id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 16 september 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220916.1N.9 Rolnummer: C.21.0405.N Zaak: D. contra G. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2022-11-09 Raadplegingen: 1107 - laatst gezien 2026-06-18 21:22 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220916.1N.9 Fiches 1 - 2 De rechter die een voorafgaande maatregel beveelt, hetzij om de vordering te onderzoeken hetzij om de toestand van de partijen voorlopig te regelen, zonder daarbij een beslissing te nemen over de ontvankelijkheid of de gegrondheid van de vordering, neemt een beslissing alvorens recht te spreken waartegen geen onmiddellijk hoger beroep openstaat, ook al bestond over die maatregel tussen de partijen betwisting en hebben zij erover debat gevoerd, en dit ongeacht of de betwisting die over de gevorderde voorafgaande maatregel werd gevoerd betrekking heeft op de noodzakelijkheid of de opportuniteit dan wel op de wettigheid of de toelaatbaarheid van deze maatregel
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Gevorderde voorafgaande maatregel - Betwisting - Aard van de betwisting - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 19, eerste en derde lid, en 1050, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Beslissingen en partijen Vrije woorden: Gevorderde voorafgaande maatregel - Betwisting - Aard van de betwisting - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 19, eerste en derde lid, en 1050, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Annotaties Publicaties: RABG-Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent - 2022, nr. 16, p. 1199-
- - SONCK, Stefaan; Noot'Het Hof van Cassatie verfijnt zijn rechtspraak over het hoger beroep tegen beslissingen op grond van artikel 19, derde lid Ger. W.' Tekst van de conclusie C.21.0405.N Conclusie van eerste advocaat-generaal Ria Mortier:
- Feiten en procedure. Uit de stukken waarop mag worden acht geslagen blijkt dat bij vonnis van 19 juni 2008 de echtscheiding tussen partijen werd uitgesproken en tevens de vereffening-verdeling werd bevolen van de tussen hen bestaande huwgemeenschap. In april 2016 werd door de aangestelde boedelnotaris een tussentijds proces-verbaal van geschillen en een proces-verbaal houdende advies neergelegd. Bij vonnis van 23 september 2016 werd de zaak teruggezonden naar de notaris op grond van de overweging dat het aan de notaris is de massa samen te stellen en in het bijzonder uit te maken welke aandelen tot de ontbonden huwgemeenschap behoren, waarna later tot waardering door een deskundige zou kunnen worden overgegaan. Tevens werd overwogen dat het aan de notaris is om advies te geven over de vraag of een vroegere waardebepaling die werd opgemaakt door deskundigen aangesteld door iedere partij afzonderlijk, kan worden gevolgd. Nadat door de notaris bijkomend standpunt werd ingenomen, werd bij vonnis van 17 februari 2017 herhaald dat eerst een inventaris moest worden opgesteld, waarna een deskundige zou kunnen aangesteld worden. Tevens werd overwogen dat het evident is dat waarderingen door eenzijdige deskundigen, aangesteld door partijen ingevolge een kortgedingbeschikking in 2008, geen richtlijn kunnen zijn. Op 24 januari 2019 werden door de notaris stukken neergelegd ter griffie en werd de rechtbank verzocht een deskundige aan te stellen voor de waardering van de vennootschapsaandelen die tot de ontbonden huwgemeenschap behoren. Eiser betwistte voor de eerste rechter de gevorderde aanstelling van een deskundige en voerde in ‘besluiten i.v.m. aanstelling deskundige’ aan dat: - in hoofdorde, de zaak diende teruggezonden te worden naar de notaris die eerst advies moet verlenen over welke vennootschappen al dan niet deel uitmaken van de te vereffenen boedel; - ondergeschikt, diende te worden vastgesteld dat enkel bepaalde aandelen deel uitmaken van de ontbonden huwgemeenschap; - ondergeschikt, diende te worden vastgesteld dat elke vordering tot waardebepaling “ontoelaatbaar, onontvankelijk, minstens ongegrond” is, aangezien over de wijze van waardebepaling van de aandelen reeds een akkoord tussen partijen werd bekrachtigd bij kortgedingbeschikking van 8 december 2008, zodat hierover reeds een uitvoerbare titel bestaat die gezag van gewijsde heeft en er aldus reeds een deskundigenonderzoek loopt. Nadat de eerste rechter overwoog dat enkel het verzoek van de notaris voorligt tot aanstelling van een deskundige, wordt deze vordering bij vonnis van 7 juni 2019 gegrond verklaard. Over de door eiser aangevoerde middelen beslist de eerste rechter dat: - wat betreft de aandelen waarvan de waardering wordt gevraagd, de notaris wel degelijk standpunt heeft ingenomen over het eigen of gemeenschappelijk karakter van de aandelen en de betwisting over de samenstelling van de massa thans niet aanhangig is maar dient te gebeuren nadat een staat zal zijn opgesteld, volgens de procedure voorzien voor het formuleren van geschillen en moeilijkheden; - wat betreft de eerdere waardebepaling, het bij kortgedingbeschikking bekrachtigde akkoord tussen partijen dat zij elk voor zich een bedrijfsrevisor zouden aanstellen om de waarde van de aandelen te bepalen, bezwaarlijk als onafhankelijke waardering in het kader van een bevolen deskundig onderzoek kan worden aanzien en dat de notaris het standpunt heeft ingenomen dat ook aandelen van andere vennootschappen dienen gewaardeerd te worden en de waarde op het ogenblik van de verdeling alleszins nog niet bepaald zal zijn zodat de aanstelling van een deskundige in het kader van de vereffening-verdeling gerechtvaardigd is; overigens werd eerder reeds door de rechtbank overwogen dat het evident is dat waarderingen door eenzijdige deskundigen, door partijen aangesteld in 2008, geen richtlijn kunnen zijn, nu zulks eenzijdige waarderingen uitmaken en bovendien nog steeds geen deskundigenverslag voorligt. Eiser stelt tegen dit vonnis hoger beroep in en vordert: - in hoofdorde, vast te stellen dat elke vordering tot waardebepaling en aanstelling van een deskundige ontoelaatbaar, onontvankelijk, minstens ongegrond is, gezien de kortgedingbeschikking van 8 december 2008; - ondergeschikt, de zaak terug te zenden naar de notaris voor voorafgaandelijk advies; - meer ondergeschikt, vast te stellen dat enkel bepaalde vennootschapsaandelen deel uitmaken van de onverdeeldheid. De appelrechter verklaart het hoger beroep ontoelaatbaar omdat het beroepen vonnis een loutere beslissing alvorens recht te doen betreft waarbij een onderzoeksmaatregel werd bevolen, zodat hiertegen ex artikel 1050, tweede lid, Ger.W. slechts tegelijkertijd met het eindvonnis hoger beroep kan worden ingesteld. Tegen dit arrest van 5 november 2019 van het hof van beroep te Antwerpen voert eiser één middel aan. Eiser betwist in se niet dat de rechter die een onderzoeksmaatregel beveelt, een beslissing neemt alvorens recht te doen waartegen geen onmiddellijk hoger beroep openstaat, en dat zulks ook geldt indien er over die maatregel tussen partijen betwisting bestond, maar meent dat er te dezen een gemengd vonnis voorligt omdat het ook eindbeslissingen bevat, meer bepaald een uitspraak over de betwisting omtrent de toelaatbaarheid van een bewijsmiddel en een beslissing over de bewijswaarde van een door partijen aangevoerd bewijsmiddel, zodat hiertegen hoger beroep kan worden ingesteld zodra het vonnis is uitgesproken.
- Bespreking. 2.
- Het vonnis waartegen hoger beroep werd ingesteld dateert van na de inwerkingtreding van de “Potpourri I” wet van 19 oktober 2015
(1). Sedert die wet bepaalt artikel 1050, tweede lid, Gerechtelijk wetboek dat tegen een beslissing alvorens recht te doen, tenzij de rechter anders bepaalt, slechts hoger beroep kan worden ingesteld samen met het hoger beroep tegen het eindvonnis. Het begrip “beslissing alvorens recht te doen” wordt omschreven in artikel 19, derde lid, Gerechtelijk wetboek en maakt een onderscheid tussen twee types van beslissingen: enerzijds de beslissingen waarbij een onderzoeksmaatregel wordt bevolen of waarin een tussengeschil wordt geregeld dat betrekking heeft op een dergelijke maatregel, en anderzijds de beslissingen waarbij de situatie van de partijen voorlopig wordt geregeld. Voor beide types van beslissingen werd de mogelijkheid tot het onmiddellijk aantekenen van hoger beroep dus niet voorzien. Die beslissingen blijven wel principieel vatbaar voor hoger beroep, maar niet meer onmiddellijk of afzonderlijk. Het hoger beroep tegen die beslissingen is enkel ontvankelijk indien het wordt ingesteld samen met het hoger beroep tegen een eindbeslissing in de zin van artikel 19, eerste lid, Gerechtelijk wetboek. De wetgever wenste met het oog op meer proceseconomie in verband met het hoger beroep te voorkomen dat het hoger beroep om dilatoire redenen wordt misbruikt. De verruimde devolutieve werking van het hoger beroep tegen een tussenvonnis, waaronder een maatregel alvorens recht te doen in de zin van artikel 19 Gerechtelijk wetboek, heeft immers tot gevolg dat het hele geschil aan de eerste rechter wordt onttrokken, zelfs de punten waarover hij (nog) geen uitspraak heeft gedaan zodat op die manier hoger beroep kan worden misbruikt om de zaak op de lange baan te schuiven
(2). De mogelijkheid tot onmiddellijk hoger beroep wordt daarom uitgesloten tenzij de rechter anders bepaalt
(3). Onder verwijzing naar de rechtspraak van Uw Hof stelde de wetgever dat het volstaat dat in het (tussen)vonnis een geschilpunt omtrent de ontvankelijkheid of de grond van de zaak wordt beslecht, wat een eindvonnis uitmaakt, opdat het tussenvonnis “alvorens recht te doen” wel degelijk appellabel wordt
(4). Een beslissing die een tussengeschil regelt omtrent een maatregel alvorens recht te doen, net zoals de beslissing die deze maatregel zelf beveelt kan evenwel slechts voorwerp uitmaken van een hoger beroep als dit wordt ingesteld samen met het hoger beroep tegen het eindvonnis. 2.2. De vraag naar de aard van de in artikel 19, derde lid, Ger.W. bedoelde voorafgaande maatregel wanneer er over die maatregel tussen de partijen betwisting bestaat, meer bepaald of dit dan een beslissing alvorens recht te doen blijft dan wel of die beslissing, gezien het door de rechter beslechte geschilpunt, verwordt tot een eindbeslissing, gaf in de loop der jaren aanleiding tot veel discussie en tot uiteenlopende rechtspraak van uw Hof
(5). Recent werd in dit kwalificatievraagstuk evenwel klaarheid gebracht. Bij arrest van 11 juni 2021
(6), oordeelde uw Hof, in de context van het gewijzigd artikel 1050, tweede lid, Ger.W., in voltallige zitting, in lijn met een eerder arrest van 12 februari 2021
(7)dat betrekking had op een voorafgaande maatregel om de vordering te onderzoeken of om een tussengeschil omtrent een dergelijke maatregel te regelen, en onder verwijzing naar de ratio legis van het bijgestelde artikel 1050, tweede lid, Ger.W., dat “de rechter die een voorafgaande maatregel beveelt om de toestand van de partijen voorlopig te regelen, zonder daarbij een beslissing te nemen over de ontvankelijkheid of de grond van de vordering, een beslissing neemt alvorens recht te doen waartegen geen onmiddellijk hoger beroep openstaat, ook al bestond over die maatregel tussen de partijen betwisting en hebben zij hierover het debat gevoerd”. Het middel dat geheel ervan uitgaat dat “het volstaat dat een gevorderde maatregel om de toestand van de partijen voorlopig te regelen, tot enige betwisting heeft geleid die de rechter heeft moeten beslechten, opdat de beslissing over die maatregel een eindbeslissing zou zijn die onmiddellijk voor hoger beroep vatbaar is, ook al wordt daarmee nog geen standpunt ingenomen over de ontvankelijkheid of over de grond van de vordering”, faalt dienvolgens, aldus uw Hof, naar recht. Met dit principearrest gewezen in voltallige kamer is het alleszins duidelijk dat: - het bestaan van een betwisting tussen partijen in de context van een gevorderde beslissing alvorens recht te doen geen voldoende voorwaarde is opdat die beslissing een eindbeslissing zou zijn die onmiddellijk voor hoger beroep vatbaar is; - dat dit geldt voor de beide types van beslissingen alvorens recht te doen waarvan sprake in artikel 19, derde lid, Gerechtelijk wetboek, namelijk zowel de beslissing waarbij de rechter een tussen partijen bestreden onderzoeksmaatregel beveelt of afwijst
(8)als de beslissing waarbij de rechter de situatie van partijen voorlopig regelt; - de regel van artikel 1050, tweede lid, Gerechtelijk wetboek, niet van toepassing is ingeval een gemengd vonnis voorligt, wat in deze context dient te worden begrepen als een vonnis dat zowel een beslissing alvorens recht te doen bevat als een (eind)beslissing over de ontvankelijkheid of over de grond van de vordering. 2.3. Sommige rechtsleer
(9)stelt evenwel dat hiermee het kwalificatievraagstuk niet volledig wordt uitgeklaard omdat nog steeds niet duidelijk is of een beslissing met betrekking tot een voorafgaande maatregel nooit een eindbeslissing (op tussengeschil) zou kunnen opleveren in het bijzonder wanneer met de beslissing over een omstreden voorafgaande maatregel tegelijk een beslissing wordt genomen over een betwisting over de legitimiteit of toelaatbaarheid van die maatregel of de wettigheid of toelaatbaarheid van een bewijsmiddel. Ook eiser voert te dezen aan dat het beroepen vonnis eindbeslissingen bevat omdat de eerste rechter, door de gevorderde onderzoeksmaatregel te bevelen, uitspraak heeft gedaan over een betwisting tussen partijen over
(1)de toelaatbaarheid van die maatregel als bewijsmiddel en dit in het licht van het eerder akkoord tussen partijen over de wijze van waardebepaling van de aandelen; en
(2)de bewijswaarde van een door partijen aangevoerd bewijsmiddel namelijk de waardering door de bedrijfsrevisoren die door de partijen eenzijdig werden aangesteld. Dergelijke beslissingen zouden buiten het toepassingsgebied van artikel 19, derde lid, Ger.W. vallen en een eindbeslissing over een tussengeschil in de zin van artikel 19, eerste lid, Ger.W. uitmaken, waartegen onmiddellijk hoger beroep mogelijk is. 2.4. Vooreerst dient te worden opgemerkt dat het onderscheid tussen een discussie over de toelaatbaarheid/wettigheid dan wel de opportuniteit van een voorafgaande maatregel in de praktijk niet altijd zo eenvoudig en zuiver te maken is. Vooraleer eender welke onderzoeksmaatregel te bevelen, moet de rechter een dubbele toetsing uitvoeren
(10): - allereerst, een wettigheidstoets, waarbij zal worden nagegaan of het bewijs dat uit die onderzoeksmaatregel kan volgen in de aan hem voorgelegde zaak wettelijk toegelaten is; - en vervolgens een opportuniteitstoets, waarbij de rechter in concreto moet nagaan enerzijds of de feiten die een partij via de beoogde onderzoeksmaatregel wil bewijzen voldoende precies en pertinent zijn, en anderzijds of de daartoe beoogde of gevorderde onderzoeksmaatregel nuttig, geschikt en proportioneel is. In de zaak die voorligt heeft de eerste rechter het deskundigenonderzoek bevolen ondanks de argumentatie van eiser dat zulks ontoelaatbaar is gezien een eerder akkoord tussen partijen omtrent de wijze van waardebepaling van de aandelen. Het lijkt mij betwistbaar dat de rechter hiermee uitspraak heeft gedaan over de wettigheid van een onderzoeksmaatregel of de toelaatbaarheid van een bewijsmiddel. Mijns inziens heeft de rechter de ter zake door eiser gevoerde betwisting louter beslecht in het kader van zijn beoordeling van de opportuniteit
(11)van de onderzoeksmaatregel, in die zin dat het ondanks het akkoord tussen partijen nog steeds opportuun voorkomt een onafhankelijk, tegensprekelijk deskundigenonderzoek te bevelen, nu het akkoord tussen partijen enkel eenzijdige waarderingen betreft. De eerste rechter overweegt uitdrukkelijk dat deze eenzijdige waardering bezwaarlijk als onafhankelijke waardering in het kader van een bevolen deskundig onderzoek kan worden aanzien en de notaris bovendien standpunt heeft ingenomen dat ook aandelen van andere vennootschappen moeten worden gewaardeerd en de waarde op het ogenblik van de verdeling alleszins nog niet bepaald zal zijn zodat de aanstelling van een deskundige gerechtvaardigd is. Dit betreft de opportuniteit van de gevraagde maatregel zodat het middel dat ervan uitgaat dat de eerste rechter een geschilpunt omtrent de toelaatbaarheid van een bewijsmiddel of de bewijswaarde van een door partijen aangevoerd bewijsmiddel heeft beslecht feitelijke grondslag mist. 2.5. Maar het middel lijkt mij ook naar recht te falen. Met voormeld arrest van 11 juni 2021, gewezen in voltallige zitting, slaat het Hof duidelijk de richting in dat de rechter die een voorafgaande maatregel beveelt om de vordering te onderzoeken dan wel de toestand van partijen voorlopig te regelen zonder daarbij een beslissing te nemen over de ontvankelijkheid of de gegrondheid van de vordering, een beslissing neemt alvorens recht te doen ook al beslecht hij daarbij een tussen partijen bestaande betwisting omtrent die voorafgaande maatregel. Uw Hof heeft hierbij geen voorbehoud, noch uitzondering geformuleerd met betrekking tot de aard van de gevoerde betwisting zodat deze rechtsregel van toepassing is op elke betwisting over de gevorderde onderzoeksmaatregel en ongeacht de daarvoor of daartegen aangevoerde argumenten. Deze conclusie sluit vooreerst aan bij de redenering dat de rechter met een ex art. 19, derde lid, Gerechtelijk wetboek genomen beslissing alvorens recht te doen, louter en voorafgaand aan het beslechten van enig geschilpunt, een voorafgaande maatregel beveelt maar geen geschilpunt beslecht dat resulteert in een eindvonnis, namelijk een eindbeslissing waarmee de rechter een geschilpunt omtrent de ontvankelijkheid of de grond van de zaak definitief beslecht zodat hij zijn rechtsmacht over dit geschilpunt definitief uitput
(12). Dit geldt ongeacht de aard van het verweer dat wordt gevoerd met betrekking tot die voorafgaande maatregel. Niet de aard van de betwisting maar de aard van de maatregel die wordt gevraagd is dus relevant voor de kwalificatie van de genomen beslissing. Elke beslissing die de rechter neemt over het verweer dat zich situeert in de context van de gevorderde voorafgaande maatregel, kwalificeert met andere woorden tevens als een beslissing alvorens recht te doen, aan welke beslissing geen gezag van gewijsde kleeft en de rechtsmacht van de rechter niet uitput. Dit standpunt draagt ook bij tot de duidelijkheid van de kwalificatie, wat trouwens het uitgangspunt was voor de aanpassing van artikel 1050, tweede lid Gerechtelijk wetboek, nu de wetgever hiermee afstand wou nemen van een onduidelijke en complexe typologie van vonnissen en de kwalificatiediscussie die daarmee gepaard gaat
(13). Indien toch zou worden aangenomen dat bepaalde soorten betwistingen inzake een onderzoeksmaatregel wel kunnen resulteren in een eindbeslissing op tussengeschil en andere niet, impliceert dit ook dat geval per geval en aan de hand van de motieven van het vonnis, zal moeten worden nagegaan in welke mate de rechter met de bevolen maatregel alvorens recht te doen (ook) reeds een principe heeft aangenomen dat een invloed kan hebben op de latere beoordeling ten gronde. Dit is manifest een terugkeer naar vroegere discussies waarvan de wet van 19 oktober 2015, zoals gezegd, juist afstand wou nemen. In ieder geval is te vermijden dat een situatie wordt gecreëerd waarbij het voor partijen zou volstaan “een” betwisting in rechte aan te voeren die niet louter betrekking heeft op de opportuniteit van een gevorderde voorafgaande maatregel
(14), opdat de beslechting ervan resulteert in een onmiddellijk voor hoger beroep vatbare eindbeslissing, of waarbij partijen al dan niet terecht de legitimiteit van de gevorderde maatregel in vraag stellen louter om de onmiddellijke appellabiliteit ervan te verzekeren. 2.6. Het middel dat er geheel van uitgaat dat de rechter die een voorafgaande onderzoeksmaatregel beveelt een onmiddellijk voor hoger beroep vatbare eindbeslissing neemt indien de beoordeelde betwisting betrekking heeft op de toelaatbaarheid van een voorafgaande maatregel als bewijsmiddel of over de bewijswaarde van een aangevoerd bewijsmiddel, faalt naar recht. Conclusie: verwerping. _______________________________________
(1)Wet van 19 oktober 2015 houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake Justitie (BS 22 oktober 2015, Inw. 1 november 2015). Deze bepaling geldt overeenkomstig de regels van het overgangsrecht (art. 3 Ger.W.) voor uitspraken vanaf die datum gewezen (P. TAELMAN en K. BROECKX, “Rechtsmiddelen na Potpourri I” in B. Allemeersch (ed.), De hervorming van de burgerlijke rechtspleging door Potpourri I, 2016, 147, nr. 54).
(2)Parl. St. Kamer, Memorie van Toelichting, 2014-15, nr. 54-1219, 23. Zie Cass. 29 mei 2015, AR C.13.0615.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150529.4, AC 2015, nr. 356.
(3)Wat analoog is aan wat de wetgever eerder besliste met betrekking tot beslissingen inzake bevoegdheid Parl. St. Kamer, Memorie van Toelichting, 2014-15, nr. 54-1219, 24. Sinds de wet van 3 augustus 1992 luidt de vaste cassatierechtspraak over het hoger beroep tegen beslissingen inzake bevoegdheid dat “tegen een vonnis waarbij de rechter zich enkel bevoegd of onbevoegd verklaart, geen onmiddellijk hoger beroep openstaat en een dergelijk hoger beroep slechts mogelijk is nadat de rechter die zich bevoegd heeft verklaard, of de als bevoegd aangewezen rechter een eindvonnis heeft gewezen over de ontvankelijkheid of de gegrondheid” (zie bv. Cass. 20 maart 2015, AR C.14.0298.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150320.1, AC 2015, nr. 210; Cass. 3 oktober 2014, AR C.13.0164.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141003.2, AC 2014, nr. 574; Cass. 25 maart 2010, AR C.09.0554.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100325.5, AC 2010, nr. 221).
(4)Parl. St. Kamer, Memorie van Toelichting, 2014-15, nr. 54-1219, 24. Zowel artikel 1050, tweede lid, Ger.W. spreekt als artikel 19, eerste lid, Ger.W., spreken van “het eindvonnis” i.p.v. “een eindbeslissing”, wat evenwel niet inhoudt dat voor de toepassing van die artikelen vereist is dat de rechter het geheel van de voor hem aanhangig gemaakte processtof definitief heeft beslecht. Het volstaat dat hij enig geschilpunt over de ontvankelijkheid of de grond van de zaak op definitieve wijze beslecht (P. TAELMAN en K. BROECKX, “Rechtsmiddelen na Potpourri I” in B. Allemeersch (ed.), De hervorming van de burgerlijke rechtspleging door Potpourri I, 2016, 126, nr. 29).
(5)Zie voor dit overzicht de conclusies OM voor Cass. 12 februari 2021, AR C.20.0048.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210212.1N.4, AC 2021, nr. 111, en Cass. 11 juni 2021, AR C.17.0412.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210611.1N.9, AC 2021, nr. 432.
(6)Cass. 11 juni 2021, voltallige kamer, AR C.17.0412.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210611.1N.9, AC 2021, nr. 432.
(7)Cass. 12 februari 2021, AR C.20.0048.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210212.1N.4, AC 2021, nr. 111.
(8)Hoewel artikel 19, derde lid, Ger.W. uitsluitend de hypothese viseert waarin de rechter een voorafgaande maatregel beveelt, moet aangenomen worden dat de kwalificatie van de beslissing over de (betwiste) voorafgaande maatregel als beslissing alvorens recht te doen eveneens geldt in de hypothese waarin de rechter weigert de gevorderde maatregel te bevelen (zie: P. TAELMAN, “Potpouri en de burgerlijke rechtspleging” in De Pot-pourriwetten. Een eerste evaluatie van de waaiers aan quick-wins, reparaties en grondslagen voor organisatorische vernieuwingen, Gent, Larcier 2017,
(1)23, nr. 20: “de kwalificatie van de uitspraak waarin een rechter een onderzoeksmaatregel beveelt of de situatie van partijen voorlopig regelt, verandert niet in functie van het al dan niet omstreden geweest zijn tussen partijen van die door hem bevolen maatregel. Hetzelfde geldt wanneer hij de gevorderde maatregel weigert te bevelen”; zie ook J.-F. VAN DROOGENBROECK en A. HOC, “L’appel en hochepot (pourri)”, JT 2019,
(778)784, nr. 35 (m.b.t. art. 880 Ger.W. inzake de overlegging van stukken): “il va de soi que ce sont bien les deux hypothèses qui sont visées: soutenir le contraire reviendrait en effet à établir une différence de traitement injustifiable, au regard des articles 10 et 11 de la Constitution, entre la partie qui sollicite la mesure et celle qui en conteste l’opportunité”).
(9)P. TAELMAN, “Een stap vooruit in de kwalificatie van rechterlijke beslissingen”, RW 2021-22, 230; S. SONCK, “Het (onmiddellijk) hoger beroep tegen een beslissing alvorens recht te doen in burgerlijke zaken: kunnen we het nu eindelijk eens zijn?” (noot onder Cass. 11 juni 2021, AR C.17.0412.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210611.1N.9, AC 2021, nr. 432), RABG 2021,
(1258)1531, nr. 7.
(10)P. TAELMAN en K. BROECKX, “Rechtsmiddelen na Potpourri I” in B. Allemeersch (ed.), De hervorming van de burgerlijke rechtspleging door Potpourri I, 2016,
(103)120-121, nr. 20.
(11)Zie in die zin Cass.12 februari 2021, AR C.20.0048.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210212.1N.4, AC 2021, nr. 111, waarin Uw Hof oordeelt dat: “de eerste rechter, enerzijds, de door de eisers aangevoerde exceptie van gewijsde nog niet behandelt voor wat betreft de vordering tot overmaking van alle documenten van de bouwdossiers aan de verweerder en, anderzijds, zich over de door de eisers aangevoerde excepties van gewijsde en van dading uitspreekt bij zijn oordeel over de opportuniteit van het gevorderde deskundigenonderzoek”, zodat “het middel dat geheel ervan uitgaat dat de eerste rechter definitief een geschilpunt beslecht omtrent de toelaatbaarheid van een bewijsmiddel of de bewijswaarde van een door partijen aangevoerd bewijsmiddel, berust op een onjuiste lezing van het beroepen vonnis”.
(12)Cass. 16 december 2021, AR C.21.0117.N, arrest niet gepubliceerd; Cass.25 maart 2010, AR C.08.0392.N, arrest niet gepubliceerd.
(13)Vgl. P. TAELMAN en K. BROECKX, “Rechtsmiddelen na Potpourri I” in B. Allemeersch (ed.), De hervorming van de burgerlijke rechtspleging door Potpourri I, 2016,
(103)129, nr. 32, die betogen dat de analyse die door het Hof wordt gevolgd in zijn arrest van 24 januari 2013 “vertrekt van een oude, volstrekt achterhaalde typologie van vonnissen”, waarmee wordt gedoeld op het (onduidelijke) onderscheid tussen voorbereidende en interlocutoire vonnissen.
(14)Dat zou het geval kunnen zijn wanneer wordt opgeworpen dat de aanstelling van een deskundige abusievelijk wordt gevraagd, die aanstelling strijdig is met een eerder (minnelijk) akkoord tussen partijen of dat de omschrijving van de opdracht van de deskundige een niet-toegelaten overdracht van rechtsmacht inhoudt. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220916.1N.9 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220916.1N.9 citeert: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100325.5 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141003.2 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150320.1 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150529.4 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210212.1N.4 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210611.1N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div