← België

PROCUREUR DES KONINGS ANTWERPEN contra L.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 17 mei 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220517.2N.12 Rolnummer: P.22.0118.N Zaak: PROCUREUR DES KONINGS ANTWERPEN contra L. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Constitutioneel recht - Overige Invoerdatum: 2022-06-02 Raadplegingen: 1120 - laatst gezien 2026-06-18 20:31 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220517.2N.12 Fiches 1 - 2 Indien voor de strafrechter met verwijzing naar een bestuurlijke beslissing met het karakter van een straf in de zin van artikel 14.7 IVBPR en artikel 4.1 Zevende Aanvullend Protocol EVRM een non bis in idem-verweer wordt gevoerd, staat het aan de rechter te onderzoeken of die bestuurlijke beslissing wel wettig is; noch het gegeven dat tegen deze bestuurlijke beslissing geen rechtsmiddel werd ingesteld bij de administratieve rechter noch het gegeven dat de betrokkene de gevolgen van die bestuurlijke beslissing reeds heeft ondergaan, ontslaat de strafrechter van die verplichting

(1).
(1)Zie andersluidende concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - INTERNATIONAAL VERDRAG BURGERRECHTEN EN POLITIEKE RECHTEN Vrije woorden: Artikel 14 - Beginsel ‘ne bis in idem' - Sanctie opgelegd ingevolge een bestuurlijke beslissing - Vervolging wegens dezelfde strafbare feiten voor de strafrechter - Opdracht van de strafrechter - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14.7 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Protocol nr. 7 bij het Verdrag ter Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden - 22-11-1984 - Art. 4.1 - 33 Link Justel databank 19841122-33 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Allerlei Vrije woorden: Zevende aanvullend protocol EVRM - Beginsel ‘ne bis in idem' - Sanctie opgelegd ingevolge een bestuurlijke beslissing - Vervolging wegens dezelfde strafbare feiten voor de strafrechter - Opdracht van de strafrechter - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14.7 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Protocol nr. 7 bij het Verdrag ter Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden - 22-11-1984 - Art. 4.1 - 33 Link Justel databank 19841122-33 Fiches 3 - 6 De burgemeester kan op grond van de artikelen 133 en 135, § 2, 1°, Nieuwe Gemeentewet een tijdelijk bestuurlijk beslag bevelen op kosten van de betrokken bestuurder van een motorvoertuig dat een veilig en vlot verkeer op openbare wegen heeft verstoord of de veiligheid van voorbijgangers in gevaar heeft gebracht; deze wettelijke bepalingen laten evenwel niet toe dat de burgemeester bestraffend optreedt door de teruggave van het voertuig afhankelijk te maken van, eensdeels, het volgen op eigen kosten van een vorming, zelfs niet als die beoogt de betrokkene aan te zetten tot een verkeersveiliger gedrag, en, anderdeels, van de betaling van kosten voor takeling en opslag die de werkelijke kosten te buiten gaan; een dergelijke bestuurlijke beslissing dient wegens het ontbreken van een afdoende wettelijke grondslag overeenkomstig artikel 159 Grondwet buiten toepassing te worden gelaten en zij kan dan ook geen grondslag bieden voor de toepassing van het non bis in idem-beginsel
(1).
(1)Zie andersluidende concl. OM. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WETTIGHEID VAN BESLUITEN EN VERORDENINGEN Vrije woorden: Nieuwe Gemeentewet - Bevoegdheid van de burgemeester tot het nemen van maatregelen voor de veiligheid op openbare wegen - Bestuurlijke maatregel van inbeslagname van het voertuig naar aanleiding van een verkeersmisdrijf - Opleggen van een cursus als bestuurlijke maatregel voor de opheffing van het beslag op kosten van de overtreder - Teruggave van het voertuig na het volgen van een cursus en de betaling van kosten voor takeling en opslag die de werkelijke kosten te buiten gaan - Aard van de maatregelen - Beginsel ‘ne bis in idem' - Rechterlijke controle op de wettigheid van de bestuurlijke maatregelen - Ambtshalve controle door het Hof Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 159 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Nieuwe Gemeentewet van 24 juni 1988 - 24-06-1988 - Artt. 133 en 135, § 2, 1° - 31 ELI link Pub nr 1988062450 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - INTERNATIONAAL VERDRAG BURGERRECHTEN EN POLITIEKE RECHTEN Vrije woorden: Artikel 14 - Beginsel ‘ne bis in idem' - Nieuwe Gemeentewet - Bevoegdheid van de burgemeester tot het nemen van maatregelen voor de veiligheid op openbare wegen - Bestuurlijke maatregel van inbeslagname van het voertuig naar aanleiding van een verkeersmisdrijf - Opleggen van een cursus als bestuurlijke maatregel voor de opheffing van het beslag op kosten van de overtreder - Teruggave van het voertuig na het volgen van een cursus en de betaling van kosten voor takeling en opslag die de werkelijke kosten te buiten gaan - Aard van de maatregelen - Rechterlijke controle op de wettigheid van de bestuurlijke maatregelen - Ambtshalve controle door het Hof Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 159 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Nieuwe Gemeentewet van 24 juni 1988 - 24-06-1988 - Artt. 133 en 135, § 2, 1° - 31 ELI link Pub nr 1988062450 Thesaurus CAS: GEMEENTE Vrije woorden: Nieuwe Gemeentewet - Bevoegdheid van de burgemeester tot het nemen van maatregelen voor de veiligheid op openbare wegen - Bestuurlijke maatregel van inbeslagname van het voertuig naar aanleiding van een verkeersmisdrijf - Opleggen van een cursus als bestuurlijke maatregel voor de opheffing van het beslag op kosten van de overtreder - Teruggave van het voertuig na het volgen van een cursus en de betaling van kosten voor takeling en opslag die de werkelijke kosten te buiten gaan - Aard van de maatregelen - Beginsel ‘ne bis in idem' - Rechterlijke controle op de wettigheid van de bestuurlijke maatregelen - Ambtshalve controle door het Hof Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 159 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Nieuwe Gemeentewet van 24 juni 1988 - 24-06-1988 - Artt. 133 en 135, § 2, 1° - 31 ELI link Pub nr 1988062450 Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - STRAFZAKEN - Ambtshalve voorgedragen middel Vrije woorden: Nieuwe Gemeentewet - Bevoegdheid van de burgemeester tot het nemen van maatregelen voor de veiligheid op openbare wegen - Bestuurlijke maatregel van inbeslagname van het voertuig naar aanleiding van een verkeersmisdrijf - Opleggen van een cursus als bestuurlijke maatregel voor de opheffing van het beslag op kosten van de overtreder - Teruggave van het voertuig na het volgen van een cursus en de betaling van kosten voor takeling en opslag die de werkelijke kosten te buiten gaan - Aard van de maatregelen - Beginsel ‘ne bis in idem' - Rechterlijke controle op de wettigheid van de bestuurlijke maatregelen - Ambtshalve controle door het Hof Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 159 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Nieuwe Gemeentewet van 24 juni 1988 - 24-06-1988 - Artt. 133 en 135, § 2, 1° - 31 ELI link Pub nr 1988062450 Annotaties Publicaties: Juristenkrant-De Juristenkrant - 2022, nr. 451, p.
  1. - BERKMOES, Henri; Noot'Cassatie trekt rode kaart voor activistische burgemeester' T.Strafr.-Tijdschrift voor strafrecht: jurisprudentie, nieuwe wetgeving en doctrine voor de praktijk - 2022, nr. 4, p. 232-
  2. - HOET, Peter; Noot'Verplicht onderzoek naar de wettelijkheid van de bestuurlijke beslissing die als grondslag voor het non-bis-in-idem-beginsel wordt aangevoerd' T.Gem.-Tijdschrift voor gemeenterecht - 2023, nr. 1, p. 43-
  3. - TODTS, Liesbeth; Noot'Bevoegdheid van de burgemeester tot het opleggen van een educatieve maatregel in het kader van een bestuurlijk beslag' RW-Rechtskundig weekblad - 2022-23, nr. 42, p. 1670-
  4. - TODTS, Liesbeth; Noot'Grenzen aan het bestuurlijk beslag ex artikel 133, en 135, § 2 van de Nieuwe Gemeentewet: toepassing in verkeerszaken' Tekst van de conclusie P.22.0118.N Conclusie van advocaat-generaal Bart De Smet: “Het opleggen van een cursus verkeersveiligheid en het beslag van een wagen wegens verkeersinbreuken ingevolge een beslissing van de burgemeester, gesteund op de artikelen 133 en 135 Nieuwe Gemeentewet, gevolgd door een strafrechtelijke vervolging voor dezelfde feiten. Miskenning van het ne bis in idem-beginsel?”
  5. Voorgaanden.
  6. Eiser wordt vervolgd voor meerdere verkeersinbreuken die hij als bestuurder van een personenwagen zouden begaan hebben te Antwerpen op 18 juni 2019, met name A) zijn voertuig niet goed in de hand te hebben (art. 29, §1 Verkeerswet en art. 8.3 Wegverkeersreglement), B) het hinderen van weggebruikers en prioritaire voertuigen (art. 29, §2 Verkeerswet en art. 7.2 Wegverkeersreglement), C) het rijden met onaangepaste snelheid (art. 29, §1 Verkeerswet en art. 10.1.1 Wegverkeersreglement), D) het niet onmiddellijk gevolg geven aan bevelen van de politie (art. 29, §1 Wegverkeerswet en art. 4.1 Wegverkeersreglement) en E) het rijden onder invloed van alcohol, met een alcoholconcentratie van 0,90mg/liter uitgeademde lucht (art. 34, §2, 1° Verkeerswet). De politierechtbank te Antwerpen veroordeelde eiser (op tegenspraak, 27 oktober 2020) tot geldboetes wegens alle telastleggingen (400€ voor A, B en C, 240€ voor D en 3.200€ voor E). Tevens werd een rijverbod opgelegd van 15 dagen (A, B en C) een alcoholslot (E).
  7. Op hoger beroep van eiser sprak de correctionele rechtbank (op 17 december 2021) het verval van de strafvordering uit wegens schending van het verbod van dubbele bestraffing (het ne bis in idem-beginsel). De appelrechters stelden vast dat 1°de burgemeester van de Stad Antwerpen, na eiser te hebben gehoord, op 3 juli 2019 de beslissing nam, voor dezelfde feiten, 2°dat eiser een cursus diende te volgen bij VIAS (cursus ‘driver improvement’ van 20 uur) en 3°het bestuurlijk beslag van zijn voertuig (daterend van 18 juni 2019) verder duurt tot de betaling van de retributie en inschrijving van de cursus. Tegen de beslissing van de burgemeester werd geen administratief beroep ingesteld.
  8. Het vonnis vermeldt dat eiser, die de feiten niet betwist, 2.093 euro betaalde aan de Stad Antwerpen ingevolge deze administratieve beslissing, en daarna zijn voertuig terugkreeg. Het bedrag bestaat uit 790€ voor de cursus van 20 uur, 653€ voor het beslag en 649 € retributie, met inbegrip van takelkosten. De appelrechters namen kennis van het Protocolakkoord tussen het Parket en de Stad Antwerpen
(2018)en stelden vast, ‘net zoals de verdediging en het openbaar ministerie’, dat 1°verkeersmisdrijven daarin niet zijn vermeld, 2°de burgemeester van Antwerpen een definitieve beslissing nam ‘naar aanleiding van de verkeersinbreuken’, waaronder dronken voeren en 3°de inbeslagname, betalingen en cursus in hun totaliteit een bestraffing uitmaken voor alle ten laste gelegde feiten. Deze maatregelen dienden ‘niet zozeer de openbare veiligheid’ en hebben eiser ‘oneigenlijk bestraft’.
  1. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep en het cassatiemiddel
  2. De procureur des Konings heeft tijdig cassatieberoep ingesteld, dit beroep aan eiser laten betekenen en het bewijs daarvan tijdig ingediend (art. 427 Sv.). Anders dan verweerder aanvoert, mag het openbaar ministerie cassatieberoep instellen ook al heeft een parketmagistraat ter zitting van de rechter in hoger beroep het standpunt van de verdediging gevolgd (in dit geval schending van het ne bis in idem-beginsel)
(1). Het openbaar ministerie heeft als taak na te zien op de correcte toepassing van de wet, en kan bijgevolg elke beslissing waartegen cassatieberoep mogelijk is aan het oordeel van uw Hof onderwerpen. Het hof nam aan dat openbaar ministerie als opdracht heeft de rechter op een onpartijdige wijze in te lichten over de oplossing die het proces volgens de wet moet kennen, ook al is die strijdig met de door het openbaar ministerie genomen vordering
(2). De middelen in de memorie van antwoord kunnen bijgevolg niet worden aangenomen.
  1. De procureur des Konings te Antwerpen voert schending aan van de artikelen 149 Grondwet en 22 Wetboek van Strafvordering omdat 1°de bestuurlijke maatregelen (gesteund op de artikelen 133 en 135 Nieuwe Gemeentewet) geen sanctionerend karakter hebben, alleen dienen ter herstel van de openbare orde, bijgevolg geen straf voor de verkeersinbreuken in de weg staan en 2°de beslissing van de burgemeester het openbaar ministerie niet kan verhinderen de strafvordering uit te oefenen.
  2. Het middel verduidelijkt niet hoe en waarom het bestreden vonnis de motiveringsplicht (art. 149 Grondwet) miskent. In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet-ontvankelijk
(3). Verder stelt het bestreden vonnis m.i. niet dat de Stad Antwerpen een strafbaar feit heeft vervolgd en zich de bevoegdheden van het openbaar ministerie heeft toegeëigend. De appelrechters stelden alleen dat de burgemeester een ‘besluit’ nam ‘naar aanleiding van de verkeersinbreuken’ en de opgelegde maatregelen in dit besluit in hun geheel een ‘bestraffing’ uitmaken. In zoverre het middel gesteund op artikel 22 Wetboek van Strafvordering een miskenning van de motiveringsplicht aanvoert, is het eveneens niet-ontvankelijk.
  1. Het ne bis in idem-beginsel
  2. Het middel (p. 9) komt erop neer dat de bestuurlijke maatregel en de strafrechtelijke vervolging voor dezelfde verkeersinbreuken ‘verschillend zijn en er bijgevolg geen sprake kan zijn van het beginsel ne bis in idem’. Ook het Hof ziet ambtshalve toe op de naleving van dit fundamenteel recht. Het ne bis in idem beginsel is gesteund op de artikelen 14.7 UNO-Verdrag Burgerlijke en Politieke Rechten en 4.1 Zevende Aanvullend Protocol EVRM en houdt in een nationale context het verbod in eenzelfde persoon twee keer te vervolgen en te berechten voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds onherroepelijk is veroordeeld of vrijgesproken
(4). De vraag is te weten wat een “eerdere veroordeling” precies inhoudt: moet het gaan om een veroordeling die door een rechter is uitgesproken en in welke mate is een bestuurlijke maatregel een straf die een tweede vervolging belet? 8. De benamingen van de sanctionerende instantie of de opgelegde maatregel kunnen daarvoor richtinggevend zijn, maar niet beslissend. Ook een maatregel met het karakter van een straf die is uitgesproken door een administratieve instantie, belet een tweede strafrechtelijke vervolging en veroordeling voor hetzelfde feit. Het is dus niet omdat een maatregel in een bestuurlijke procedure is opgelegd, dat deze nooit een bestraffend karakter zou kunnen hebben. Alles hangt af van concrete elementen van de zaak. Voor toepassing van het ne bis in idem-beginsel is dus niet vereist dat er twee rechterlijke beslissingen over eenzelfde feit zijn uitgesproken
(5). Over de vereiste van ‘hetzelfde feit” (idem) wordt geen discussie gevoerd. Wat de eerdere beslissing betreft (bis), komt het aan de burgemeester toe om maatregelen te nemen ter bescherming van onder meer de gezondheid, veiligheid en rust op de openbare wegen, onder meer een ‘veilig en vlot verkeer op straten’. Deze politiebevoegdheid van de burgemeester is gesteund op de artikelen 133 en 135, §2 Nieuwe Gemeentewet
(6). Verder kent artikel 30§1 Wet Politieambt aan de politie de bevoegdheid toe goederen en dieren bestuurlijk in beslag te nemen, met het oog op de openbare veiligheid of openbare rust. De burgemeester is belast met de uitvoering van de politiewetten en politiebesluiten en is de verantwoordelijke overheid voor de bestuurlijke politie op het grondgebied van zijn gemeente (art. 133 Nieuwe Gemeentewet). Artikel 135, §2 Nieuwe Gemeentewet bepaalt dat gemeenten tot taak hebben het voorzien, ten behoeve van de inwoners, in een goede politie, met name over de zindelijkheid, de gezondheid, de veiligheid en de rust op openbare wegen en plaatsen en in openbare gebouwen. Voor zover de aangelegenheid niet buiten de bevoegdheid van de gemeenten is gehouden, worden bepaalde zaken van politie aan de waakzaamheid en het gezag van de gemeenten toevertrouwd, zoals onder meer 1° alles wat verband houdt met een veilig en vlot verkeer op openbare wegen, straten, kaden en pleinen, … 2° het tegengaan van inbreuken op de openbare rust, zoals vechtpartijen en twisten met volksoploop op straat, tumult verwekt in plaatsen van openbare vergadering, nachtgerucht en nachtelijke samenscholingen die de rust van de inwoners verstoren en 3° het handhaven van de orde op plaatsen waar veel mensen samenkomen, zoals op jaarmarkten en markten, bij openbare vermakelijkheden en plechtigheden, vertoningen en spelen, in drankgelegenheden, kerken en openbare plaatsen; …en 7° het nemen van de nodige maatregelen, inclusief politieverordeningen, voor het tegengaan van alle vormen van openbare overlast (art. 135, §2 Nieuwe Gemeentewet). 9. Om na te gaan of de bestuurlijke maatregelen van een verkeerscursus, een retributie en beslag van de wagen een (eerdere) straf zijn, dient de rechter de drie criteria te beoordelen die zijn vooropgesteld in het arrest Engel van het Europees Hof te Straatsburg (EHRM)
(7). Zoals uw Hof stelde op 29 januari 2013 en in latere arresten, is er van een strafvervolging sprake wanneer deze vervolging beantwoordt aan een strafrechtelijke kwalificatie volgens het interne recht, de inbreuk volgens haar aard geldt voor alle burgers of de sanctie op de inbreuk volgens haar aard en haar ernst een repressief of preventief oogmerk heeft
(8). Het Hof oordeelde op 17 februari 2015 dat het daarbij niet vereist is dat de veroordeling of de vrijspraak waardoor deze strafvervolging wordt beëindigd, door een strafrechter zou worden uitgesproken
(9). 10. De drie Engel-criteria moeten niet allen samen worden beoordeeld (cumulatief) om na te gaan of een maatregel een sanctie inhoudt
(10). Het eerste criterium van de kwalificatie van een sanctie volgens het intern recht is niet van toepassing: de maatregelen opgelegd door de burgemeester steunen niet op de strafwet, maar op de Nieuwe Gemeentewet, die tot het administratief recht behoort. Het tweede en derde criterium (namelijk het toepassingsgebied van de inbreuk en de aard en ernst van de sanctie) kunnen samen worden beoordeeld. De aard van de sanctie is belangrijk voor de aard van de inbreuk
(11). Raadsheer Peter HOET stelt hierover: “Indien de sancties niet hoofdzakelijk een schadevergoeding beogen, maar een bestraffend en ontradend effect hebben, zijn de inbreuken en sancties door hun zwaarwichtigheid strafrechtelijk, ongeacht de kwalificatie ervan naar nationaal recht
(12). 11. Van belang voor een gemengde procedure (administratief en strafrechtelijk) voor dezelfde feiten is het arrest Tsonyo Tsonev tegen Bulgarije
(13). Het Europees Hof te Straatsburg acht deze gedifferentieerde aanpak van een strafbaar feit verenigbaar met artikel 4 van het zevende Protocol EVRM, op voorwaarde dat elke procedure een ander doel nastreeft, in het algemeen en in het concrete geval, en deze aanpak voor de betrokkene voorzienbaar is. Zijn de procedures nauw verbonden en hebben zij hetzelfde doel, namelijk het bestraffen van de overtreder, dan is het ne bis in idem-beginsel van toepassing. 12. Het is dus niet omdat volgens eiser de bestuurlijke procedure ‘volledig losstaat van de strafrechtelijke vervolging door het openbaar ministerie’, de burgemeester zijn bevoegdheid niet aan de strafwet ontleend (memorie, p. 9), dat het openbaar ministerie voor hetzelfde feit zomaar de strafvordering kan uitoefenen. De samenwerking tussen de Stad Antwerpen en het openbaar ministerie (de procureur des Konings en de arbeidsauditeur te Antwerpen) conform het Protocol van 2018, wat alvast wijst op het aspect van verwevenheid tussen de procedures
(14), lijkt mij voor de toepassing van het ne bis in idem-beginsel overigens niet relevant. Dit beginsel houdt een fundamentele waarborg in die geldt voor elke burger en door elke overheid moet worden nageleefd. In zoverre het middel ervan uitgaat dat een eerdere veroordeling moet uitgaan van een rechter en de strafrechter niet kan nagaan of de burgemeester ‘een bestraffing heeft uitgesproken’ faalt het naar recht.
  1. Ook het argument van eiser dat de burgemeester alleen optreedt voor het herstel van orde en rust, met tijdelijke maatregelen, en de politierechter de feiten bestraft, met leedtoevoeging, waarbij cumul mogelijk is wegens het beginsel van de ‘scheiding der machten’ (memorie, p. 10), lijkt mij niet overtuigend. Vooreerst blijkt uit de beslissing van de burgemeester, gevoegd aan de memorie, dat er rekening is gehouden met eerdere rijverboden (p. 1 en 5) en er nood is aan ‘dwingende maatregelen om het risico op herhaling uit te sluiten, minstens te beperken’ (p. 6). Eiser gaf weliswaar aan bereid zijn de cursus ‘driver improvement’ van VIAS te volgen, doch deze cursus werd hem opgelegd, waarbij eiser voor die cursus ‘zal worden aangemeld door de dienst bestuurlijke handhaving’ en zijn voertuig pas wordt vrijgegeven na het bewijs van inschrijving en betaling van de VIAS-cursus’ (p. 7).
  2. Ten tweede lijken mij er geen fundamentele verschillen te bestaan tussen de opgelegde cursus in het kader van openbare orde, wegens een strafbaar feit, en de cursus die de strafrechter kan opleggen voor hetzelfde feit, bij wijze van een probatievoorwaarde verbonden aan een opschorting of uitstel of een autonome probatiestraf. Ook in deze gevallen wordt er gereageerd op een strafbaar feit, door een straf van beperkte duur, om de maatschappij te beveiligen en recidive te voorkomen, en dient de beklaagde met de cursus in te stemmen (artt. 3 en 8 Probatiewet en art. 37octies, §3 Sw.).
  3. Het opleggen van een cursus verkeersveiligheid door een administratief orgaan, met kosten te betalen door de overtreder, is evenwel niet steeds als een straf te beschouwen. Die maatregel kan een beveiligingsfunctie hebben. Relevant is de beslissing van het EHRM in de zaak Blokker tegen Nederland. De politie trok het rijbewijs van Blokker in na een vaststelling van dronken rijden, waarbij het openbaar ministerie deze maatregel verlengde tot 9 maanden. De strafrechter legde een geldboete op van 2500 Gulden en een rijverbod van 6 maanden, met uitstel voor twee jaar. Vervolgens legde de Minister van Verkeer en Waterstaat voor dezelfde feiten een verkeerscursus (Educatieve Maatregel Alcohol en Verkeer, EAM) op, met de kost van 500 Gulden te betalen door de overtreder. Het Europees Hof beschouwde deze cursus die nodig was om het rijbewijs terug te krijgen niet als een straf, maar als een maatregel om de overtreder inzicht te bieden in de gevaren van rijden onder invloed en een maatregel ter beveiliging van andere weggebruikers. De beveiligingsmaatregel is volgens het EHRM te vergelijken met de administratieve procedure om een rijbewijs te bekomen
(15). 16. Hoewel de zaak Blokker tal van aanknopingspunten bevat, zijn er ook verschillen met de zaak van eiser. De cursus opgelegd door de burgemeester diende om de in beslag genomen wagen terug te krijgen en werd gecombineerd met geldelijke maatregelen. Door niet in te gaan op de cursus, met al een kost van 790€, zouden de kosten voor eiser om zijn wagen terug te krijgen aanzienlijk oplopen, mogelijk zelfs de restwaarde van zijn voertuig kunnen overtreffen, waardoor de maatregelen voor de overtreder neerkomen op een verbeurdverklaring
(16). Hierbij is op te merken dat volgens artikel 30§2 Wet Politieambt de in beslag genomen voorwerpen gedurende maximaal zes maanden ter beschikking worden gehouden van de eigenaar, tenzij het gaat om goederen die om redenen van openbare veiligheid meteen moeten worden vernietigd. Voor de bijkomende betalingen die onaantastbaar door de feitenrechter zijn vastgesteld (653€ kosten voor vrijgave en 649€ retributie met inbegrip van takelkosten) dient de rechter voor de kwalificatie van de beslissing als schadevergoeding, beveiligingsmaatregel of straf rekening te houden met bepaalde criteria, zoals de hoogte van het bedrag, het al dan niet herstel van schade en het preventief of repressief oogmerk. De rechter kan oordelen dat de strafrechtelijke aspecten de doorslag geven, de maatregel aldus als een straf is te beschouwen
(17). 17. De eerste rechter oordeelde met verwijzing naar een arrest van de Raad van State van 2011 dat de bestuurlijke maatregelen (cursus, retributie en beslag) geen administratieve sanctie zijn, maar alleen een bestuurlijke maatregel om de openbare orde en rust te handhaven. Dit arrest
(18)heeft betrekking op loslopende honden die andere dieren doodbeten en een man hadden aangevallen, waarbij de burgemeester aan de eigenares het verbod oplegde nog honden te bezitten. De Raad van State oordeelde dat de beslissing geen straf is, maar een maatregel die zuiver beoogt een gevaar voor de openbare orde tegen te gaan. De Raad wees evenwel op het beginsel van evenredigheid en vond het verbod om ‘nu in de toekomst nog honden te bezitten’ ongenuanceerd, temeer daar de twee gevaarlijke honden reeds van de eigenares waren ontnomen. De opgelegde straf werd daarom vernietigd. Mij komt voor dat dit arrest over een administratieve beslissing aanleiding geeft tot verschillende interpretaties, niet zomaar kan dienen als basis om een opgelegde cursus op kosten van de overtreder, verbonden aan een beslag op de wagen, in het kader van verkeersveiligheid niet als straf te kwalificeren, en daarmee het ne bis in idem-beginsel uit te sluiten. De Raad van State geeft immers aan dat de proportionaliteit
(19)een “kwestie is van afweging, waarbij de maatregel niet meer pijn mag doen dan noodzakelijk voor de nagestreefde toekomstbeveiliging”. Wanneer de feiten waarvoor reeds een administratieve beslissing is genomen worden voorgelegd aan de strafrechter, lijkt mij dat de strafrechter dit criterium van evenredigheid kan en moet toepassen, door te oordelen dat de beklaagde reeds voldoende voor de feiten is bestraft.
  1. Besluit
  2. Ik ben van mening dat de correctionele rechtbank naar recht heeft geoordeeld dat de administratieve maatregelen van beslag, een cursus VIAS en bijhorende betalingen reeds een bestraffing uitmaken voor de aanhangig gemaakte feiten, gelet op de criteria van het arrest Engel, waardoor de strafvordering is vervallen.
  3. Er zijn geen ambtshalve middelen aan te voeren. Mijn advies is verwerping. ______________________________________________
(1)Over het vrije woord van de parketmagistraat op de terechtzitting zie J. MATTHIJS, Openbaar ministerie, APR 1983, nr. 159; A. VAN OUDENHOVE, “De werking van het openbaar ministerie”, in Een eigentijds openbaar ministerie, Belgisch Staatsblad 1994, 178; R. DECLERCQ, “Bedenkingen bij de structuur van het openbaar ministerie”, in Amicus curiae. Liber amicorum Marc De Swaef, Intersentia, 2013, 125.
(2)Cass. 30 april 2014, AR P.13.1869.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140430.2, AC 2014, nr. 307. Eveneens oordeelde het Hof dat het openbaar ministerie hoger beroep kan instellen met als grief ‘straf onvoldoende beteugeld’ (art. 204 Sv.) ook als de parketmagistraat de straf heeft gevorderd die de eerste rechter heeft uitgesproken (Cass. 27 februari 2018, AR P.18.0021.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180227.7, AC 2018, nr. 131).
(3)Vb. Cass. 12 mei 2021, AR P.21.0619.F ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210512.2F.14, AC 2021, nr. 347; Cass. 23 oktober 2013, AR P.13.1601.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131023.3, AC 2013, nr. 544; Cass. 11 februari 2004, AR P.03.1661.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040211.11, AC 2004, nr. 73.
(4)Zie alg. P. HOET, Het strafrechtelijk ne bis in idem, Intersentia, 2021, 119 p.; A. JACOBS, “Le droit à un double degré et le principe ne bis in idem. Le Protocole n°7 à la Convention européenne des droits de l’homme enfin en vigueur en Belgique”, RDPC 2013, 308-318 ; C. VAN DEN WYNGAERT, Ph. TRAEST en S. VANDROMME, Strafrecht en strafprocesrecht, Maklu, 2017, 865-875; M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, 256-273. Raadsheer P. HOET stelt dat vermelde verdragsbepalingen geen internationaal ne bis in idem-beginsel bevatten (o.c., p. 9).
(5)P. HOET, Het strafrechtelijk ne bis in idem, Intersentia, 2021, 49.
(6)I. OPDEBEEK en S. DE SOMER, “Bestuurlijke handhaving in vogelvlucht”, in De bestuurlijke handhaving. Hoe door de bomen het bos nog zien?”, Die Keure, 2018, 3-38; A. DELVAUX, “De bestuurlijke handhaving van criminaliteit en onveiligheidsfenomenen. Hoe gaat het openbaar ministerie om met de lacunaire wetgeving?”, Politie en Recht (P&R) 2020, 121-121.
(7)EHRM 8 juni 1976, Engel t/Nederland, www.echr.coe.int. Zie eveneens EHRM 10 februari 2009, Zolothoukine t/Rusland, §53, EHRM 22 december 2020, Gestur Jónsson en Ragnar Halldór t/Ijsland; EHRM 31 augustus 2021, Bragi Gudmundur Krisjansson t/Ijsland, §55-59 www.echr.coe.int. Over de criteria van het arrest Engel zie P. HOET, Het strafrechtelijk ne bis in idem, Intersentia, 2021, 49-65; Advocaat-generaal M. DE SWAEF, conclusie in de zaak Cass. 29 januari 2013, AR P.12.0402.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130129.3, AC 2013, nr. 67 (§ 3); I. OPDEBEEK en A. STIJLEMAN, “Het onderscheid tussen bestraffend en probleemverhelpend bestuurlijk handhaven: whats in a name of relevant onderscheid?”, in Bestuurlijke handhaving. Hoe door de bomen het bos nog zien?, Die Keure, 2018, 75-85; M.-A BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, 258-260.
(8)Cass. 29 januari 2013, AR P.12.0402.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130129.3, AC 2013, nr.
  1. In dezelfde zin Cass. 17 februari 2015, AR P.14.0201.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150217.1, AC 2015, nr. 119,
  2. In dezelfde zin Cass. 27 november 2018, AR P.18.0007.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181127.2, AC 2018, nr. 668, RO 59.
(9)Cass. 17 februari 2015, AR P.14.0201.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150217.1, AC 2015, nr. 119, 447.
(10)P. HOET, Het strafrechtelijk ne bis in idem, Intersentia, 2021, 52.
(11)P. HOET, Het strafrechtelijk ne bis in idem, Intersentia, 2021, 52, Advocaat-generaal M. DE SWAEF, conclusie in de zaak Cass 29 januari 2013, AR P12.0402.N, AC 2013, nr. 67, met verwijzing naar EHRM Matyjek t/ Polen, 30 mei 2006, ro 52-55.
(12)P. HOET, Het strafrechtelijk ne bis in idem, Intersentia, 2021, 52.
(13)EHRM 6 april 2021; Tsonyo Tsonev t. Bulgarije, www.echr.coe.int (in deze zaak was de opeenvolging van een administratieve geldboete en een gevangenisstraf van 18 maanden voor dezelfde feiten aan de orde).
(14)Over deze verwevenheid EHRM 6 april 2021; Tsonyo Tsonev t. Bulgarije, §47-55, www.echr.coe.int
(15)EHRM 7 november 2000, (decision of non-admissibility), Blokker t/Nederland, nr. 45282/99. Zie P. HOET, Het strafrechtelijk ne bis in idem, Intersentia, 2021, 53.
(16)Over de verbeurdverklaring als straf in het kader van ne bis in idem zie P. HOET, Het strafrechtelijk ne bis in idem, Intersentia, 2021, 57-58.
(17)Cass. 25 mei 1999, AR P.99.0517.N ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990525.13, AC 1999, nr. 307; GwH 26 april 2007, nr. 67/2007, B.9.1, www.echr.coe.int zie S. VANDROMME en E. DE BOCK, “Verduidelijkingen in het leerstuk van de ne bis in idem-werking van een administratieve sanctie t.a.v. een navolgende strafvervolging”, RW 2008-09, 529-533; F. LUGENTZ, “Le principe non bis in idem et le cumul des sanctions administratives et pénales à l’épreuve de la Cour Constutionnelle”, RDPC 2007, 996-997; P. HOET, Het strafrechtelijk ne bis in idem, Intersentia, 2021, 60-61.
(18)RvSt 26 april 2011, arrest 212.710, Myriam Jans tegen de Burgemeester van de gemeente Meerhout, www.raadvanstate.be
(19)Zie hierover L. TODTS, “Het proportionaliteitsbeginsel in het gemeentelijke openbareordehandhavingsrecht: naar een meer gelijklopende proportionaliteitstoets?”, in Bestuurlijke handhaving. Hoe door de bomen het bos nog zien?, Die Keure, 2018, 162-193. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220517.2N.12 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220517.2N.12 citeert: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990525.13 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040211.11 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130129.3 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131023.3 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140430.2 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150217.1 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180227.7 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181127.2 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210512.2F.14 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.