeginsel van artikel 12 Gw. en artikel 7 EVRM (GwH 20 oktober 2005, arrest 156/2005, B.12.1, www.const-court.be)
(9)P.-J. VERVOORT, “Verval van de straf-en herstelvordering voor handelingen in strijd met de bestemmingsvoorschriften: de Decreetgever stelt een einde aan betwistbare Cassatierechtspraak van 25 februari 2016”, Tijdschrift voor Ruimtelijke Ordening, Omgeving en Stedenbouw (TROS), Die Keure, 2016, 146-147; F. DE PRETER e.a., “De Codextrein 2017- Een eerste analyse”, in Tijdschrift voor Ruimtelijke Ordening, Omgeving en Stedenbouw (TROS), Die Keure, 2017, punt 9.3; P. FLAMEY, E. MEES, S. AERTS en E. VOORTMANS, De omgevingsvergunning in het Vlaamse Gewest, Die Keure, 2021, 52; P. LEFRANC, “DHO strafbare feiten”, in Bestuurlijke handhaving in de ruimtelijke ordening, Intersentia, 2021, 14-15; K. VANHERCK, “Afwijkingsmogelijkheden”, in Zakboekje ruimtelijke ordening, Kluwer, 2021, 775-778.
(10)P.-J. VERVOORT, “Verval van de straf-en herstelvordering voor handelingen in strijd met de bestemmingsvoorschriften: de Decreetgever stelt een einde aan betwistbare Cassatierechtspraak van 25 februari 2016”, Tijdschrift voor Ruimtelijke Ordening, Omgeving en Stedenbouw (TROS), Die Keure, 2016, 137.
(11)Zie P. FLAMEY, E. MEES, S. AERTS en E. VOORTMANS, De omgevingsvergunning in het Vlaamse Gewest, Die Keure, 2021, 34-35; P. LEFRANC, “DHO strafbare feiten”, in Bestuurlijke handhaving in de ruimtelijke ordening, Intersentia, 2021, 12.
(12)Cass. 18 januari 2019, AR C.18.0207.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190118.2, AC 2019, nr. 35.
(13)J. DUJARDIN, M. VAN DAMME, J. VANDE LANOTTE en A. MAST, Overzicht van het Belgisch administratief recht, Kluwer, 2021, 644, “Het gebruik van een gebouw waarvan de functie zonder de daartoe vereiste vergunning werd gewijzigd, wordt op zich niet langer als strijdig met de voorschriften van onder meer gewestplannen beschouwd, maar dit hout op zich niet in dat de functiewijziging zelf geen vergunningsplichtige handeling meer is en niet meer de basis kan vormen voor een herstelvordering (Cass. 18 januari 2019, AR C.18.0207.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190118.2, AC 2019, nr. 35)” en K. VANHERCK, “Afwijkingsmogelijkheden”, in Zakboekje ruimtelijke ordening, Kluwer, 2021, 776, VN 1004: “Door dit derde lid (artikel 4.4.1, §3 VCRO, BDS) wordt het gebruik van een gebouw waarvan de functie zonder de daartoe vereiste vergunning werd gewijzigd, op zich niet langer als strijdig met de voorschriften van onder meer gewestplannen beschouwd. Uit deze bepaling volgt echter niet dat de functiewijziging zelf geen vergunningsplichtige handeling meer is die de basis kan vormen voor een herstelvordering; Cass. 18 januari 2019, AR C.18.0207.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190118.2, AC 2019, nr. 35”. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220503.2N.12 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.12 citeert: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131024.1 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131024.2 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160225.4 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160225.6 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160225.7 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170331.1 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180130.1 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190118.2 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220405.2N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div