id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 05 mei 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220505.1N.3 Rolnummer: C.21.0483.N Zaak: V. contra GEMEENTE SCHOTEN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2023-09-11 Raadplegingen: 490 - laatst gezien 2026-06-19 12:25 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220505.1N.3 Fiche 1 De intrekking voorzien door artikel 16, § 1, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof strekt ertoe de legaliteit van een in kracht van gewijsde gegane beslissing van een burgerlijk gerecht te herstellen wanneer de vernietiging van een wetsbepaling door het Grondwettelijk Hof er de juridische grondslag aan ontneemt; hieruit volgt dat de beslissing niet enkel kan worden ingetrokken wanneer de beslissing toepassing heeft gemaakt van de vernietigde norm maar ook wanneer deze steunt op een andere wetsbepaling waarvan de toepassing wordt gedetermineerd door de vernietigde norm
(1).
(1)Zie concl. OM. Zie Cass. 10 mei 2004, AR S.02.0078.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040510.8, AC 2004, nr. 247 en Cass. 26 februari 2001, AR S.99.0205.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010226.3, AC 2001, nr. 114. Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: Arrest - Ongrondwettige wet - Vernietiging - Gevolgen - Intrekking van een in kracht van gewijsde gegane beslissing van een burgerlijk gerecht - Voorwaarden - Wegvallen juridische grondslag Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 16, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Fiche 2 Een beroep tot vernietiging van een administratieve rechtshandeling heeft ongeacht het oordeel van de Raad van State over dit beroep dezelfde gevolgen als een dagvaarding voor het gerecht ten aanzien van de stuiting van de verjaring van de vordering tot herstel van de schade veroorzaakt door deze handeling en dit op grond van artikel 2244, § 1, derde lid Oud Burgerlijk Wetboek, waarbij deze bepaling steeds geacht wordt deze betekenis te hebben gehad
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Stuiting Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van een administratieve rechtshandeling - Dezelfde gevolgen als een dagvaarding voor het gerecht Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 16 - 30 ELI link Pub nr 1989021001 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 2244, § 1, derde lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de conclusie C.21.0483.N Conclusie van advocaat-generaal met opdracht M. Deconynck:
- Situering
- Artikel 16, §1, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof bepaalt dat de in kracht van gewijsde gegane beslissing van een burgerlijk gerecht, in zoverre zij gegrond is op een bepaling van een wet, een decreet of een in artikel 134 Grondwet bedoelde regel die vervolgens door het Grondwettelijk Hof is vernietigd, of op een verordening ter uitvoering van zodanige norm, geheel of ten dele kan worden ingetrokken op verzoek van degenen die daarbij partij zijn geweest of behoorlijk opgeroepen. Het Grondwettelijk Hof vernietigde bij arrest nr. 40/2019 van 28 februari 2019 het woord “vernietigd” in artikel 2244, §1, 3de lid, Oud Burgerlijk Wetboek. Dit arrest heeft tot gevolg dat een beroep tot vernietiging van een administratieve handeling thans net zoals een dagvaarding voor het gerecht volstaat om de verjaring te stuiten en dat artikel 2244, §1, 3de lid Oud Burgerlijk Wetboek steeds geacht wordt die betekenis te hebben gehad. Vóór dit arrest van het Grondwettelijk Hof werd een beroep tot vernietiging van een administratieve handeling maar geacht stuitende werking te hebben indien dit beroep ook effectief tot de vernietiging van de betrokken administratieve rechtshandeling had geleid.
- De eisers hebben ten aanzien van de verweerder verschillende procedures ingeleid: een burgerlijke procedure alsook een procedure voor de Raad van State tot vernietiging van administratieve rechtshandelingen welke afgewezen werd. Het hof van beroep te Antwerpen verklaarde in het kader van de burgerlijke procedure de vordering van de eisers bij arrest van 12 november 2015 ongegrond omwille van verjaring. Bij arrest van 14 juni 2021 wees het hof van beroep te Antwerpen de vordering tot intrekking van dit arrest gelet op het arrest nr. 40/2019 van 28 februari 2019 van het Grondwettelijk Hof vervolgens af op basis van de redenering dat in het arrest van 12 november 2015 tot verjaring werd besloten op basis van artikel 2262bis Oud Burgerlijk Wetboek en dat nu de eisers met betrekking tot de opgeworpen verjaring op geen enkel ogenblik melding hadden gemaakt van de procedure voor de Raad van State en artikel 2244 Oud Burgerlijk Wetboek niet hadden ingeroepen, dit artikel in geen enkel opzicht kon aanzien worden als een rechtsregel die de betrokken rechter op het geding toepasselijk achtte en waaraan de vordering getoetst werd. Het hof van beroep te Antwerpen concludeerde dat het bestreden arrest waarvan de intrekking werd gevorderd, dus niet gegrond werd op de gewijzigde bepaling van artikel 2244 Oud Burgerlijk Wetboek, zodat de door de eisers gevorderde intrekking werd afgewezen.
- Bespreking EERSTE MIDDEL
- De eisers voeren onder meer aan dat de voorwaarde voor de intrekking op grond van artikel 16 van de Bijzondere Wet op het Grondwettelijk Hof is dat de juridische grondslag voor de beslissing van de burgerlijke rechter ingevolge de vernietiging vervalt en dat de appelrechters dit artikel alsook de artikelen 2244 en 2262bis Oud Burgerlijk Wetboek schenden door niet te onderzoeken of het arrest waarvan de intrekking wordt gevorderd niet gegrond is op de vernietigde bepaling van artikel 2244 Oud Burgerlijk Wetboek die in een grondwetsconforme lezing de juridische grondslag zou ontnomen hebben aan de eerder gewezen beslissing.
- Er is weinig rechtspraak
(1)en rechtsleer
(2)terug te vinden inzake artikel 16 van de Bijzondere Wet op het Grondwettelijk Hof. In de weinige rechtsleer die er over dit punt terug te vinden valt, komt echter telkens dezelfde redenering terug. Een intrekking op basis van artikel 16 van de Bijzondere Wet op het Grondwettelijk Hof is maar mogelijk wanneer de vernietiging tot gevolg heeft dat de juridische grondslag wegvalt van de beslissing waarvan de intrekking gevorderd wordt
(3).Er moet dan ook bepaald worden wat de juridische grondslag was van het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 12 november
- De appelrechters oordelen dat het in het bestreden arrest vervatte oordeel inzake de verjaring niet werd gebaseerd op artikel 2244 Oud Burgerlijk Wetboek maar op artikel 2262bis Oud Burgerlijk Wetboek. Elke beslissing op basis van artikel 2262bis Oud Burgerlijk Wetboek is echter noodzakelijkerwijze mede gegrond op artikel 2244 Oud Burgerlijk Wetboek nu dit artikel de voorwaarden bepaalt waaronder de door artikel 2262bis Oud Burgerlijk Wetboek bepaalde verjaringstermijnen gestuit worden. Dit is evenzeer het geval wanneer een verjaringstermijn niet gestuit wordt als wanneer dat wél het geval is: beide hypotheses zijn immers het gevolg van de gezamenlijke toepassing van de artikelen 2244 en 2262bis Oud Burgerlijk Wetboek. Een oordeel gegrond op artikel 2262bis Oud Burgerlijk Wetboek is dus impliciet maar zeker ook steeds een oordeel waarin de betrokken verjaringstermijn aan artikel 2244 Oud Burgerlijk Wetboek getoetst wordt. De appelrechters kunnen dus niet gevolgd worden waar zij oordelen dat artikel 2244 Oud Burgerlijk Wetboek in geen enkel opzicht kan aanzien worden als een rechtsregel die een rol speelde in de besluitvorming van het bestreden arrest. De conclusie dringt zich op dat de juridische grondslag voor het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 12 november 2015 is weggevallen ingevolge het vernietigingsarrest van het Grondwettelijk Hof nr. 40/2019 inzake artikel 2244 Oud Burgerlijk Wetboek, waarbij de vraag of dit artikel grondwetsconform moest toegepast worden bij de besluitvorming in het kader van dit arrest eigenlijk niet relevant is. Waar de verjaringstermijn bepaald door artikel 2262bis Oud Burgerlijk Wetboek ten tijde van het bestreden arrest immers niet gestuit werd ingevolge het door de eisers ingestelde beroep voor de Raad van State, is dit nu ingevolge het vernietigingsarrest van het Grondwettelijk Hof wél het geval. Meer is niet nodig.
- De appelrechters die in deze omstandigheden het verzoek tot intrekking afwijzen omdat het bestreden arrest van 12 november 2015 geen melding maakt van artikel 2244 Oud Burgerlijk Wetboek, verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het middel is in zoverre gegrond. Conclusie: vernietiging. ___________________________________________
(1)Uw Hof heeft zich over deze bepaling uitgesproken in een arrest van 26 februari 2001 (Cass. 26 februari 2001, AR S.99.0205.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010226.3, AC 2001, nr. 114) alsook in een arrest van 10 mei 2004 (Cass. 10 mei 2004, AR S.02.0078.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040510.8, AC 2004, nr. 247) maar geen van beide arresten betreft exact dezelfde rechtsvraag als deze welke hier aan de orde is.
(2)Zie voor een algemene bespreking G. JOCQUE, “Doorwerking van de vernietigingsarresten op de rechtspraak van het Hof van Cassatie”, in Liber Amicorum André Alen, Intersentia, 2020, 175-188.
(3)Zie in dit verband L. DE GEYTER, “Intrekking” in Bestendig Handboek Burgerlijk Procesrecht, VIII.8-16; F. BARCENA, “La rétraction: voie de recours extraordinaire et exceptionnelle?”, CDPK 2012, 187 en ten slotte E. KRINGS, “Beschouwingen over de gevolgen van de door het Arbitragehof gewezen arresten.”, AC 1985-86, pg. 18: “Wil men de draagwijdte van dit rechtsmiddel begrijpen, dan moet men er dus van uitgaan dat het tot de taak van de rechter behoort na te gaan in hoeverre de vernietiging een invloed uitoefent op de rechtsgeldigheid van de beslissing die hij oorspronkelijk had uitgesproken.” Zie voor een toepassing in de rechtspraak Arbh. Luik 27 juli 1999, Soc. Kron. 2000, é-236 en Arbh. Antwerpen 17 november 1999, Soc.Kron. 2000, 236-237. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220505.1N.3 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220505.1N.3 citeert: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010226.3 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040510.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div