← België

C. contra M.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 09 mei 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220509.3N.5 Rolnummer: C.17.0709.N Zaak: C. contra M. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2022-07-12 Raadplegingen: 443 - laatst gezien 2026-06-19 05:33 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220509.3N.5 Fiche Artikel 348-11 van het oud Burgerlijk Wetboek laat de familierechtbank, buiten de gevallen waarin het gaat om een nieuwe adoptie of om de adoptie van het kind of het adoptief kind van een echtgenoot, van een samenwonende partner of van een voormalige partner ten aanzien van wie een gemeenschappelijk ouderlijk engagement bestaat, slechts toe de weigering van de moeder van het kind om in de adoptie toe te stemmen te weren wanneer de moeder zich niet meer om haar kind heeft bekommerd of wanneer zij de gezondheid, de veiligheid of de zedelijkheid van het kind in gevaar heeft gebracht

(1)
(2).
(1)Zie concl. OM.
(2)Artikel 348-11 van het Oud Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 8 van de wet van 20 februari 2017 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek betreffende de adoptie. Thesaurus CAS: ADOPTIE Vrije woorden: Ouder - Weigering toestemming - Weren - Familierechtbank - Omstandigheden Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 348-11 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de conclusie C.17.0709.N Conclusie van advocaat-generaal Vanderlinden:
  1. Eiser tot cassatie komt op tegen een arrest van het Hof van Beroep te Brussel gewezen op 17 oktober
  2. Door eiser wordt er één middel aangevoerd. Bij arrest van 7 september 2020 oordeelde Uw Hof dat het eerste onderdeel van eiser faalde naar recht. En verder, voor wat betreft het tweede en derde onderdeel, dat een prejudiciële vraag diende gesteld te worden aan het Grondwettelijk Hof.
  3. Het tweede onderdeel. Eiser voerde aan dat het artikel 348-11 Oud Burgerlijk Wetboek de artikelen 22 en van de Grondwet, al dan niet gecombineerd met de artikelen 8 EVRM en 3 van het Internationaal verdrag van de rechten van het kind, schendt zo het de adoptierechter enkel toestaat om over de weigering van de ouders heen te stappen in de in het artikel voorziene, stringente, omstandigheden, maar niet toestaat om rekening te houden met het belang van het kind in het algemeen zoals het niet kunnen onderzoeken of het wegnemen van een kind uit een stabiele omgeving waarin het meer dan 18 maanden is opgegroeid ernstige gevolgen zou hebben voor het emotioneel en psychologisch welzijn van het kind. Uw Hof stelde de volgende vraag: “Schendt artikel 348-11 van het Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 8 van de wet van 20 februari 2017 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek betreffende de adoptie, de artikelen 22 en 22bis van de Grondwet, in zoverre het de adoptierechter slechts toelaat, behalve in de in het tweede lid bepaalde gevallen, geen rekening te houden met de weigering van de moeder van het kind om in de adoptie toe te stemmen in het geval waarin zij zich niet meer om haar kind heeft bekommerd of wanneer zij de gezondheid, de veiligheid of de zedelijkheid van het kind in gevaar heeft gebracht, en het de adoptierechter aldus niet mogelijk maakt, in het geval dat het kind kort na zijn geboorte werd geplaatst bij de persoon van wie het verzoek tot adoptie uitgaat en het sindsdien gedurende lange tijd in diens gezin is opgegroeid, de weigering van de moeder om in de adoptie toe te stemmen te weren, omdat het in die omstandigheden niet in het belang van het kind zou zijn het te onttrekken aan de omgeving waarin het opgroeit”?
  4. Derde onderdeel. Het standpunt van eiser was dat het artikel 348-11 Oud Burgerlijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet samengenomen met de artikelen 22 en 22bis van de Grondwet, 8 EVRM en 3 IVRK schendt in zoverre het een onderscheid gemaakt tussen de hypothese waarin een ouder weigert toestemming te verlenen en de hypothese waarin een andere persoon, die toestemming dient te verlenen, weigert deze toestemming te verlenen, aangezien de rechter in het eerste geval bij de beoordeling van deze weigering geen rekening mag houden met het belang van het kind en de rechter in het tweede geval wel rekening dient te houden met het belang van het kind. Uw Hof stelde de volgende vraag: “Schendt artikel 348-11 van het Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 8 van de wet van 20 februari 2017 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek betreffende de adoptie, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het een onderscheid maakt tussen het geval waarin een ouder weigert toe te stemmen in de adoptie van het kind, in welk geval de adoptierechter in de regel het belang van het kind niet mag beoordelen, en het geval waarin een andere persoon die wettelijk verplicht is zijn toestemming te geven, weigert toe te stemmen in de adoptie van het kind, in welk geval de adoptierechter wel rekening dient te houden met het belang van het kind”?
  5. Arrest Grondwettelijk Hof. Bij arrest nummer 133/2021 van 7 oktober 2021 oordeelde het Grondwettelijk Hof dat beide vragen negatief moeten worden beantwoord. Het Grondwettelijk Hof zegt voor recht: “Artikel 348-11 van het oud Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 8 van de wet van 20 februari 2017 ‘tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, betreffende de adoptie’, schendt de artikelen 10, 11, 22 en 22bis van de Grondwet niet, in zoverre het de familierechtbank, buiten de gevallen waarin het gaat om een nieuwe adoptie of om de adoptie van het kind of het adoptief kind van een echtgenoot, van een samenwonende partner of van een voormalige partner ten aanzien van wie een gemeenschappelijk ouderlijk engagement bestaat, slechts toelaat de weigering van de moeder van het kind om in de adoptie toe te stemmen te weren wanneer de moeder zich niet meer om haar kind heeft bekommerd of wanneer zij de gezondheid, de veiligheid of de zedelijkheid van het kind in gevaar heeft gebracht”.
  6. Beoordeling. Beide onderdelen gaan dan ook uit van een onjuiste rechtsopvatting en falen naar recht. Conclusie: Verwerping. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220509.3N.5 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220509.3N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.