← België

AXA BELGIUM contra A.S. KEUKENS

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 09 september 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220909.1N.6 Rolnummer: C.21.0461.N Zaak: AXA BELGIUM contra A.S. KEUKENS Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2022-12-06 Raadplegingen: 459 - laatst gezien 2026-06-15 09:26 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220909.1N.6 Fiche 1 De loutere weigering van de verzekeraar om dekking te verlenen is geen reden die buiten zijn wil om de sluiting van de expertise of de raming van de schade belet

(1)
(2).
(1)Zie Cass. 7 januari 2013, AR C.11.0387.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130107.2, Pas. 2013, nr. 10.
(2)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERZEKERING - LANDVERZEKERING Vrije woorden: Schorsing betalingstermijn schadevergoeding - Reden buiten de wil van de verzekeraar of diens gemachtigden Wettelijke bepalingen: Wet van 11 juni 1874 houdende de titels X en XI van Boek I van het Wetboek van Koophandel - 11-06-1874 - Artt. 121, § 2, 5° en 6°, en 131, § 3, 4° - 01 ELI link Pub nr 1874061150 Fiche 2 De sanctie bedoeld in artikel 121, § 7 Verzekeringswet is enkel van toepassing wanneer de laattijdige betaling door de verzekeraar te wijten is aan zijn fout of nalatigheid
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERZEKERING - LANDVERZEKERING Vrije woorden: Dubbele intresten - Fout of nalatigheid verzekeraar of diens gemachtigden Wettelijke bepalingen: Wet van 11 juni 1874 houdende de titels X en XI van Boek I van het Wetboek van Koophandel - 11-06-1874 - Art. 121, § 7 - 01 ELI link Pub nr 1874061150 Annotaties Publicaties: T.Verz.-Tijdschrift voor verzekeringen (vanaf 1987) - 2024, nr. 4, p. 427-
  1. - ROGGE, Jean; Noot'Toepassing van de betalingstermijnen in brandverzekering' Tekst van de conclusie C.21.0461.N Conclusie van advocaat-generaal met opdracht M. Deconynck:
  2. Situering. De eiseres werd veroordeeld tot de vergoeding van de schade van de verweerster, vermeerderd met het dubbele van de wettelijke intresten overeenkomstig artikel 121, § 7 van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen (hierna: “Verzekeringswet”). De eiseres beroept zich op een schending van artikel 121, § 2, 5° en 6°, § 3, 4°, en § 7 van de Verzekeringswet.
  3. Bespreking. De discussie die aan uw Hof wordt voorgelegd, dient in feite uitgesplitst te worden in 2 aspecten: enerzijds de vraag naar de voorwaarden waaronder gelet op artikel 121, § 3, 4° van de Verzekeringswet de betalingstermijn van de uit te keren vergoeding geschorst wordt en anderzijds de toepassingsvoorwaarden van artikel 121, § 7 Verzekeringswet. 2.
  4. Schorsing van de betalingstermijn.
  5. Artikel 121, § 2, 5° Verzekeringswet bepaalt dat de vergoeding in het raam van de brandverzekering eenvoudige risico’s in alle andere gevallen dan deze vermeld in § 2, 2°, 3° en 4° betaalbaar is binnen 30 dagen die volgen op de datum van de sluiting van de expertise of bij ontstentenis, de datum van vaststelling van de schade. Artikel 121, § 2, 6° van de Verzekeringswet bepaalt dat de sluiting van de expertise of de schatting van de schade bedoeld bij 3°, 4° en 5° moet plaatsvinden binnen 90 dagen die volgen op de datum van de aangifte van het schadegeval. De termijnen bedoeld bij artikel 121, § 2 Verzekeringswet worden overeenkomstig artikel 121, § 3, 4° van dezelfde wet opgeschort als de verzekeraar de verzekerde schriftelijk de redenen heeft duidelijk gemaakt die, buiten zijn wil en die van zijn gemachtigden om, de sluiting van de expertise of de raming van de schade, bedoeld in § 2, 6° beletten.
  6. Het minste dat van artikel 121 Verzekeringswet kan gezegd worden, is dat het niet bepaald uitblinkt in duidelijkheid. De vraag rijst wat de wetgever precies heeft bedoeld met de frase “buiten zijn wil en die van zijn gemachtigden om”. De eiseres pleit onder verwijzing naar de parlementaire voorbereiding voor een zeer ruime interpretatie
(1), waarbij ook de beslissing ter goeder trouw van de verzekeraar om tussenkomst te weigeren met een juridische procedure tot gevolg om uit te maken of dekking verschuldigd is, zou worden aanzien als een feit buiten de wil van de verzekeraar en zijn gemachtigden om. De eiseres brengt onder de aandacht dat de parlementaire voorbereiding als voorbeelden van feiten buiten de wil van de verzekeraar of diens gemachtigden onder meer “nalatigheid van de verzekerde zelf (niet overmaken van een bewijsstuk…)” of nog een “lopende juridische procedure” aanhaalt
(2). De interpretatie van een wettekst aan de hand van de parlementaire voorbereiding, mag evenwel niet indruisen tegen de tekst van de wet zelf die steeds moet primeren en die ook steeds – in de mate van het mogelijke – logisch moet geïnterpreteerd worden. De weigering om tussen te komen, kan mijns inziens onmogelijk als een feit gekwalificeerd worden “buiten de wil om” van de verzekeraar of diens gemachtigden. Zoals de appelrechters terecht opmerken, gaat het hier immers over een weloverwogen beslissing die overigens gegrond is op de door de eiseres mee onderhandelde en dus ook gewilde polisvoorwaarden.
  1. In zoverre het middel aanvoert dat de weigering tot tussenkomst en daaraan gekoppelde juridische procedure dient te worden aanzien als een feit buiten de wil van de verzekeraar of diens gemachtigden, berust het op een onjuiste rechtsopvatting en faalt het naar recht.
  2. Louter ten overvloede kan opgemerkt worden dat het aanvaarden van de weigering tot tussenkomst en daaraan gekoppelde juridische procedure als een grond tot schorsing van de termijnen bepaald in artikel 121, § 2 Verzekeringswet tot gevolg zou hebben dat de verzekeraar het risico van de niet-tussenkomst al te gemakkelijk zou kunnen afwentelen op de verzekerde en dit in afwijking van de gewone principes binnen ons rechtssysteem
(3). De algemene regel is gelet op artikel 1153 Oud Burgerlijk Wetboek immers dat een schuldeiser aanspraak kan maken op moratoire intresten vanaf de dag van de aanmaning tot betaling, behalve ingeval de wet ze van rechtswege doet lopen. Het doel is de schade te vergoeden die de schuldeiser lijdt wegens vertraging in de betaling van de geldsom. 2.
  1. Dubbele intresten: fout of nalatigheid vereist?
  2. Artikel 121, § 7 Verzekeringswet bepaalt dat, in geval van niet-eerbiediging van de termijnen bedoeld bij paragraaf 2, het gedeelte van de vergoeding dat niet wordt betaald binnen de termijnen van rechtswege een intrest opbrengt die gelijk is aan 2 maal de wettelijke intrestvoet te rekenen vanaf de dag die volgt op het verstrijken van de termijn tot op de dag van de daadwerkelijke betaling, tenzij de verzekeraar bewijst dat de vertraging niet te wijten is aan hemzelf of één van zijn gemachtigden.
  3. De eiseres voert aan dat hier gedoeld wordt op de situatie waarin de verzekeraar of één van diens gemachtigden zich schuldig heeft gemaakt aan een fout of nalatigheid ingevolge dewelke de schadevergoeding laattijdig betaald werd. De parlementaire voorbereiding inzake de voorloper van artikel 121, § 7 Verzekeringswet, met name artikel 67, § 6 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomsten, vermeldt met zoveel woorden dat dit artikel bedoeld is als “sanctie” teneinde de doeltreffendheid van de betrokken bepalingen te verzekeren
(4). Uit de aard der zaken moet het aanrekenen van dubbele intrest inderdaad als een bestraffing worden aanzien nu de schade ingevolge laattijdige betaling reeds volledig hersteld wordt door het aanrekenen van gewone intresten. Een bestraffing veronderstelt een fout of nalatigheid. Is die er niet, dan kan artikel 121, § 7 Verzekeringswet niet toegepast worden maar gelden de algemene regels inzake moratoire intresten. 3. De appelrechters die de eiseres op grond van de in randnummer 10 van de bestreden beslissing weerhouden motieven veroordelen tot de betaling van 2 x de wettelijke intresten overeenkomstig artikel 121, § 7 Verzekeringswet, verantwoorden hun beslissing niet naar recht. In zoverre het middel ervan uitgaat dat de toepassing van artikel 121, § 7 Verzekeringswet een fout of nalatigheid van de verzekeraar of diens gemachtigden veronderstelt, is het gegrond. Conclusie: gedeeltelijke vernietiging. _______________________________________________
(1)In de rechtsleer wordt er daarentegen voor gepleit om dit streng en dus restrictief te interpreteren. Zie onder meer P. COLLE, Handboek bijzonder gereglementeerde verzekeringscontracten, Antwerpen, Intersentia 2019, 30 en P. BAYARD, “Les causes de suspension du paiement en assurance incendie risques simples”, For.ass. 2013, 120.
(2)Parl. St. Kamer, 2000-01, DOC 50 1007/001, p. 8.
(3)Zie in dit verband de conclusie van advocaat-generaal GENICOT, op datum in Pas. bij Cass. 7 januari 2013, AR C.11.0387.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130107.2, AC 2013, nr. 10 inzake de voorloper van het huidige artikel 121 van de Verzekeringswet. De rechtsvraag die in dit arrest aan de orde was, is niet identiek aan de rechtsvraag in de onderhavige zaak maar de redenering van advocaat-generaal GENICOT op dit vlak gaat hier even goed op.
(4)Parl. St. Kamer 2000-01, DOC 50-1007/001, p. 8. Zie bijvoorbeeld ook P. COLLE, Handboek bijzonder gereglementeerde verzekeringscontracten, Antwerpen, Intersentia 2019, 38, waarin artikel 121, § 7 Verzekeringswet als een boetebeding wordt omschreven. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220909.1N.6 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220909.1N.6 citeert: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130107.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.