id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 12 mei 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220512.1N.5 Rolnummer: C.21.0081.N Zaak: Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappi c. Société de Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2022-07-04 Raadplegingen: 498 - laatst gezien 2026-06-18 09:50 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220512.1N.5 Fiches 1 - 3 Artikel 2277ter, § 1, Oud Burgerlijk wetboek betreft de omzetting in het nationale recht van artikel 10 van de richtlijn 2004/35/EG van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade, met op een aantal punten een ruimer toepassingsgebied dan de richtlijn zodat dit artikel ook van toepassing is op de rechtsvorderingen ingesteld door publieke overheden tot vergoeding van de kosten voor maatregelen tot voorkoming en tot het herstel van milieuschade ten aanzien van personen die niet aansprakelijk zijn voor de milieuschade of de onmiddellijke dreiging van milieuschade
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: MILIEURECHT Vrije woorden: Milieuschade - Overheid - Getroffen maatregelen ter voorkoming en tot herstel - Verjaringstermijn Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade - 21-04-2004 - Art. 10 - 39 Link Justel databank 20040421-39 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 2277ter, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - HERSTELPLICHT - Staat. Overheid Vrije woorden: Milieuschade - Overheid - Getroffen maatregelen ter voorkoming en tot herstel - Vordering tot vergoeding van de kosten - Verjaringstermijn Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade - 21-04-2004 - Art. 10 - 39 Link Justel databank 20040421-39 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 2277ter, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Termijnen (Aard. Duur. Aanvang. Einde) Vrije woorden: Artikel 2277ter, § 1, Oud Burgelijk Wetboek - Omzetting van richtlijn 2004/35/EG - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade - 21-04-2004 - Art. 10 - 39 Link Justel databank 20040421-39 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 2277ter, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de conclusie C.21.0081.N Conclusie van eerste advocaat-generaal Ria Mortier:
- Feiten en procedure. Uit de stukken waarop mag worden acht geslagen blijkt dat verweerster eigenaar is van een aantal percelen grond die door haar werden verhuurd en waar, op een deel ervan, door de huurder een inrichting werd geëxploiteerd voor de opslag, recuperatie en distillatie van solventen. Die activiteiten werd in 1993 als gevolg van een brand stopgezet. Bij besluit van 12 mei 2000 van de Vlaamse minister van Leefmilieu, werd wegens het vaststellen van een historische bodemverontreiniging een bodemsanering bevolen. Eiseres maande verweerster aan tot het uitvoeren van een beschrijvend bodemonderzoek waarop verweerster het statuut van onschuldig eigenaar aanvroeg teneinde vrijgesteld te worden van de saneringsverplichting. Deze aanvraag werd verworpen. Ook het verweer dat verweerster geen saneringsplichtige was werd door de Vlaamse minister niet aanvaard. Er werd op initiatief van verweerster een aanvang genomen met een beschrijvend bodemonderzoek zonder erkenning door verweerster van enige saneringsplicht of saneringsaansprakelijkheid. Intussen had eiseres al een aantal bewarende veiligheidsmaatregelen genomen en ging zij over tot ambtshalve sanering gezien er door verweerster onvoldoende maatregelen werden genomen om een eindverslag van beschrijvend bodemonderzoek af te leveren. Verweerster liet ook na de voorzorgsmaatregelen uit te voeren die haar werden opgelegd door eiseres. Op 9 mei 2003 besliste eiseres om in de plaats en op kosten van verweerster verder ambtshalve uit te voeren. In september 2012 ging eiseres over tot het inleiden van huidige procedure waarbij zij de terugbetaling vordert van kosten met betrekking tot de ambtshalve sanering die zij wegens het stilzitten van verweerster als eigenaar had uitgevoerd. Verweerster wierp de verjaring van die vordering op. Zowel de eerste rechter als de appelrechters volgen dit standpunt en oordelen dat artikel 2277ter Oud BW waarop eiseres zich beroept enkel geldt ten aanzien van de exploitant of degene die de milieuschade heeft veroorzaakt maar niet tegen de eigenaar van de grond als saneringsplichtige. De vordering van eiseres wordt met toepassing van artikel 2262bis Oud BW ongegrond verklaard wegens verjaring. Tegen dit arrest van 7 december 2020 van het hof van beroep te Brussel voert eiseres één middel aan. In het enig middel voert eiseres aan dat nu, krachtens artikel 10, § 1 b van het te dezen van toepassing zijnde Bodemsaneringsdecreet, de eigenaar van de grond waar de verontreiniging tot stand kwam kan gehouden zijn tot het uitvoeren van de sanering op eigen kosten en eiseres krachtens artikel 45, § 1 van het Bodemsaneringsdecreet ambtshalve tot sanering kan overgaan indien de persoon die hiertoe verplicht is niet of in onvoldoende mate optreedt, voor de toepassing van de bijzondere verjaringstermijn van artikel 2277ter, § 1 Oud BW onder “aansprakelijke” moet worden verstaan de persoon die gehouden is tot het vergoeden van de kosten van de maatregelen die genomen zijn door de publieke overheid, ongeacht de grondslag van zijn aansprakelijkheid voor de vergoeding van die kosten, weze het dus al dan niet als veroorzaker van de milieuschade maar als saneringsplichtige. De appelrechters die ervan uitgaan dat die wetsbepaling enkel geldt ten aanzien van de saneringsaansprakelijke, zijnde de vervuiler, hebben met die beslissing artikel 2277ter, § 1, Oud BW onterecht beperkt en artikel 2262bis, § 1, tweede lid, Oud BW onterecht toegepast.
- Bespreking. 2.
- Als belangrijk uitgangspunt van een vergoedingsstelsel voor milieuschade geldt dat de schade die aan het milieu wordt veroorzaakt moet gedragen worden door degene die het risico creëert en er het economisch voordeel van heeft. De schade moet dus worden toegerekend aan de vervuiler en mag niet ten laste komen van de gemeenschap
(1). 2.2. Het beginsel dat “de vervuiler betaalt” is een Europeesrechtelijk beginsel. De Richtlijn 2004/35/EG betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade
(2)gaat onder andere
(3)uit van dit principe zoals aangegeven in het Verdrag en in overeenstemming met het beginsel van duurzame ontwikkeling, en voert in functie van het voorkomen en herstellen van milieuschade
(4)een systeem in van preventie- en herstelplichten die rusten op exploitanten wiens activiteiten milieuschade of een onmiddellijke dreiging voor milieuschade veroorzaken. Deze Richtlijn betreffende milieuaansprakelijkheid heeft echter weinig te maken heeft met burgerrechtelijke aansprakelijkheid en wordt daarom bij voorkeur “de Milieuschaderichtlijn” genoemd
(5). Ze opteert voor een publiekrechtelijk handhavingsmechanisme en voorziet dienvolgens in verplichtingen die van een gans andere aard zijn dan de verbintenis om schade te herstellen die het civiele aansprakelijkheidsrecht oplegt. In essentie verplicht de Richtlijn de exploitant om, op eigen kosten en eigen initiatief, maar onder toezicht van en in samenwerking met de door de lidstaat aangewezen bevoegde overheidsdienst milieuschade te voorkomen en te herstellen
(6). De tegenpartij van de “aansprakelijke” exploitant is dus geen benadeelde die schadevergoeding krijgt of een rechter die over een aansprakelijkheidsvordering uitspraak doet, maar de bevoegde instantie die door de lidstaat is aangewezen voor de tenuitvoerlegging van de Richtlijn en aan wie de “aansprakelijke” informatie moet verstrekken en wiens instructies hij moet opvolgen
(7). Die financiële aansprakelijkheid, die inhoudt dat hij in beginsel de kosten moet dragen van de noodzakelijke preventieve of herstelmaatregelen, zet er aldus de exploitant toe aan maatregelen te nemen en praktijken te ontwikkelen om de risico's van milieuschade tot een minimum te beperken zodat ook zijn blootstelling aan financiële verplichtingen wordt verminderd
(8). Gezien het voorkomen en herstellen van milieuschade een taak is die rechtstreeks bijdraagt tot de uitvoering van het milieubeleid van de Gemeenschap, moeten ook de overheidsinstanties zorgen voor een correcte uitvoering en handhaving van de regeling waarin de Milieuschaderichtlijn voorziet
(9). Het beginsel “de vervuiler betaalt” houdt daarom ook in dat indien een bevoegde autoriteit zelf of via een derde optreedt in de plaats van een exploitant om de milieuschade te voorkomen of te herstellen, die autoriteit de door haar gemaakte kosten op de exploitant moet kunnen verhalen
(10). Artikel 10 van de Milieuschaderichtlijn voorziet in die zin dat de bevoegde instantie gerechtigd is tegen de exploitant of, indien van toepassing, een derde die de schade of de onmiddellijke dreiging van schade heeft veroorzaakt, de procedure in te leiden voor het verhalen van de kosten met betrekking tot alle uit hoofde van deze richtlijn genomen maatregelen voordat een periode van vijf jaar verstreken is, te rekenen vanaf de datum waarop de maatregelen geheel zijn voltooid of de datum waarop de aansprakelijke exploitant of derde is geïdentificeerd, indien die datum later is. 2.3. Voor de toepassing van de Milieuschaderichtlijn wordt onder “de exploitant” verstaan de “particuliere of openbare natuurlijke persoon of rechtspersoon die de beroepsactiviteit verricht of regelt, of, als dit in de nationale wetgeving is bepaald, aan wie een doorslaggevende economische zeggenschap over het technisch functioneren van een dergelijke activiteit is gedelegeerd met inbegrip van de houder van een vergunning of machtiging voor een dergelijke activiteit of de persoon die een dergelijke activiteit registreert of meldt
(11). De exploitant in de zin van de Richtlijn is de vervuiler. De bevoegde overheid kan de kosten voor de preventie en het herstel van de milieuschade enkel op hem verhalen
(12)en de verjaringstermijn voorzien in de Richtlijn is bijgevolg gericht op de vordering jegens de exploitant of de derde die de schade of de ernstige dreiging ermee heeft veroorzaakt
(13). Wat het toepassingsgebied in de tijd betreft voorziet de Milieuschaderichtlijn uitdrukkelijk
(14)dat zij niet van toepassing is op schade veroorzaakt door een emissie, gebeurtenis of incident dat heeft plaatsgevonden vóór de in artikel 19, lid 1, bedoelde datum, dit is 30 april 2007, op schade veroorzaakt door een emissie, gebeurtenis of incident die plaatsvindt na de datum bedoeld in artikel 19, lid 1, wanneer deze voortvloeit uit een specifieke activiteit die heeft plaatsgevonden en is beëindigd vóór genoemde datum, en op schade, indien meer dan 30 jaar zijn verstreken sinds de emissie, gebeurtenis of incident, waardoor de schade is ontstaan. De Richtlijn heeft dus geen retroactieve werking en is bijgevolg niet van toepassing op milieuschade die het gevolg is van gebeurtenissen van voor haar inwerkingtreding, noch voor milieuschade die zich voordoet meer dan dertig jaar na de emissie of de gebeurtenis die haar veroorzaakte
(15). Wat het toepassingsgebied van de Richtlijn betreft mag evenwel niet uit het oog worden verloren dat de Milieuschaderichtlijn gebaseerd is op artikel 192 VWEU
(16), wat betekent dat ze geen volledige harmonisering meebrengt maar slechts een minimumbeschermingsniveau oplegt. De lidstaten zijn vrij om zelf strengere voorschriften inzake preventie en herstel in te voeren of te handhaven
(17), wat onder andere kan inhouden dat er extra activiteiten of verdere verantwoordelijke partijen worden bepaald waarop de voorschriften inzake preventie en herstel van toepassing zijn. Ook kan ten aanzien van eenzelfde milieuschadegeval, zowel een publiekrechtelijk optreden zoals beoogd door de Richtlijn als een privaatrechtelijk optreden op grond van nationale bepalingen, zoals civiele aansprakelijkheid, denkbaar zijn
(18). 2.4. Ook het Decreet van 22 februari 1995 betreffende de Bodemsanering, zoals te dezen van toepassing, gaat uit van het principe “de vervuiler betaalt”. Daarnaast vormt het onderscheid tussen nieuwe bodemverontreiniging (ontstaan na de inwerkingtreding van het decreet) en historische bodemverontreiniging (ontstaan voor de inwerkingtreding van het decreet) één van de belangrijkste uitgangspunten van dit decreet
(19). Dit fundamenteel onderscheid is onder andere van belang voor de verplichting tot sanering. Bij nieuwe bodemverontreiniging ontstaat die verplichting van zodra de door de Vlaamse regering vastgestelde saneringsnormen worden overschreden. Bij historische bodemverontreiniging echter bestaat geen zelfstandige saneringsplicht maar wijst de Vlaamse regering op voorstel van OVAM de gronden aan waar sanering moet plaatsvinden. De saneringsplicht ontstaat dus pas als de te saneren gronden worden geïdentificeerd door de Vlaamse regering en de saneringsplichtige door OVAM wordt aangemaand om tot sanering over te gaan. Deze aparte regeling voor historische verontreiniging wordt verantwoord door de bestaande omvang ervan en de beperktheid van de beschikbare financiële middelen voor de overheid
(20). Het Bodemsaneringsdecreet, en nadien ook het Bodemdecreet dat er voornamelijk een revisie en een uitbreiding van is, koppelt de saneringsplicht los van de aansprakelijkheid voor de verontreiniging
(21)en voorziet voor het aanduiden van de saneringsplichtige in een cascadesysteem. Indien op het terrein waar de verontreiniging tot stand kwam een milieuvergunnings- of meldingsplichtige activiteit wordt uitgeoefend rust de saneringsplicht eerst op de exploitant in de zin van het milieuvergunningsdecreet
(22). Indien er geen dergelijke activiteit wordt geëxploiteerd rust de saneringsverplichting op de eigenaar van de grond waar de verontreiniging tot stand kwam, maar indien die eigenaar kan aantonen dat een ander persoon voor eigen rekening de feitelijke controle over deze grond heeft, rust de verplichting op die andere persoon
(23). De decreetgever heeft aldus een keuze gemaakt om de saneringsplicht ook te laten rusten op de persoon die daadwerkelijke zeggenschap heeft over de aangetroffen verontreiniging. Deze keuze is voornamelijk ingegeven door redenen van praktisch nut: de feitelijke exploitant of gebruiker van een grond is gemakkelijk identificeerbaar, en heeft uiteraard ook steeds toegang tot de grond om de nodige onderzoeken en saneringswerken te doen. Hij is aldus te verkiezen boven de eigenlijke veroorzaker van de verontreiniging die dikwijls moeilijker identificeerbaar is en daarenboven geen feitelijke toegang (meer) kan hebben tot de grond die hij heeft verontreinigd
(24). Een persoon kan dus krachtens het bodemsaneringsdecreet gehouden zijn tot het saneren van een verontreinigde bodem, zonder dat hij ooit enige wettelijke verplichting heeft overtreden. Het volstaat dat hij feitelijke exploitant is van het terrein
(25). De saneringsplichtige is -ook in dit wetgevend kader- verplicht om op eigen kosten tot bodemsanering over te gaan
(26). Dit belet evenwel niet dat hij de kosten kan terug vorderen van degene die voor de bodemverontreiniging aansprakelijk is overeenkomstig de regels van het decreet of op andere rechtsgronden
(27)zoals de foutaansprakelijkheid of andere wettelijke objectieve aansprakelijkheidsregels
(28). De saneringsplichtige moet dus alleszins de sanering prefinancieren en zal de kosten ook definitief moeten dragen indien hij deze niet kan terugvorderen van de aansprakelijke persoon
(29). Inzake bodemverontreiniging leidt de toepassing van de aansprakelijkheidsregels immers in vele gevallen niet tot genoegdoening van de saneringsplichtige. Zo kan het zijn dat de persoon die de verontreiniging heeft veroorzaakt insolvabel, overleden, onbekend of onvindbaar is. De vennootschap die de verontreiniging heeft veroorzaakt, kan failliet of vereffend zijn. Ook is het mogelijk dat de aansprakelijkheidsregels niet toelaten om de persoon die de verontreiniging heeft veroorzaakt, aansprakelijk te stellen doordat de vordering verjaard is, of doordat geen enkele aansprakelijkheidsregel het mogelijk maakt de veroorzaker aansprakelijk te stellen
(30). 2.5. Als de eigenaar “onschuldig is” en dus voldoet aan de voorwaarden om vrijstelling te krijgen van saneringsplicht
(31)treedt de OVAM ambtshalve op. Dit is ook het geval als de saneringsplichtige, na aanmaning door OVAM, niet of in onvoldoende mate optreedt
(32). Indien OVAM genoodzaakt is over te gaan tot ambtshalve bodemsanering noodzaakt dit een directe prefinanciering door de overheid. Deze kan echter krachtens artikel 46, § 3 van het Bodemsaneringsdecreet de kosten hiervan verhalen op de persoon die ertoe gehouden was de sanering uit te voeren. OVAM kan daarbij beslissen om zich tegen de derde-aansprakelijke te richten, doch zal zich meestal tegen de gemakkelijker identificeerbare saneringsplichtige keren
(33). Pas als dit verhaal niet mogelijk is blijven de kosten ten laste van de overheid
(34). Op de overheid rust aldus geen primaire verplichting om tot sanering over te gaan nu deze slechts secundair gehouden is om maatregelen te treffen en dus enkel tussenkomt om te verhelpen aan de nalatigheid van een andere persoon die de op hem rustende primaire verplichting om de door hem ontstane toestand te doen ophouden, niet nakomt
(35). De saneringsplichtige draait in die zin op voor de kosten van de vervuiling die hij hetzij zelf heeft veroorzaakt, of die gebeurde op een grond waarover hij zeggenschap had. Hij hoeft niet op te draaien voor de saneringskosten als hij kan aantonen dat hij de verontreiniging niet heeft veroorzaakt en dat de verontreiniging tot stand kwam voor hij de grond in beheer kreeg. In dat geval is de eigenaar onschuldig en draagt de overheid, bij afwezigheid van een aan te wijzen aansprakelijke, de kosten zelf. 2.6. Over het principe zelf van de terugvordering bestaat thans, sedert de invoering van artikel 46, § 3 van het Bodemsaneringsdecreet, geen discussie meer
(36). Dit is ook in de zaak die voorligt niet het geval. Evenmin wordt betwist dat de overheid niet enkel kan terugvorderen van de aansprakelijke exploitant maar ook van de saneringsplichtige eigenaar. Het rechtspunt dat te dezen wel centraal staat is binnen welke termijn de overheid de kosten dient terug te vorderen van de saneringsplichtige eigenaar. Is dit, zoals verweerster stelt, met toepassing van artikel 2262bis, § 1, tweede lid, Oud BW binnen een termijn van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon of in ieder geval binnen een termijn van twintig jaar vanaf de dag volgend op die waarop het feit waardoor de schade is veroorzaakt, zich heeft voorgedaan. Of is dit, zoals eiseres aanvoert, met toepassing van artikel 2277ter, § 1 Oud BW binnen een termijn van vijf jaar vanaf de dag waarop de maatregelen geheel zijn voltooid of waarop de aansprakelijke persoon is geïdentificeerd, indien die laatstgenoemde datum later is en in ieder geval binnen een termijn van dertig jaar vanaf de dag volgend op die waarop het feit dat tot milieuschade heeft geleid, heeft plaatsgevonden. De interpretatie over het toepassingsgebied van artikel 2277ter, § 1 Oud BW, die een omzetting vormt van de Milieuschaderichtlijn, is ter zake van doorslaggevend belang. 2.7. De implementatie van de Milieuschaderichtlijn betrof op nationaal vlak een gemengde bevoegdheid van de federale overheid en van de Gewesten
(37). De gewesten die sedert de staatshervorming van 1980 principieel bevoegd zijn voor leefmilieu, waaronder de bescherming van de bodem
(38), hebben de volledige bevoegdheid tot het uitvaardigen van regels die eigen zijn aan de hen toegewezen materies en kunnen dus ook het kostenverhaal in geval van ambtshalve overheidsoptreden regelen
(39). Zij zijn om die reden ook bevoegd het gros van de Richtlijnbepalingen om te zetten. Hoewel de verjaringstermijn voor het instellen van het kostenverhaal federale materie is, verhindert dit niet dat de gewesten dienaangaande ook regels opnemen in het kader van de uitoefening van de hen toegewezen bevoegdheden
(40). Op Vlaams niveau resulteerde de omzetting van de Richtlijn in een aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (DABM) met een Titel XV 'Milieuschade'. Dit Milieuschadedecreet moet echter vaak samen gelezen worden met het Bodemdecreet
(41). Hoewel in het algemeen werd geopteerd voor een loutere omzetting van de Richtlijn zonder verdergaande eisen te stellen, werd voor wat betreft (het herstel van)
(42)bodemschade beslist het bestaande Bodemdecreet te handhaven nu deze regeling veel uitvoeriger is dan de Richtlijn
(43). Het Bodemdecreet voorziet naast de exploitant ook de gebruiker en de eigenaar van de grond als mogelijke saneringsplichtige wat in het licht van de Richtlijn geen probleem oplevert gezien zoals hiervoor vermeld de lidstaten verdere verantwoordelijke partijen kunnen aanduiden
(44). Op federaal vlak resulteerde de omzetting van de richtlijn onder andere in het invoegen van artikel 2277ter, § 1 Oud BW
(45)krachtens hetwelk “Rechtsvorderingen ingesteld door publieke overheden tot vergoeding van de kosten voor maatregelen tot voorkoming en tot het herstel van milieuschade verjaren door verloop van vijf jaar vanaf de dag waarop de maatregelen geheel zijn voltooid of waarop de aansprakelijke persoon is geïdentificeerd, indien die laatstgenoemde datum later is. De in het eerste lid vermelde rechtsvorderingen verjaren in ieder geval door verloop van dertig jaar vanaf de dag volgend op die waarop het feit dat tot milieuschade heeft geleid, heeft plaatsgevonden”. Deze nieuwe verjaringsregel kent een ruimer toepassingsgebied dan de Richtlijn. Dit is vooreerst het geval voor wat betreft het toepassingsgebied in de tijd. De overgangsbepalingen voorzien in een retroactieve werking zodat de nieuwe verjaringstermijn van toepassing is op de lopende verjaring van de rechtsvorderingen die zijn ontstaan voor de inwerkingtreding van de wet
(46). De inwerkingtreding van de nieuwe wet kan echter niet tot gevolg hebben dat een nieuwe verjaringstermijn begint te lopen wanneer deze definitief is verlopen onder het vorige stelsel
(47). Verder is het zo dat, in tegenstelling tot de Vlaamse decreetgever die woordelijk de bepalingen van de Richtlijn overneemt
(48)en zich richt tot de exploitant, de federale wetgever artikel 10 van de voormelde Richtlijn niet letterlijk heeft overgenomen
(49). Artikel 2277ter, § 1, Oud BW laat immers na het aangesproken subject te preciseren en dit in tegenstelling tot de Richtlijn die uitdrukkelijk de exploitant of de derde die de schade of de onmiddellijke dreiging van schade heeft veroorzaakt aanwijst. 2.8. Over de draagwijdte van artikel 2277ter, § 1, Oud BW bestaat in de rechtsleer geen eensgezindheid. Volgens verschillende auteurs viseert die wetsbepaling de vordering van de overheid jegens de persoon aansprakelijk voor de milieuschade
(50). Volgens anderen richt de wetsbepaling zich tot alle vorderingen die de publieke overheden instellen om de gemaakte kosten te recupereren en kan dus ook de persoon die de schade niet heeft veroorzaakt hierbij aangesproken worden
(51). Artikel 2277ter, § 1, Oud BW biedt in die zin een rechtsgrond tot vergoeding van de kosten die voortvloeien uit enerzijds het veroorzaken van milieuschade (de saneringsaansprakelijke), en uit anderzijds het niet (voldoende) nakomen van de saneringsplicht(de saneringsplichtige). Deze laatste interpretatie verdient mijns inziens de voorkeur om volgende redenen. Vooreerst heeft de federale wetgever door het niet benoemen van het aangesproken subject, in artikel 2277ter Oud BW niet uitdrukkelijk bepaald dat de verjaringstermijn enkel geldt voor vorderingen van de publieke overheid tegen diegene die de milieuschade of de dreiging ervan heeft veroorzaakt. Daarnaast wees de federale wetgever er zelf op dat het essentieel is dat de implementatie teksten die door de verschillende niveaus worden aangenomen goed op elkaar zijn afgestemd. Net als in het advies van de Raad van State werd benadrukt dat het kader waarin de richtlijn voorziet een onlosmakelijk geheel vormt zodat er inzonderheid moet voor gezorgd worden dat de maatregelen die worden getroffen om de richtlijn in het interne recht om te zetten een coherent, georganiseerd en gearticuleerd geheel vormen. Indien (...) geen concreet verband wordt gelegd met de overige te dien einde geplande maatregelen, zou zulks niet in overeenstemming zijn met de strekking zelf van de Richtlijn en zou de Belgische overheid aldus mogelijk voorbijgaan aan haar Europeesrechtelijke verplichtingen
(52). De ruimere interpretatie is ook een richtlijnconforme interpretatie. Waar, zoals vermeld, de Richtlijn zelf en haar doel alleszins niet hieraan in de weg staan
(53), volgt ook uit de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie dat de lidstaten in het licht van algemene sanctieverplichtingen kunnen opteren voor een ruime kring van sanctie-adressanten op voorwaarde dat dit niet indruist tegen de bewoordingen, het algemene opzet, de context en de doelstellingen van de Richtlijn
(54). Het Hof van Justitie plaatst de Richtlijn tegen de achtergrond van een “hoog niveau van milieubescherming”
(55). De samenleving draagt de kosten indien de publieke overheid deze draagt. Zodra de publieke overheid deze kan afwentelen, daalt de kostprijs voor de samenleving, ongeacht op wie de afwenteling gebeurt. De afwenteling hoeft niet exclusief op de exploitant te gebeuren om het doel van de Richtlijn te respecteren. Het Hof van Justitie oordeelt in dit verband dat de federale wetgever die er bij de omzetting van de Richtlijn gebruik heeft van gemaakt om ook door de Richtlijn niet geviseerde omstandigheden te regelen, zoals het mede-aansprakelijk achten van de grondeigenaar, bijdraagt tot de verwezenlijking van het doel van de Richtlijn, nu dit beoogt onachtzaamheid van de eigenaar te voorkomen, alsmede deze aan te sporen maatregelen te treffen en handelswijzen te ontwikkelen die de risico's op aantasting van het milieu kunnen minimaliseren
(56). Tenslotte kiezen de Richtlijn, noch de Vlaamse regelgeving voluit voor een systeem van civielrechtelijke aansprakelijkheid
(57). Gezien de klassieke foutaansprakelijkheid in veel gevallen ontoereikend is
(58), wordt geopteerd voor een systeem van publiekrechtelijke handhaving met een financiëel aansprakelijke saneringsplichtige. Dit betekent niet dat dit administratiefrechtelijk systeem van preventie- en herstelplichten betekenisloos zou zijn voor het aansprakelijkheidsrecht. De overtreding van die herstelplichten kan immers een civielrechtelijke fout opleveren die tot buitencontractuele aansprakelijkheid kan aanleiding geven
(59). Uit wat voorafgaat volgt dat een al te enge invulling van artikel 2277ter Oud BW -in die zin dat hiermee enkel de vorderingen van de publieke overheid gericht tegen de “aansprakelijke voor de vervuiling” worden bedoeld, maar niet de vorderingen van diezelfde overheid gericht tegen de “aansprakelijke saneringsplichtige” in de zin zoals hiervoor vermeld, namelijk diegene die niet aansprakelijk is voor de milieuschade zelf maar wel voor de niet-nakoming van de decretaal hem opgelegde saneringsplicht,- ingaat tegen een effectief milieubeschermingsbeleid en bovendien niet strookt met de wil van de federale wetgever om een sluitend geheel aan omzettingsnormen te voorzien. 2.9. De appelrechters die oordelen dat artikel 2277ter Oud BW waarop eiseres zich beroept enkel geldt ten aanzien van de exploitant of degene die de milieuschade heeft veroorzaakt maar niet tegen de eigenaar van de grond als saneringsplichtige en met toepassing van artikel 2262bis Oud BW de vordering van eiseres ongegrond verklaren wegens verjaring, verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het middel komt gegrond voor. Conclusie: vernietiging met verwijzing. _______________________________________________
(1)M. DEKETELAERE, Milieu en burgerlijk aansprakelijkheidsrecht, in K. Deketelaere (ed) Handboek Milieurecht, Die Keure 2001, p. 1160.
(2)Richtlijn 2004/35/EG van Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade, Pb.L. 2004, afl. 143.
(3)Zie de aanvulling door het Europees Parlement in een eerste lezing van de richtlijn 2004/35/EG: “Deze richtlijn is niet alleen gebaseerd op het preventiebeginsel en het beginsel van “de vervuiler betaalt”, maar ook op het algemene beginsel van de zorgvuldigheidsplicht” (pag. 187).
(4)Artikel 2,1°,c van de Richtlijn verstaat onder milieuschade onder andere landschade, dat wil zeggen elke bodemverontreiniging die een significant risico met zich meebrengt dat de gezondheid van de mens wordt geschaad als gevolg van de directe of indirecte introductie, in, op of onder het land, van stoffen, preparaten, organismen of micro-organismen.
(5)H. BOCKEN, De Richtlijn 2004/35/EG betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade. Een inleiding. in H. Bocken (ed) Omzetting en uitvoering van de richtlijn milieuschade, verslagboek van de studienamiddag van 21 juni 2007 van de vakgroep burgerlijk recht en het centrum voor milieurecht van de universiteit Gent, Kluwer 2008, p. 1 en 6.
(6)H. BOCKEN, De Richtlijn 2004/35/EG betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade. Een inleiding. in H. Bocken (ed) Omzetting en uitvoering van de richtlijn milieuschade, verslagboek van de studienamiddag van 21 juni 2007 van de vakgroep burgerlijk recht en het centrum voor milieurecht van de universiteit Gent, Kluwer 2008, p. 6 en 16.
(7)H. BOCKEN, De Richtlijn 2004/35/EG betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade. Een inleiding. in H. Bocken (ed) Omzetting en uitvoering van de richtlijn milieuschade, verslagboek van de studienamiddag van 21 juni 2007 van de vakgroep burgerlijk recht en het centrum voor milieurecht van de universiteit Gent, Kluwer 2008, p. 6.
(8)Artikel 1 van de richtlijn en overweging 2 van de preambule.
(9)Overweging 15 van de preambule.
(10)Artikel 10 van de richtlijn en overweging 18 en 23 van de preambule.
(11)Artikel 2, 6°, van de richtlijn.
(12)Artikel 8 van de richtlijn en overweging 23 van de preambule.
(13)Artikel 10 van de richtlijn.
(14)Artikel 17 van de richtlijn en overweging 30 van de preambule.
(15)H. BOCKEN, De Richtlijn 2004/35/EG betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade. Een inleiding. in H. Bocken (ed) Omzetting en uitvoering van de richtlijn milieuschade, verslagboek van de studienamiddag van 21 juni 2007 van de vakgroep burgerlijk recht en het centrum voor milieurecht van de universiteit Gent, Kluwer 2008, p. 9.
(16)Voormalig artikel 175 van het EG-verdrag.
(17)Artikel 16, lid 1 van de richtlijn en overweging 29 van de preambule.
(18)L. LAVRYSEN, Toepassingsgebied: geviseerde exploitant – milieuschade en schadedrempel – uitsluitingen, in H. Bocken (ed) Omzetting en uitvoering van de richtlijn milieuschade, verslagboek van de studienamiddag van 21 juni 2007 van de vakgroep burgerlijk recht en het centrum voor milieurecht van de universiteit Gent, Kluwer 2008, p. 92.
(19)M. DEKETELAERE, “Aansprakelijkheid voor historische, nieuwe en gemengde bodemverontreiniging” in K. Deketelaere (ed) Het decreet betreffende de bodemsanering, LeuVeM, nummer 7, die Keure 1995, p. 113.
(20)Ontwerp van decreet betreffende de bodemsanering, memorie van toelichting, Vlaamse Raad, zitting 1993-1994, nr. 587/1, p. 33.
(21)R. SLABBINCK, Implementatie van de Richtlijn Milieuschade: bevoegdheidsverdeling en overzicht van omzettingswetgeving, in H. Bocken (ed) Omzetting en uitvoering van de richtlijn milieuschade, verslagboek van de studienamiddag van 21 juni 2007 van de vakgroep burgerlijk recht en het centrum voor milieurecht van de universiteit Gent, Kluwer 2008, p. 46.
(22)De exploitant onder het Milieuvergunningsdecreet werd (en wordt) als volgt gedefinieerd: “elke natuurlijke of rechtspersoon die een inrichting exploiteert of voor wiens rekening een inrichting wordt geëxploiteerd”. Dit stemt niet geheel overeen met de exploitant in de richtlijn en in titel XV van het decreet van 15 juli 1995 (waarmee de richtlijn is omgezet).
(23)Art. 10, § 1,b Bodemsaneringsdecreet.
(24)F. VAN NUFFEL, De “onschuldige bezitter” in het bodemsaneringsdecreet, TMR, 2002, 33.
(25)F. VAN NUFFEL, De “onschuldige bezitter” in het bodemsaneringsdecreet, TMR, 2002, 35.
(26)Artikelen 10, § 3 en 31, § 1 Bodemsaneringsdecreet; Ontwerp van decreet betreffende de bodemsanering, memorie van toelichting, Vlaamse Raad, zitting 1993-1994, nr. 587/1, p. 33.
(27)Ontwerp van decreet betreffende de bodemsanering, memorie van toelichting, Vlaamse Raad, zitting 1993-1994, nr. 587/1, p. 18-19. M. DEKETELAERE, Aansprakelijkheid voor historische, nieuwe en gemengde bodemverontreiniging in K. Deketelaere (ed) Het decreet betreffende de bodemsanering, LeuVeM, nummer 7, die Keure 1995, p. 128.
(28)GwH, nr. 81/2009 van 14 mei 2009, r.o. B.5.5.
(29)T. PAELINCK, “De verplichting tot het stellen van financiële zekerheden bij de uitvoering van bodemsaneringswerken” in K. Deketelaere (ed), Het decreet betreffende de bodemsanering, LeuVeM, nummer 7, die Keure 1995, p. 146.
(30)F. VAN NUFFEL, De “onschuldige bezitter” in het bodemsaneringsdecreet, TMR, 2002, 34.
(31)Indien hij cumulatief voldoet aan de voorwaarden dat hij de bodemverontreiniging niet zelf heeft veroorzaakt, dat hij op het ogenblik dat hij eigenaar werd van de grond niet op de hoogte was of behoorde te zijn van de verontreiniging. Ook de eigenaar die op de hoogte was of behoorde te zijn van een historische bodemverontreiniging zal niet saneringsplichtig zijn indien hij kan aantonen dat hij de verontreiniging niet heeft veroorzaakt en hij de gronden sedert de verwerving niet heeft gebruikt voor beroepsdoeleinden.
(32)Artikel 45, § 1 Bodemsaneringsdecreet.
(33)F. VAN NUFFEL, De “onschuldige bezitter” in het bodemsaneringsdecreet, TMR, 2002, 34.
(34)Gedr.St. Vl.R., 1993-94, 587/2, 19 en 587/10, 50.
(35)M. DEKETELAERE, Aansprakelijkheid voor historische, nieuwe en gemengde bodemverontreiniging in K. Deketelaere (ed) Het decreet betreffende de bodemsanering, LeuVeM, nummer 7, die Keure 1995, p. 120.
(36)Zie voordien de rechtspraak van Uw Hof dat als de overheid kosten maakt om haar eigen verplichtingen te vervullen zij een door de wet opgelegde verplichting vervult waardoor zij geen schade lijdt in causaal verband met de eventuele fout van een derde en waardoor de terugvordering fel bemoeilijkt wordt (zie Cass. 28 april 1978) met nadien de nuancering waarbij uw Hof aanvaardt dat indien de verplichting van de overheid slechts secundair is ten opzichte van de op de dader van een misdrijf of een oneigenlijk misdrijf rustende primaire wettelijke verplichting om een door zijn toedoen veroorzaakte toestand te doen ophouden, de overheid de door haar gemaakte kosten wel kan verhalen (zie Cass. 13 april 1988, voltallige zitting, AR 5839, AC 1988, nr. 492; Cass. 5 juni 1996, AR P.96.0134.N ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960605.4, AC 1996, nr. 215). Ook het bodemdecreet van 27 oktober 2006 voorziet in artikel 160 in deze verhaalsmogelijkheid.
(37)Wetsontwerp houdende diverse bepalingen, Kamer van Volksvertegenwoordigers, Doc 51-2873/001, p. 136.
(38)R. SLABBINCK, Implementatie van de Richtlijn Milieuschade: bevoegdheidsverdeling en overzicht van omzettingswetgeving, in H. Bocken (ed) Omzetting en uitvoering van de richtlijn milieuschade, verslagboek van de studienamiddag van 21 juni 2007 van de vakgroep burgerlijk recht en het centrum voor milieurecht van de universiteit Gent, Kluwer 2008, p. 26 en 30.
(39)Arbitragehof nr. 58/94 van 14 juli 1994.
(40)Parl.St. Vl.Parl. 2006-07, nr. 1252 Advies van de Raad van State bij ontwerp van decreet tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel XV Milieuschade, tot omzetting van richtlijn 2004/35/EG, p. 180, voetnoot 4; R. SLABBINCK, Implementatie van de Richtlijn Milieuschade: bevoegdheidsverdeling en overzicht van omzettingswetgeving, in H.Bocken (
- ed)Omzetting en uitvoering van de richtlijn milieuschade, verslagboek van de studienamiddag van 21 juni 2007 van de vakgroep burgerlijk recht en het centrum voor milieurecht van de universiteit Gent, Kluwer 2008, p. 33. De verjaringsregel lijkt op het eerste gezicht twee maal te zijn geregeld, namelijk in artikel 2277ter Oud BW en in de artikelen 15.1.4, § 4, 3° en 15.4.16 Milieuschadedecreet, maar de federale bepaling heeft enkel betrekking op de civielrechtelijke vordering van de overheid terwijl het milieuschadedecreet de administratieve invorderingsprocedure betreft, wat de opname van een eigen verjaringsregeling zinvol maakt: Zie P. De Smedt, Het plichten- en rechtenkader van de exploitant in de implementatiewetgeving van Richtlijn 2004/35. Sluitstuk van het “vervuiler betaalt”-beginsel?, in H. Bocken (
- ed)Omzetting en uitvoering van de richtlijn milieuschade, verslagboek van de studienamiddag van 21 juni 2007 van de vakgroep burgerlijk recht en het centrum voor milieurecht van de universiteit Gent, Kluwer 2008, p. 162.
(41)Aspecten die niet geregeld worden door het Bodemdecreet blijven immers toepasselijk onder het Milieuschadedecreet zie R. SLABBINCK, Implementatie van de Richtlijn Milieuschade: bevoegdheidsverdeling en overzicht van omzettingswetgeving, in H. Bocken (ed) Omzetting en uitvoering van de richtlijn milieuschade, verslagboek van de studienamiddag van 21 juni 2007 van de vakgroep burgerlijk recht en het centrum voor milieurecht van de universiteit Gent, Kluwer 2008, p. 52; Memorie van toelichting, Parl.St. Vl.Parl. 2006-07, nr. 1252/1, 46-47.
(42)De preventie van bodemschade gebeurt via het Milieuschadedecreet, het herstel van bodemschade via het Bodemdecreet zie R. SLABBINCK, Implementatie van de Richtlijn Milieuschade: bevoegdheidsverdeling en overzicht van omzettingswetgeving, in H. Bocken (ed) Omzetting en uitvoering van de richtlijn milieuschade, verslagboek van de studienamiddag van 21 juni 2007 van de vakgroep burgerlijk recht en het centrum voor milieurecht van de universiteit Gent, Kluwer 2008, p. 38.
(43)L. LAVRYSEN, Toepassingsgebied: geviseerde exploitant – milieuschade en schadedrempel – uitsluitingen, in H. Bocken (ed) Omzetting en uitvoering van de richtlijn milieuschade, verslagboek van de studienamiddag van 21 juni 2007 van de vakgroep burgerlijk recht en het centrum voor milieurecht van de universiteit Gent, Kluwer 2008, p. 112.
(44)R. SLABBINCK, Implementatie van de Richtlijn Milieuschade: bevoegdheidsverdeling en overzicht van omzettingswetgeving, in H. Bocken (ed) Omzetting en uitvoering van de richtlijn milieuschade, verslagboek van de studienamiddag van 21 juni 2007 van de vakgroep burgerlijk recht en het centrum voor milieurecht van de universiteit Gent, Kluwer 2008, p. 48.
(45)Ingevoegd bij wet van 25 april 2007 en inwerking getreden op 18 mei 2007.
(46)R. SLABBINCK, Implementatie van de Richtlijn Milieuschade: bevoegdheidsverdeling en overzicht van omzettingswetgeving, in H. Bocken (ed) Omzetting en uitvoering van de richtlijn milieuschade, verslagboek van de studienamiddag van 21 juni 2007 van de vakgroep burgerlijk recht en het centrum voor milieurecht van de universiteit Gent, Kluwer 2008, p. 55.
(47)Wetsontwerp houdende diverse bepalingen, Kamer van volksvertegenwoordigers, Doc 51 2873/001, 141 en 401.
(48)Decreet van 21 december 2007, BS 12 februari 2008.
(49)M. MARCHANDISE, De Page, Tome VI, La prescription, Brussel, Bruylant 2014, 440.
(50)B. DUBUISSON, “Les nouveaux délais de prescription pour les actions exercées par les pouvoirs publics en matière environnementale”, JT 2008, 170 (“L’article 10, rappelons-le, ne définit pas explicitement l’action comme une action en responsabilité civile mais c’est bien dans ce contexte que l’envisage le législateur belge”); C. LEBON en M. DE RUYSSCHER, Verjaring in Bijzondere overeenkomsten, Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer 2017, losbl., 82; S. VERBIST en C. BIMBENET “De bodemsanering van de onteigening: de toerekening van de saneringskost op de onteigeningsvergoeding”, TBO 2017, 14 (“een aansprakelijkheidsvordering”); X., “Aansprakelijkheidsregelen doen niet-saneringsplichtige buren de das om” (noot onder Rb. Antwerpen 3 september 2014 en Antwerpen 5 oktober 2016), TOO 2016, 553-554.
(51)M. MARCHANDISE, De Page, Tome VI, La prescription, Brussel, Bruylant 2014, 441.
(52)Wetsontwerp houdende diverse bepalingen, Kamer van volksvertegenwoordigers, Doc 51 2873/001, 248.
(53)Zie Artikel 16 van de richtlijn en overweging 29 van de preambule.
(54)R. MEEUS, Sanctionering van het Europees milieurecht, Intersentia 2014, p. 99; Zie: HvJ 9 maart 2010, nr. C-378/08, MER 2011, 35, noot C. SERVAIS en T. STERCKX, Pb C 1 mei 2010, afl. 113, 8, Rev.prat.soc. 2010, 84, noot C. BRULS, SEW 2010, 199, TMR 2010, 322, noot E. DE KEZEL, TVW 2010, 142 (als prejudiciële vraag werd gesteld of de richtlijn eraan in de weg staat dat nationaalrechtelijk maatregelen worden vereist van degene die een zakelijk recht op het vervuilde gebied heeft, maar waarbij het Hof steeds spreekt van “exploitant”); HvJ 13 juli 2017, nr. C-129/16, Amén. 2018, 60, Pb C 4 september 2017, afl. 293, 6, TMR 2018, 80.
(55)HvJ 13 juli 2017, nr. C-129/16, Amén. 2018, 60, Pb C 4 september 2017, afl. 293, 6, TMR 2018, 80; Zie ook het Europees Parlement in een eerste lezing van de richtlijn 2004/35/EG, waarbij dat Parlement de doelstelling aanvulde als volgt: “Deze richtlijn is niet alleen gebaseerd op het preventiebeginsel en het beginsel van “de vervuiler betaalt”, maar ook op het algemene beginsel van de zorgvuldigheidsplicht” (p. 187).
(56)HvJ 13 juli 2017, nr. C-129/16, Amén. 2018, 60, Pb C 4 september 2017, afl. 293, 6, TMR 2018, 80: “Aangezien, zonder afbreuk te doen aan de principiële verantwoordelijkheid van de exploitant, een dergelijke nationale regeling beoogt onachtzaamheid van de eigenaar te voorkomen, alsmede deze aan te sporen maatregelen te treffen en handelswijzen te ontwikkelen die de risico's op aantasting van het milieu kunnen minimaliseren, draagt zij bij tot het voorkomen van milieuschade en bijgevolg tot de verwezenlijking van de doelstellingen van richtlijn 2004/35”.
(57)H. BOCKEN, De Richtlijn 2004/35/EG betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade. Een inleiding. in H. Bocken (
- ed)Omzetting en uitvoering van de richtlijn milieuschade, verslagboek van de studienamiddag van 21 juni 2007 van de vakgroep burgerlijk recht en het centrum voor milieurecht van de universiteit Gent, Kluwer 2008, p. 6; P. DE SMEDT, Het plichten- en rechtenkader van de exploitant in de implementatiewetgeving van Richtlijn 2004/35. Sluitstuk van het “vervuiler betaalt” -beginsel?, in H. Bocken (
- ed)Omzetting en uitvoering van de richtlijn milieuschade, verslagboek van de studienamiddag van 21 juni 2007 van de vakgroep burgerlijk recht en het centrum voor milieurecht van de universiteit Gent, Kluwer 2008, p. 130.
(58)M. DEKETELAERE, Milieu en burgerlijk aansprakelijkheidsrecht, in K. Deketelaere, Handboek Miieurecht, Die Keure 2001,p. 1157.
(59)P. DE SMEDT, Het plichten- en rechtenkader van de exploitant in de implementatiewetgeving van Richtlijn 2004/35. Sluitstuk van het “vervuiler betaalt” -beginsel?, in H. Bocken (
- ed)Omzetting en uitvoering van de richtlijn milieuschade, verslagboek van de studienamiddag van 21 juni 2007 van de vakgroep burgerlijk recht en het centrum voor milieurecht van de universiteit Gent, Kluwer 2008, p. 130. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220512.1N.5 Gerelateerde publicatie(
- s)Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220512.1N.5 citeert: ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960605.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div