id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 03 mei 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220503.2N.5 Rolnummer: P.22.0021.N Zaak: M. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Internationaal publiekrecht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-06-01 Raadplegingen: 1007 - laatst gezien 2026-06-18 23:02 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.5 Fiches 1 - 2 De legaliteit van een strafbepaling vereist dat ze voldoende toegankelijk is en als dusdanig of in samenhang met andere bepalingen gelezen, op voldoende precieze wijze de als strafbaar gestelde gedraging omschrijft, zodat de draagwijdte ervan redelijk voorzienbaar is; aan het vereiste van de redelijke voorzienbaarheid is voldaan wanneer het voor de persoon op wie de strafbepaling van toepassing is, mogelijk is om op grond van de strafbepaling en zo nodig met behulp van de uitlegging ervan gegeven door de rechtspraak, de handelingen en verzuimen te kennen die zijn strafrechtelijke verantwoordelijkheid kunnen meebrengen; het staat aan de strafrechter om te oordelen over de schuld van een beklaagde aan een aan deze laatste ten laste gelegd misdrijf; binnen dat kader dient de strafrechter te onderzoeken of de eventueel door hem toe te passen strafbepaling ten tijde van het feit klaarblijkelijk voldeed aan de vereisten van precisie, duidelijkheid en voorspelbaarheid opdat die bepaling op de beklaagde kan worden toegepast; het feit dat die vereisten een algemene draagwijdte hebben die mee in de beoordeling moet worden betrokken, belet niet dat de strafrechter ze in de hem voorgelegde zaak concreet moet toepassen, rekening houdend met de persoon van de beklaagde en diens situatie ten tijde van het feit; dat de rechter over een zekere beoordelingsvrijheid beschikt, is als dusdanig niet strijdig met het vereiste van redelijke voorzienbaarheid; er moet immers rekening worden gehouden met het algemene karakter van wetten, de uiteenlopende situaties waarop zij van toepassing zijn en de evolutie van de gedragingen die zij bestraffen; het beginsel zelf van de algemeenheid van de wet brengt mee dat de bewoordingen ervan vaak geen absolute precisie kunnen hebben
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 12 Vrije woorden: Legaliteit van de strafwet - Nauwkeurigheid en voorspelbaarheid van de strafwet - Evolutie van de strafbare gedragingen - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 7 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 12 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 7 Vrije woorden: Legaliteit van de strafwet - Nauwkeurigheid en voorspelbaarheid van de strafwet - Evolutie van de strafbare gedragingen - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 7 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 12 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Fiche 3 Of er sprake is van een bos in de zin van artikel 3 Bosdecreet hangt af van de feitelijke toestand op het terrein; daarover oordeelt de rechter onaantastbaar met inachtneming van de criteria vermeld in die bepaling; die criteria zijn niet vaag en zij verlenen aan de rechter geen al te grote beoordelingsbevoegdheid, maar zijn klaarblijkelijk voldoende duidelijk en nauwkeurig opdat eenieder zou weten wanneer hij zich in een bos bevindt; uit het enkele feit dat de rechter dat laatste slechts kan uitmaken op grond van de concrete situatie die hij beoordeelt na de feiten, volgt niet dat artikel 3, § 1, Bosdecreet het legaliteitsbeginsel miskent
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: BOSSEN Vrije woorden: Vlaams Gewest - Definitie van een bos - Beoordeling van een terrein door de rechter Wettelijke bepalingen: Bosdecreet 13 juni 1990 - 13-06-1990 - Art. 2 - 32 ELI link Pub nr 1990029924 Fiches 4 - 5 Uit de samenhang tussen artikel 3, §1 Bosdecreet en de artikelen 12bis tot en met 12novies Decreet Natuurbehoud alsook de wetsgeschiedenis van het decreet van 22 juni 2018 houdende diverse wijzigingen van het Bosdecreet van 13 juni 1990 en het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu volgt dat de onderscheiden toegankelijkheid van bossen voor voetgangers en gemotoriseerd verkeer voortvloeit uit de beperkte impact die voetgangers hebben op de aard en de functies van bos- en natuurgebieden; daartegenover staat dat de impact van gemotoriseerd verkeer van een geheel andere orde is gelet op onder meer de snelheid, het gevaar en het geluid dat kan uitgaan van dergelijk verkeer; dit verschil is een feit van algemene bekendheid dat zodanig vanzelfsprekend is dat het geen verdere toelichting vereist; hieruit volgt dat, voor wat betreft de toegang tot een bos of tot bepaalde plaatsen in een bos, de rechtstoestand van voetgangers en deze van gemotoriseerde voertuigen zodanig verschillend is dat de beide categorieën onderling niet te vergelijken zijn
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: BOSSEN Vrije woorden: Vlaams Gewest - Toegang - Gemotoriseerd vervoer - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Bosdecreet 13 juni 1990 - 13-06-1990 - Art. 3 - 32 ELI link Pub nr 1990029924 Decr. 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu - 21-10-1997 - Artt. 12bis tot en met 12novies - 40 ELI link Pub nr 1998036441 Thesaurus CAS: MILIEURECHT Vrije woorden: Vlaams Gewest - Decreet Natuurbehoud - Toegang tot bossen - Gemotoriseerd vervoer - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Bosdecreet 13 juni 1990 - 13-06-1990 - Art. 3 - 32 ELI link Pub nr 1990029924 Decr. 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu - 21-10-1997 - Artt. 12bis tot en met 12novies - 40 ELI link Pub nr 1998036441 Tekst van de conclusie P.22.0021.N Conclusie van advocaat-generaal Bart DE SMET : “De strafrechtelijke handhaving van het verbod van gemotoriseerd vervoer in bosgebieden in het Vlaams Gewest (art. 12novies Decreet Natuurbehoud)”
- Beslissing en middelen
- Eiser wordt vervolgd wegens het met een motorfiets rijden in een openbaar bosgebied van het Vlaams Ecologisch netwerk te Lommel (tevens Habitatrichtlijngebied), op 21 oktober 2018, in strijd met artikel 12novies Decreet Vl. van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu (hierna vermeld Decreet Natuurbehoud) en de strafbepaling art. 16.6 Decreet Vl. van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.
- De correctionele rechtbank te Limburg heeft eiser op 29 oktober 2019 veroordeeld tot een geldboete van 4.000€ (incl. opdeciemen), waarvan de helft met uitstel van twee jaar, en de bijzondere verbeurdverklaring van 1.200€, zijnde het bedrag dat in de plaats was gesteld van de in beslag genomen motorfiets van eiser, ingevolge een verzoekschrift van eiser gesteund op art. 28octies Sv.
- Op hoger beroep van eiser (met als grieven schuld en straf) en hoger beroep van het openbaar ministerie (met als grief strafmaat) heeft het hof van beroep te Antwerpen eiser op 15 december 2021 veroordeeld wegens het ten laste gelegde feit tot een effectieve geldboete van 2.000€ (incl. opdeciemen). De verbeurdverklaring van het bedrag van 1.200€ werd niet bevolen.
- Eiser voert in zijn memorie zes middelen aan, namelijk 1°schending van o.a.de artikelen 12 en 14 Grondwet om reden dat de toepaste strafbaarstelling niet voldoet aan het legaliteitsbeginsel, de definitie van een bos niet duidelijk of niet voorzienbaar is en de appelrechters ten onrechte niet ingingen op een verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag over de legaliteit van art. 12novies Decreet Natuurbehoud, 2°schending van o.a. de artikelen 10 en 11 Grondwet om reden dat het bestreden ten onrechte niet ingaat op een verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag over het verschil in toegang tot bossen tussen voetgangers en gemotoriseerd verkeer, 3°schending van art. 10 en 11 Grondwet om reden dat de appelrechters geen concreet objectief criterium aanvoeren om het verschil in toegang tot bossen tussen voetgangers en gemotoriseerd verkeer te rechtvaardigen, alsook het verschil in aanduiding van verboden toegang tussen beide categorieën te rechtvaardigen, 4°schending van de artikelen 8.17 Burgerlijk Wetboek en 6 EVRM wegens miskenning van de bewijskracht van een foto van een locatie in het bos en de interpretatie van die foto zonder het debat te heropenen, 5°miskenning van o.a. de beginselen van behoorlijk bestuur, het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel omdat niet is onderzocht of eiser ervan mocht uitgaan dat de overheid een bosweg die ontoegankelijk is voor gemotoriseerd verkeer aanduidt met een verbodsteken of afsluiting, zoals een slagboom en 6°schending van o.a. 149 Grondwet omdat het verweer niet is beantwoord over miskenning van het beginsel van behoorlijk bestuur over het aanduiden van ontoegankelijke boswegen.
- Beoordeling
- Het ingeroepen legaliteitsbeginsel, dat voortvloeit uit de artikelen 7 EVRM, 15 IVBPR en 12 en 14 Grondwet, houdt volgens het Hof als voorwaarde in dat de strafbaarstelling voldoende toegankelijk is en als dusdanig of in samenhang met andere bepalingen gelezen, op voldoende precieze wijze de als strafbaar gestelde gedraging omschrijft, zodat de draagwijdte ervan redelijk voorzienbaar is. Het moet voor de persoon op wie de strafbepaling van toepassing is mogelijk zijn om op grond van de strafbepaling zelf, zo nodig aangevuld door de uitlegging ervan in de rechtspraak, de handelingen en verzuimen te kennen die zijn strafrechtelijke verantwoordelijkheid kunnen meebrengen
(1). De strafbaarstelling dient bijgevolg in voldoende duidelijke bewoordingen te zijn opgesteld, zodat de verdachte effectieve rechtsbescherming geniet tegen willekeurige vervolging en bestraffing
(2). 6. Het gegeven dat de rechter over een zekere, geen al te grote, beoordelingsvrijheid beschikt is op zich niet strijdig met die vereiste van redelijke voorzienbaarheid
(3). Het Hof nam aan dat er rekening moet worden gehouden met het algemene karakter van wetten, de uiteenlopende situaties waarop zij van toepassing zijn en de evolutie van de gedragingen die zij bestraffen. Het beginsel zelf van de algemeenheid van de wet brengt mee dat de bewoordingen ervan vaak geen absolute precisie kunnen hebben
(4). De strafrechter dient na te gaan of de toegepaste strafwet ten tijde van het misdrijf voldoende nauwkeurig en voorspelbaar was, rekening houdend met de persoon van de beklaagde, zijn situatie, de uiteenlopende situaties waarop de wet van toepassing is en de evolutie van de strafbare gedragingen
(5). Van belang voor de vereiste voorzienbaarheid van de strafbare gedraging is immers de interpretatie van de strafbepaling in het licht van de doelstellingen van de wetgever, de wetsgeschiedenis en de door de rechtspraak gegeven interpretatie van de strafbepaling
(6).
- De artikelen 2, 52° Decreet Natuurbehoud en 3, §1 Bosdecreet 13 juni 1990 (laatst gewijzigd door art. 53 Decreet 9 mei 2014, BS 7 juli 2014) omschrijven een ‘bos’ als een grondoppervlakte met een eigen fauna en flora, met als belangrijkste bestanddeel bomen en houtachtige struikvegetaties. Het bos omvat ook niet-begroeide oppervlakten die nodig zijn voor het behoud van het bos, zoals bos-en brandwegen en stukken voor recreatie (art. 3, §2 Bosdecreet). Een aantal terreinen zijn niet als een bos te beschouwen, zoals fruitaanplantingen, parken, houtkanten langs rivieren en sierbeplantingen (art. 3, §3 Bosdecreet). De term ‘openbare wegen’ (o.a. in bosgebied) is omschreven als wegen die een bestemming hebben gekregen als openbare weg, meer bepaald de wegen die de administratieve overheid zelf daarvoor heeft bestemd en de wegen waarop na verjaring door dertigjarig gebruik een publiekrechtelijke erfdienstbaarheid van doorgang is gevestigd (art. 2, 52° Decreet Natuurbehoud).
- Een bos is (in het Vlaams Gewest) toegankelijk voor voetgangers op de openbare en de private wegen (art. 12septies, §1, Decreet Natuurbehoud, ingevoegd door art. 13 Decreet 9 mei 2014 (BS 7 juli 2014) en gewijzigd door art. 4 Decreet 20 juni 2018 (BS 23 juli 2018)). Met voetgangers worden gelijkgesteld rolstoelgebruikers en fietsers jonger dan negen jaar (art. 12septies, §1 Decreet Natuurbehoud). De beheerder kan het bos voor voetgangers ontoegankelijk maken, geheel of gedeeltelijk, in beginsel met uitzondering van alle openbare wegen, op voorwaarde dat het verbod tot betreding duidelijk zichtbaar wordt aangeduid (art. 12septies, §2 Decreet Natuurbehoud)
(7).
- De toegepaste bepaling artikel 12novies Decreet Natuurbehoud (ingevoegd door art. 15 Decreet 9 mei 2014 (BS 7 juli 2014) en gewijzigd door art. 6 Decreet 20 juni 2018 (BS 23 juli 2018)) verbiedt elk gemotoriseerd verkeer in bosgebied, behalve op openbare wegen die ingericht zijn voor het gewone gemotoriseerd verkeer en in hoofdzaak bestemd zijn als doorgangsweg. Er gelden vijf uitzonderingen die in deze zaak niet van toepassing zijn, zoals verkeer voor toezicht, soortenbeheer en natuurbeheer. Een inbreuk op het verbod van gemotoriseerd verkeer in een bos is strafbaar volgens titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (art. 107bis Bosdecreet en art. 58 Decreet Natuurbehoud).
- Mij lijken de criteria voldoende duidelijk en nauwkeurig voor iedere bestuurder van een motorvoertuig die in een bosgebied rijdt. Het is niet omdat de strafrechter de criteria van een bos en een openbare weg hoofdzakelijk bestemd als doorgangsweg in een bos concreet moet interpreteren, in functie van het terrein van de inbreuk, dat vermelde Decreten (Natuurbehoud en Bosdecreet) strijdig zijn met het legaliteitsbeginsel. In zoverre faalt het eerste middel over de artikelen 12, 13 en 14 Grondwet naar recht.
- Het bestreden arrest stelt vast, aan de hand van een plaatsbeschrijving en foto’s, dat eiser werd staande gehouden in een openbaar bos in de zin van art. 3 Bosdecreet op een weg die niet in hoofdzaak was bestemd als doorgangsweg (blz. 8-9). De bandensporen op die weg kunnen afkomstig zijn van verkeer dat wel is toegelaten in bosgebied en wijst niet op het gebruik van een weg als ‘doorgangsweg’. Verder stellen de appelrechters dat een verbodsbord niet nodig was, omdat het verbod van gemotoriseerd verkeer op die plaats voldoende duidelijk was (blz. 9-10).
- Ik ben van mening dat het bestreden arrest de aangehaalde Decreten juist interpreteert en toepast in functie van de concrete situatie en dat de beslissing over de erin vermelde bepalingen die het legaliteitsbeginsel klaarblijkelijk niet miskennen, naar recht is verantwoord. Gezien er terecht geen klaarblijkelijke schending is van een Grondwetsbepaling, is er geen reden de voorgestelde prejudiciële vraag over het begrip ‘bos’ te stellen (art. 26, §4, tweede lid, 2° Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof). Deze vraag is als volgt geformuleerd: “Schendt het artikel 16.6.1 §1, lid 1 van het Decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid iunctis de artikelen 3, §§ 1, 2 en 3 Bosdecreet, het artikel 2, 52° en de artikelen 12septies, 12novies van het Decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu de artikelen 14 van de Grondwet en/of de artikelen 7 EVRM en 15 BUPO-verdrag in die zin dat het begrip ‘bos’ in onvoldoende nauwkeurige, duidelijke en rechtszekerheid biedende bewoordingen bepaalt welke bossen toegankelijk zijn en op welke wijze?”. In zoverre kan het eerste middel niet worden aangenomen. Voor het overige verplicht het eerste middel tot een onderzoek van feiten, meer bepaald de plaatsgesteldheid, en is het niet-ontvankelijk.
- De toegang tot bossen door voetgangers en in beperkte mate door bestuurders van een motorvoertuig is ondergebracht in het hoofdstuk van de sociale functie van een terrein dat wordt beheerd voor natuurbehoud. De toegankelijkheid van bossen met het oog op recreatie is daarvan slechts één aspect (art. 12sexies, 2° Decreet Natuurbehoud). De sociale functie is ook bedoeld voor o.a. natuurbeleving en natuureducatie (art. 12sexies, 1° Decreet Natuurbehoud). Daarnaast moet worden gelet op de economische en ecologische functie van het bosbeheer (art. 12bis Decreet Natuurbehoud). De ecologische functie heeft onder meer betrekking op 1° de rol van een terrein in het kader van het natuurbehoud en in het kader van de zorg voor het behoud van de biologische diversiteit en 2° de milieubeschermende rol van een terrein dat beheerd wordt ten behoeve van het natuurbehoud (art. 12ter Decreet Natuurbehoud). Van belang hierbij zijn onder meer het bevorderen van de instandhouding van populaties en leefgebieden van inheemse dier- en plantensoorten met inbegrip van de instandhouding van hun leefgebieden; de instandhouding van het natuurlijk milieu, inclusief een voor de natuurwaarden gunstige waterhuishouding en een beheer dat gericht is op het tegengaan van alle nadelige externe beïnvloeding van de natuur en het natuurlijk milieu (art. 12quater Decreet Natuurbehoud).
- De in beginsel onbeperkte toegang voor voetgangers in bossen houdt duidelijk verband met een geringere impact op de natuur, zoals aangegeven in de memorie van toelichting van het Decreet van 20 juli 2018
(8). De snelheid, het gevaar en het geluid van gemotoriseerd verkeer is in een bosgebied storend te noemen. Van het aspect ‘natuurbeleving’ voor de voetganger in een bos blijft er niet veel over als op elke openbare of private weg in het bos gemotoriseerd verkeer is toegelaten voor recreatief gebruik. Een ruime(re) toegang tot het bos voor bestuurders van motorvoertuigen is ook moeilijk verzoenbaar met het doel van natuurbescherming, meer bepaald het in stand houden van inheemse fauna en flora en het weren van een nadelige impact op de natuur. De rechtstoestand van voetgangers en bestuurders van motorvoertuigen in bosgebied is onderling niet te vergelijken en lijkt mij geen klaarblijkelijke schending in te houden van het gelijkheidsbeginsel (artt. 10 en 11 Grondwet). 15. Relevant is de zaak voor het Grondwettelijk Hof van het beroep tot vernietiging van het decreet van het Waalse Gewest van 16 februari 1995 houdende wijziging van het Boswetboek met aan het Waalse Gewest eigen bepalingen in verband met het openbaar verkeer in bossen en wouden in het algemeen (BS 11 mei 1995), ingesteld door de VZW Codever Belgium en anderen. Artikel 194 Boswetboek van 18 december 1854, zoals gewijzigd door artikel 1 van dit Decreet, bepaalt dat toegang voor motorvoertuigen in bossen en wouden van het Waalse Gewest is verboden buiten de banen of de daartoe afgebakende plaatsen, behoudens toelating van de Waalse regering voor toegang tot andere paden en plaatsen wegens medische, pedagogische, wetenschappelijke, culturele redenen, omwille van natuurbescherming of om toegang tot privé-eigendommen te verlenen. Het Grondwettelijk Hof achtte de verschillende toegangsregels voor voetgangers en gemotoriseerd verkeer in bosgebieden gewettigd wegens de in het Decreet nagestreefde doelstelling van bescherming van de natuur en van het bosecosysteem. De door de verzoekers aangevoerde sport- en ontspanningsactiviteiten (namelijk gemotoriseerde trektochten in het bos) streven volgens het Grondwettelijk Hof de voldoening na van een uitsluitend particulier belang, waarvan de wetgever bijgevolg heeft kunnen oordelen dat het geen afwijking verantwoordde die strijdig is met zijn doelstelling van bescherming van de bossen
(9). In zoverre faalt het tweede middel over het gelijkheidsbeginsel aldus naar recht.
- Het arrest oordeelt naar mijn mening terecht dat het verschil in toegang tot een bos, als voetganger of als bestuurder van een motorvoertuig, berust op een objectief criterium, er klaarblijkelijk geen schending voorligt van het gelijkheidsbeginsel, en er geen reden is hierover een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof (blz. 10), met als voorwerp: “Schenden de artikelen 12septies van het Decreet betreffende het Natuurbehoud en het natuurlijk milieu en 12novies van hetzelfde Decreet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre enerzijds de ontoegankelijkheid van de bossen in de zin van dit Decreet in het geval van artikel 12septies een uitdrukkelijke aanduiding vereisen, terwijl anderzijds de ontoegankelijkheid van de bossen in de zin van dit Decreet in het geval van artikel 12novies dit niet vereisen?”. De reden dat het verschil in behandeling ‘op het eerste gezicht redelijk verantwoord lijkt te zijn’ (blz. 10) wijst niet op twijfel over de verenigbaarheid van het Decreet Natuurbehoud met de Grondwet, maar geeft alleen aan dat de strafrechter zich niet in de plaats mag stellen van het Grondwettelijk Hof. In zoverre kan het tweede middel niet worden aangenomen.
- Het derde middel, eerste onderdeel over de motivering inzake het gelijkheidsbeginsel, het verschil in toegang tot boswegen, heeft dezelfde strekking als het tweede middel en kan om dezelfde redenen worden verworpen. Het onderscheid tussen voetgangers en gemotoriseerd verkeer in een bos is zodanig vanzelfsprekend dat het geen verdere toelichting behoeft.
- Het arrest geeft voldoende aan waarom er geen verbodsbord nodig is voor toegang tot gemotoriseerd verkeer op openbare boswegen waarop volgens artikel 12novies Decreet Natuurbehoud dit verkeer niet is toegelaten. De appelrechters oordeelden onaantastbaar dat eiser reed op een onverharde zand- en kiezelweg die niet hoofdzakelijk bestemd was als doorgangsweg (blz. 9 en 10). Hierdoor moest niet worden onderzocht of de door eiser bereden weg ook een openbare weg betrof die was ingericht voor het gewone gemotoriseerd verkeer (blz. 9). In zoverre eiser het verschil betwist tussen een voetganger en een bestuurder van een motorvoertuig inzake toegang tot een ‘openbare weg’ in het bos, is het tweede onderdeel niet-ontvankelijk, bij gebrek aan belang.
- Voorts steunt het verschil in verbodsaanduidingen voor voetgangers en bestuurders op het gerechtvaardigde onderscheid inzake toegang tot bosgebieden, in functie van overlast en impact op de natuur. Ook wat betreft de specifieke aanduiding ‘verboden toegang’ (voor voetgangers) lijkt mij er klaarblijkelijk geen schending te zijn van het gelijkheidsbeginsel, en is er geen reden om de voorgestelde prejudiciële vraag te stellen. In zoverre kan het tweede onderdeel niet worden aangenomen.
- Anders dan eiser aanvoert, is miskenning van de bewijskracht van een foto van een locatie niet mogelijk, los van de eventueel daarbij horende tekst
(10). Het vierde middel, eerste onderdeel, over de bewijskracht van een foto in 2018 van dezelfde plaats in een bos (met onderhoudswerken), faalt aldus naar recht.
- Eiser stelde voor de appelrechters, aan de hand van foto’s, dat hij is staande gehouden op een openbare doorgangsweg waar gemotoriseerd verkeer in het bos was toegelaten. De appelrechters namen aan dat de door eiser voorgelegde foto’s niet zijn genomen op dezelfde locatie in het bos als waar hij staande werd gehouden. Mij komt voor dat eiser kon verwachten dat de appelrechters de bewijswaarde van die foto’s zouden beoordelen, zonder het debat te heropenen.
- Het ingeroepen artikel 6 EVRM is niet geschonden als de rechter zijn beslissing steunt op elementen waarvan de partijen, gelet op het verloop van het debat, mochten verwachten dat de rechter ze in zijn oordeel zou betrekken en waarover zij tegenspraak konden voeren
(11). Een partij die in een strafzaak stukken aan de rechter overlegt, dient er bij zijn verdediging mee rekening te houden dat de rechter die stukken als niet-waarheidsgetrouw kan beoordelen
(12). Aan deze voorwaarde is voldaan, zodat het tweede onderdeel niet kan worden aangenomen. Voor het overige verplicht het onderdeel over de bewijswaarde van foto’s tot een onderzoek van feiten, en is het niet-ontvankelijk.
- Het oordeel dat een verbodsbord of fysieke afsluiting van een bosweg niet nodig was, berust op een interpretatie van het Decreet Natuurbehoud en het Bosdecreet, niet louter op eisers ervaring met het terrein. In zoverre mist het vijfde middel feitelijke grondslag.
- De appelrechters stellen dat het verbod op gemotoriseerd verkeer in een bos volgt uit de wettelijke bepalingen zelf, niet uit een aanduiding op de plaats, en het voor eiser duidelijk was dat de verbodsbepaling voor hem gold, als bestuurder van een enduro-motorfiets (blz. 10). Het uitgangspunt dat eiser de bosweg mocht gebruiken louter omdat deze weg met zijn motorfiets toegankelijk was, is volgens het arrest strijdig met de wet. Het verweer over het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel is m.i. daarmee voldoende beantwoord. In zoverre kan het vijfde middel niet worden aangenomen.
- Het bestreden arrest geeft m.i. voldoende aan dat de schuldigverklaring wegens inbreuk op artikel 12novies Decreet Natuurbehoud geen schending inhoudt van het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel (blz. 10), als beginselen van behoorlijk bestuur. De appelrechters dienen niet te antwoorden op argumenten die alleen dienen ter ondersteuning van een verweer, maar geen zelfstandig verweer uitmaken
(13), zoals het niet-naleven van de overheid van een Omzendbrief over het ontoegankelijk maken van boswegen. Aldus kan het zesde middel niet worden aangenomen. Er zijn geen ambtshalve middelen. Verwerping. ________________________________________
(1)Cass. 14 december 2021, AR P.21.0489.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211214.2N.6, AC 2021, nr. 794; Cass. 19 januari 2021, AR P.20.1031.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210119.2N.4, AC 2021, nr. 35; Cass. 15 december 2020, P.20.0693.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201215.2N.14, AC 2020, nr. 776; Cass. 9 april 2019, AR P.18.1282.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190409.5, NC 2019, nr. 271; Cass. 15 januari 2019, AR P.18.0722.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190115.2, AC 2019, nr. 21; Cass. 16 mei 2017, AR P.15.0807.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170516.4, AC 2017, nr. 336; Cass. 22 mei 2012, AR P.11.1723.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120522.6, AC 2012, nr. 317 met concl. van eerste advocaat-generaal M. DE SWAEF; Cass. 29 november 2011, AR P. 10.1766.N, AC 2011, nr. 650 met concl. van advocaat-generaal M. TIMPERMAN. In dezelfde zin GwH 23 april 2015, arrest 44/2015, B.19.2; GwH 16 december 2010, arrest 140/2010, B.4; GwH 10 april 2008, arrest 61/2008, B.4.1; GwH 10 mei 2006, nr. 71/2006, B.5.1 en GwH 20 oktober 2005, arrest 156/2005, www.const-court.be; M. CROMHEECKE en F. DHONT, “Artikel 7. Geen straf zonder wet”, in Handboek EVRM. Artikelsgewijze commentaar, II, Intersentia, 2004, 669-682; A. VANDEPLAS, “Over de vaagheid en de onvatbaarheid van het strafrecht”, in Om deze redenen. Liber amicorum Luc Huybrechts, Intersentia, 2010, 467-473; J. ROZIE, “Beklaagde Alwetend. Over het criterium van de redelijke voorzienbaarheid als maatstaf van het lex-certa principe in strafzaken”, RW 2012-13, afl. 21, 802-817; T. MOREAU en D. VANDERMEERSCH, Eléments de droit pénal, Die Keure, 2019, 15-18; J. ROZIE en L. CLAES, “Hoe Coronaproof is het bijzonder strafrecht?”, NC 2020, 221.
(2)Advocaat-generaal M. TIMPERMAN, conclusie in de zaak Cass. 29 november 2011, AR P.10.1766.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111129.1, RO 107, AC 2011, nr. 650, met verwijzing naar EHRM 12 februari 2008, Kafkaris t/ Cyprus, § 92 in EHRM, 25 september 2009, Liivik t/ Estland, § 28 en EHRM, 15 december 2009, Gurguchiani t/ Spanje, 15 december 2009.
(3)Cass. 9 april 2019, AR P.18.1282.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190409.5, AC 2019, nr. 271; Cass. 29 november 2011, AR P.10.1766.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111129.1, AC 2011, nr. 650 met concl. van advocaat-generaal M. TIMPERMAN; GwH 10 april 2008, arrest 61/2008, B.4.1; GwH 10 mei 2006, nr. 71/2006, B.5.1, www.const-court.be; EHRM K.-H t/Duitsland; EHRM 15 november 1996, Cantoni t/Frankrijk, § 32, EHRM 22 november 1995, S.W. t/Verenigd Koninkrijk, EHRM 15 juli 2014, Ashlarba t/Georgië, § 33-34, www.echr.coe.int; M. CROMHEECKE en F. DHONT, o.c., 2004, 669-678; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel&Svacina, 2019, 82-83.
(4)Cass. 29 november 2011, AR P.10.1766.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111129.1, AC 2011, nr. 650, met concl. van advocaat-generaal M. TIMPERMAN.
(5)GwH 10 mei 2006, nr. 71/2006, B.5.1, www.const-court.be
(6)Cass. 14 december 2021, AR P.21.0489.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211214.2N.6, AC 2021, nr. 794; Cass. 29 november 2011, P.10.1766.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111129.1, AC 2011, nr. 650, met concl. van advocaat-generaal. M. TIMPERMAN.
(7)Zie ook www.natuurenbos.vlaanderen.bebe/beleid-wetgeving/natuurgebruik.
(8)Ontwerp van Decreet van 7 mei 2018 houdende diverse wijzigingen van het Bosdecreet van 13 juni 1990 en het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, Zitting 2017-18, Doc 1583/1, p. 9-10, www.vlaamsparlement.be.
(9)GwH 28 november 1996, arrest 68/96, B.15.3 en B.15.4, www.const-court.be (het middel over schending van de artikelen 10 en 11 Grondwet werd ongegrond verklaard).
(10)Cass. 27 oktober 2020, AR P.20.0565.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201027.2N.4, AC 2020, nr. 659, T. Strafr. 2021, 35; Cass. 3 november 2004, AR P.04.0957.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041103.12, AC 2004, nr. 527. Zie J. DE CODT, “Présentation des moyens de cassation”, in Procederen voor het Hof van Cassatie, Knops Publ. 2016, 170-171; J. VERBIST en Ph. TRAEST, “Cassatiemiddelen in strafzaken”, in Cassatie in strafzaken, Intersentia, 2014, 99.
(11)Cass. 29 januari 2021, AR F.18.0140.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210129.1N.17, AC 2021, nr. 82, met concl. van advocaat-generaal J. VAN DER FRAENEN; Cass. 7 mei 2020, AR C.19.0109.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200507.1N.1, AC 2020, nr. 274; Cass. 28 juni 2018, AR C.17.0696.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180628.9, AC 2018, nr. 423, met concl. van advocaat-generaal C. VANDEWAL; Cass. 23 maart 2017, AR C.15.0232.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170323.2, AC 2017, nr. 205; Cass. 29 september 2011, AR C.10.0349.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110929.1, AC 2011, nr. 514, met concl. van advocaat-generaal C. VANDEWAL.
(12)Cass. 10 november 2020, AR P.20.0669.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201110.2N.2, AC 2020, nr. 693.
(13)Cass. 19 mei 2020, AR P.20.0159.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200519.2N.6, AC 2020, nr. 303; Cass. 4 juni 2019; AR P.19.0237.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190604.7, AC 2019, nr. 347; Cass. 17 april 2018, AR P.18.0038.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180417.6, AC 2018, nr. 243, J. VERBIST en Ph. TRAEST, “Cassatiemiddelen in strafzaken”, in Cassatie in strafzaken, Intersentia, 2004, 115-116; B. MAES, De motiveringsverplichting van de rechter, Kluwer, 1990, 58-59. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220503.2N.5 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.5 citeert: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041103.12 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110929.1 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111129.1 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120522.6 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170323.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170516.4 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180417.6 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180628.9 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190115.2 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190409.5 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190604.7 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200507.1N.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200519.2N.6 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201027.2N.4 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201110.2N.2 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201215.2N.14 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210119.2N.4 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210129.1N.17 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211214.2N.6 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231219.2N.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div