← België

T. contra P.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 03 mei 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220503.2N.19 Rolnummer: P.22.0579.N Zaak: T. contra P. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2022-06-01 Raadplegingen: 978 - laatst gezien 2026-06-18 22:14 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.19 Fiches 1 - 2 Uit artikel 833 Gerechtelijk Wetboek vloeit voort dat in zoverre als wrakingsgrond de in het arrest van de preliminaire zitting vervatte weigeringsbeslissing om getuigen niet te horen wordt aangevoerd, het wrakingsverzoek ingediend na meerdere rechtszittingen van het hof van assisen laattijdig en bijgevolg niet ontvankelijk is

(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: WRAKING Vrije woorden: Hof van assisen - Preliminaire zitting - Beslissing om bepaalde getuigen niet te horen - Onpartijdigheid van de voorzitter van het hof van assisen - Wrakingsgrond aangevoerd tijdens de behandeling van de zaak ten gronde - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 833 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - SAMENSTELLING VAN DE JURY EN VAN HET HOF. PRELIMINAIRE ZITTING Vrije woorden: Beslissing om bepaalde getuigen niet te horen - Onpartijdigheid van de voorzitter van het hof van assisen - Wrakingsgrond over het niet horen van getuigen aangevoerd tijdens de behandeling van de zaak ten gronde - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 833 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiches 3 - 4 Uit artikel 281, §2 Wetboek van Strafvordering volgt niet dat de voorzitter van het hof van assisen ertoe gehouden is om indien door getuigen of raadslieden van andere partijen gegevens worden aangevoerd die een negatief licht kunnen werpen op een beschuldigde, ambtshalve tussen te komen; dat geldt evenzeer indien uit die gegevens een miskenning van het vermoeden van onschuld zou kunnen worden afgeleid; het staat immers niet aan de voorzitter van het hof van assisen om in de plaats van de raadslieden van een beschuldigde diens verdediging uit te oefenen
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - BEHANDELING TER ZITTING EN TUSSENARRESTEN. VERKLARING VAN DE JURY Vrije woorden: Voorzitter van het hof van assisen - Discretionaire macht - Moraliteitsonderzoek - Getuigenverhoor - Gegevens die een negatief daglicht werpen op de beschuldigde - Gebrek aan opmerkingen of toelichting van de voorzitter over die gegevens - Vermoeden van onschuld - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 281, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 Vrije woorden: Vermoeden van onschuld - Hof van assisen - Behandeling ter zitting en tussenarresten. Verklaring van de jury - Voorzitter van het hof van assisen - Discretionaire macht - Moraliteitsonderzoek - Getuigenverhoor - Gegevens die een negatief daglicht werpen op de beschuldigde - Gebrek aan opmerkingen of toelichting van de voorzitter over die gegevens - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 281, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 5 - 8 Het vermoeden van onschuld verzet zich niet ertegen dat tijdens de behandeling voor het hof van assisen door getuigen-deskundigen, getuigen of raadslieden van partijen melding wordt gemaakt van op een beschuldigde betrekking hebbende feitelijkheden, die als een misdrijf kunnen worden omschreven maar die geen aanleiding hebben gegeven tot een veroordeling, voor zover daarmee niet wordt aangegeven dat deze beschuldigde zich aan die feiten heeft schuldig gemaakt; uit het enkele feit dat bij het verhoor van de gerechtsdeskundigen is verwezen naar het omvangrijk verleden van de verzoeker en dat de over het moraliteitsonderzoek getuigende politie-inspecteur in de geschreven presentatie onder een rubriek Gerechtelijk verleden melding heeft gemaakt van politionele interventies betreffende de verzoeker, volgt niet dat daardoor wordt aangenomen dat deze beschuldigde zich aan de vermelde strafbare feiten heeft schuldig gemaakt en het vermoeden van onschuld is miskend
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: WRAKING Vrije woorden: Hof van assisen - Moraliteitsonderzoek - Getuigenis van een gerechtsdeskundige en politieambtenaar - Aanbrengen van gegevens over het gerechtelijk verleden van de beschuldigde - Onderscheid tussen veroordelingen en politionele inlichtingen - Verduidelijking van dit onderscheid door de voorzitter van het hof van assisen - Vermoeden van onschuld - Wettige verdenking - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 828, 1° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - BEHANDELING TER ZITTING EN TUSSENARRESTEN. VERKLARING VAN DE JURY Vrije woorden: Moraliteitsonderzoek - Getuigenis van een gerechtsdeskundige en politieambtenaar - Aanbrengen van gegevens over het gerechtelijk verleden van de beschuldigde - Onderscheid tussen veroordelingen en politionele inlichtingen - Verduidelijking van dit onderscheid door de voorzitter van het hof van assisen - Vermoeden van onschuld - Wettige verdenking - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 828, 1° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 Vrije woorden: Vermoeden van onschuld - Hof van assisen - Behandeling ter zitting en tussenarresten. Verklaring van de jury - Moraliteitsonderzoek - Getuigenis van een gerechtsdeskundige en politieambtenaar - Aanbrengen van gegevens over het gerechtelijk verleden van de beschuldigde - Onderscheid tussen veroordelingen en politionele inlichtingen - Verduidelijking van dit onderscheid door de voorzitter van het hof van assisen - Wettige verdenking - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 828, 1° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Vrije woorden: Hof van assisen - Behandeling ter zitting en tussenarresten. Verklaring van de jury - Moraliteitsonderzoek - Getuigenis van een gerechtsdeskundige en politieambtenaar - Aanbrengen van gegevens over het gerechtelijk verleden van de beschuldigde - Onderscheid tussen veroordelingen en politionele inlichtingen - Verduidelijking van dit onderscheid door de voorzitter van het hof van assisen - Wettige verdenking - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 828, 1° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de conclusie P.22.0579.N Advocaat-generaal Bart DE SMET heeft in hoofdzaak gezegd : “Het verzoek tot wraking van de voorzitter van het hof van assisen met als reden de miskenning van het vermoeden van onschuld”. 1. Betreft een procedure van wraking gericht tegen de voorzitter van het hof van assisen te Limburg, naar aanleiding van de ondervraging van getuige R., politie-inspecteur, over de moraliteit van één van de beschuldigden, de verzoekende partij. 2. Het wrakingsverzoek dat gesteund is op de weigering om bepaalde personen te horen als getuigen, bij arrest van de preliminaire zitting, is niet-ontvankelijk. De wraking naar aanleiding van een beslissing van 14 maart 2022 is immers pas op 28 maart 2022 voorgedragen, wat mij niet-verenigbaar lijkt met artikel 833 Gerechtelijk Wetboek
(1). 3. Het wrakingsverzoek naar aanleiding van de getuigenis van inspecteur R. is wel tijdig ingediend. Verzoeker verwijt de voorzitter van het hof van assisen dat hij niet kordaat reageerde op verklaringen over het gerechtelijk verleden van verzoeker, naar aanleiding van vragen van een burgerlijke partij. Aangezien de getuige tal van feiten aanhaalde waarvoor verzoeker nog niet definitief is veroordeeld, die als vaststaand zouden zijn voorgesteld, had de voorzitter meteen moeten ingrijpen. Het feit dat de voorzitter pas na bezwaar van verzoeker tussenkwam om het verschil te duiden tussen feiten waarvoor verzoeker is veroordeeld en andere, wijst volgens verzoeker op vooringenomenheid, op wettige verdenking (art. 828, 1° Ger. W.)
(2).
  1. Ik ben van mening dat het Hof op basis van de stukken uitspraak kan doen, en er geen reden is tot wraking, gelet op de vermeldingen van het proces-verbaal van de terechtzitting, bladzijde 49, en de overige stukken, meer bepaald de uitvoerige verklaring van de geviseerde magistraat.
  2. Artikel 281 §2 Wetboek van Strafvordering verplicht de voorzitter van het hof van assisen om de debatten op objectieve en onpartijdige wijze te leiden, alle nuttige handelingen te stellen om de waarheid aan het licht te brengen
(3). Het is niet omdat er tijdens de debatten informatie naar voor komt die in het nadeel is van de beschuldigde, dat de voorzitter van het hof van assisen daar onmiddellijk moet op reageren, de jury meteen moet wijzen op het vermoeden van onschuld (art. 6.2 EVRM). Het is m.i. niet de taak van de voorzitter om de rol over te nemen van de raadsman van de beschuldigde. Het is in de eerste plaats aan de verdediging van verzoeker om kritische vragen te stellen aan de getuige over eventueel nadelige informatie over het gerechtelijk verleden. Hierbij valt op te merken dat de voorzitter de jury reeds bij aanvang van de zitting wees op het belang van het vermoeden van onschuld (blz. 6 zittingsblad). 6. Als tijdens de debatten of verhoren de voorzitter van het hof van assisen commentaar of toelichting geeft, mag daaruit voor een partij en derden geen gewettigde verdenking voortvloeien over de geschiktheid van deze magistraat om met de vereiste sereniteit, onpartijdigheid en onafhankelijkheid uitspraak te doen. Het Hof oordeelde in die zin op 28 februari 2008
(4). Het enkele feit dat een inspecteur in zijn getuigenis melding maakt van processen-verbaal van strafbare feiten ten laste van de beschuldigde, feiten waarvoor er geen definitieve veroordeling is uitgesproken, en de voorzitter daar pas na een opmerking van diens advocaat op reageert, houdt m.i. niet in dat het vermoeden van onschuld is miskend. Dat die vermelding kadert in een presentatie met als titel “gerechtelijk verleden’, doet niet anders besluiten.
  1. Uit het proces-verbaal ter zitting (blz. 49) blijkt dat op verzoek van de raadsman van verzoeker de voorzitter van het hof van assisen de term ‘gerechtelijk verleden’ heeft verduidelijkt, expliciet aangaf dat er een verschil bestaat tussen ‘een definitieve veroordeling en de overige politionele informatie onder meer in functie van het vermoeden van onschuld’. Over de toelichting van de voorzitter hebben de partijen geen opmerkingen gemaakt (blz. 49).
  2. Noch de aard of het tijdstip van de toelichting zoals weergeven in het PV van de zitting, noch het feit dat de verklaring van getuige R. niet uit het debat is geweerd, laat toe aan te nemen dat de voorzitter van het hof van assisen niet meer met de nodige onpartijdigheid de debatten zou kunnen leiden en in de zaak zou kunnen oordelen.
  3. De akte van wraking maakt melding van een tweede zittingsincident naar aanleiding van hetzelfde getuigenverhoor. In de verklaring van de voorzitter van het hof van assisen overeenkomstig artikel 836 Gerechtelijk Wetboek is het incident toegelicht naar aanleiding van vragen van een burgerlijke partij over de mogelijke betrokkenheid van verzoeker als informant van de politie. De voorzitter van het hof van assisen gaf aan dat hij aan de burgerlijke partij vroeg de discussie te sluiten, omdat die vragen niet relevant leken. Volgens verzoeker zou de voorzitter een opmerking te hebben gemaakt dat het “tijdens zijn loopbaan meermaals is voorgekomen dat bepaalde personen gedurende meerdere jaren feiten kunnen plegen zonder dat daaraan enig gevolg wordt gegeven”. Deze toelichting, waarvan de exacte bewoordingen evenwel niet zijn bevestigd door de voorzitter of de griffier, lijkt mij niet specifiek te zijn toegesneden op de situatie van verzoeker. Ook deze toelichting is niet te beschouwen als een objectief te rechtvaardigen reden om aan de onpartijdigheid van de voorzitter te twijfelen. Een subjectief gevoel, een loutere schijn van partijdigheid volstaat niet als grond tot wraking of als reden om een proces in strijd met art. 6 EVRM te achten
(5). 11. Een bijkomend element, zoals aangehaald door prof. Raoul DECLERCQ in zijn tekst over wraking, is dat als een partij te klagen heeft over de houding van een rechter, zij aan de griffier moet vragen het incident in een proces-verbaal te vermelden
(6). Het incident over ‘het gedurende jaren feiten kunnen plegen’, een uitspraak die volgens de voorzitter van het hof van assisen was gericht aan de raadsman van de burgerlijke partijen om suggesties over tipgevers te staken
(7), is niet in het zittingsblad opgenomen. De griffier vermeldt ook geen vraag van een partij om de getuigenis van inspecteur R. als bewijs te weren. 12. Mijn advies is dan ook verwerping van het wrakingsverzoek. ___________________________________
(1)De wraking moet worden voorgedragen vóór de eerste rechtszitting die volgt op het ogenblik waarop de wrakingsgrond bekend is aan de partij die zich erop beroept, ook al werden er op die zitting geen pleidooien gehouden (Cass. 16 september 2020, AR P.20.0908.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200916.2F.16, AC 2020, nr. 545; Cass. 22 maart 2016, AR P.16.0365.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160322.12, AC 2016, nr. 207; Cass. 29 september 2015, AR P.15.0881.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150929.5, AC 2015, nr. 563; Cass. 8 maart 2013, AR C.13.0068.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130308.9, AC 2013, nr. 165; Cass. 21 april 2011, AR C.11.0011.F, AC 2011, nr. 276 met concl. van advocaat-generaal T. WERQUIN, op datum in Pas.; zie S. DE COSTER, “Commentaar bij artikel 833 Ger. W.”, in Commentaar gerechtelijk recht, Kluwer, 2010, 11p.; R. DECLERCQ, “Wraking”, in Comm. Sr. 2014, p. 9; V. TOLLENAERE, “Tussengeschillen in verband met magistraten en de mandatarissen”, in Bestendig handboek burgerlijk procesrecht, Kluwer, 2020, VII, 19-20; M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021,1924).
(2)Over de wrakingsgrond van wettige verdenking zie Cass. 12 mei 2021, AR P.21.0616.F ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210512.2F.12, AC 2021, nr. 346; Cass. 15 januari 2019, AR P.18.1214.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190115.6, AC 2019, nr. 25, NC 2019, 252, RABG 2019, 623; Cass. 14 november 2018, AR P.18.1148.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181114.4, AC 2018, nr. 635; Cass. 20 juni 2013, AR P.13.1085.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130620.4, AC 2013, nr. 384; Cass. 13 mei 2011, AR C.11.0378.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110513.1, AC 2011, nr. 318, T. Strafr. 2011, 269 noot B. MEGANCK; Cass. 28 februari 2008, AR C.08.0086.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080228.1, AC 2008, nr. 144, RW 2008-09, 237 noot A. VANDEPLAS; M. DAMS en P. HARTOCH, “Hof van assisen. Wraking en preliminaire zitting”, T. Strafr. 2013, 374-382; S. DE COSTER, “Commentaar bij artikel 828 Ger. W.”, in Commentaar gerechtelijk recht, Kluwer, 2010, 22-32; R. DECLERCQ, “Wraking”, in Comm. Sr., Kluwer, 2014, 4-6; V. TOLLENAERE, “Tussengeschillen in verband met magistraten en de mandatarissen”, in Bestendig handboek burgerlijk procesrecht, Kluwer, 2020, VII, 4-6, M.-A BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, 1919-1920.
(3)Zie alg. A. VANDEPLAS, “Discretionaire macht van de voorzitter”, in Comm. Sr., Kluwer, 2005, 18p.
(4)Cass. 28 februari 2008, AR C.08.0086.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080228.1, AC 2008, nr. 144, RW 2008-09, 237 noot A. VANDEPLAS, “De onpartijdigheid van de voorzitter van het hof van assisen”. De rechter die op partijen en/of derden de indruk geeft niet met de nodige sereniteit en onpartijdigheid te oordelen, ook in een burgerlijke zaak, kan wegens gewettigde verdenking worden gewraakt (art. 828, 1° Ger. W.). De vrees of schijn van partijdigheid moet gewettigd zijn, objectief gerechtvaardigd aan de hand van concrete gegevens, gezien de onpartijdigheid van de magistraat wordt vermoed, tot bewijs van het tegendeel (Cass. 12 mei 2021, AR P.21.0616.F ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210512.2F.12, AC 2021, nr. 346; Cass. 19 juli 2017, AR P.17.0675.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170719.6, AC 2017, nr. 435; Cass. 15 januari 2016, AR P.16.0062.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160115.4, AC 2016, nr. 33, met concl. van advocaat-generaal R. LOOP, op datum in Pas.; Cass. 20 juni 2013, AR P.13.1085.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130620.4, AC 2013, nr. 384; Cass. 10 april 2012, AR P.12.0593.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120410.2, AC 2012, nr. 223; Cass. 8 april 2005, AR C.05.0155.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050408.6, AC 2005, nr. 214; EHRM 31 augustus 2021, Karrar t/België, §31 www.echr.coe.int; R. DECLERCQ, “Wraking”, in Comm.Sr. 2014, p.5.; J. FLO, “Assisenvoorzitter mocht menselijk zijn, maar had voorzichtig moeten zijn”, in De Juristenkrant 2021, afl. 434, 1 en 3; M.-A BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, 1919-1920).
(5)Cass. 15 juni 2021, AR P.21.0145.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210615.2N.11, AC 2021, nr. 442; Cass. 19 juli 2017, AR P.17.0675.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170719.6, AC 2017, nr. 435; Cass. 28 maart 2017, AR P.17.0238.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170328.8, AC 2017, nr. 223; Cass. 8 mei 2012, AR P.12.0730.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120508.5, AC 2012, nr. 286; Cass. 13 maart 2012, AR P.11.1750.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120313.1, AC 2012, nr. 166; EHRM 6 januari 2010, Vera Fernández-Huidobro t/Spanje, NC 2010, 72; EHRM 31 augustus 2021, Karrar t/België, www.echr.coe.int; J. DE CODT, Des nullités de l’instruction et du jugement, Larcier, 2006, 36-40; F. KUTY, L’impartialité du juge en procédure pénale, Larcier, 2005, 41-251; M. STERKENS, “Een transparant en onpartijdig rechter”, in De wet voorbij. Liber amicorum Luc Huybrechts, Intersentia, 2010, 360-361; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, 791-805; J. VAN DONINCK, “Onpartijdigheid en wraking: over bereidwillige schorsing van vooringenomenheid”, NC 2018, 209-212; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel& Svacina, 2019, 724-728; J. FLO, “Belangenconflicten: wrakingen en onverenigbaarheden”, in Statuut en deontologie van de magistraat, Die Keure, 2020, 471; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, 15-20.
(6)R. DECLERCQ, “Wraking”, in Comm. Sr. 2014, p.5: “Als een partij te klagen heeft over de houding van een rechter, moet zij de griffier vragen het incident in het proces-verbaal van de zitting te vermelden; later kan zijniet met getuigen de gewettigde verdenking van partijdigheid bewijzen”. Zie ook Cass. 5 juni 2013, AR P.13.0955.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130605.6, AC 2013, nr. 343, aangehaald door M.-A BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, 1920.
(7)Wat dit laatste aspect betreft, is het nuttig te vermelden dat de voorzitter van het hof van assisen als opdracht heeft alles af te wijzen wat de debatten zou verlengen zonder hoop te geven op meer zekerheid omtrent de uitkomst van het proces (art. 281 §2, laatste lid, Sv.), een discretionaire bevoegdheid die weliswaar moet worden uitgeoefend met respect voor de rechten van verdediging, zie M.-A BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, 1617. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220503.2N.19 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.19 citeert: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050408.6 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080228.1 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110513.1 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120313.1 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120410.2 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120508.5 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130308.9 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130605.6 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130620.4 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150929.5 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160115.4 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160322.12 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170328.8 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170719.6 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181114.4 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190115.6 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200916.2F.16 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210512.2F.12 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210615.2N.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.