id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 19 mei 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220519.1N.8 Rolnummer: F.20.0160.N Zaak: D. contra VLAAMS GEWEST Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2022-07-12 Raadplegingen: 553 - laatst gezien 2026-06-15 08:32 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220519.1N.8 Fiche De inschrijving in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister op het adres van het verkregen onroerend goed maakt een noodzakelijke voorwaarde uit voor de toepassing van het verlaagd tarief
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: REGISTRATIE (RECHT VAN) Vrije woorden: Verlaagd tarief bescheiden woning - Toepassingsvoorwaarden - Inschrijving in het bevolkingsregister Wettelijke bepalingen: Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten - 30-11-1939 - Artt. 53 en 60 - 36 Link Justel databank 19391130-36 Decreet 13 december 2013 houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit - 13-12-2013 - Art. 2.9.4.2.1 - 06 ELI link Pub nr 2013036154 Tekst van de conclusie F.20.0160.N Conclusie van advocaat-generaal J. Van der Fraenen:
- Situering Eiser kocht bij notariële akte van 15 december 2010 een huis (…). Oorspronkelijk werd voor de registratierechten ten laste van eiser rekening gehouden met het abattement en met het verlaagd registratietarief van 5% voor het “klein beschrijf”. Na een controle in 2017 oordeelde de belastingadministratie dat eiser de voorwaarden niet nageleefd had om deze gunstmaatregelen te kunnen behouden. Op 14 november 2017 werd voor het aanslagjaar 2010 een aanslagbiljet verzonden met enerzijds aanvullende rechten t.b.v. 750,00 EUR en een belastingverhoging van 375,00 EUR wegens het niet voldoen aan de voorwaarden van het abattement, en, anderzijds, met aanvullende rechten t.b.v. 8.750,00 EUR en een belastingverhoging van 1.750,00 EUR wegens het niet voldoen aan de voorwaarden van het “klein beschrijf”. De gerechtelijke betwisting van de aanslag leidde tot een arrest dd. 23 juni 2020 van het hof van beroep te Gent waarin werd geoordeeld, enerzijds, dat het abattement dient behouden te blijven, en, anderzijds, dat eiser geen aanspraak kan maken op het verlaagd registratietarief voor het “klein beschrijf” omdat hij niet ingeschreven was in het bevolkingsregister op het adres van de aangekochte woning. Eiser komt op tegen dit arrest met één middel tot cassatie.
- Bespreking van het enig middel 2.
- Eiser voert aan dat de appelrechter onwettig heeft beslist dat eiser het verminderd registratietarief voor een bescheiden woning niet kan genieten op grond van de vaststelling, enerzijds, dat eiser nooit in het bevolkingsregister was ingeschreven op het adres van de aangekochte woning waarvoor hij de toepassing van het verminderd tarief van het zogenaamde "klein beschrijf' had gevraagd, anderzijds, dat het bewijs van een effectieve bewoning op dat adres niet in aanmerking kon genomen worden om uit te maken of voldaan was aan de wettelijke voorwaarden inzake inschrijving in het bevolkingsregister. Volgens het middel is er sprake van een schending van de artikelen 10, 11 en 172 Gw. door het W. Reg. en de Vlaamse Codex Fiscaliteit in zoverre deze eiser niet toelaten, als verkrijger van een bescheiden woning die aanspraak wenst te maken op het behoud van het verminderd registratietarief voor het "klein beschrijf', en die op het adres van de aangekochte woning niet ingeschreven was in het bevolkingsregister, het (tegen)bewijs te leveren dat hij als koper van de bescheiden woning aan alle voorwaarden voldeed van de Wet van 19 juli 1991 en het KB van 16 juli 1992 om de inschrijving in het bevolkingsregister te verkrijgen binnen de drie jaar na het verlijden van de authentieke akte van aankoop van de woning en om die inschrijving ononderbroken te behouden gedurende drie opeenvolgende jaren (Schending van de artikelen 44, 53, 55 en 60 W. Reg., 2.9.4.1.1 en 2.9.4.2.1 VCF, 1, §1 en 3 Wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten en tot wijzing van de Wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, artikel 16, §1 KB van 16 juli 1992 betreffende de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister, 10, 11 en 172 Gw. en het hierin vervatte fiscaal gelijkheidsbeginsel). 2.
- Krachtens artikel 44 W. Reg., welke bepaling van toepassing was op het ogenblik van het verlijden van de authentieke akte, bedraagt het registratierecht in de regel 10%. Het registratierecht wordt verminderd naar 5% in de gevallen bepaald in artikel 53 W. Reg. en onder de voorwaarden bepaald in artikel 55 W. Reg., waaronder de voorwaarde dat de akte, of een door de verkrijger gewaarmerkte en ondertekende verklaring onderaan op de akte, uitdrukkelijk moet vermelden dat de verkrijger of zijn echtgenoot zijn inschrijving in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister op het adres van het verkregen onroerend goed zal bekomen. Krachtens artikel 60, tweede en derde lid, W. Reg. blijft het voordeel van de vermindering alleen dan behouden zo de verkrijger of zijn echtgenoot ingeschreven is in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister op het adres van het verkregen onroerend goed. Deze inschrijving moet geschieden binnen een termijn van drie jaar te rekenen van de datum van de authentieke akte van verkrijging en moet ten minste drie jaar zonder onderbreking behouden blijven. 2.
- Bij de invoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit werden de voorwaarden om van het verminderd registratietarief van 5% te kunnen genieten integraal overgenomen, zodat op het ogenblik van het uitvoerbaar verklaren en verzenden van het aanslagbiljet voor de aanvullende registratierechten nog steeds dezelfde voorwaarden van toepassing waren als op het ogenblik van het verlijden van de authentieke akte
(1). De wettekst is m.i. duidelijk. De wetgever verplicht de verkrijger om zich binnen een termijn van drie jaar in te schrijven in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister om te kunnen (blijven) genieten van het verminderd registratietarief van 5%. Een klare en duidelijke tekst behoeft geen interpretatie
(2). Zelfs de parlementaire voorbereiding van een wet kan niet worden aangevoerd tegen de klare en duidelijke tekst ervan
(3). In strijd met de tekst van de wet legt eiser die bepalingen – mede in het licht van de parlementaire voorbereiding ervan – zo uit dat het volstaat om van het verminderd registratietarief te kunnen (blijven) genieten dat de verkrijger zijn hoofdverblijfplaats, en dus zijn effectieve woonplaats, heeft op het adres van de verkregen woning, en dat hij aldus voldeed aan de voorwaarden om op dat adres te worden ingeschreven in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister, ook al is hij die administratieve verplichting niet nagekomen. Evenwel vereist de duidelijke wettekst dat de verkrijger zich binnen die termijn van drie jaar moet laten inschrijven. Het louter voldoen aan de voorwaarden om te kunnen worden ingeschreven, volstaat volgens de tekst van de wet niet
(4). Dat volgt overigens evenmin uit de parlementaire voorbereiding. Oorspronkelijk werd de toekenning van de vermindering afhankelijk gemaakt van de voorwaarde dat de verkrijger het onroerend goed bewoonde. Deze bewoning moest aangevangen worden binnen een termijn van vijf jaar en gedurende een ononderbroken termijn van ten minste drie jaar voortgezet worden. De wetgever heeft die voorwaarde van bewoning echter afgeschaft om reden dat de controle op het naleven van die voorwaarde van bewoning voor de administratie een zware last betekende. Die moest immers nagaan of de verkrijger er werkelijk woonde
(5). Omdat de afschaffing van de voorwaarde van bewoning tot een aantal ‘misbruiken’ heeft geleid, werd een aantal jaren later de invoering voorgesteld van een verplichte inschrijving in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister op het adres van het verkregen onroerend goed. De verplichte inschrijving werd verkozen boven de oude voorwaarde van bewoning teneinde de controle op de naleving van die voorwaarde te vergemakkelijken
(6). Opdat men zich kan laten inschrijven in het bevolkingsregister op het adres van het verkregen onroerend goed is evenwel vereist dat men daar zijn hoofdverblijfplaats vestigt (dewelke in principe overeenstemt met de effectieve woonplaats)
(7). De koper moet van de verkregen woning aldus zijn hoofdverblijfplaats maken en zich inschrijven in het bevolkingsregister of vreemdelingenregister. Uit de voorbereidende werken blijkt dat het gaat om een bijkomende voorwaarde om van het gunsttarief te kunnen genieten: de koper moet van de woning zijn hoofdverblijfplaats maken en ingeschreven zijn in het bevolkingsregister of vreemdelingenregister
(8). De koper die weliswaar zijn hoofdverblijfplaats op het adres van het verkregen onroerend goed heeft, maar die heeft nagelaten om zich aldaar in te schrijven in het bevolkingsregister voldoet aldus niet aan de voorwaarden om nog te kunnen genieten van het gunsttarief. Het betreft een noodzakelijke voorwaarde
(9). Het volstaat dus niet dat men zijn hoofdverblijfplaats vestigt in het verkregen onroerend goed, maar men moet er ook administratief naar handelen door zich effectief op dat adres in te schrijven in het bevolkings- of vreemdelingenregister
(10). Omgekeerd wanneer de koper zich heeft ingeschreven op het adres van het verkregen onroerend goed veronderstelt dat dat hij daar zijn hoofdverblijfplaats heeft. De administratie moet niet langer nagaan of dat ook werkelijk het geval is. Het is voldoende dat de koper daar is ingeschreven, opdat hij van het gunsttarief kan genieten
(11). 2.
- Het middel dat ervan uitgaat dat voor de toepassing van het verlaagd registratietarief het volstaat dat de verkrijger zijn hoofdverblijfplaats heeft op het adres van het verkregen onroerend goed, kan m.i. niet worden aangenomen.
- Besluit: Verwerping. _________________________________
(1)Artt. 2.9.4.1.1 en 2.9.4.2.1 VCF.
(2)J. ESPEEL, “Fundamentele beginselen” in F. WERDEFROY, Registratierechten, Mechelen, Kluwer, 2016, 85, nr. 67; E. MINGALEYEV A. VAN DE VIJVER en T. HAENTJENS, “Algemene beginselen van het Belgisch fiscaal recht” in A. TIBERGHIEN (ed.), Handboek voor fiscaal recht, Mechelen, Kluwer, 2020, nr. 208; Cass. 11 december 1962, Pas. 1963, 455: “Que les termes revenus … alloués ou attribues, dont le législateur a usé dans l'article 1er, 2°, de la loi du 24 juillet 1952, sont clairs et précis et ne requièrent point d'interprétation; que, partant, il n'y a pas lieu de recourir aux travaux préparatoires qui ne sauraient prévaloir contre le texte précis de la loi”.
(3)Cass. 30 juni 2006, AR C.05.0117.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060630.13, AC 2006, nr. 371; Cass. 22 december 1994, AR C.94.0035.F ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19941222.9, AC 1994, nr. 573; Cass. 15 januari 1963, Pas. 1963, I, 570.
(4)Adm. besl. 10 februari 2003, nr. E.E./BW4639, Registratierechten 2002-2003, 3; Luik 8 oktober 2010, bl. nr. E.E./HB4608 (bevestiging van rb. Namen 13 juni 2007), www.stradalex.com; Rb. Gent 24 maart 2005, bl. nr. E.E./BW4554, www.stradalex.com; Rb. Aarlen 21 februari 2007, RGEN 2007, 293; Rb. Namen 13 juni 2007, Droits d’enregistrement 2004-2005, afl. 4, 9; Rb. Brugge 27 april 2010, RGEN 2011, 118; Rb. Brugge 27 september 2010, Fisc. Act. 2011, afl. 35, 15.
(5)MvT Ontwerp van wet houdende fiscale bepalingen, Parl. St. Senaat 1989-90, nr. 806/1, 27-29.
(6)MvT Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 60 van het Wetboek van registratie-, hypotheek- en griffierechten, Parl. St. Senaat 1995-96, nr. 290/1, 1-3.
(7)Art. 1, §1 en 3 van de wet van 19 juli 1991 en art. 16, §1 van het koninklijk besluit van 16 juli 1992.
(8)Verslag Wetsontwerp tot wijziging van de artikelen 55, 60, 61
(1)en 61(²) van het Wetboek van registratie-, hypotheek- en griffierechten, Parl. St. Kamer 1997-98, nr. 1434/2, 3.
(9)E. DE WILDE D’ESTMAEL, “Réduction des droits subordonnée à une nouvelle condition d’occupation”, Act. Fisc. 1998, afl. 25,
(2)4; J. GRILLET, “Bescheiden woning: de inschrijvingsplicht als voorwaarde tot behoud van de 6% (art. 60, 2e lid W.Reg.)”, T. Not. 2001,
(303)305.
(10)Adm. besl. 10 februari 2003, nr. E.E./BW4639, Registratierechten 2002-2003, 3; Luik 8 oktober 2010, bl. nr. E.E./HB4608 (bevestiging van rb. Namen 13 juni 2007), www.stradalex.com; Rb. Gent 24 maart 2005, bl. nr. E.E./BW4554, www.stradalex.com; Rb. Aarlen 21 februari 2007, RGEN 2007, 293; Rb. Namen 13 juni 2007, Droits d’enregistrement 2004-2005, afl. 4, 9; Rb. Brugge 27 april 2010, RGEN 2011, 118; B. MEDAER, “De inschrijvingsvoorwaarde van (oud) artikel 53, eerste lid, 2° en 60, tweede lid, Vl. W. Reg. (thans art. 2.9.4.2.1., §2, 2° en 5°, b) VCF) schendt het recht op privacy niet”, Registratierechten 2016, 3/2.
(11)E. DE WILDE D’ ESTMAEL, “Réduction des droits subordonnée à une nouvelle condition d’occupation”, Act. Fisc. 1998, afl. 25,
(2)4; J. GRILLET, “Bescheiden woning: de inschrijvingsplicht als voorwaarde tot behoud van de 6% (art. 60, 2e lid W. Reg.)”, T. Not. 2001,
(303)305. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220519.1N.8 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220519.1N.8 citeert: ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19941222.9 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060630.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div