← België

T. contra HET VLAAMS GEWEST

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 23 september 202

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: GEMEENSCHAPS- EN GEWESTBELASTINGEN Vrije woorden: Vlaams Gewest - Leegstandsheffing - Bijzondere belasting - Strafrechtelijke aard - Beoordelingscriteria Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiche 3 De omstandigheid dat de fiscale sanctie licht is, heeft niet noodzakelijk tot gevolg dat deze aan de toepassing van artikel 6.1. EVRM is onttrokken; opdat een belasting een preventief en bestraffend doel zou hebben, is vereist dat de belasting in wezen een handelen of nalaten wenst te voorkomen en te bestraffen dat door de wetgever als onwettig wordt beschouwd en dat de belasting aldus leed wenst toe te brengen aan de dader van dat handelen of nalaten

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Leegstandsheffing Vlaams Gewest - Bijzondere belasting - Strafrechtelijke aard - Preventief en bestraffend doel - Begrip Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de conclusie F.20.0152.N Conclusie van advocaat-generaal J. Van der Fraenen:

  1. Situering. De betwisting betreft 11 heffingen ter bestrijding van leegstand en verkrotting van gebouwen en/of woningen, lastens eisers gevestigd op grond van het decreet van 22 december 1995, houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996, in de versie zoals van toepassing op het geding, (hierna: het Leegstandsdecreet), in hoofde van hen ingekohierd op 5 december 2011, alle voor een bedrag van telkens 2.970 euro. Het bezwaarschrift dat eisers hiertegen op 29 februari 2012 hadden ingediend, werd bij besluit van de gemachtigde ambtenaar van de Vlaamse Regering van 24 augustus 2012 afgewezen als ongegrond. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 23 november 2012, maakten eisers de zaak aanhangig voor de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel. Hun vordering strekte ertoe de beslissing van de gemachtigde ambtenaar van 24 augustus 2012 te vernietigen of hervormen en de bestreden leegstandsheffingen teniet te doen. Bij vonnis van 30 juni 2014 verklaarde de eerste rechter de vorderingen van eisers ongegrond en veroordeelde hen tot de kosten van het geding. Bij arrest van 19 februari 2020 verklaarde het hof van beroep te Brussel het door eisers ingestelde hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond en bevestigde het bestreden vonnis. Over het al dan niet strafrechtelijk karakter van de heffingen en verzoek tot matiging ervan als “strafsanctie” oordeelden de appelrechters dat de Vlaamse leegstandsheffing niet als een strafsanctie in de zin van artikel 6 EVRM kan worden beschouwd. Eisers komen op tegen dit arrest met één middel tot cassatie.
  2. Bespreking van het enig middel. 2.
  3. Het enig middel komt op tegen de beslissing dat de leegstandsheffingen die eisers werden opgelegd geen sanctie van strafrechtelijke aard uitmaken zoals bedoeld in artikel 6 EVRM waardoor eisers zich niet op de bescherming van deze bepaling kunnen beroepen om deze heffingen door een rechter met volle rechtsmacht te laten toetsen en, in het licht van het evenredigheidsbeginsel, te laten verminderen of kwijtschelden. (Schending van artikel 6.1 EVRM) 2.
  4. Het EHRM hanteert sinds het zgn. Engel-arrest van 8 juni 1976

(1)drie criteria om na te gaan of een sanctie die in een nationale rechtsorde wordt voorzien, moet worden beschouwd als een strafsanctie in de zin van artikel 6 EVRM: Het eerste criterium is de juridische kwalificatie van de overtreding in het interne recht. Wanneer het interne recht een overtreding zelf als ‘strafrechtelijk’ kwalificeert, dan moet de sanctie die op die overtreding wordt gesteld, als een strafsanctie worden aanzien in de zin van artikel 6 EVRM. Wordt een sanctie in het interne recht niet als strafrechtelijk omschreven, dan is verder onderzoek van de nationale sanctie op basis van het tweede en het derde criterium noodzakelijk
(2). Het tweede criterium is de aard van de overtreden norm. Dit criterium valt nog uiteen in twee deelaspecten. Vereist is dat de norm in kwestie ten eerste een algemene draagwijdte heeft en zich tot alle rechtsonderhorigen richt. Ten tweede moet de sanctie, om in navolging van het tweede criterium strafrechtelijk te zijn, in hoofdzaak een preventieve en repressieve werking hebben. Het derde criterium is de aard en de zwaarte van de sanctie
(3). Een zware sanctie wijst op een strafsanctie in de zin van artikel 6 EVRM. Rekening moet daarbij worden gehouden met de maximale straf die kan worden opgelopen en niet met de straf die effectief werd opgelegd
(4). Door het EHRM werd herhaaldelijk bevestigd dat het tweede en derde criterium een alternatief karakter hebben: een sanctie moet worden beschouwd als een strafsanctie in de zin van artikel 6 EVRM wanneer ofwel de aard van de overtreden norm ofwel de aard en de zwaarte van de sanctie in die richting wijzen. Het is niet vereist dat aan de beide voorwaarden tegelijk is voldaan. Een relatief lichte sanctie kan dus als een strafsanctie in de zin van artikel 6 EVRM in aanmerking komen wanneer de aard van de overtreden norm daarop wijst
(5). Wanneer het tweede en derde criterium elk op zichzelf beschouwd geen duidelijk antwoord bieden, kunnen beide criteria wel samen in overweging worden genomen
(6). Zuiver fiscale geschillen vallen in principe niet onder artikel 6 EVRM, tenzij de rechtspleging in fiscale zaken leidt of kan leiden tot een sanctie die voortvloeit uit een strafvervolging in de zin van die bepaling
(7). In het Bendenoun-arrest van 24 februari 1994 formuleerde het EHRM de volgende criteria die moeten toelaten om na te gaan of een fiscale sanctie of een belasting(verhoging) als een strafsanctie in de zin van artikel 6 EVRM moet worden beschouwd
(8): * de wet die de fiscale sanctie of belasting(verhoging) voorschrijft, richt zich tot alle burgers in hun hoedanigheid van belastingplichtige; * de fiscale sanctie of belastingverhoging is niet bedoeld als schadevergoeding, maar is in hoofdzaak een bestraffing die herhaling wil vermijden; * de fiscale sanctie of belastingverhoging stoelt op een norm met een algemeen karakter waarvan het oogmerk terzelfder tijd preventief en repressief is; én * de fiscale sanctie of belastingverhoging is substantieel. Geen enkele van deze criteria is op zich doorslaggevend. Zij moeten samen in overweging genomen om, op basis van een globale beoordeling, na te gaan of een fiscale sanctie of belastingverhoging als een strafsanctie in de zin van artikel 6 EVRM moet worden beschouwd. In latere arresten paste het EHRM niet deze criteria toe, maar wel de Engel-criteria om na te gaan of een fiscale sanctie of belastingverhoging al dan niet als een strafsanctie in de zin van artikel 6 EVRM moet worden beschouwd
(9). In het Jussila-arrest van 23 november 2006 preciseerde de Grote Kamer van het EHRM dat de Engel-criteria en de Bendenoun-criteria geenszins met elkaar conflicteren, maar dat de Bendenoun-criteria moeten worden beschouwd als een concretisering van de Engel-criteria in een fiscale context. De Bendenoun-criteria moeten vooral het tweede Engel-criterium (de aard van de inbreuk) nader invullen. Het Hof verduidelijkte dat het Bendenoun-criterium volgens hetwelk de vraag moet worden gesteld of de fiscale sanctie of belastingverhoging substantieel is, een element is bij de beoordeling van de aard van de inbreuk, maar dat zulks het derde Engel-criterium (de aard en de zwaarte van de sanctie) onverlet laat. Het Hof verduidelijkte vervolgens dat een fiscale sanctie als een strafsanctie in de zin van artikel 6 EVRM moet worden beschouwd, ook al is de sanctie licht, wanneer de aard van de inbreuk daarop wijst
(10). In navolgende rechtspraak paste het EHRM in fiscale zaken gewoon de Engel-criteria toe, zonder nog naar de Jussila-criteria te verwijzen
(11). 2.3. Uw Hof zoekt in zijn rechtspraak met betrekking tot de vraag of een fiscale sanctie/belasting(verhoging) al dan niet als een strafsanctie in de zin van artikel 6 EVRM moet worden beschouwd, aansluiting bij de Bendenoun-criteria. Er is sprake van een strafsanctie indien cumulatief voldaan is aan de volgende voorwaarden
(12): * de overtreden bepaling is gericht tot alle burgers in hun hoedanigheid van belastingplichtige; * de opgelegde sanctie of bijzondere belasting heeft niet alleen een vergoedende functie, maar in wezen een preventief en bestraffend doel. Vereist is dat de opgelegde sanctie of bijzondere belasting in wezen zowel een preventieve als een repressieve functie heeft. Een louter preventieve functie volstaat niet om een sanctie of bijzondere belasting als strafsanctie te kwalificeren
(13). Een sanctie is preventief indien zij zowel voor de dader als voor anderen een afschrikwekkend effect teweegbrengt. Als de sanctie daarenboven erop gericht is een zeker leed aan de overtreder toe te brengen en niet louter ertoe strekt de aan de staat toegekende schade te herstellen, dan is zij repressief
(14). Wanneer een opgelegde sanctie of bijzondere belasting zowel een vergoedende als een preventieve en bestraffende functie heeft, moet de rechter nagaan welk van beide functies (ofwel de vergoedende functie ofwel de preventieve en repressieve functie) hoofdzakelijk aanwezig is
(15); * de zwaarte van de sanctie of belasting is aanzienlijk (waarbij rekening moet worden gehouden met de maximum sanctie die een rechtsonderhorige kan worden opgelegd en niet met de eigenlijke sanctie die in een concrete individuele zaak werd opgelegd). Het behoort aan de rechter te oordelen of een fiscale sanctie of bijzondere belasting in zijn geheel beschouwd aan deze criteria beantwoordt, in welk geval die sanctie of bijzondere belasting een strafsanctie in de zin van artikel 6 EVRM uitmaakt. In een relatief recent arrest van 21 september 2018 verduidelijkte Uw Hof evenwel dat de omstandigheid dat de fiscale sanctie licht is, niet tot gevolg heeft dat deze aan de toepassing van artikel 6.1. EVRM is onttrokken
(16). Aldus zoekt Uw Hof aansluiting bij het Jussila-arrest van het EHRM. 2.
  1. De appelrechters lijken te oordelen dat de aard van de leegstandsheffing (tweede Engel-criterium) niet tot een kwalificatie van de heffing als strafsanctie dwingt: er is geen sprake van een inbreuk, vermits de leegstandsheffing niet zowel een preventief als een repressief doel heeft: * Daar waar de appelrechters oordelen dat de leegstandsheffing een aanmoedigingsfunctie heeft, erkennen zij m.i. het preventief karakter van de leegstandsheffing. Door de belastbaarstelling wil men het voortduren van de toestand van ongeschiktheid en onbewoonbaarheid van panden voorkomen. * De appelrechters oordelen evenwel dat de leegstandsheffing geen repressief karakter heeft, aangezien leegstand en verwaarlozing door het Leegstandsdecreet niet als een overtreding, als een inbreuk of als onwettig worden beschouwd. Verder oordelen de appelrechters dat de aard van de heffing niet wijst op een strafsanctie: uit de aanslagvoet van de heffing kan niet worden afgeleid dat het doel van de heffing erin bestaat leed aan de heffingsplichtige te berokkenen. Dat oordeel vloeit logischerwijs voort uit het oordeel van de appelrechters dat er geen sprake is van een inbreuk. Zij spreken zich met die overweging niet uit over de zwaarte van de heffing, maar over de aard van de heffing. In het licht van het oordeel van de appelrechters rijst de vraag of het criterium van preventie en repressie vereist dat er sprake is van een onwettige toestand, inbreuk of overtreding. Het middel dat eisers formuleren, komt in essentie er op neer dat volgens hen een dergelijke vereiste niet geldt. 2.
  2. De door het Leegstandsdecreet ingevoerde leegstandsheffing past in het kader van “een integraal beleid dat de verbetering van de leef- en omgevingskwaliteit beoogt”. Volgens de decreetgever zijn verwaarlozing, leegstand en de bedenkelijke woonkwaliteit van sommige woningen “symptoom en oorzaak […] van de achteruitgang van het leefklimaat, van de sociale achterstelling van de bewoners en uiteindelijk van de desintegratie van het sociale en maatschappelijke weefsel”. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt nog dat de in het geding zijnde heffing “kadert […] in het beleid tegen leegstand boven winkels, hetgeen één van de voornaamste vormen van leegstand is” De decreetgever wil aldus “de uittocht van de meer welvarende bevolkingsgroepen” tegengaan, “vooral dan in de grote steden”
(17). De finaliteit van de leegstandsheffing blijkt zeer duidelijk uit de parlementaire voorbereiding van het Leegstandsdecreet: - Preventie: “de heffing heeft een ontradingseffect en past in een voorkomingsbeleid, dat de oorzaken van de verkommering en desintegratie van de leefomgeving preventief wil aanpakken. De heffing zet aan tot een tijdige renovatie van het patrimonium, en het hergebruik ervan volgens de oorspronkelijke of volgens een nieuwe bestemming. De heffing werkt als zodanig regulerend”; - Sanctionering: “de rechtstreekse en onrechtstreekse maatschappelijke kosten van de verloedering van de leef- en omgevingskwaliteit wordt, al is het slechts partieel, verhaald op de "mede veroorzakers". De heffing werkt sanctionerend t.a.v. degenen die deze kosten moedwillig willen afwentelen op de gemeenschap of de minder bemiddelde achterblijvers of degenen die blind zijn voor de maatschappelijk gevolgen. De heffing is in zoverre een maatregel van (her)verdelende rechtvaardigheid”; - Financiering: “de opbrengst van de heffing kan worden gebruikt voor de revivificatie van de (stedelijke) leefomgeving. De heffing wordt een financieringsbron voor de gewestelijke – en onrechtstreeks ook voor de gemeentelijke – overheid, die daar mee de initiatieven ter verbetering van de leef- en omgevingskwaliteit kan financieren”. Het Grondwettelijk Hof oordeelde met verwijzing naar die parlementaire voorbereiding dat de derde doelstelling (financiering) van de leegstandsheffing van eerder ondergeschikt belang is en dat de leegstandsheffing derhalve geen financieringsheffing is, maar wel een corrigerende maatregel: “Vermits de heffing niet dient te worden betaald wanneer de houders van een zakelijk recht op een woning zich gedragen naar het door het Vlaamse Gewest gevoerde beleid, meer bepaald door ervoor te zorgen dat een woning niet komt leeg te staan, streeft de decreetgever met die heffing slechts in ondergeschikte orde het verwerven van financiële middelen na. De heffing beoogt in de eerste plaats het gedrag van de houders van een zakelijk recht op een woning te beïnvloeden, en dit in het kader van het vooropgestelde beleid inzake de verbetering van de leef- en omgevingskwaliteit”
(18). Verder overwoog het Grondwettelijk Hof: “De heffing wordt gradueel toegepast naargelang de ernst en de omvang van de verwaarlozing. Indien een gebouw en/of woning enkel uiterlijke tekenen van verwaarlozing vertoont, wordt de heffing, die in principe gelijk is aan het kadastraal inkomen, gehalveerd. Wanneer de verwaarlozing leidt tot leegstand en/of onbewoonbaarheid van de woning wordt het volledige bedrag aangerekend. Dit moet de betrokken 'eigenaars' vroegtijdig stimuleren om de verwaarlozing te beëindigen en het betrokken pand te verbeteren. Naarmate een gebouw en/of woning langer op de inventaris blijft staan, wordt de heffing en dus de druk op de 'eigenaar' hoger. Als ultieme middel krijgt de overheid bovendien de mogelijkheid om gebouwen en/of woningen die gedurende 4 jaar op de inventaris blijven staan en waarvoor gedurende die periode geen heffing werd betaald, te onteigenen ten algemene nutte”. 2.6. Het Leegstandsdecreet heeft derhalve in hoofdzaak een preventief en sanctionerend karakter, zij het dat het decreet leegstand en verwaarlozing niet als onwettig of als een inbreuk omschrijft, maar eerder als onwenselijk. Het enig middel in deze zaak lijkt aansluiting te zoeken bij een bepaalde strekking in de rechtsleer waarin wordt geargumenteerd dat de leegstandsheffing dan wel geen straf is, maar wel een ‘strafachtige belasting’, en dat de rechter bijgevolg over een volwaardige toetsingsbevoegdheid moet kunnen beschikken
(19). Het middel kan m.i. evenwel niet worden aangenomen. Wanneer men de rechtspraak van het EHRM erop naslaat, dient men vast te stellen dat het EHRM zich hierover niet eenduidig uitspreekt. De arresten van het EHRM die handelen over de vraag of een bepaalde sanctie als een strafsanctie in de zin van artikel 6 EVRM moet worden beschouwd, kaderen telkens in een context waarin sprake was van een duidelijke overtreding van een wettelijke regel of van een onwettigheid waarbij enkel werd ingegaan op wat onder ‘de aard van de inbreuk’ moet worden verstaan. Het woord ‘inbreuk’ lijkt evenwel te wijzen op een overtreding of onwettigheid. In de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof lijkt mij tot uitdrukking te komen dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen heffingen die onwettig gedrag willen bestraffen, en die derhalve strafsancties zijn, en heffingen die getolereerde maar schadelijke activiteiten willen tegengaan, en die derhalve geen strafsancties zijn. Volgens het Grondwettelijk Hof moet het fiscaal karakter van een heffing worden aanvaard telkens wanneer die heffing een in wezen aanmoedigend fiscaal instrument vormt en geen overheersend repressief karakter heeft
(20). Het opzet van de fiscale wetgever om met een belasting het gedrag van de belastingplichtige te beïnvloeden, kan volgens het Grondwettelijk Hof zelfs een bijzonder hoge aanslagvoet rechtvaardigen
(21). Het Grondwettelijk Hof oordeelde ook reeds dat gemeentelijke belastingreglementen die leegstand belasten in geen geval straffen zijn, doch louter fiscaal van aard
(22)
(23). De leegstandsheffing als belasting wordt door het Grondwettelijk Hof dan ook beschouwd als een in beginsel redelijk verantwoorde maatregel
(24). Ook Uw Hof oordeelde in een arrest van 2 januari 2020 (in de context van een middel dat de schending van artikel 6 EVRM aanvoerde door de wering van een pleitnota door de appelrechters) dat een gemeentelijke leegstandsheffing niet als een strafsanctie kan worden beschouwd: Artikel 6 EVRM is niet van toepassing op geschillen over rechten en verplichtingen in fiscale zaken, tenzij de rechtspleging in fiscale zaken leidt of kan leiden tot een sanctie die voortvloeit uit een strafvervolging in de zin van deze bepaling. Het geschil heeft betrekking op een gemeentelijke leegstandsheffing. Het middel kan niet worden aangenomen”
(25). 2.
  1. Aansluitend bij de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof meen ik dat kan worden besloten dat de kwalificatie als strafsanctie een onwettige handeling veronderstelt. In voorliggend geval wordt niet betwist dat de litigieuze leegstandsheffing geen onwettige situatie treft, maar enkel het bestaan en het voortduren van een ongewenste toestand van een pand belastbaar stelt. De Vlaamse leegstandsheffing heeft derhalve niet tot doel het toebrengen van leed aan de dader van een handelen of nalaten dat door de wetgever als onwettig wordt beschouwd maar vormt in wezen een aanmoedigend fiscaal instrument. De heffing lijkt mij dan ook niet te kwalificeren als een straf in de zin van artikel 6 EVRM.
  2. Besluit: Verwerping. _________________________________
(1)EHRM 8 juni 1976, Engel e.a. v. Nederland, r.o. 81-82. Zie verder EHRM 21 februari 1984, Özturk v Duitsland, r.o. 49-50; EHRM 25 augustus 1987, Lutz v Duitsland, r.o. 54; EHRM 23 oktober 1995, Schmautzer v Oostenrijk, r.o. 27; EHRM 24 september 1997, Garyfallou Aebe v Griekenland, r.o. 32; EHRM 23 november 2006, Jussila v Finland, r.o. 30.
(2)Concl. OM bij Cass. 16 november 2017, AR F.16.0075.N, AC 2017, nr. 650, ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20171116.3. Zie ook concl. van advocaat-generaal WERQUIN bij Cass. 6 mei 2002, AR S.01.0052.N, AC 2002, nr. 275, ECLI:BE:CASS:2002:CONC.20020506.9.
(3)EHRM 8 juni 1976, Engel e.a. v. Nederland, r.o. 82. Zie verder EHRM 21 februari 1984, Özturk v Duitsland, r.o. 50; EHRM 25 augustus 1987, Lutz v Duitsland, r.o. 54; EHRM 24 september 1997, Garyfallou Aebe v Griekenland, r.o. 32; EHRM 23 november 2006, Jussila v Finland, r.o. 30.
(4)EHRM 24 september 1997, Garyfallou Aebe v Griekenland, r.o. 34.
(5)EHRM 21 februari 1984, Özturk v Duitsland, r.o. 53-54; EHRM 24 september 1997, Garyfallou Aebe v Griekenland, r.o. 33.
(6)EHRM 24 september 1997, Garyfallou Aebe v Griekenland, r.o. 33.
(7)EHRM 23 november 2006, Jussila v Finland, r.o. 29.
(8)EHRM 24 februari 1994, Bendenoun v Frankrijk, r.o. 47.
(9)EHRM 22 juli 2002, Janosevic v Zweden, r.o. 68-69; EHRM 22 juli 2002, Västberga Taxi Aktiebolag v. Sweden.
(10)EHRM 23 november 2006, Jussila v Finland, r.o. 35.
(11)EHRM 16 juni 2009, Ruotsalainen v Finland, r.o. 43.
(12)Cass. 16 november 2017, AR F.16.0075.N, AC 2017, nr. 650, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171116.3, met gelijkluidende concl. OM, ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20171116.3. Zie ook Cass. 10 september 2010, AR F.09.0121.N, AC 2010, nr. 511, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100910.5, met gelijkluidende concl. toenmalig advocaat-generaal THIJS; Cass. 25 mei 1999, AR P.99.0517.N ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990525.13, AC 1999, nr. 307, ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100910.5; Vergelijk Cass. 6 mei 2002, AR S.01.0052.N, AC 2002, nr. 275, ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020506.9, met andersluidende concl. van advocaat-generaal WERQUIN, inzake administratieve geldboetes in sociale zaken, ECLI:BE:CASS:2002:CONC.20020506.9;.
(13)Concl. OM bij Cass. 16 november 2017, AR F.16.0075.N, AC 2017, nr. 650, ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20171116.3.
(14)Concl. OM bij Cass. 21 september 2018, AR F.17.0141.N, AC 2018, nr. 492, ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180921.6.
(15)Concl. OM bij Cass. 16 november 2017, AR F.16.0075.N, AC 2017, nr. 650 ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20171116.3.
(16)Cass. 21 september 2018, AR F.17.0141.N, AC 2018, nr. 492, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180921.6, met gelijkluidende concl. OM, ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180921.6.
(17)Memorie van toelichting van 31 oktober 1995 bij het ontwerp van Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996, Parl.St. Vlaamse Raad, zitting 1995-1996, stuk 147 (1995-1996)-nr. 1, p. 15-16. Zie ook GwH 3 maart 2016, nr. 33/2016, r.o. B.11.1; GwH 20 september 2012, nr. 111/2012; GwH 16 november 2004, nr. 185/2004, r.o. B.4.
(18)GwH 20 september 2012, nr. 111/2012.
(19)P. HANNES, “De Vlaamse leegstandheffing – Prototype van een strafachtige belasting?”, AFT 2013, 26. Vergelijk A. DELAFONTEYNE, “De leegstandsheffing als sanctie”, LRB 2012, 21-34.
(20)GwH, 17 juli 2008, nr.106/ 2008, r.o. B.18.1 tot B.19.4.
(21)GwH 22 juni 2005, nr. 107/2005, r.o. B.15.4.
(22)GwH, 29 juli 2010, nr. 91/ 2010, r.o. B.4.5.
(23)De vraag was aan de orde of het cumuleren van gemeentelijke leegstandsheffingen met de leegstandsheffing van het Brussel Hoofdstedelijk Gewest het non bis in idem beginsel schendt. Het Grondwettelijk Hof stelde met verwijzing naar de parlementaire voorbereidingen van de relevante Brussels Ordonnantie vast dat de ordonnantie leegstand en verwaarlozing uitdrukkelijk als een overtreding bestempelt (en dat de leegstandsheffing van het Brusselse Gewest derhalve een strafsanctie is), maar dat zulks niet het geval is voor de gemeentelijke leegstandsheffingen en dat het non bis in idem beginsel bijgevolg niet geschonden is.
(24)GwH, 10 mei 2006, nr.75/ 2006, r.o.B.5.
(25)Cass. 2 januari 2020, AR F.18.0078.N, arrest niet gepubliceerd. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220923.1N.7 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220923.1N.7 citeert: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990525.13 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020506.9 ECLI:BE:CASS:2002:CONC.20020506.9 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100910.5 ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100910.5 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171116.3 ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20171116.3 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180921.6 ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180921.6 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230602.1N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.