← België

DESARENT contra ETHIAS nv

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 12 mei 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220512.1N.4 Rolnummer: C.20.0587.N Zaak: DESARENT contra ETHIAS nv Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Handelsrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2022-06-29 Raadplegingen: 1122 - laatst gezien 2026-06-19 04:36 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220512.1N.4 Fiches 1 - 2 De in artikel 75 Wet Verzekeringen bedoelde schadebeperkingsverplichting geldt enkel voor de vergoedingsgerechtigde verzekerde

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERZEKERING - LANDVERZEKERING Vrije woorden: Schadegeval - Schadebeperkingsplicht - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet 4 april 2014 betreffende de verzekeringen, inwerkingtreding 1 november 2014 - 04-04-2014 - Artt. 75 en 76, §§ 1 en 2 - 23 ELI link Pub nr 2014011239 Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - HERSTELPLICHT - Meesters. Aangestelden Vrije woorden: Schadegeval - Aangestelde - Schadebeperkingsplicht - Toepassing Wettelijke bepalingen: Wet 4 april 2014 betreffende de verzekeringen, inwerkingtreding 1 november 2014 - 04-04-2014 - Artt. 75 en 76, §§ 1 en 2 - 23 ELI link Pub nr 2014011239 Annotaties Publicaties: TBH-Tijdschrift voor Belgisch handelsrecht - 2022, nr. 9/10, p. 1195-
  1. - VAN SCHOUBROEK, Caroline; Noot'De persoonlijk karakter van de schadebeperkingsplicht in artikel 75 W.Verz' Tekst van de conclusie C.20.0587.N Conclusie van eerste advocaat-generaal Ria Mortier:
  2. Feiten en procedure. Uit de stukken waarop mag worden acht geslagen blijkt dat een vrachtwagen, eigendom van eiseres en bestuurd door een uitzendkracht, schade opliep bij het rijden over stalen platen die naar aanleiding van werken in uitvoering op de openbare weg lagen. Eén van de platen sloeg een gat in de onderkant van de trekker, met olieverlies tot gevolg. De chauffeur bleef nog even doorrijden waardoor ook zware schade aan de motor werd veroorzaakt. De vrachtwagen was op het moment van het schadegeval in eigen schade verzekerd bij verweerster die evenwel weigerde dekking te verlenen voor de schade aan de motor om reden dat die schade niet het gevolg is van het ongeval maar te beschouwen is als vrijwillige schade, berokkend door de chauffeur die ondanks waarschuwingen verder bleef rijden. Eiseres die ervan uitging dat verweerster toch tot dekking gehouden was, ging over tot dagvaarding. Zowel de eerste rechter als de appelrechter wijzen deze vordering af als ongegrond. De appelrechter oordeelt in het bijzonder dat eiseres als verzekerde gehouden is tot een verplichting tot schadebeperking op grond van artikel 75 van de Verzekeringswet en deze verplichting doorwerkt en eveneens geldt voor de aangestelde waarop eiseres beroep doet. Uit de toerekenbaarheid van de handelingen van de chauffeur in zijn hoedanigheid van hulppersoon aan eiseres als opdrachtgever volgt dat de in hoofde van de chauffeur bewezen fout die werd begaan tijdens het uitvoeren van een transport voor eiseres dient te worden beschouwd als een fout van eiseres en eiseres dienvolgens is tekortgeschoten aan de schadebeperkingsplicht die op haar rust. Tegen dit vonnis van 21 april 2020 van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk voert eiseres één middel aan.
  3. Bespreking. 2.
  4. Bij elke verzekering tot vergoeding van schade rust, krachtens artikel 75 van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen, hierna Verzekeringswet, op de verzekerde een schadepreventie- en schadebeperkingsplicht die inhoudt dat de verzekerde alle redelijke maatregelen moet nemen om de gevolgen van het schadegeval te voorkomen of te beperken. Voldoet de verzekerde hier niet aan kan de verzekeraar die hierdoor nadeel ondervindt, krachtens artikel 76 van de Verzekeringswet, aanspraak maken op een vermindering van prestaties tot beloop van het geleden nadeel of de dekking weigeren indien de niet nakoming van die preventie- en beperkingsplicht gebeurde met bedrieglijk opzet. 2.
  5. In het eerste onderdeel voert eiseres aan dat die schadebeperkingsplicht enkel wordt opgelegd aan de verzekerde persoonlijk, maar deze niet rust op een hulppersoon of aangestelde op wie de verzekerde een beroep doet, zodat de appelrechter die anderszins oordeelt zijn beslissing niet naar recht verantwoord. 2.
  6. Verweerster voert ten aanzien van dit onderdeel twee gronden van niet-ontvankelijkheid aan. 2.3.
  7. Vooreerst stelt zij dat de beslissing van de appelrechter naar recht verantwoord blijft omdat het arrest vaststelt, zonder op dat punt kritiek te krijgen, dat de partijen het begrip “verzekerde” contractueel hebben gepreciseerd door hierin onder andere de “toegelaten houder en bestuurder van het omschreven voertuig” op te nemen. In zoverre verweerster hiermee aanvoert dat de contractuele kwalificatie als verzekerde volstaat om tot de schadebeperkingsplicht uit artikel 75 van de Verzekeringswet gehouden te zijn en een inbreuk op de schadebeperkingsplicht vanwege een dergelijke contractueel gekwalificeerde verzekerde ook doorwerkt naar de andere verzekerde die de dekking ontvangt, faalt dit standpunt mijns inziens naar recht. Bij een verzekering tot vergoeding van schade moet de verzekerde overeenkomstig artikel 91 Verzekeringswet kunnen aantonen dat hij een in geld waardeerbaar belang heeft bij het behoud van de zaak of bij de gaafheid van het vermogen. Het “verzekerbaar belang” is niet enkel een voorwaarde voor de geldigheid van de verzekeringspolis, maar ook een voorwaarde voor de gerechtigheid op de verzekeringsuitkering
(1). Het houdt in dat er slechts verzekering bestaat daar waar het gedekte risico een gebeurtenis uitmaakt die van aard is om nadeel toe te brengen aan de verzekerde
(2). De “verzekerde” betreft aldus de persoon die door de verzekering gedekt wordt tegen vermogensverlies of die titularis is van het verzekerbaar belang. Ook uit de rechtspraak van Uw Hof volgt dat een verzekerde onder bepaalde omstandigheden kan beschouwd worden als een derde met betrekking tot een schadegeval. Zo zullen mede-eigenaars in het raam van een appartementsmede-eigendom, die allen gedekt zijn door een verzekering tegen waterschade, weliswaar elk voor hun kavel verzekerde zijn, maar als derde beschouwd worden ten aanzien van andermans kavel. Een verzekerde is dan een derde wanneer de verzekeraar hem geen dekking verleent voor het schadegeval
(3). Ook het subrogatoir verhaalsrecht van de verzekeraar ten aanzien van de aansprakelijke mede-eigenaar voor de dekking die hij verleende aan de overige mede-eigenaars is dan gericht op een derde
(4). De contractuele stempel als verzekerde garandeert aldus niet de daadwerkelijke kwalificatie als verzekerde bij een schadegeval waarvoor de verzekeringsovereenkomst speelt. Zonder van de dekking te genieten, is de contractueel omschreven verzekerde immers als derde te beschouwen voor dat specifieke schadegeval. Daarnaast is het te dezen zo dat de appelrechter weliswaar vaststelt dat de eigenaar en de bestuurder beide verzekerde zijn volgens de polisvoorwaarden, maar dat hij, in lijn met wat voorafgaat, oordeelt dat bij een schadeverzekering de verzekerde diegene is die door de verzekering is gedekt tegen vermogensschade en er geen discussie kan zijn dat eiseres is te beschouwen als verzekerde nu zij als eigenaar van de beschadigde vrachtwagen houder is van het verzekerbaar belang. Anders dan verweerster aanvoert steunt de beslissing van de appelrechter dat eiseres door toedoen van de hulppersoon – aangestelde is tekortgeschoten aan de schadebeperkingsplicht dus niet op de vaststelling dat ook de toegelaten bestuurder in de polis als verzekerde wordt vermeld. Ook om die reden dient de eerste grond van niet-ontvankelijkheid te worden verworpen. 2.3.
  1. Eiseres voert ook een tweede grond van niet-ontvankelijkheid aan. Het middel maakt geen melding van artikel 1384, derde lid oud Burgerlijk wetboek, hoewel de appelrechter zijn beslissing hierop steunt om te oordelen dat de handelingen van de bestuurder, als aangestelde van eiseres, aan eiseres toe te rekenen zijn. Ook deze grond van niet-ontvankelijkheid dient mijns inziens te worden verworpen nu uit geen enkel element blijkt dat de appelrechter zijn beslissing steunt op voormeld artikel. 2.
  2. Het door eiseres in het eerste onderdeel voorgestaan persoonlijk karakter van de schadebeperkingsplicht houdt in dat als een hulppersoon de schade niet beperkt, dat niet toe te rekenen is aan de opdrachtgever-verzekerde. Dit lijkt mij, op grond van wat volgt, correct. Een hulppersoon is een natuurlijke persoon of rechtspersoon die door de schuldenaar van een contractuele verbintenis belast wordt met de gehele of gedeeltelijke uitvoering van deze verbintenis, ongeacht of hij deze verbintenis uitvoert voor eigen rekening en in eigen naam, dan wel voor rekening en in naam van de schuldenaar
(5). Een hulppersoon kan onder het gezag, de leiding en het toezicht van de opdrachtgever handelen, zoals een werknemer
(6). Ook zelfstandige hulppersonen kunnen de verbintenis van de opdrachtgever uitvoeren
(7), te denken valt aan een orgaan van een rechtspersoon
(8). Gemeenrechtelijk staat de opdrachtgever in voor de fouten van zijn hulppersoon, zonder dat in hoofde van de opdrachtgever een fout in de keuze van de hulppersoon, in de instructies aan de hulppersoon of in het toezicht op de hulppersoon is aan te tonen
(9). De toerekening van de fout van de hulppersoon maakt de opdrachtgever aansprakelijk, ook al treft deze laatste geen persoonlijke schuld
(10). De opdrachtgever en zijn hulppersoon vormen voor de schuldeiser een economische eenheid waarbij een zogenaamde identificatie gedachte speelt
(11)in die zin dat de fout van de hulppersoon gelijkstaat aan een fout van de opdrachtgever die voor hem instaat
(12). Deze toerekening vindt zijn verantwoording in de idee dat de schuldenaar zijn risico op aansprakelijkheid niet kan afwentelen door een hulppersoon in te schakelen en de schuldenaar aan zijn schuldeiser geen andere schuldenaar mag opdringen
(13). Op het vlak van verzekering speelt evenwel een andere logica. Een verzekering tot vergoeding van schade heeft als eerste functie het vergoeden van het nadeel dat voortvloeit uit de verwezenlijking van het risico. Aan de basis van de Verzekeringswet ligt een doorgedreven dekking- en consumentenbescherming die ertoe leidt dat het voor de verzekeraar niet vanzelfsprekend mag zijn om zijn dekking te weigeren
(14). Die basisidee verklaart ook waarom de verzekeraar zich overeenkomstig artikel 62 van voornoemde wet enkel aan zijn dekking kan onttrekken als hetzij aan het begrip opzet is voldaan, hetzij de zware fout uitdrukkelijk contractueel is omschreven
(15). Artikel 62, lid 1 voorziet dat de verzekeraar niet verplicht kan worden dekking te geven “aan hem” die het schadegeval opzettelijk heeft veroorzaakt. “Hem die” slaat dan op elke vrijwillige dader van het schadegeval die in andere omstandigheden aanspraak had kunnen maken op de dekking, dit is elke verzekerde-begunstigde. De dekking wordt dus niet ontzegd aan andere gebeurlijke begunstigden die vreemd zijn aan de vrijwillige uitlokking van het schadegeval
(16). Uw Hof sprak zich reeds in een aantal arresten uit over de vraag of een verzekeringsdekking te weigeren valt in hoofde van een verzekerde, bij opzet vanwege een andere verzekerde/begunstigde
(17). Zo verliest de verzekerde echtgenoot zijn dekking niet omdat zijn echtgenote, eveneens verzekerde, het ongeval opzettelijk veroorzaakte
(18). Ook de wettelijke erfgenamen blijven als begunstigden van een levensverzekering op het hoofd van hun moeder, niet van dekking verstoken omdat hun vader, eveneens begunstigde (in eerste rang), door zijn opzettelijke daad (de moord op de moeder) zijn dekking verliest
(19). Diezelfde regel verantwoordt dat een mede-eigenaar van een gebouw nog dekking krijgt van de brandverzekeraar ook al heeft een andere mede-eigenaar het gebouw opzettelijk in brand gestoken
(20). Het Grondwettelijk Hof heeft zich in dezelfde zin uitgesproken
(21). Die eigen logica van een verzekeringsovereenkomst met de eerder vermelde basisidee van doorgedreven dekking- en consumentenbescherming verklaart waarom de gemeenrechtelijke aansprakelijkheid van de opdrachtgever niet mag worden geëxtrapoleerd naar een verzekeringsovereenkomst. Uw Hof sprak zich weliswaar nog niet eerder uit over de concrete rechtsvraag of een opdrachtgever toch nog verzekeringsdekking kan genieten voor een schadegeval dat zijn hulppersoon opzettelijk heeft veroorzaakt, maar toch kan relevant worden verwezen naar het arrest van 25 maart 2003 waarin werd geoordeeld dat ouders, als civielrechtelijke aansprakelijke voor hun minderjarige kinderen, hun dekking behouden ondanks het opzettelijk schadeverwekkende gedrag vanwege hun kind. De minimumvoorwaarden voor de BA privé-leven
(22), die toelaten om de dekking uit te sluiten voor schade voortvloeiend uit de “persoonlijke” burgerrechtelijke aansprakelijkheid buiten overeenkomst van de verzekerde die de jaren des onderscheids heeft bereikt en die een schadegeval veroorzaakt in een uitdrukkelijk en beperkend contractueel vastgelegd geval van grove schuld, in casu opzet, laten bijgevolg niet toe de dekking uit te sluiten voor die opzettelijke handeling in hoofde van de verzekerde die “civielrechtelijk aansprakelijk” is voor de voornoemde verzekerde die de opzettelijke fout beging
(23). Het traditionele principe uit de aansprakelijkheidsverzekering dat enkel de persoonlijke daad van de verzekerde van aard is om hem dekking te ontnemen, geldt met ander woorden ook ten aanzien van artikel 6, 6° KB van 12 januari 1984
(24). De opzettelijke fout van een andere persoon kan dus niet ingeroepen worden tegen degene die voor deze persoon civielrechtelijk aansprakelijk is en hiervoor verzekerd is”. Eenzelfde standpunt werd ingenomen bij arrest van 4 juni 2012
(25). Dit standpunt van uw Hof wordt in rechtspraak en rechtsleer ook uitgebreid naar de verhouding aansteller-aangestelde en werkgever-werknemer
(26), dan wel naar alle situaties van kwalitatieve aansprakelijkheid op grond van artikel 1384 oud BW en andere gevallen waarbij daden gepleegd door een persoon (andere dan een orgaan) worden toegerekend aan een opdrachtgever
(27). Dit persoonlijke karakter van opzet, weerhouden bij de totstandkoming van het schadegeval, wijkt aldus af van de gemeenrechtelijke toerekening van de handelingen van hulppersonen (andere dan organen) aan hun opdrachtgever. Het opzettelijke karakter van die handelingen speelt voor die toerekening normaliter geen rol
(28), en de opdrachtgever staat bijgevolg in voor de opzettelijke fout van de hulppersoon
(29)maar die toerekening verhindert niet dat de opdrachtgever nog verzekeringsdekking geniet voor het schadegeval dat zijn hulppersoon (andere dan een orgaan) opzettelijk veroorzaakte. 2.5. Er zijn mijns inziens geen objectieve redenen om, zoals te dezen het geval is, de verergering van het schadegeval door een tekortkoming aan de schadebeperkingsplicht anders te benaderen. Integendeel, er anders over oordelen zou er dan immers toe leiden dat wanneer een hulppersoon van de verzekerde opzettelijk schade aanricht er geen uitsluiting van dekking geldt gelet op artikel 62, eerste lid Verzekeringswet, terwijl ingeval een hulppersoon op foutieve of opzettelijke wijze weigert de schade te beperken er wel een vermindering of weigering van dekking geldt op grond van de artikelen 75-76 Verzekeringswet. Deze tekortkoming aan de schadebeperkingsplicht is dus, zelfs los van de vraag naar opzet, als persoonlijk te beschouwen en een hulppersoon die opzettelijk geen schadebeperkende maatregelen neemt ontneemt de dekking voor de verzekerde niet. Hieraan kan nog worden toegevoegd dat, wat betreft de op de verzekerde rustende plicht tot schadebeperking, deze inhoudt dat de verzekerde alle redelijke maatregelen moet nemen om de gevolgen van een schadegeval te voorkomen en te beperken. De verzekerde mag niet onverschillig staan tegenover de belangen van de verzekeraar
(30)en het is aan hem om alle maatregelen te nemen om de gevolgen van een schadegeval te voorkomen en te beperken, hetgeen verband houdt met de uitvoering ter goeder trouw van de overeenkomst
(31). De verzekerde heeft er, als houder van het verzekerbaar belang, uiteraard ook belang en baat bij dat het risico zich niet veruitwendigt
(32). Van zodra hij kennis krijgt van het schadegeval, zal hij als eerste maatregelen moeten nemen om de schade te beperken. De goede trouw legt hem die plicht op
(33). Gezien de te nemen maatregelen slechts bedoeld zijn ter voorkoming en beperking van de gevolgen van het schadegeval, ontstaat de verplichting pas op het ogenblik dat het schadegeval zich voordoet
(34). De redelijkheid van de maatregelen impliceert dat de verzekerde ertoe is gehouden de uitbreiding van het schadegeval te voorkomen met de middelen die een voorzichtig persoon in dergelijke omstandigheden zou inzetten, zonder ertoe gehouden te zijn uitzonderlijke middelen aan te wenden
(35). De verzekerde die op het ogenblik dat het schadegeval zich voordoet niet op de hoogte is van dit schadegeval, is niet bij machte schadebeperkende maatregelen te nemen en kan dus niet tot het onmogelijke gehouden worden. Het persoonlijk karakter van de schadebeperkingsplicht kan met andere woorden nooit zo ver gaan. 2.6. De appelrechter die oordeelt dat de schadebeperkingsverplichting waartoe eiseres als verzekerde gehouden is wel doorwerkt en eveneens geldt voor de hulppersoon-aangestelde waarop eiseres beroep doet, gelet op de toerekenbaarheid van de handelingen van de aangestelde aan eiseres als opdrachtgever de fout van de aangestelde moet worden beschouwd als een fout van eiseres en op die grond oordeelt dat eiseres is tekortgeschoten aan haar schadebeperkingsplicht zodat de verzekeringsprestatie van verweerster moet worden verminderd met toepassing van artikel 76, § 1 Verzekeringswet, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht. Het eerste onderdeel komt bijgevolg gegrond voor. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Conclusie: vernietiging met verwijzing. ___________________________
(1)V. SAGAERT, “De objectivering van het verzekeraar belang” in Over grenzen, Liber amicorum Herman Cousy, Intersentia 2011, p. 534.
(2)M. FONTAINE, Verzekeringsrecht, Larcier 2017, 160.
(3)Cass. 24 februari 2017, AR C.16.0243.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170224.2, AC 2017, nr. 132; Zie ook I. BOONE, Verhaal van derde-betalers op de aansprakelijke, Antwerpen, Intersentia 2009, 546 en volgende.
(4)Cass. 24 februari 2017, AR C.16.0243.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170224.2, AC 2017, nr. 132; Cass. 4 december 2014, AR C.13.0617.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141204.6, AC 2014, nr. 754.
(5)Cass. 12 maart 2020, AR C.19.0408.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200312.1N.9, AC 2020, nr. 188; Cass. 24 maart 2016, AR C.14.0329.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160324.17, AC 2016, nr. 215.
(6)Zie Cass. 29 september 2006, AR.C.03.0502.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060929.9, AC 2006, nr. 447.
(7)Zie Cass. 5 oktober 1990, AR 6750, AC 1990, nr. 58.
(8)W. BUELENS, “Gevolgen van de overeenkomst voor de contractspartijen” in T.Vansweevelt en B.Weyts(eds.), Handboek verbintenissenrecht, Antwerpen, Intersentia 2019, 352-353; I. CLAEYS, Samenhangende overeenkomsten en aansprakelijkheid, Antwerpen, Intersentia 2003, 206-207.
(9)I. CLAEYS en T. TANGHE, Algemeen contractenrecht, Antwerpen, Intersentia 2021, 450-451. Zie ook artikel 5.303 Wetsvoorstel Verbintenissenrecht: “Indien de schuldenaar een beroep doet op andere personen voor de nakoming van de verbintenis, is de fout die deze hulppersonen hebben begaan aan hem toerekenbaar”.
(10)Zie memorie van toelichting bij het Wetsvoorstel Verbintenissenrecht, pag. 244: “Indien de tekortkoming aan deze hulpersoon te wijten is, dan treft de debiteur weliswaar geen persoonlijke schuld, maar komt deze omstandigheid toch voor zijn rekening”.
(11)Zie Cass. 25 mei 2012, AR C.10.0557.F ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120525.2, AC 2012, nr. 339; Cass. 4 februari 2010, AR C.09.0246.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100204.8, AC 2010, nr. 84; Cass. 29 september 2006, AR C.03.0502.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060929.9, AC 2006, nr. 447; Cass. 27 februari 2003, AR C.01.0457.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030227.13, AC 2003, nr. 138; Cass. 5 oktober 1990, AR 6570, AC 1990, nr. 58; Cass. 21 juni 1979, AC 1979, 1268.
(12)S. STIJNS, Leerboek verbintenissenrecht, 1, Brugge, die Keure 2016, 155 (“Begaan dergelijke hulppersonen een fout in de uitvoering van hun opdracht die kadert in de uitvoering van de hoofdovereenkomst tussen hun opdrachtgever en zijn medecontractant, dan wordt die fout geacht door de opdrachtgever te zijn begaan jegens zijn medecontractant. Hij is hiervoor persoonlijk aansprakelijk”).
(13)E. DIRIX, Obligatoire verhoudingen tussen contractanten en derden, Antwerpen, Maklu 1984, 45.
(14)zie T. VANSWEEVELT en B. WEYTS, Handboek verzekeringsrecht, Antwerpen, Intersentia 2016, 543.
(15)T. VANSWEEVELT en B. WEYTS, Handboek verzekeringsrecht, Antwerpen, Intersentia 2016, 543.
(16)M. Fontaine, Verzekeringsrecht, Larcier 2017, 370.
(17)Cass. 4 maart 2013, AR C.09.0205.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130304.2, AC 2013, nr. 140; Zie G. JOCQUÉ, “Verzekeraar kan niet verplicht worden dekking te geven aan hem die het schadegeval opzettelijk heeft veroorzaakt” (noot onder Cass. 4 maart 2013), NJW 2013, 309-310.
(18)Cass. 8 mei 2014, AR C.13.0451.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140508.13, AC 2014, nr. 328.
(19)Cass. 3 maart 2014, AR C.13.0224.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140303.1, AC 2014, nr. 165.
(20)Cass. 4 maart 2013, AR C.09.0205.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130304.2, AC 2013, nr. 140.
(21)GwH 5 mei 2011, nr. 61/2011.
(22)Artikel 6, 6°, van het KB van 12 januari 1984.
(23)Cass. 25 maart 2003, AR P.02.1097.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030325.6, AC 2003, nr. 199.
(24)Conclusie van advocaat-generaal M. DE SWAEF voor Cass. 25 maart 2003, AR P.02.01097.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030325.6, AC 2003, nr. 199.
(25)Cass. 4 juni 2012, AR C.10.0734.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120604.5-C.11.0177.N-C.12.0070.N, AC 2012, nr. 358.
(26)P. COLLE, Algemene beginselen van het Belgische verzekeringsrecht, Antwerpen, Intersentia 2019, 100; G. JOCQUÉ, De verzekerde en de benadeelde in de aansprakelijkheidsverzekering, Antwerpen, Intersentia 2016, 400-401; G. JOCQUÉ, “Burgerlijk aansprakelijken verzekerd bij opzettelijk veroorzaakte schade” (noot onder Cass. 25 maart 2003), TBH 2003, 673-674; C. VAN SCHOUBROECK, “Over opzettelijk veroorzaakte schadegevallen en verzekering”, TBH 2005, 825.
(27)G. HEIRMAN, “Opzettelijke schadegevallen in het verzekeringsrecht: het Hof van Cassatie verbiedt clausules die de dekking uitsluiten van begunstigden die vreemd zijn aan de opzettelijke veroorzaking van het schadegeval” (noot onder Cass. 3 maart 2014), DCCR 2015, 99; C. VAN SCHOUBROECK, “Over opzettelijk veroorzaakte schadegevallen en verzekering”, TBH 2005, 825-826.
(28)Zie I. CLAEYS en T. TANGHE, Algemeen contractenrecht, Antwerpen, Intersentia 2021, 449-452.
(29)A.K. LENAERTS, Fraus omnia corrumpit in het privaatrecht, Autonome rechtsfiguur of miskend correctiemechanisme, Brugge, die Keure 2013, 92-93.
(30)Parl.st. Kamer 1990-91, nr. 1586/1, pag. 28.
(31)M. FONTAINE, Verzekeringsrecht, Larcier 2017, 302-303.
(32)R. HUPIN en G. HUPIN, “Les frais de retrait du marché et la licéité de leur exclusion de l'assurance R.C. Produits”, Bull.Ass. 1983, 329-330.
(33)H. DE RODE, Droits et obligations des parties en cas de sinistre in Responsabilités, Traité théorique et pratique, Luik, Kluwer 2020, losbl., 36; M. Fontaine, Verzekeringsrecht, Brussel, Larcier 2017, 303; G. JOCQUÉ, “Zijn de kosten voor de opruiming van een verloren lading reddingskosten?, TBH 2007, 806; A. LELEUX, “La délicate question des frais de sauvetage: rappel des principes”, For.ass. 2018, afl. 185, 121.
(34)M. FONTAINE, Verzekeringsrecht, Larcier 2017, 304.
(35)M. FONTAINE, Verzekeringsrecht, Larcier 2017, 306. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220512.1N.4 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220512.1N.4 citeert: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030227.13 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030325.6 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060929.9 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100204.8 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120525.2 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120604.5 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130304.2 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140303.1 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140508.13 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141204.6 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160324.17 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170224.2 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200312.1N.9 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250314.1N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.