← België

V. contra Gemeente Zoersel

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 16 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220616.1N.8 Rolnummer: C.21.0319.N Zaak: V. contra Gemeente Zoersel Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-08-10 Raadplegingen: 778 - laatst gezien 2026-06-19 02:32 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220616.1N.8 Fiche Een stedenbouwkundig voorschrift in een RUP dat voor onbepaalde tijd verbiedt om woningen te bouwen of constructies op te richten voor aan wonen verwante activiteiten en voorzieningen en aldus elke woonontwikkeling voor onbepaalde tijd onmogelijk maakt, is onverenigbaar met de categorie wonen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - RUIMTELIJKE ORDENING. PLAN VAN AANLEG Vrije woorden: Ruimtelijk uitvoeringsplan - Stedenbouwkundig voorschrift - Categorie van gebiedsaanduiding - Onverenigbaarheid - Toepassing Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 159 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Art. 2.2.6, § 2, eerste en tweede lid - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Annotaties Publicaties: T.Gem.-Tijdschrift voor gemeenterecht - 2023, nr. 2, p. 114-
  1. - PAUWELS, Sigrid; VAN DE VENSTER, Wout; Noot'Klimaatzorg en 'Woonreservegebieden': een kwestie van planningstechniek én rechtstechniek' Tekst van de conclusie C.21.0319.N Conclusie van eerste advocaat-generaal Ria Mortier:
  2. Feiten en procedure Eisers zijn eigenaar van percelen grond die volgens het gewestplan Turnhout waren gelegen in woonparkgebied en die volgens het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘reservering binnengebieden in woongebied’ (GRUP),definitief vastgesteld op 23 januari 2018, werden (her)bestemd als reservegebied voor wonen. Dit GRUP voorziet in het bijzonder “Het gebied is gereserveerd voor wonen, openbare groene en verharde ruimten en aan het wonen verwante voorzieningen” maar voorziet ook dat “Het gebied pas kan ontwikkeld worden nadat een kwantitatieve woonbehoefte wordt aangetoond door middel van een woningbouwprogrammatie dat deel uitmaakt van een (eventueel gedeeltelijke) herziening van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan en na een (eventueel gedeeltelijke) herziening van het ruimtelijk uitvoeringsplan”. Diverse verkavelingsaanvragen en een aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van drie villa-appartementsgebouwen werden in de jaren voorafgaand aan de definitieve vaststelling van het GRUP, geweigerd. Na de definitieve vaststelling van het GRUP gingen eisers over tot dagvaarding van verweerster. Zij waren van mening dat de herbestemming van de percelen door het GRUP onwettig was en vorderden dat voor recht werd gezegd dat de gemeente een fout had begaan door vaststelling en goedkeuring van voormeld onwettig GRUP dat conform artikel 159 Grondwet buiten toepassing diende te worden verklaard. Zij vorderden verder een schadevergoeding wegens de bestemmingswijziging van de percelen. De eerste rechter oordeelde dat voormeld stedenbouwkundig voorschrift in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel nu eisers volledig in het ongewisse worden gelaten of, en wanneer, hun percelen ooit voor bebouwing in aanmerking zullen kunnen komen en dit voorschrift dus onvoorspelbaar is. Bovendien staat de bestemming “woonreservegebied” haaks op de overeenstemmende bestemmingscategorie “woongebied” wat een schending inhoudt van artikel 2.2.3., §2, eerste lid VCRO (thans artikel 2.2.6., §2 eerste lid VCRO) dat bepaalt dat een stedenbouwkundig voorschrift op elk moment ressorteert onder een (sub)categorie van gebiedsaanduiding. De eerste rechter oordeelt in dit verband immers dat verweerster, door de woonontwikkeling te bevriezen, voorzien heeft in een woongebied waarin niet kan gebouwd worden en bewoning dus de facto onmogelijk is. De vordering van eisers werd toelaatbaar en gegrond verklaard in de mate dat voor recht wordt gezegd dat verweerster een fout heeft begaan door het vaststellen en goedkeuren van het GRUP en eisers hierdoor schade hebben geleden. Er werd een deskundige aangesteld om de hierdoor ontstane waardevermindering van de percelen te bepalen. Op het hoger beroep van verweerster oordeelden de appelrechters evenwel dat de vordering van eisers ongegrond is. De appelrechters oordelen dat de stedenbouwkundige voorschriften duidelijk zijn wat betreft het actuele lot van de percelen: elke vorm van nieuwe bebouwing is onmogelijk. Evenmin is er strijdigheid tussen de bestemming “reservegebied voor wonen” en de bestemmingscategorie “woongebied”. Aan de bestemmingscategorie “wonen” wordt immers geen eind gemaakt, enkel de realisatie ervan wordt opgeschort. Tegen dit arrest van 22 maart 2021 van het hof van beroep te Antwerpen voeren eisers één middel aan bestaande uit twee onderdelen.
  3. Bespreking 2.1 Eerste onderdeel 2.1.
  4. In het eerste onderdeel voeren eisers aan dat stedenbouwkundige voorschriften in lijn dienen te zijn met de categorie van gebiedsaanduiding waaronder zij ressorteren, te dezen de gebiedsaanduiding “wonen” met de subcategorie “woongebied”, in hoofdzaak bestemd voor wonen en aan wonen verwante activiteiten en voorzieningen, terwijl de bestemming ‘reservegebied voor wonen’ in het GRUP niet verenigbaar is met de gebiedsaanduiding ‘woongebied’ gezien elke woonontwikkeling zonder meer en voor onbepaalde termijn wordt opgeschort. De rechter mocht aldus geen toepassing maken van het GRUP waarbij een hogere bepaling werd geschonden (art. 159 GW), welke onwettigheid bovendien een fout uitmaakt in hoofde van verweerster (art. 1382-83 Oud BW) die noopte tot herstel. Door in weerwil hiervan te oordelen dat de bestemming “reservegebied voor wonen” niet tegenstrijdig is met de bestemmingscategorie “woongebied” verantwoorden de appelrechters hun beslissing bijgevolg niet naar recht. 2.1.
  5. Ruimtelijke uitvoeringsplannen geven uitvoering aan een ruimtelijk structuurplan dat als beleidsdocument het kader aangeeft voor de gewenste ruimtelijke structuur. Het RUP geeft aan de hand van concrete voorschriften de toekomstige bestemming, inrichting of beheer van een gebied aan
(1). De inhoud van een RUP is decretaal vastgelegd in artikel 2.2.5., §1 VCRO waarvan het laatste lid bepaalt dat het grafische plan dat aangeeft voor welk gebied of welke gebieden het plan van toepassing is en de bijbehorende stedenbouwkundige voorschriften verordenende kracht hebben. Stedenbouwkundige voorschriften inzake bestemming bepalen welke activiteiten al dan niet zijn toegelaten in een bepaald gebied en leggen dus in functie van een afweging van verschillende aanspraken op de ruimte
(2)de gebruiksmogelijkheden van de grond vast. Stedenbouwkundige voorschriften over “inrichting” hebben betrekking op hoe die activiteiten of functies hun plaats krijgen. Het gaat over de ordening van het gebied waaronder kavelgrootte, wegenontsluiting of het al dan niet toegelaten zijn van bebouwing
(3). Zoals elk stedenbouwkundig voorschrift op een of andere manier een eigendomsbeperking impliceert, kunnen ook de stedenbouwkundige voorschriften van een RUP eigendomsbeperkingen inhouden, met inbegrip van een bouwverbod. Dit principe is verankerd in artikel 2.2.6., §1, eerste lid VCRO en vormt dus op zich geen probleem, hoewel dit er uiteraard niet toe mag leiden dat de overheid hierbij het eigendomsrecht onevenredig beperkt. De eigendomsbeperkingen die van overheidswege worden opgelegd zijn enkel toegestaan indien ze beantwoorden aan een rechtmatig evenwicht tussen het algemeen belang van de gemeenschap en de bescherming van de grondrechten van het individu
(4). Dat deze stedenbouwkundige voorschriften verordenende kracht hebben houdt in dat ze blijven gelden tot ze worden vervangen, bindend zijn voor de overheid én de burger en de basis vormen van onder andere het vergunningenbeleid. De verordenende kracht houdt evenwel niet in dat de bestaande toestand onmiddellijk moet worden aangepast aan het plan. Evenmin geldt hierdoor de verplichting om de voorzieningen ervan binnen een bepaalde tijdspanne te realiseren
(5). Artikel 2.2.6., §1, tweede lid VCRO bepaalt in die zin dat stedenbouwkundige voorschriften een tijdelijk ruimtegebruik kunnen toelaten, na verloop van tijd in werking kunnen treden, op een bepaald tijdstip inhoudelijk kunnen veranderen of kunnen inhouden dat een onderdeel van een voorschrift in werking treedt als de opgenomen voorwaarde vervuld is. 2.1.3. Hoewel de overheid bij de planning dus beschikt over een grote flexibiliteit zodat bij het uitwerken van stedenbouwkundige voorschriften kan rekening worden gehouden met toekomstige behoeften en onzekere toekomstige ontwikkelingen, vereist de nood aan rechtszekerheid dat de regels ook kenbaar en duidelijk zijn
(6). Rechtszekerheid heeft te maken met voorzienbaarheid en het vermogen om de rechtsgevolgen op voorhand te kunnen inschatten
(7), zodat het voor de belanghebbenden duidelijk moet zijn wat kan en wat verboden is. De rechtsonderhorige heeft op basis van het rechtszekerheidsbeginsel recht op een duidelijk kenbare rechtspositie in een RUP
(8). In de praktijk contrasteert die nood aan rechtszekerheid echter vaak met de behoefte aan dynamiek en flexibiliteit die een doeltreffende ruimtelijke planning nodig heeft
(9). Er moet dus een evenwicht worden gevonden tussen het enerzijds op voldoende duidelijke wijze formuleren van stedenbouwkundige voorschriften - wat evenwel niet impliceert dat de overheid die het RUP uitvaardigt alle aspecten van de betrokken regeling op een precieze en gedetailleerde wijze moet regelen -, terwijl anderzijds ook voorschriften in veeleer algemene of vage bewoordingen kunnen worden opgenomen die evenwel niet tot gevolg mogen hebben dat de rechtzoekende in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel niet in redelijke mate kan voorzien of bepaalde handelingen al dan niet verenigbaar zijn met de voorschriften
(10). De overheid zal er binnen een grote beleidsvrijheid dus moeten op toezien dat de voorgeschreven krijtlijnen van de VCRO en een aantal beginselen van behoorlijk bestuur gerespecteerd worden, zo niet kan het RUP onwettig worden verklaard
(11). Met toepassing van artikel 159 GW kan de onwettigheid van een RUP worden aangevoerd zodat het buiten toepassing wordt verklaard, zelfs na het verstrijken van de termijn om de nietigverklaring van dit plan te vorderen
(12). 2.1.4. Bij de opmaak van een RUP moeten de decretaal verankerde gebiedscategorieën als uitgangspunt worden genomen. In dit verband dient, krachtens artikel 2.2.6, § 2,eerste lid VCRO, ieder stedenbouwkundig voorschrift in een RUP te allen tijde onder een (sub)categorie van gebiedsaanduiding te ressorteren. Dit houdt enerzijds in dat in elk stedenbouwkundig voorschrift van een RUP moet worden aangegeven onder welke categorie van gebiedsaanduiding het valt
(13)maar anderzijds ook dat die gebiedsaanduiding moet stroken met de inhoud van het stedenbouwkundig voorschrift. Hierbij wordt uitgegaan van een planologische interpretatie van de stedenbouwkundige voorschriften
(14). Gezien veel regels uit de VCRO gekoppeld zijn aan specifieke bestemmingsvoorschriften is de indeling van stedenbouwkundige voorschriften in een (sub)categorie van bestemmingsvoorschriften van cruciaal belang
(15). Als hierover geen duidelijkheid bestaat brengt dit rechtsonzekerheid mee voor heel wat regels die gekoppeld zijn aan specifieke gebiedscategorieën
(16). Een stedenbouwkundig voorschrift dat neerkomt op het invoeren van een bouwverbod zonder het toekennen van een positieve bestemming strijdt in die zin met artikel 2.2.6., §2, eerste lid VCRO. Het volstaat immers niet zomaar pro forma een bestemmingsvoorschrift toe te wijzen aan een (sub)categorie van gebiedsaanduiding. De inhoud van het voorschrift moet ook in overeenstemming zijn met de aangegeven categorie
(17). De bestemming moet erop zijn gericht om effectief te worden gerealiseerd. Een zorgvuldige plannende overheid moet dus verder kijken dan enkel het vaststellen van een bestemming, maar dient ook na te denken over de effectieve realisatie ervan, anders heeft het planinitiatief geen enkel nut
(18). Het RUP mag zich dus niet beperken tot een louter papieren bestemming
(19). Wanneer een RUP een gebied via een overdruk reserveert voor een toekomstige bestemming, moet zij in afwachting daarvan voorzien in een voldoende duidelijke en rechtzekere bestemming
(20). 2.1.5. De zaak die thans voorligt raakt binnen voormeld kader aan de problematiek van een ruimtelijke planningsmethode die wel vaker wordt toegepast
(21)en die erin bestaat om een ruimtelijke bestemming in een RUP te reserveren tot een onbepaald tijdstip. Meer bepaald wordt ook in de zaak die voorligt de ontwikkeling van de woonbestemming “bevroren” via een herbestemming tot reservegebied voor wonen tot het tijdstip dat uit een woningbehoeftestudie blijkt dat er effectief nood is aan woningen en in dat geval zowel het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan als het ruimtelijk uitvoeringsplan (eventueel gedeeltelijk) dienen te worden herzien. De Raad van State heeft in een zaak met dezelfde problematiek reeds geoordeeld dat dergelijke beslissing op zich geen aanleiding geeft tot rechtsonzekerheid
(22). Dit blijkt ook de redenering te zijn van de appelrechters. Zij oordelen immers dat de eigenaars weten waar ze aan toe zijn gezien: - De bestemming van de percelen in kwestie op rechtszekere wijze wordt bepaald: het gebied wordt bestemd als ‘reservegebied voor wonen’ - de bijhorende bestemmingsvoorschriften voldoende duidelijk en voorspelbaar zijn: het plan bevriest namelijk de effectieve ontwikkeling van het gebied; - het gebied pas verder kan worden ontwikkeld nadat kwantitatieve woonbehoefte wordt aangetoond door middel van een woningbouwprogrammatie die deel uitmaakt van een herziening van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan (GRS) en na een herziening van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (GRUP); - de effectieve ontwikkeling van het gebied dus een bestemmingswijziging en een herziening van het GRUP vergt. De stedenbouwkundige voorschriften zijn duidelijk wat betreft het actuele lot van haar percelen: elke vorm van nieuwe bebouwing is onmogelijk
(23). De appelrechters ontwaren evenmin een tegenstrijdigheid bij de overeenstemming van de bestemming “reservegebied voor wonen” met de bestemmingscategorie “woongebied”. Zij oordelen immers dat aan die bestemmingscategorie “wonen” geen einde wordt gemaakt maar de realisatie er van wordt “opgeschort” met het oog op een evenwichtige, toekomstgerichte ruimtelijke ordening, de realisatie van die oorspronkelijke woonbestemming in de toekomst niet noodzakelijk wordt uitgesloten en het bevriezen van de woonfunctie is in het kader van het behoud van groen niet onredelijk is. Dat actueel niet duidelijk is of en wanneer de beleidsbeslissingen met betrekking tot de mogelijke ontwikkelingen zullen genomen worden, doet geen afbreuk aan de duidelijkheid en de rechtszekerheid. De toekomstige beleidsbeslissing zal worden genomen op basis van een behoeftenstudie en is dus niet afhankelijk van de willekeur van de gemeente. Deze argumenten die ook reeds aan bod kwamen in het eerder vermeld, maar enigszins geïsoleerd, arrest van de Raad van State, kunnen evenwel worden bekritiseerd. Wanneer men immers de ontwikkelingsmogelijkheden van het gebied afhankelijk maakt van een herziening van het GRS en een herziening van het RUP, wordt de woonbestemming in het RUP de facto onmogelijk gemaakt
(24). Dit strookt bovendien niet met de planningslogica zoals vastgelegd in artikel 2.2.6., § 2, eerste lid VCRO
(25). De bestemming ‘reservegebied voor wonen’... – met uitsluiting van de bouw van volledig nieuwe woningen... – staat immers haaks op de bestemmingscategorie van ‘wonen’ waarbij deze gebieden in hoofdzaak bestemd moeten zijn voor wonen en aanverwante activiteiten
(26). In diezelfde planningslogica moet er bovendien te allen tijde een uitvoerbare bestemmingscategorie zijn, wat hier niet het geval is: door het voorschrift “reservegebied voor wonen” zal het bestemmingsvoorschrift voor wonen waarschijnlijk nooit uitvoering krijgen omdat het gebied pas kan worden ontwikkeld na een herziening van het RUP
(27). De reële doelstelling van het stedenbouwkundig voorschrift lijkt dus het invoeren van een bouwverbod voor nieuwe constructies te zijn en niet het realiseren van een bestemming
(28). Dit louter invoeren van een bouwverbod zonder positieve bestemming die strookt met de inhoud van het stedenbouwkundig voorschrift en het dus voor onbepaalde tijd “bevriezen” van gronden voor een onzekere toekomstige bestemming, is problematisch want in strijd met artikel 2.2.6., § 2, VCRO
(29). Door toch te oordelen dat er geen tegenstrijdigheid is tussen de bestemming “reservegebied voor wonen” en de bestemmingscategorie “woongebied” verantwoorden de appelrechters hun beslissing bijgevolg niet naar recht. Het eerste onderdeel komt gegrond voor. 2.2. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Conclusie: Vernietiging met verwijzing. ________________________________________
(1)G. DEBERSAQUES en P.-J. DEFOORT, “Ruimtelijke uitvoeringsplannen” in B. HUBEAU et al. (eds.), Handboek Ruimtelijke ordening en stedenbouw, Brugge, die Keure, 2011, p. 261-262.
(2)M. BAUWENS, T. DE WAELE, W. VANDEVYVERE, "Plannen en uitvoeren; het ruimtelijk uitvoeringsplan als instrument in het proces van idee tot realisatie. Juridische positie en redactie van een ruimtelijk uitvoeringsplan”, TROS, 2007, 7.
(3)Parl.St. Vlaams Parlement, 1998-99, nr. 1332-1, 23.
(4)P.-J. DEFOORT, Eigendomsbeperkingen en bestemmingsimmobiliteit in het licht van het realisatiegerichte karakter van een RUP, in G. VERHELST (ed.) Actualia Omgevingsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2021, p. 1.
(5)G. DEBERSAQUES en P.-J. DEFOORT, “Ruimtelijke uitvoeringsplannen” in B. HUBEAU et al. (eds.), Handboek Ruimtelijke ordening en stedenbouw, Brugge, die Keure, 2011, p. 279.
(6)V. TOLLENAERE, “Gemeenschappelijke kenmerken van ruimtelijke uitvoeringsplannen”, in Zakboekje Ruimtelijke ordening, Mechelen, Wolters Kluwer, 2021, p. 286.
(7)P. POPELIER, “Rechtszekerheid als beginsel voor behoorlijke regelgeving”, Antwerpen, Intersentia, 1997, 392.
(8)RvSt. 2 juni 2009, nr. 193.743 nv Libert Paints.
(9)M. BAUWENS en B. HUBEAU, “Ten geleide: juristen versus ruimtelijke planners”, TROS, 1999, 2-3.
(10)G. DEBERSAQUES en P.-J. DEFOORT, “Ruimtelijke uitvoeringsplannen” in B. HUBEAU et al. (eds.), Handboek Ruimtelijke ordening en stedenbouw, Brugge, die Keure, 2011, p. 308.
(11)P.-J. DEFOORT, Eigendomsbeperkingen en bestemmingsimmobiliteit in het licht van het realisatiegerichte karakter van een RUP, in G. VERHELST (ed.) Actualia Omgevingsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2021, p. 57.
(12)G. DEBERSAQUES en P.-J. DEFOORT, “Ruimtelijke uitvoeringsplannen” in B. HUBEAU et al. (eds.), Handboek Ruimtelijke ordening en stedenbouw, Brugge, die Keure, 2011, p. 271; Zie ook Cass. 9 januari 2020, AR C.18.0146.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200109.1N.9, AC 2020, nr. 22.
(13)V. TOLLENAERE, “Gemeenschappelijke kenmerken van ruimtelijke uitvoeringsplannen”, in Zakboekje Ruimtelijke ordening, Mechelen, Wolters Kluwer, 2021, p.294.
(14)G. DEBERSAQUES en P.-J. DEFOORT, “Ruimtelijke uitvoeringsplannen” in B. HUBEAU et al. (eds.), Handboek Ruimtelijke ordening en stedenbouw, Brugge, die Keure, 2011,p.300.
(15)P.-J. DEFOORT, “Enkele bedenkingen bij het ‘bevriezen’ en het faseren van een ruimtelijke bestemming via een RUP”, TROS 2015, 246-247.
(16)P.-J. DEFOORT, “Enkele bedenkingen bij het ‘bevriezen’ en het faseren van een ruimtelijke bestemming via een RUP”, TROS 2015, 248.
(17)P.-J. DEFOORT, “Enkele bedenkingen bij het ‘bevriezen’ en het faseren van een ruimtelijke bestemming via een RUP”, TROS 2015, 243 en 252..
(18)P.-J. DEFOORT, “Sociale woningen in een RUP? Ja, maar…”, TROS, 2017, 167.
(19)P.-J. DEFOORT, Eigendomsbeperkingen en bestemmingsimmobiliteit in het licht van het realisatiegerichte karakter van een RUP, in G. VERHELST (ed.) Actualia Omgevingsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2021, p. 13.
(20)P.-J. DEFOORT, Eigendomsbeperkingen en bestemmingsimmobiliteit in het licht van het realisatiegerichte karakter van een RUP, in G. VERHELST (ed.) Actualia Omgevingsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2021, p. 17-18.
(21)P.-J. DEFOORT, “Enkele bedenkingen bij het ‘bevriezen’ en het faseren van een ruimtelijke bestemming via een RUP”, TROS 2015, 239.
(22)RvSt. 7 juli 2015, nr. 231.876, Ismapa.
(23)Zie enigszins kritisch in verband met dit argument: J. SNAUWAERT, “’Rechtszekerheid’ in RUP’s: de slinger de andere kant op”, Storm 2021,
(1)3, zie ook voetnoot 12: “Met andere woorden, zeker zijn dat je tot nader order niets kan, is ook voldoende rechtszeker”.
(24)P.-J. DEFOORT, “Enkele bedenkingen bij het ‘bevriezen’ en het faseren van een ruimtelijke bestemming via een RUP”, TROS 2015,
(239)241.
(25)P.-J. DEFOORT, “Enkele bedenkingen bij het ‘bevriezen’ en het faseren van een ruimtelijke bestemming via een RUP”, TROS 2015,
(239)241-242.
(26)P.-J. DEFOORT, “Enkele bedenkingen bij het ‘bevriezen’ en het faseren van een ruimtelijke bestemming via een RUP”, TROS 2015,
(239)242; E. VANDERSTRAETEN, “Strenge winters in Schilde: zeven hectare woonpark bevroren”, TOO 2015,
(516)517 (“Hoe ergens gewoond kan worden zonder bouwactiviteiten toe te laten, is voer voor de creatievelingen onder ons. Misschien zet er zich wel een nieuwe woontrend door: into the wild”).
(27)P.-J. DEFOORT, “Enkele bedenkingen bij het ‘bevriezen’ en het faseren van een ruimtelijke bestemming via een RUP”, TROS 2015,
(239)242.
(28)P.-J. DEFOORT, “Enkele bedenkingen bij het ‘bevriezen’ en het faseren van een ruimtelijke bestemming via een RUP”, TROS 2015,
(239)243; E. VANDERSTRAETEN, “Strenge winters in Schilde: zeven hectare woonpark bevroren”, TOO 2015,
(516)518-519 (“Dat de gemeente dit stukje zonevreemd bos wil bescherming, is op zich absoluut een verdedigbare beleidsvisie. Waarom dan toch het gebied herbestemmen naar ‘reservegebied voor wonen’ met de vage optie om het gebied ooit nog ontwikkelingskansen te geven (…)”).
(29)P.-J. DEFOORT, “Enkele bedenkingen bij het ‘bevriezen’ en het faseren van een ruimtelijke bestemming via een RUP”, TROS 2015,
(239)243. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220616.1N.8 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220616.1N.8 citeert: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200109.1N.9 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260326.1N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.