← België

DW HOLDING contra BELGISCHE STAAT, MIN FINANCIEN

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 23 september 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220923.1N.3 Rolnummer: F.20.0165.N-F.20.0171.N-F.20.0172.N Zaak: DW HOLDING contra BELGISCHE STAAT, MIN FINANCIEN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Belastingrecht Invoerdatum: 2022-11-25 Raadplegingen: 695 - laatst gezien 2026-06-15 01:08 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220923.1N.3 Fiche 1 Het Hof stelt dat eiseres belang heeft om tegen eindbeslissingen op te komen waarbij de appelrechters hun rechtsmacht over de desbetreffende geschilpunten uitputten, gelet op de tegen haar ingestelde vrijwaringsvordering

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Gemis aan belang of bestaansreden Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1077 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 2 Indien de belastingplichtige antwoordt op het bericht van wijziging binnen een maand na de verzending ervan, mag de administratie, na ontvangst van dit antwoord, overgaan tot het vestigen van de aanslag na het verstrijken van die termijn en vooraleer een termijn van een maand is verstreken vanaf de derde werkdag volgend op de verzending van het bericht; dat de belastingplichtige die binnen de termijn van één maand na de verzending van het bericht van wijziging van aangifte, nog een aanvullend antwoord aan de administratie kan overmaken door afgifte van een aangetekende brief aan de post tot uiterlijk één maand na de derde werkdag volgend op de verzending van dat bericht, doet daaraan geen afbreuk
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Wijziging door de administratie van een aangifte Vrije woorden: Bericht van wijziging - Antwoord belastingplichtige binnen de maand na verzending - Mogelijkheid tot het vestigen van de aanslag - Wachttermijn Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 346 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Fiche 3 Opdat een buitenlandse belasting kan worden beschouwd als gelijkaardig aan de in België geheven personenbelasting, de vennootschapsbelasting of de belasting der niet-verblijfhouders, dient deze buitenlandse belasting te beantwoorden aan de wezenlijke kenmerken van de in België geheven belasting; tot de wezenlijke elementen van de in België geheven belasting behoort dat het toepasselijke tarief bij wet is vastgesteld en derhalve niet vatbaar is voor onderhandelingen tussen de belastingplichtige en de belastingautoriteiten op een wijze die het mogelijk maakt het tarief zodanig te herleiden dat een quasi-vrijstelling wordt verleend
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VOORHEFFINGEN EN BELASTINGKREDIET - Allerlei Vrije woorden: Forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting - Voorwaarden - Gelijkaardige buitenlandse belasting - Begrip Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 285 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Fiche 4 De omstandigheden dat tussen een verrichting van een vennootschap en haar maatschappelijke activiteit of statutair doel geen verband bestaat en dat een verrichting uitsluitend werd gesteld met het oog op een belastingvoordeel, sluiten als zodanig niet uit dat de kosten die met zulke verrichtingen verband houden als aftrekbare beroepskosten kunnen worden aangemerkt
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VENNOOTSCHAPSBELASTING - Vaststelling van het belastbaar netto-inkomen - Beroepskosten Vrije woorden: Verrichting gesteld met oog op belastingvoordeel Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 49 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Tekst van de conclusie F.20.0165.N-F.20.0171.N-F.20.0172.N Conclusie van advocaat-generaal J. Van der Fraenen:
  1. Voorafgaand – situering. 1.
  2. Het cassatieberoep in de zaak F.20.0165.N is gericht tegen een arrest van het hof van beroep te Gent van 3 september
  3. Het cassatieberoep in de zaken F.20.0171.N en F.20.0172.N is gericht tegen arresten van het hof van beroep te Gent van 3 september 2019 en 23 juni
  4. De cassatieberoepen zijn gericht tegen eenzelfde arrest, zodat het aangewezen voorkomt dat Uw Hof deze zou voegen. 1.
  5. Het geschil heeft betrekking op een aanslag in de vennootschapsbelasting gevestigd in hoofde van NV Anciens Etablissements Cyr Cambier (bij fusie door overneming op 29 december 2009 overgenomen door DW Holding), hierna “Cyr Cambier”, voor het aanslagjaar 1991, kohierartikel 329071, voor een bedrag van 864.198,03 euro, en in het bijzonder op de fiscale behandeling van een aan- en verkooptransactie van obligaties, voorgesteld door Anhyp Antwerpen (nadien AXA Bank Belgium), die Cyr Cambier heeft verricht in de loop van het jaar
  6. Op 12 november 1990 kocht Cyr Cambier obligaties uitgegeven door DONU S.A., een Uruguayaanse vennootschap met inrichting in Gibraltar, voor de prijs van 443.963.009 BEF. Op 26 december 1990 verviel de eerste coupon en werd aan Cyr Cambier een bedrag van 236.594.535 BEF betaald. De emittent hield een Gibraltarese bronbelasting van GBP 19.828,50 in. Op 27 december 1990 verkocht Cyr Cambier de obligaties voor de prijs van 213.457.416 BEF. Cyr Cambier claimde in haar fiscale aangifte voor het aanslagjaar 1991 de aftrek als beroepskost van het op de transactie gerealiseerde verlies van 11.489.088 BEF (welk verlies bestaat enerzijds, uit het verschil tussen de minderwaarde gerealiseerd op de verkoop van de obligaties (zijnde 443.963.009 BEF – 213.457.416 BEF verkoopprijs = 230.505.593 BEF) en 236.594.535 BEF ontvangen intresten, en, anderzijds, 17.578.030 BEF kosten verbonden aan de transactie. Tevens gaf zij een FBB (forfaitair gedeelte van de buitenlandse belasting) van 41.751.977 BEF aan. De aftrekbaarheid van het verlies en de verrekenbaarheid van het FBB werden door de fiscale administratie niet toegestaan. 1.
  7. De gerechtelijke betwisting van de gevestigde aanslag mondde uit in een arrest van het hof van beroep te Gent dd. 3 september 2019 waarin werd beslist dat de aftrek van de belastbare basis van Cyr Cambier van het verlies uit de transacties ten bedrage van 11.489.088 BEF terecht door fiscus werd verworpen. Wat betreft de verrekening van het FBB werd het debat heropend. In het arrest van 23 juni 2020 oordeelde het hof van beroep te Gent dat een buitenlandse bronbelasting van 0,5% die werd bepaald in overleg met de buitenlandse administratie bezwaarlijk als een belasting gelijkaardig aan de personenbelasting, de vennootschapsbelasting of de belasting van de niet-verblijfhouders kan worden beschouwd zodat de belastingplichtige niet aantoont dat de belasting geheven in Gibraltar in hoofdtrekken overeenkomt met de Belgische personenbelasting, de vennootschapsbelasting of de belasting der niet-verblijfhouders. Op grond daarvan oordeelde het hof van beroep dat de voormelde vaststellingen volstaan om te oordelen dat niet is voldaan aan de voorwaarden om te genieten van de verrekening van het FBB op grond van artikel 187 WIB
  8. Inzake F.20.0165.N. ENIG MIDDEL. 2.
  9. Eiseres wijst er op dat de appelrechters vaststellen dat de verrichting “belastbare roerende inkomsten heeft voortgebracht” namelijk de coupon van 236.594.535 BEF, die in mindering komt van het verlies waarvan eiseres de aftrek vraagt. De transacties hadden dus wel degelijk de inning van belastbare interesten tot doel, en hebben daar ook toe geleid, zodat voldaan is aan de voorwaarde voorzien in artikel 44 WIB64 dat bedrijfslasten slechts aftrekbaar zijn als zij zijn gedaan of gedragen om de belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden. Derhalve konden de appelrechters, op basis van deze vaststellingen, niet wettelijk beslissen dat niet aan de voorwaarden van artikel 44 WIB64 is voldaan en de aftrek van het verlies uit de transacties ten bedrage van 11.489.088 BEF terecht werd verworpen, aldus eiseres. (Schending van artikel 149 van de Grondwet, artikelen 44, eerste lid, en 96 WIB64) 2.
  10. Uw Hof heeft zich reeds herhaaldelijk uitgesproken over de vraag naar de aftrekbaarheid van het verlies volgend uit verrichtingen in het kader van een zgn. FBB-constructie. Een aantal van die arresten gaat specifiek in op de vraag of het feit dat een FBB-constructie er enkel is op gericht een fiscaal voordeel te creëren er aan in de weg staat dat de geleden verliezen zouden zijn gedaan of gedragen om belastbare inkomsten te behouden of te verkrijgen in de zin van artikel 49 WIB
  11. De appelrechters in onderhavige zaak overwegen dat de rechtspraak van Uw Hof van 21 juni 2019
(1)in casu niet relevant zou zijn, omdat de motieven van de in die rechtspraak verbroken arresten op andere gronden waren gesteund dan de motivering die zij in onderhavige zaak formuleren. Deze stelling kan m.i. niet worden gevolgd. De arresten die Uw Hof middels de arresten van 21 juni 2019 verbrak, waren inderdaad gebaseerd op twee motieven:
(1)geen verband met het maatschappelijk doel en
(2)uitsluitend gesteld met het oog op het bekomen van een belastingvoordeel. Uit de arresten van Uw Hof van 21 juni 2019 blijkt dat geen van beide motieven de aftrek als beroepskost uitsluiten. In casu beroepen de appelrechters zich niet meer op het eerste motief, maar wel nog op het tweede motief. Uw Hof heeft in latere arresten evenwel duidelijk bevestigd dat de aftrek van verliezen niet kan worden geweigerd louter op basis van het motief dat de constructie werd opgezet met het oog op een belastingvoordeel. In een zaak waarin het oordeel van de appelrechters nagenoeg identiek was aan het oordeel van de appelrechters in de voorliggende zaak, vernietigde Uw Hof bij arrest van 31 oktober 2019 het arrest van het hof van beroep dat de aftrek als beroepskosten had geweigerd op grond van de overwegingen dat de bedoelde verrichtingen louter tot doel hadden om de inkomstenbelasting te verminderen en de eiseres met die verrichtingen nooit de intentie had gehad om tot een positief boekhoudkundig resultaat te komen; het bij voorbaat weloverwogen verlies geen aftrekbare bewijslast is omdat dit verlies niet werd gedaan of gedragen om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden en de omstandigheid dat de obligaties daadwerkelijk tot de ontvangst van interest hadden geleid, daaraan geen afbreuk deed
(2)
(3). 2.
  1. De appelrechters stellen vast en oordelen dat: * de eenmalige en weloverwogen aan- en verkooptransactie verricht door Cyr Cambier met geleend geld zonder twijfel tot doel had om zowel de belastbare basis te verminderen door het verlies en de kosten in aftrek te nemen als de belasting te verminderen door de verrekening van de FBB; * enige bedoeling om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden niet aan de transacties ten grondslag lag, vermits de verschillende transacties gelet op de bedoeling van de partijen als een geheel dienen te worden beschouwd en een enkele verrichting uitmaken en het eindresultaat van deze verrichting, dat op boekhoudkundig en economisch vlak negatief was, onbetwistbaar op voorhand vastlag; * de omstandigheid dat de verrichting eveneens belastbare roerende inkomsten heeft voortgebracht, hieraan geen afbreuk doet, aangezien op voorhand duidelijk was dat deze volledig geneutraliseerd zouden worden door de in aftrek genomen kosten en verlies; * in die omstandigheden enkel kan worden besloten dat Cyr Cambier nooit de intentie heeft gehad om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden. De appelrechters die op die gronden oordelen dat de gemaakte kosten geen aftrekbare beroepskosten uitmaken, verantwoorden hun beslissing m.i. niet naar recht. In zoverre komt het middel mij gegrond voor. 2.
  2. In zoverre het middel de schending aanvoert van artikel 149 Grondwet, zonder te preciseren hoe en waarom de appelrechters dat artikel schenden, lijkt het middel mij onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk.
  3. Inzake F.20.0171.N. OVER DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET CASSATIEBEROEP. 3.
  4. Eerste verweerster voert een middel van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep aan: het cassatieberoep van eiseres is voorbarig en mitsdien niet ontvankelijk, omdat de door eiseres bestreden arresten voor haar geen eindbeslissingen zijn, maar beslissingen alvorens recht te doen. 3.
  5. Het middel van niet-ontvankelijkheid dient m.i. te worden verworpen. Krachtens artikel 1077 Gerechtelijk Wetboek staat cassatieberoep tegen vonnissen alvorens recht te doen slechts open na het eindvonnis. Met haar cassatieberoep komt eiseres enerzijds op tegen de beslissingen vervat in het arrest van 3 september 2019 waarbij wordt geoordeeld dat de bestreden aanslag niet nietig is wegens schending van artikel 251 WIB64 en dat het door eerste verweerster geleden verlies niet als beroepskost kan worden afgetrokken omdat niet voldaan is aan de voorwaarde van artikel 44 WIB64 en, anderzijds, tegen de beslissing vervat in het arrest 23 juni 2020 dat de in Gibraltar ingehouden bronbelasting geen aan de vennootschapsbelasting gelijkaardige belasting is zodat niet is voldaan aan de voorwaarden om te kunnen genieten van de verrekening van het FBB op grond van artikel 187 WIB
  6. Deze beslissingen zijn naar mijn mening eindbeslissingen waarbij de appelrechters hun rechtsmacht over de desbetreffende geschilpunten hebben uitgeput en eiseres heeft belang om tegen deze beslissingen op te komen gelet op de door eerste verweerster tegen haar ingestelde vrijwaringsvordering. Middelen tegen het arrest van 3 september
  7. EERSTE MIDDEL. 3.
  8. Eiseres voert aan dat het bestreden arrest onwettig beslist dat de bestreden aanslag geldig werd gevestigd op 31 december 1993, zijnde na de termijn van een maand van de verzending van het bericht van wijziging van aangifte van 29 november 1993, omdat de wachttermijn die de administratie diende te respecteren op 31 december 1993 nog niet verstreken was, vermits eerste verweerster, die voormeld bericht van wijziging ontving op 1 december 1993, conform de grondwetsconforme uitlegging in het arrest nr. 95/2020 van 25 juni 2020 van het Grondwettelijk Hof nog tot na 1 januari 1994 een aanvullend antwoord op dat bericht van wijziging ter post bij aangetekende zending kon afgeven, waarop de administratie diende te wachten en uit de stukken waarop Uw Hof acht vermag te slaan niet blijkt dat de rechten van schatkist in gevaar verkeerden wegens een andere oorzaak dan het verstrijken van de aanslagtermijn. (Schending van de artikelen 10, 11, 170, 171 en 172 Grondwet en de artikelen 251 en 259 WIB64 en, voor zoveel als nodig, de artikelen 346 en 354 WIB92). 3.
  9. Krachtens artikel 251, derde lid, WIB64, kan de belastingplichtige schriftelijk zijn opmerkingen inbrengen binnen de termijn van een maand na de verzending van het bericht van wijziging, welke termijn wegens wettige reden kan worden verlengd. De aanslag mag niet worden gevestigd voor die, eventueel verlengde, termijn verstreken is, behoudens indien de belastingplichtige met de wijziging van zijn aangifte schriftelijk instemt of indien de rechten van de Schatkist in gevaar verkeren wegens een andere oorzaak dan het verstrijken van de aanslagtermijn. Het Grondwettelijk Hof heeft in zijn arrest nr. 85/2012 van 28 juni 2012 geoordeeld dat artikel 251 WIB64 de artikelen 10 en 11 Grondwet niet schendt in de interpretatie dat, wanneer een belastingplichtige antwoordt binnen de termijn van één maand na de verzending van het bericht van wijziging van aangifte, een aanslag mag worden gevestigd na het verstrijken van die termijn, maar vóór het verstrijken van een termijn van één maand vanaf de derde werkdag volgend op de verzending van dat bericht. Uw Hof oordeelde al dat deze bepaling ertoe strekt het recht van verdediging van de belastingplichtige te vrijwaren en te voorkomen dat hem een administratieve boete wordt opgelegd of dat de aanslag van ambtswege wordt gevestigd met omkering van de bewijslast als gevolg vooraleer hij zijn opmerkingen heeft kunnen inbrengen. Daaruit volgt dat indien de belastingplichtige antwoordt op het bericht van wijziging binnen een maand na de verzending ervan, de administratie, na ontvangst van dit antwoord, vermag over te gaan tot het vestigen van de aanslag na het verstrijken van die termijn en vooraleer een termijn van een maand is verstreken vanaf de derde werkdag volgend op de verzending van het bericht
(4). 3.
  1. Eiseres verwijst naar het arrest van het Grondwettelijk Hof dd. 25 juni 2020 (nr. 95/2020) waarin werd geoordeeld dat artikel 346 WIB92, voorheen artikel 251 WIB64, de artikelen 10, 11 en 172 Grondwet, in samenhang gelezen met de algemene beginselen van rechtszekerheid en van de rechten van verdediging en met artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM schendt in de interpretatie volgens welke de opmerkingen die door de belastingplichtige zijn geformuleerd ter staving van zijn niet-instemming met het bericht van wijziging, bij een aangetekende brief die aan de post werd overhandigd vóór het verstrijken van de termijn van één maand, maar die bij de belastingadministratie is toegekomen na het verstrijken van die termijn, als niet tijdig worden beschouwd. Dezelfde bepaling schendt niet de artikelen 10, 11 en 172 Grondwet, in samenhang gelezen met de algemene beginselen van rechtszekerheid en van de rechten van verdediging en met artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM in de interpretatie volgens welke de door de belastingplichtige geformuleerde opmerkingen ter staving van zijn niet-instemming met het bericht van wijziging zijn ingediend binnen de termijn van één maand wanneer zij worden ingediend bij aangetekende brief die aan de post werd overhandigd vóór het verstrijken van die termijn, waarbij de poststempel van het verzendingbewijs geldt als bewijs. Met dit arrest doet het Grondwettelijk Hof naar mijn mening evenwel geen afbreuk aan zijn arrest van 28 juni 2012 (nr. 85/2012). Indien de belastingplichtige antwoordt op het bericht van wijziging binnen een maand na de verzending ervan, mag de administratie, na ontvangst van dit antwoord, overgaan tot het vestigen van de aanslag na het verstrijken van die termijn en vooraleer een termijn van een maand is verstreken vanaf de derde werkdag volgend op de verzending van het bericht. Dat de belastingplichtige die binnen de termijn van één maand na de verzending van het bericht van wijziging van aangifte, nog een aanvullend antwoord aan de administratie zou kunnen overmaken door afgifte van een aangetekende brief aan de post tot uiterlijk één maand na de derde werkdag volgend op de verzending van dat bericht, heeft geen onevenredige effecten die ingaan tegen de doelstelling van artikel 346 WIB92, voorheen artikel 251 WIB64, nu de belastingadministratie de aanslag niet ambtshalve kan vestigen, er geen omkering is van de bewijslast en de rechten van verdediging van de belastingplichtige niet aangetast worden. 3.
  2. De appelrechters stellen vast dat: * het bericht van wijziging van aangifte verzonden is op 29 november 1993 en volgens de eerste verweerster op 1 december 1993 door haar ontvangen werd; * de eerste verweerster op het bericht van wijziging van aangifte heeft geantwoord op 28 december 1993; * de bestreden aanslag werd gevestigd op 31 december 1993, zijnde na het verstrijken van de termijn van een maand vanaf de verzending van het bericht van wijziging van aangifte. Het lijkt mij dat de appelrechters op die gronden hun beslissing naar recht verantwoorden dat de aanslag rechtsgeldig op 31 december 1993 werd gevestigd. Het middel kan m.i. niet worden aangenomen. (…) Middelen tegen het arrest van 23 juni
  3. ENIG MIDDEL. Eerste onderdeel. 3.
  4. Eiseres voert aan dat het hof van beroep de beslissing dat niet is voldaan aan de voorwaarden om te genieten van de verrekening van het FBB, meer bepaald aan de voorwaarde daartoe dat de belasting geheven in Gibraltar gelijkaardig dient te zijn aan de Belgische personenbelasting, de vennootschapsbelasting of de belasting der niet-verblijfhouders, niet naar recht heeft verantwoord. (Schending van het artikel 187 WIB64, thans het 285, lid 1 WIB92). 3.
  5. Krachtens artikel 187, eerste lid, WIB64, in zijn toepasselijke versie, wordt, wat betreft de inkomsten en opbrengsten van roerende goederen en kapitalen en de in artikel 67, 4° tot 6°, bedoelde diverse inkomsten die in het buitenland werden onderworpen aan een belasting gelijkaardig aan de personenbelasting, de vennootschapsbelasting of de belasting der niet-verblijfhouders, van de belasting vooraf een forfaitair gedeelte van die buitenlandse belasting afgetrokken. 3.
  6. De vraag rijst naar de draagwijdte van het begrip ‘gelijkaardig’. In de rechtspraak, rechtsleer en administratieve richtlijnen wordt hierop nauwelijks ingegaan. Een zeldzame auteur overweegt dat de vereiste dat de inkomsten in de bronstaat onderworpen moeten zijn aan een gelijkaardige belasting als de personenbelasting, de vennootschapsbelasting of de belasting der niet-inwoners ‘in de praktijk altijd neerkomt op een bronheffing’, dat een vrijstelling van belasting in de bronstaat niet in aanmerking komt als een gelijkaardige belasting, aangezien voor de verrekening van het FBB ‘een effectieve belasting in de bronstaat is vereist’ en dat het de belastingplichtige toekomt te bewijzen dat de interest in het buitenland aan ‘een’ bronbelasting onderworpen is
(5). 3.12. Uitgangspunt bij de interpretatie van de fiscale wetsbepaling is dat zij moet worden geïnterpreteerd overeenkomstig haar letterlijke bewoordingen en dat zij derhalve strikt moet worden geïnterpreteerd, zij het dat dat beginsel van strikte interpretatie er niet aan in de weg staat dat een fiscale wetsbepaling wordt geïnterpreteerd rekening houdend met het geheel van wetsbepalingen van de wet waarin de te interpreteren wetsbepaling is opgenomen
(6). Vanuit een letterlijke interpretatie betekent gelijkaardig ‘gelijk van aard’, ‘gelijksoortig’ of ‘gelijk van soort’, ‘in hoofdtrekken overeenkomend’
(7). Dat een belasting in het buitenland in hoofdtrekken overeenkomt met de personenbelasting, de vennootschapsbelasting of de belasting der niet-verblijfhouders impliceert m.i. dan ook dat deze buitenlandse belasting kenmerken vertoont die in hoofdtrekken overeenkomen met de essentiële elementen van het stelsel van de personenbelasting, vennootschapsbelasting of belasting niet-verblijfhouders, met name op het vlak van het belastingsubject, de belastbare materie en belastbare grondslag, evenals op het vlak van de toepasselijke tarieven en vrijstellingen
(8). Eiseres stelt dat het volstaat voor de inkomsten en opbrengsten van roerende goederen en kapitalen dat zij in het buitenland aan een inhouding aan de bron werden onderworpen, die van dezelfde aard is als de roerende voorheffing in de belasting der niet-verblijfhouders en dat het percentage van deze inhouding noch de manier waarop die in het buitenland tot stand komt, al dan niet na onderhandelingen, relevant zijn. Evenwel lijkt mij de enkele vaststelling dat er een bronheffing bestaat, zijnde een wijze van inning van de buitenlandse belasting, die op zich geen essentieel element van het belastingstelsel uitmaakt, niet te kunnen leiden tot het besluit dat de wezenlijke kenmerken van de buitenlandse belasting gelijkaardig zijn aan de belasting der niet-verblijfhouders. De appelrechter verantwoordt m.i. dan ook zijn beslissing naar recht dat niet voldaan is aan de voorwaarden om te genieten van de verrekening van het FBB op grond dat de belastingplichtige niet aantoont dat de belasting geheven in Gibraltar in hoofdtrekken overeenkomt artikel 187, eerste lid, WIB64, vermelde Belgische belastingen. In de belasting der niet-verblijfhouders is er inderdaad geen mogelijkheid tot het bepalen van de hoogte van de (bevrijdende) bronbelasting (tarief) in overleg met de belastingadministratie en bestaat er geen uitzonderlijk laag tarief van 0,5%, dat een quasi-vrijstelling uitmaakt. Het eerste onderdeel kan m.i. niet worden aangenomen. (…) 5. Besluit: * Vernietiging van het arrest van 3 september 2019 in zoverre het de aftrek van het verlies uit de transactie ten bedrage van 11.489.088 BEF als beroepskost verwerpt. * Verwerping van de cassatieberoepen in zoverre gericht tegen het arrest van 23 juni 2020. __________________________________
(1)Zie Cass. 21 juni 2019, AR F.15.0067.N, AC 2019, nr. 388, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190621.4, en Cass. 21 juni 2019, AR F.15.0068.N, arrest niet gepubliceerd. Uw Hof vernietigde het arrest van het hof van beroep dat de aftrek als beroepskosten had geweigerd onder meer op grond van de overweging dat de eiseres nooit de bedoeling had om met de FBB-verrichting tot een positief boekhoudkundig resultaat te komen en dat in die omstandigheden de FBB-constructie niet kon beschouwd worden als in verband met de beroepswerkzaamheid. Zie ook Cass. 21 juni 2019, AR F.15.0125.N en Cass. 21 juni 2019, AR F.15.0126.N, beide niet gepubliceerd. Uw Hof vernietigde het arrest van het hof van beroep dat de aftrek als beroepskosten had geweigerd op grond van de overweging dat
(1)de verrichtingen van de eiseres louter tot doel hadden om de inkomstenbelastingen te verminderen en dat om die reden de eraan verbonden kosten geen aftrekbare beroepskosten vormden, en
(2)het geheel van de verrichtingen niet kan worden beschouwd als vallend onder haar maatschappelijk doel omdat niet bewezen is dat er een noodzakelijk verband bestaat tussen de verrichtingen betreffende de Italiaanse obligaties en het maatschappelijk doel.
(2)Cass. 31 oktober 2019, AR F.16.0024.N, AC 2019, nr. 565, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191031.1.
(3)Zie verder tevens: * Cass. 31 oktober 2019, AR F.18.0029.N, arrest niet gepubliceerd, waarin Uw Hof het arrest van het hof van beroep bevestigde waarin werd geoordeeld dat de minderwaarden als beroepskost aftrekbaar waren, aangezien
(1)het argument dat de kost verband moet houden met de uitoefening van de beroepswerkzaamheid en
(2)het argument dat het geheel van de verrichtingen had geleid tot een bij voorbaat weloverwogen verlies, de taxatie niet kon ondersteunen. * Cass. 31 oktober 2019, AR F.15.0172.N, arrest niet gepubliceerd. Uw Hof vernietigde het arrest van het hof van beroep dat de aftrek als beroepskosten had geweigerd op grond van de overweging dat
(1)de bedoelde verrichtingen louter tot doel hadden om de inkomstenbelasting te verminderen en de eiseres met die verrichtingen nooit de intentie had gehad om tot een positief boekhoudkundig resultaat te komen, het bij voorbaat weloverwogen verlies geen aftrekbare bewijslast was omdat dit verlies niet werd gedaan of gedragen om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden en
(2)het geheel van de verrichtingen niet kon worden beschouwd als vallend binnen het maatschappelijk doel van de eiseres. * Cass. 12 maart 2021, AR F.19.0156.N, arrest niet gepubliceerd. Uw Hof vernietigde het arrest van het hof van beroep dat de aftrek als beroepskosten had geweigerd op grond van de overweging dat
(1)de eiseres met de bedoelde verrichtingen nooit de intentie had om tot een positief boekhoudkundig resultaat te komen en
(2)de constructie geen verband hield met de beroepswerkzaamheid van de vennootschap, al dan niet binnen of buiten het maatschappelijk doel.
(4)Cass. 21 juni 2019, AR F.15.0067.N, AC 2019, nr. 388, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190621.4.
(5)Zie G. BLONDE, “Het belastingkrediet in België, Nederland en Frankrijk voor interesten en royalty’s ontvangen uit het buitenland”, TFR 1998, 289. Zie ook B. PEETERS, “Het FBB en de onderworpenheidseis van artikel 187 W.I.B.”, Fiscoloog Int., afl. 67, 15 juni 1989, 1-4.
(6)Cass. 16 mei 1975, Pas. 1975, 903, ECLI:BE:CASS:1975:ARR.19750516.12.
(7)https://taaladvies.net/gelijkaardig-of-soortgelijk.
(8)Zie en vgl. voor wat betreft de essentiële elementen van een belasting: S. VAN CROMBRUGGE, De grondregels van het Belgisch fiscaal recht, Roeselare, Roularta 2018, p. 15: “Artikel 170 GW heeft tot gevolg dat, benevens de invoering van de belasting, alles wat essentieel is voor de heffing (belastingplicht, belastbaar feit, grondslag, tarief, vrijstellingen), door de wet moet worden geregeld, alleen minder belangrijke aangelegenheden mogen door een uitvoeringsbesluit worden geregeld”. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220923.1N.3 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220923.1N.3 citeert: ECLI:BE:CASS:1975:ARR.19750516.12 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190621.4 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191031.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.