← België

P. contra B.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 02 september 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220902.1N.7 Rolnummer: C.21.0396.N Zaak: P. contra B. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Intellectuele eigendom - Overige Invoerdatum: 2023-06-12 Raadplegingen: 562 - laatst gezien 2026-06-19 13:50 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220902.1N.7 Fiche 1 Artikel XII.22 WER is enkel van toepassing bij de eerste registratie van de domeinnaam en niet bij de hernieuwing ervan. Thesaurus CAS: AUTEURSRECHT Vrije woorden: Domeinnaam - Verbod tot registratie van een domeinnaam - Hernieuwing van de registratie - Toepassing Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. XII.22 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Fiche 2 De termijn toegekend voor de uitvoering van de hoofdveroordeling is bedoeld om aan de schuldenaar de gelegenheid te geven de tegen hem uitgesproken veroordeling na te komen, daar waar de termijn gedurende dewelke volgens de beslissing van de rechter de dwangsom niet is verbeurd, ertoe strekt de schuldenaar nog enige tijd te geven om de veroordeling na te komen zonder dat de niet-nakoming de verbeurte van een dwangsom tot gevolg heeft, zodat deze beide termijnen verschillend zijn van juridische aard en strekking

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: DWANGSOM Vrije woorden: Uitvoeringstermijn van de hoofdveroordeling - Dwangsomtermijn - Aard en strekking Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1385bis, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wet 31 januari 1980 houdende goedkeuring van de Benelux-Overeenkomst houdende eenvormige wet betreffende de dwangsom, en van de Bijlage (eenvormige wet betreffende de dwangsom), ondertekend te 's-Gravenhage op 26 november 1973 - 31-01-1980 - Art. 1, derde en vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1980013101 Fiche 3 In de hypothese waarin de rechter aan de veroordeelde een termijn verleent om aan de hoofdveroordeling te voldoen onder verbeurte van een dwangsom voor het geval de veroordeling niet tijdig wordt uitgevoerd en hij deze termijn laat ingaan op het tijdstip van zijn uitspraak of van een andere gebeurtenis die de betekening van de beslissing voorafgaat, waaraan artikel 1385bis, derde lid, Gerechtelijk Wetboek niet in de weg staat, zal de dwangsom slechts vanaf het verstrijken van de uitvoeringstermijn verbeuren indien de beslissing op dat ogenblik ook reeds werd betekend. Thesaurus CAS: DWANGSOM Vrije woorden: Uitvoeringstermijn - Verbeuring - Aanvang - Voorwaarde Annotaties Publicaties: TBH-Tijdschrift voor Belgisch handelsrecht - 2022, nr. 9/10, p. 1136-
  1. - SOBRIE, Sven; Noot'Dwangsom-en uitvoeringstermijnen: (verre van) een fundamenteel onderscheid?' Tekst van de conclusie C.21.0396.N Conclusie van advocaat-generaal Els Herregodts: (…) Eerste middel. Vierde onderdeel.
  2. Het onderdeel gaat ervan uit dat de bepalingen van artikel XII.22 WER niet enkel gelden bij de eerste registratie van een domeinnaam, maar ook bij de hernieuwing van de registratie. Door er anders over te oordelen en daaruit te besluiten dat hij niet diende te onderzoeken of eerste verweerder, in het licht van de gedwongen overdracht van zijn aandelen in tweede eiseres en de afwezigheid van ieder recht op de handelsnaam “doehetzelf-zwemvijvers.be”, waaronder tweede eiseres haar activiteit op rechtmatige wijze uitoefent, nog enig legitiem belang had bij de hernieuwing van de registratie van de domeinnaam, schendt de appelrechter volgens eisers de artikelen XII.22, XII.23, XVII.1 en XVII.23, §§ 1, 2, 3 en 4 WER, evenals 1, 2) en 8 van het Unieverdrag van Parijs van 20 maart 1883 tot bescherming van de industriële eigendom, goedgekeurd bij wet van 5 juli 1884, in de herziene tekst van Stockholm van 14 juli 1967, goedgekeurd door wet van 26 september
  3. Artikel XII.22 WER bepaalt dat het verboden is om, met het doel een derde te schaden of er een ongerechtvaardigd voordeel uit te halen, een domeinnaam, waarop men geen enkel recht of legitiem belang kan laten gelden, te laten registreren door een hiertoe officieel erkende instantie, al dan niet via een tussenpersoon, wanneer die domeinnaam identiek is of dusdanig overeenstemt dat hij verwarring kan scheppen met, onder meer, een merk, een geografische aanduiding of een benaming van oorsprong, een handelsnaam, een origineel werk, een naam van een vennootschap of van een vereniging, een geslachtsnaam of de naam van een geografische entiteit, die aan iemand anders toebehoort. In de rechtsleer lijkt men het erover eens dat op basis van de Wet van 26 juni 2003 betreffende het wederrechtelijk registreren van domeinnamen, thans de artikelen XII.22 en XII.23 WER, enkel kan worden opgetreden tegen het wederrechtelijk registreren van een domeinnaam, maar niet tegen het aanhouden van dergelijke registratie of tegen het vernieuwen ervan
(1). De wet en de voorbereidende werken van (artikel 4 van) de wet van 26 juni 2003 betreffende het wederrechtelijk registreren van domeinnamen (ingevoegd in het WER) zijn mijns inziens duidelijk: “alleen het wederrechtelijk registreren van een domeinnaam wordt bestraft, wat betekent dat de domeinnaam te kwader trouw moet zijn geregistreerd”
(2). Noch de wet, noch het wetsontwerp haalt de situatie aan van kwade trouw bij de hernieuwing van de (eerste) registratie van de domeinnaam. Dat artikel XII.22 WER, althans mijns inziens, aldus dient te worden gelezen dat het enkel van toepassing is bij de eerste registratie van een domeinnaam, doet niets af aan de eventuele toepassing van andere wettelijke bepalingen tot bescherming van handelsnamen en evenmin aan deze van de wettelijke bepalingen inzake oneerlijke mededinging, marktpraktijken en voorlichting en bescherming van de consument (zie ook randnummer 10 van deze conclusie). Het komt mij dan ook voor dat het onderdeel faalt naar recht. (…) Derde middel.
  1. Het middel komt op tegen de beslissing van de appelrechter: - dat het gecombineerd (minstens 2) gebruik van de productaanduiding “classic”, “improved” en “ultimate” (dan wel enige vertaling ervan) door tweede eiseres als productdifferentiatie, als een oneerlijke marktpraktijk dient te worden beschouwd in de zin van artikel VI.104 WER ten aanzien van tweede verweerster; - om de staking te bevelen van dat gebruik door tweede eiseres onder verbeurte van een dwangsom van 1.000 €/inbreuk per dag vanaf de 14de dag na uitspraak van het arrest te betalen aan tweede verweerster; - dat het gebruik van de foto’s weergegeven onder de stukkenbundel van tweede verweerster onder nummers 42.1-42.6 en eveneens weergegeven onder stuk 30 in het rechtsplegingsdossier door weergave ervan op de website van tweede eiseres als een misleidende daad wordt beschouwd in de zin van artikel VI.105.6 WER en als dusdanig een oneerlijke marktpraktijk in de zin van artikel VI.104 WER ten aanzien van tweede verweerster; - om de staking te bevelen van dit gebruik door eisers onder verbeurte van een dwangsom ten bedrage van 1.000 €/inbreuk per dag vanaf de 14e dag na uitspraak van het arrest te betalen aan tweede verweerster; - met betrekking tot de dwangsommen een maximum te verbeuren dwangsom te bepalen van 100.000 € per partij.
  2. Artikel 1385bis, lid 3 en lid 4, Gerechtelijk Wetboek stemt overeen met artikel 1, lid 3 en lid 4, van de Eenvormige Beneluxwet betreffende de dwangsom, dat bepaalt: “
  3. De dwangsom kan niet worden verbeurd vóór de betekening van de uitspraak waarbij zij is vastgesteld.
  4. De rechter kan bepalen dat de veroordeelde pas na verloop van een zekere termijn de dwangsom zal kunnen verbeuren”. Het Benelux-Gerechtshof heeft in zijn arrest A 2000/4 van 25 juni 2002 geoordeeld dat de termijn die de rechter toekent voor de uitvoering van de hoofdveroordeling (uitvoeringstermijn) en de termijn na verloop waarvan de dwangsom zal zijn verbeurd (respijttermijn) een verschillende juridische aard en strekking hebben. De uitvoeringstermijn geeft de schuldenaar de gelegenheid de tegen hem uitgesproken veroordeling uit te voeren. Gedurende die termijn kan hij geen dwangsom verbeuren daar de dwangsom slechts verschuldigd is indien de hoofdveroordeling niet of niet tijdig is uitgevoerd. Het nationale recht en niet de Eenvormige wet betreffende de dwangsom bepaalt de voorwaarden voor het verlenen van die uitvoeringstermijn. De respijttermijn geeft de schuldenaar nog enige tijd de veroordeling na te komen, zonder dat bij niet nakoming de dwangsom wordt verbeurd. Voor die respijttermijn geldt wel de Eenvormige wet betreffende de dwangsom
(3). Het staat aan de rechter te bepalen of hij naast de uitvoeringstermijn ook nog een respijttermijn toekent
(4). Wanneer de rechter enkel beslist dat de uitgesproken veroordeling moet uitgevoerd zijn binnen een bepaalde termijn, dit onder verbeurte van een dwangsom, dan verleent hij de schuldenaar uitsluitend een uitvoeringstermijn en geen respijttermijn
(5). Met de aangevochten beslissing beveelt de appelrechter de staking van het gecombineerd gebruik van de productaanduiding “classic”, “improved” en “ultimate” dan wel enige vertaling ervan en van de foto’s weergegeven onder het stukkenbundel van tweede verweerster onder nummer 42.1-42.6, door weergave ervan op de website van tweede eiseres “onder verbeurte van een dwangsom ten bedrage van 1000 euro/inbreuk per dag vanaf de 14e dag na uitspraak van onderhavig arrest” te betalen aan tweede verweerster. De aldus aan eisers verleende termijn om gevolg te geven aan het bevel tot staking, betreft een uitvoeringstermijn in de zin van artikel 1385bis, derde lid, Gerechtelijk Wetboek en geen respijttermijn in de zin van artikel 1385bis, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek. In zoverre het middel is gesteund op de veronderstelling dat de voormelde termijn een termijn is in de zin van artikel 1385bis, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek, kan het mijns inziens niet worden aangenomen. Artikel 1385bis, derde lid, Gerechtelijk Wetboek staat niet eraan in de weg dat de rechter aan de veroordeelde een termijn verleent om aan de hoofdveroordeling te voldoen “onder verbeurte van een dwangsom” voor het geval de veroordeling niet tijdig wordt uitgevoerd en dat hij deze termijn laat ingaan op het tijdstip van zijn uitspraak of van een andere gebeurtenis die de betekening van de beslissing voorafgaat. In dergelijk geval zal de dwangsom evenwel slechts vanaf het verstrijken van de uitvoeringstermijn verbeuren indien de beslissing op dat ogenblik ook reeds werd betekend
(6). Ik meen dat het middel, In zoverre het uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. 18. De overige grieven kunnen naar ik meen niet tot ruimere cassatie leiden. Conclusie: Vernietiging van het bestreden arrest in zoverre het zegt voor recht dat het gebruik van de foto’s weergegeven onder de stukkenbundel van tweede verweerster onder nummer 42-1-42.6 (en eveneens weergegeven onder stuk 30 in het rechtsplegingsdossier) door weergave ervan op de website van tweede eiseres, als een misleidende daad dient te worden beschouwd in de zin van artikel VI.105.6 WER en als dusdanig een oneerlijke marktpraktijk in de zin van artikel VI.104 WER ten aanzien van tweede verweerster en in zoverre het vervolgens de staking beveelt van dit gebruik door eisers. ___________________________________
(1)H. VANHEES, Art. 1-11 Domeinnaamwet, Handels- en economisch recht. Commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, IX. Intellectuele eigendom, B. Industriële eigendom, Kluwer, art. 1-3-1 - art. 11-3
(34); A. CRUQUENAIRE, “La loi du 26 juin 2003 relative à l’enregistrement abusif des noms de domaine: et la montagne accoucha d’une souris...”, JT 2004, 545; Zie ook T. HEREMANS, “De Wet van 26 juni 2003 betreffende het wederrechtelijk registreren van domeinnamen: een eerste analyse, 110: “Wanneer een domeinnaam te goeder trouw wordt geregistreerd doch later te kwader trouw wordt gebruikt, zal de eiser geen succesvol beroep kunnen doen op de stakingsprocedure van de Domeinnaamwet (…)”.”
(2)Wetsontwerp betreffende het wederrechtelijk registreren van domeinnamen, Verslag, Parl. St. Senaat 2-1519/2.
(3)BenGH 25 juni 2002, A 2000/4, r.o. 9-12, https://courbeneluxhof.int/arresten/NL/A/A_00_3_51.pdf, met concl. van eerste advocaat-generaal J. DU JARDIN; Cass. 16 juni 2000, AR C.99.0400.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000616.12, AC 2000, nr. 375; Cass. 16 juni 2000, AR C.99.0446.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030328.3, AC 2000, nr. 376.
(4)BenGH 11 februari 2011, A 2010/1, r.o. 7, https://courbeneluxhof.int/arresten/NL/A/A_10_1_1156.pdf, met concl. van plaatsvervangend advocaat-generaal G. DUBRULLE; Cass. 17 juni 2011, AR C.08.0073.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110617.7, AC 2011, nr. 407; Cass. 24 december 2009, AR C.08.0073.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110617.7, AC 2009, nr. 786, na grotendeels andersluidende concl. van advocaat-generaal Ch. VANDEWAL.
(5)Ibid, r.o. 8.
(6)BenGH, 11 februari 2011, A 2010/1, r.o.8, § 3, https://courbeneluxhof.int/arresten/NL/A/A_10_1_1156.pdf, met concl. van plaatsvervangend advocaat-generaal G. DUBRULLE; Cass. 17 juni 2011, AR C.08.0073.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110617.7, AC 2011, nr. 407: “Wanneer de rechter enkel een uitvoeringstermijn verleent, kan de dwangsom verbeurd worden vanaf het verstrijken van die termijn op voorwaarde dat de uitspraak die de dwangsom bepaalt, aan de schuldenaar is betekend”. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220902.1N.7 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220902.1N.7 citeert: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000616.12 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030328.3 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110617.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.