id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 03 mei 2022 ECLI
Art. 5
.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 22 en 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.3 Vrije woorden: Redelijke termijn van de voorlopige hechtenis - Handhaving - Vereiste van een van een nauwkeurig, geactualiseerd en individueel onderzoek - Hernieuwde beoordeling van eerdere gegevens - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 22 en 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 3 - 4 Uit het feit dat een sinds langere tijd aangehouden inverdenkinggestelde sinds geruime tijd niet meer werd verhoord, volgt niet noodzakelijk dat: 1° zijn voorlopige hechtenis niet langer verantwoord is; het komt de onderzoeksrechter toe om in het licht van de noodwendigheden van het onderzoek te bepalen of en wanneer een (her)verhoor van een inverdenkinggestelde zich opdringt; 2° het gerechtelijk onderzoek vertraging oploopt en dat de duur van de voorlopige hechtenis op ongepaste wijze wordt verlengd; 3° er wat betreft die inverdenkinggestelde geen gevaar voor collusie meer kan worden aangenomen; het gevaar voor collusie is immers niet noodzakelijk afhankelijk van het al dan niet verhoren van een aangehouden inverdenkinggestelde; 4° het onderzoek in afwezigheid van de inverdenkinggestelde zou verlopen en zijn recht van verdediging wordt miskend: de betrokkene of zijn raadsman heeft immers ter gelegenheid van de beslissingen over de handhaving van de voorlopige hechtenis toegang tot het dossier en hij kan om de in artikel 22, derde lid, Voorlopige Hechteniswet bedoelde samenvattende ondervraging of aanvullend onderzoek verzoeken
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Vrije woorden: Redelijke termijn - Het ontbreken van een recent verhoor van de aangehouden inverdenkinggestelde - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 22 en 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.3 Vrije woorden: Redelijke termijn van de voorlopige hechtenis - Handhaving - Het ontbreken van een recent verhoor van de aangehouden inverdenkinggestelde - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 22 en 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiche 5 Uit het feit dat bepaalde mede-inverdenkinggestelden aangehouden blijven dan wel zijn vrijgelaten, volgt niet dat er met betrekking tot een andere aangehoudene geen collusiegevaar meer kan worden aangenomen; het collusiegevaar moet immers individueel worden beoordeeld en een voorlopige hechtenis kan wel degelijk beletten dat tussen de betrokkene en andere al dan niet aangehoudenen afspraken worden gemaakt over de inhoud van af te leggen verklaringen of dat contacten worden gelegd om verklaringen te wijzigen of in te trekken
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Vrije woorden: Invrijheidstelling van een medeverdachte - Collusiegevaar - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 16, 22 en 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 6 - 8 Bij de beoordeling van recidivegevaar kan het onderzoeksgerecht wel degelijk veroordelingen uit een al dan niet ver verleden betrekken, zonder dat daaruit een miskenning van het vermoeden van onschuld kan worden afgeleid; of er nog een noodzaak bestaat voor de handhaving van de voorlopige hechtenis en of de redelijke termijn al dan niet is overschreden, wordt in het licht van het voorgaande onaantastbaar beoordeeld door het onderzoeksgerecht; wel gaat het Hof na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Vrije woorden: Eerdere veroordeling van de inverdenkinggestelde. - Recidivegevaar - Vermoeden van onschuld - Redelijke termijn van de voorlopige hechtenis - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 16, 22 en 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.3 Vrije woorden: Redelijke termijn van de voorlopige hechtenis - Handhaving - Eerdere veroordeling van de inverdenkinggestelde. - Recidivegevaar - Vermoeden van onschuld - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 16, 22 en 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 Vrije woorden: Vermoeden van onschuld - Voorlopige hechtenis - Handhaving - Eerdere veroordeling van de inverdenkinggestelde. - Recidivegevaar - Redelijke termijn van de voorlopige hechtenis - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 16, 22 en 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 9 - 10 Indien de inverdenkinggestelde de regelmatigheid betwist van de bewijsverkrijging waaruit de ernstige aanwijzingen van schuld zijn afgeleid, dan is het onderzoeksgerecht slechts gehouden tot een prima facie-onderzoek van de voorgehouden onregelmatigheid en kan het, zo nodig, vervolgens het door artikel 235bis Wetboek van Strafvordering bedoelde onderzoek verrichten
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regelmatigheid van de procedure Vrije woorden: Voorlopige hechtenis - Ernstige aanwijzingen van schuld - Controle prima facie op de regelmatigheid van het bewijs - Ontbreken van een verzoek tot een zuiveringsprocedure op basis van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 136 en 235bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 16, 22 en 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Vrije woorden: Regelmatigheid van de procedure - Ernstige aanwijzingen van schuld - Controle prima facie op de regelmatigheid van het bewijs - Ontbreken van een verzoek tot een zuiveringsprocedure op basis van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 136 en 235bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 16, 22 en 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de conclusie P.22.0548.N Advocaat-generaal Bart DE SMET heeft in hoofdzaak gezegd : “De redelijke termijn van de voorlopige hechtenis en de beoordeling van de regelmatigheid van bewijsgegevens ter ondersteuning van ernstige aanwijzingen van schuld” 1. Het Hof oordeelde meermaals dat het onderzoeksgerecht bij de verlenging van de voorlopige hechtenis geen blijk mag geven van automatisme (het gewoon overnemen van eerdere redenen) of van stereotype overwegingen, die onverenigbaar zijn met het evolutief karakter van de voorlopige hechtenis
(1). Redenen aangehaald in vroegere beslissingen tot handhaving van de voorlopige hechtenis kunnen van verloop van tijd hun relevantie, pertinentie verliezen
(2).
- Deze regel die voortvloeit uit artikel 5.
- EVRM belet het onderzoeksgerecht evenwel niet om rekening te houden met reeds beoordeelde gegevens. Voorwaarde voor de handhaving van de voorlopige hechtenis is wel dat deze eerdere elementen, eventueel aangevuld met nieuwe informatie, nog steeds een solide basis vormen voor de volstrekte noodzaak van de voorlopige hechtenis voor de openbare veiligheid, gelet op onder meer het recidivegevaar, indien de feiten niet strafbaar zijn met meer dan 15 jaar gevangenisstraf (artikelen 16, §1, en 22 Voorlopige Hechteniswet). Het onderzoeksgerecht oordeelt onaantastbaar over deze volstrekte noodzaak, in functie van actuele gegevens, met controle op de wettigheid van de motieven door het Hof
(3).
- Eiser voert in een eerste middel aan dat de voorlopige hechtenis gesteund op drughandel in vereniging (A) en deelname aan een criminele organisatie (B) al 19 maanden aansleept, zijn laatste verhoor dateert van acht maanden geleden, waardoor het bestreden arrest van handhaving in strijd is met de artikelen 5 en 6 EVRM. Volgens eiser bevat het arrest stereotype herhalingen over het gevaar voor recidive of collusie. Eiser wijst hierbij op het feit dat andere vermeende leden van de criminele organisatie in vrijheid zijn gesteld en een vroegere veroordeling van 2006 dient om het recidivegevaar te ondersteunen, in strijd met het vermoeden van onschuld.
- Ik ben van mening dat het middel om verschillende redenen niet kan worden aangenomen. Vooreerst verplicht het ontbreken van een recent verhoor van de aangehouden verdachte het onderzoeksgerecht niet de invrijheidstelling te bevelen, wegens miskenning van de redelijke termijn. Het Hof oordeelde in die zin op 16 februari 2021
(4). De onderzoeksrechter beslist immers over de noodzaak van een herverhoor in functie van de noodwendigheden van het onderzoek. Hij kan wachten op de resultaten van reeds bevolen of geplande onderzoeksdaden om de verdachte te verhoren. De verdachte of zijn raadsman kan overigens bij elk maandelijks debat over de handhaving van de voorlopige hechtenis om een samenvattende ondervraging verzoeken, af te nemen door de onderzoeksrechter
(5). Deze waarborg van artikel 22 Wet Voorlopige Hechtenis laat de verdachte toe verklaringen af te leggen in functie van recente gegevens, om zijn recht van verdediging uit te oefenen.
- Ten tweede verdwijnt het collusiegevaar niet noodzakelijk door de invrijheidstelling van medeverdachten die mogelijk zijn betrokken bij een criminele organisatie, waaraan ook eiser zou deelnemen. Net als de andere gevaren vermeld in artikel 16 Wet Voorlopige Hechtenis, vereist het collusiegevaar een individuele en geactualiseerde beoordeling. Handhaving van de voorlopige hechtenis kan ervoor zorgen dat er tussen de aangehouden verdachten en anderen geen contacten meer tot stand komen, minstens dat deze contacten worden bemoeilijkt, waardoor er minder risico bestaat op onderlinge afspraken om verklaringen bij te sturen of in te trekken, al dan niet onder dwang, bedreigingen of beloftes.
- Ten derde kan het onderzoeksgerecht bij de beoordeling van het recidivegevaar wel degelijk rekening houden met eerdere strafrechtelijke veroordelingen uit een al dan niet ver verleden, zonder aantasting van het vermoeden van onschuld. Voor de beoordeling van het recidivegevaar komen immers alle regelmatig voorgelegde gegevens in aanmerking, vatbaar voor tegenspraak
(6). 7. Mij komt voor dat de kamer van inbeschuldigingstelling de argumenten van eiser voldoende heeft beantwoord, de voorwaarden voor verlenging van de voorlopige hechtenis zorgvuldig heeft afgewogen op basis van concrete gegevens
(7), dit is zonder gebruik te maken van standaardmotiveringen. Het arrest stelt vast dat er in het gerechtelijk onderzoek nog geen enkele stilstand was, ook niet naar de persoon van eiser en de voorlopige hechtenis nog steeds is vereist voor de openbare veiligheid na een geactualiseerd en geïndividualiseerd onderzoek.
- Hierbij kan worden opgemerkt dat het recidivegevaar niet alleen uit vroegere veroordelingen wegens inbreuken op de Drugswet wordt afgeleid. De appelrechters hielden ook rekening met het winstgevend karakter van de feiten en de omstandigheid dat eiser zich lijkt te bevinden in een crimineel milieu. Verder wordt naast collusiegevaar ook het gevaar voor verdwijning van bewijsmateriaal aangenomen (verduisteringsgevaar). Er is dan ook geen sprake van miskenning van de artikelen 5 en 6 EVRM of van bepalingen van de Wet Voorlopige Hechtenis.
- Het tweede middel heeft betrekking op de regelmatigheid van bekomen telefoniegegevens, wegens het ontbreken van een nationale wet over dataretentie die verenigbaar zijn met het recht op privacy (art. 8 EVRM). Massale en niet-geïdentificeerde opsporing van telefoongegevens (bulk-intercepties), wat blijkt uit het strafdossier, zijn aldus niet bruikbaar als bewijs à charge.
- De conclusie van eiser voor de K.I. bevat naar mijn mening geen duidelijk verzoek om in een afzonderlijke procedure van ‘zuivering van nietigheden’ (art. 235bis Sv.) specifieke, concrete stukken uit het strafdossier te verwijderen, wegens een onregelmatigheid in de zin van artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering
(8). 11. Aldus volstond het voor de kamer van inbeschuldigingstelling om na te gaan of de aanvoerde onregelmatigheid in de bewijsgaring op het eerste zicht (prima facie) moet leiden tot uitsluiting van bewijsgegevens, wat van belang is voor de beoordeling van de ernstige aanwijzingen van schuld
(9). In zoverre faalt het middel naar recht. 12. De appelrechters oordeelden dat 1° de bewijsgaring regelmatig is en niet strijdig is met nationale en internationale rechtsnormen en 2° er nog steeds ernstige aanwijzingen van schuld bestaan. Deze motivering geeft aan dat de K.I. de aangevoerde onregelmatigheid op het eerste zicht heeft onderzocht en verworpen. De K.I. is overigens niet verplicht om ambtshalve een procedure van ‘zuivering van nietigheden’ (art. 136 en 235bis Sv.) te organiseren, dus zonder expliciete vraag daartoe van een partij
(10). In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 13. Er zijn geen ambtshalve middelen aan te voeren. Mijn advies is verwerping van het cassatieberoep. ___________________________________________
(1)Cass. 4 januari 2022, AR P.21.1655.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220104.2N.13, AC 2022, nr. 3; Cass. 2 december 2020, AR P.20.1153.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201202.2F.6, AC 2020, nr. 742, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas.; Cass. 30 juni 2020, AR P.20.0680.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200630.2N.24, AC 2020, nr. 463; Cass. 13 oktober 2020, AR P.20.0980.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201013.2N.14, AC 2020, nr. 632; Cass. 16 april 2019, AR P.19.0343.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190416.1, AC 2019, nr. 234; Cass. 11 maart 2014, AR P.14.0377.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140311.7, AC 2014, nr. 195; Cass. 17 februari 2010, AR P.10.0267.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100217.1, AC 2010, nr. 106; Cass. 12 augustus 2008, AR P.08.1265.F ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080812.6, AC 2008, nr. 434; Cass. 5 januari 2005, AR P.04.1725.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050105.17, AC 2005, nr. 6; Cass. 2 maart 2004, AR P.04.0286.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040302.7, AC 2004, nr. 114; Cass. 18 februari 2003, AR P.03.0184.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030218.27, AC 2003, nr. 117; Cass. 27 november 2002, AR P.02.1507.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021127.16, AC 2002, nr. 638. Zie ook EHRM 9 februari 2021, Zohlandt t. Nederland; EHRM 9 fabruari 2021, Maassen t/ Nederland, www.echr.coe.int; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, 536-538; M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, 1180.
(2)Cass. 4 januari 2022, AR P.21.1655.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220104.2N.13, AC 2022, nr. 3; Cass. 22 december 2010, AR P.10.1918.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101222.13, AC 2010, nr. 765; M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, 1180.
(3)Cass. 19 januari 2021, AR P.21.0033.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210119.2N.10, AC 2021, nr. 40.
(4)Cass. 19 januari 2021, AR P.21.0033.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210119.2N.10, AC 2021, nr. 40.
(5)E. DE FORMANOIR, “Controle en handhaving van de voorlopige hechtenis”, in De voorlopige hechtenis, Kluwer, 2000; 309-311; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu, 2012, 621-622; C. VAN DEN WYNGAERT, Ph. TRAEST en S. VANDROMME, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Maklu, 2017, 1183; M.-A BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, 1188-1190.
(6)Cass. 15 september 2015, AR P.15.0675.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150915.6, AC 2015, nr. 516, Zie Ph. DAENINCK, “Het recidivegevaar en het vermoeden van onschuld: een natuurlijke spanning, maar geen contradictie”, T. Strafr. 2022, 85.
(7)Over deze voorwaarde Cass. 4 januari 2022, AR P.21.1655.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220104.2N.13, AC 2022, nr. 3; Cass. 30 maart 2021, AR P.21.0388.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210330.2N.18, AC 2021, nr. 236; EHRM 18 februari 2021, Azizov en Novruzlu t/Azerbeidzjan, T. Strafr. 2021, 157.
(8)Over de aparte procedure van art. 235bis Sv. om ook tijdens gerechtelijke onderzoeken met aangehouden verdachten te kunnen overgaan tot verwijdering van onregelmatig bekomen bewijsmateriaal uit het dossier, na oproeping van alle procespartijen voor een afzonderlijk debat, los van de beoordeling van de voorwaarden inzake voorlopige hechtenis, zie Cass. 13 januari 2021, AR P.20.0956.F ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210113.2F.1, AC 2021, nr. 21, met concl. van advocaat-generaal M. NOLET DE BRAUWERE, op datum in Pas.; Cass. 12 oktober 2010, AR P.10.1469.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101012.1, AC 2010, nr. 591, NC 2010, 374 noot S. VERHELST, RW 2011-12, 786 noot B. DE SMET; Cass. 29 juni 2010, AR P.10.0006.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100629.5, AC 2010, nr. 468 met concl. van eerste advocaat-generaal M. DE SWAEF; M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, 1179-1180.
(9)Over de beoordeling op het eerste zicht (prima facie) van onregelmatigheden, nietigheden in het kader van de beoordeling van de ernstige aanwijzingen van schuld waarop de voorlopige hechtenis steunt, zonder dat het onderzoeksgerecht dan al dan niet beslist tot verwijdering van stukken uit het strafdossier zie Cass. 13 januari 2021, AR P.20.0956.F ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210113.2F.1, AC 2021, nr. 21, met concl. van advocaat-generaal M. NOLET DE BRAUWERE, op datum in Pas.; Cass. 24 juli 2019, AR P.19.0744 N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190724.1, AC 2019, nr. 422; Cass. 8 mei 2019, AR P.19.0441.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190508.16, AC 2019, nr. 273; Cass. 4 december 2018, AR P.18.1184.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181204.5, AC 2018, nr. 683; Cass. 29 juni 2010, AR P.10.0006.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100629.5, AC 2010, nr. 468 met concl. van eerste advocaat-generaal M. DE SWAEF; Cass. 2 maart 2005 P.05.0242.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050302.9, AC 2005, nr. 129; Cass. 20 februari 2001, AC 2001, nr. 106 noot MDS, RW 2001-02, 26 noot M. DE SWAEF; Cass. 24 oktober 2000, AC 2000, nr. 573. Zie L. ARNOU, “De nietigheid van de huiszoeking prima en secunda facie”, in De wet voorbij. Liber amicorum Luc Huybrechts, Antwerpen, Intersentia, 2010, 1-20; M. DE SWAEF en M. TRAEST, “Het gezag van gewijsde van beslissingen van de onderzoeksgerechten: oude wijn in nieuwe zakken?” in De wet voorbij. Liber amicorum Luc Huybrechts, Antwerpen, Intersentia, 2010, 99; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu, 2012, 761-762; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer, 2014, 436-437; P. MONVILLE en M. GIACOMETTI, Les pouvoirs de la chambre des mises en accusation durant la phase préliminaire du procès pénal, Kluwer, 2015, 118-124; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel&Svacina, 2019, 1214-1215; Y. LIÈGEOIS en B. DE SMET, “Twintig jaar zuivering van nietigheden tijdens het gerechtelijk onderzoek. Tijd voor verandering of opfrissing van het systeem?”, RW 2019-20, 5; Ph. DAENINCK, Praktische gids voorlopige hechtenis, Kluwer, 2020, 76-77; M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, 936-937 en 1178-1180.
(10)Cass. 18 maart 2003, AR P.02.1619.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030318.16, AC 2003, nr. 175, RW 2003-04, 735 noot S. VANDROMME; Cass. 26 februari 2003, AR P.03.0074.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030226.6, AC 2003, nr.
- Zie R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu, 2012, 760; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, nr. 966; Ph. DAENINCK, Praktische gids voorlopige hechtenis, Kluwer, 2015, 76; M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, 936-
- PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220503.2N.16 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.16 citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021127.16 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030218.27 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030226.6 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030318.16 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040302.7 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050105.17 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050302.9 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080812.6 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100217.1 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100629.5 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101012.1 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101222.13 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140311.7 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150915.6 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181204.5 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190416.1 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190508.16 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190724.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200630.2N.24 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201013.2N.14 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201202.2F.6 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210113.2F.1 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210119.2N.10 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210330.2N.18 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220104.2N.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div