id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 23 september 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220923.1N.8 Rolnummer: F.20.0118.N Zaak: V. contra BELGISCHE STAAT, FINANCIËN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2022-11-16 Raadplegingen: 726 - laatst gezien 2026-06-19 03:20 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220923.1N.8 Fiches 1 - 2 Het begrip “bezoldigingen van bedrijfsleider” in de zin van de artikelen 30, 2°, en 32, eerste lid, WIB92 omvat ook de gelden die een bedrijfsleider zich onrechtmatig heeft toegeëigend ten nadele van de vennootschap, voor zover deze gelden hun oorzaak vinden in de door de bedrijfsleider uitgeoefende functie of ten bate van de vennootschap verrichte prestaties
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Beroepsinkomsten - Algemeen Vrije woorden: Onrechtmatig toegeëigende gelden - Belastbaarheid - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Artt. 30 en 32 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Beroepsinkomsten - Bezoldigingen Vrije woorden: Bedrijfsleiders - Onrechtmatig toegeëigende gelden - Belastbaarheid - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Artt. 30 en 32 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Annotaties Publicaties: Fiscoloog-Fiscoloog: nieuwsbrief over fiscaliteit - 2022, nr. 1761, p. 3-
- - VAN CROMBRUGGE; Noot'Verduisterde sommen kunnen bedrijfsleidersbezoldigingen zijn' Fiscologue-Fiscologue - 2022, n° 1761, p. 3-
- - VAN CROMBRUGGE, Stefaan; Note'Les sommes détournées peuvent être des rémunérations de dirigeant d'entreprise' Tekst van de conclusie F.20.0118.N Conclusie van advocaat-generaal J. Van der Fraenen:
- Bespreking van het enig middel. (…) DERDE ONDERDEEL. 2.
- In het derde onderdeel voeren eisers de schending aan van de artikelen 30 en 32 WIB
- Aan de orde is de vraag of de sommen die worden ontvangen door een persoon in zijn hoedanigheid van bedrijfsleider, terwijl die sommen aan de vennootschap moeten toekomen, in hoofde van die persoon als bezoldigingen van bedrijfsleiders in de zin van de artikelen 30 en 32 WIB92 kunnen worden belast. Eisers argumenteren dat zulks niet kan, aangezien, opdat er sprake zou kunnen zijn van beloningen in de zin van artikel 32 WIB92, vereist is dat er door een vennootschap aan een natuurlijke persoon beloningen worden verleend of toegekend, hetgeen niet het geval is wanneer een natuurlijke persoon zichzelf die sommen toe-eigent. Verweerder daarentegen argumenteert – in navolging van het hof van beroep – dat zulks wel degelijk kan, aangezien een bedrijfsleider de vennootschap beheert en die dubbele hoedanigheid, van bestuurder van de vennootschap en van begunstigde van de bezoldiging, tot gevolg heeft dat ook onrechtmatig uit de vennootschap verkregen sommen voor de toepassing van artikel 32 WIB92 door de vennootschap zijn toegekend en een belastbare bezoldiging vormen. 2.
- Overeenkomstig vaststaande rechtspraak van Uw Hof, dient voor de belastbaarheid van inkomsten geen onderscheid wordt gemaakt naargelang de inkomsten de opbrengst vormen van een geoorloofde of ongeoorloofde activiteit of de handeling die aan de basis ligt van de inkomsten al dan niet verboden of strafbaar is. Verduisterde gelden, gelden uit illegale activiteiten, etc. zijn principieel belastbaar, voor zover zij een bron van inkomsten zijn (ook al moeten zij achteraf worden terugbetaald)
(1). Ter verantwoording hiervoor wordt veelal verwezen naar het realiteitsbeginsel dat vereist dat de fiscale wet, voor zover zij zelf geen onderscheid maakt, op gelijke wijze moet worden toegepast op geoorloofde en ongeoorloofde verrichtingen
(2). 2.5. Wel is een aanknoping vereist bij één van de door het WIB92 belastbaar gestelde inkomstenbronnen: opdat verduisterde gelden of gelden uit illegale activiteiten belastbaar zouden zijn, moeten deze sommen kunnen worden gekwalificeerd als roerende inkomsten, onroerende inkomsten, beroepsinkomsten of diverse inkomsten
(3). 2.6. In arresten van 23 november 2012 en 28 april 2016 oordeelde Uw Hof dat het begrip “bezoldigingen van werknemers” in de zin van de artikelen 30 en 31 WIB92, niet de gelden omvat die een werknemer zich onrechtmatig heeft toegeëigend ten nadele van zijn werkgever, ook al is dit gebeurd bij de uitoefening van de dienstbetrekking waarvoor hij was aangeworven, onverminderd de eventuele belastbaarheid van deze gelden op een andere grondslag. De appelrechters die oordeelden dat de gelden die eiseres zich heeft toegeëigend ten nadele van haar werkgever als een bezoldiging van werknemers dienen te worden aanzien, schonden volgens Uw Hof de voormelde artikelen 30 en 31 WIB92
(4). In een arrest van 22 februari 2019 oordeelde Uw Hof dat de gelden die een werknemer zich op onrechtmatige wijze toe-eigent ten nadele van zijn werkgever als baten uit een vrij beroep, een ambt of een post wel op grond van artikel 27 WIB92 belastbaar kunnen zijn wanneer aan die verduistering een geheel van verrichtingen ten grondslag ligt die voldoende talrijk en onderling verbonden zijn om een gewone en voortgezette bezigheid op te leveren. De omstandigheid dat de verduistering slechts kan plaatsvinden omwille van de uitoefening van de dienstbetrekking waarvoor de werknemer was aangeworven, sluit de belastbaarheid van de verduisterde gelden als baten van een winstgevende bezigheid niet uit
(5). Onder omstandigheden, m.n. in het geval waar geen sprake is van een gewone en voortgezette bezigheid, zal een belasting als diverse inkomsten in de zin van artikel 90, lid 1, 1°, WIB92 eerder op zijn plaats zijn
(6). 2.
- Eisers verwijzen naar voormeld arrest van 28 april 2016 (zie toelichting bij het derde onderdeel) en stellen dat, aangezien de gelden die een werknemer zich onrechtmatig toe-eigent niet als een bezoldiging van werknemers in de zin van de artikelen 30 en 31 WIB92 kunnen worden beschouwd, ook de gelden die een bedrijfsleider zich onrechtmatig toe-eigent niet als een bezoldiging van bedrijfsleiders in de zin van de artikelen 30 en 32 WIB92 kunnen worden beschouwd. 2.
- Om te achterhalen of voormelde rechtspraak van Uw Hof met betrekking tot de bezoldiging van werknemers ook geldt voor bezoldigingen van bedrijfsleiders, is het belangrijk een zicht te krijgen op de motieven van het arrest van 28 april 2016 (en van 23 november 2012). Noch het arrest van 23 november 2012 noch het arrest van 28 april 2016 expliciteert waarom de gelden die een werknemer zich onrechtmatig toe-eigent, niet als een bezoldiging van werknemers in de zin van de artikelen 30 en 31 WIB92 kunnen worden beschouwd. Volgens de rechtsleer zou zulks evenwel volgen uit de tekst van de artikelen 30 en 31 WIB
- Artikel 30 WIB92 luidt: “Bezoldigingen omvatten, ongeacht de schuldenaar of de benaming ervan en de wijze waarop ze worden vastgesteld en toegekend: 1° bezoldigingen van werknemers; 2° bezoldigingen van bedrijfsleiders; 3° bezoldigingen van meewerkende echtgenoten”. Volgens artikel 31, eerste lid, WIB92 omvatten de bezoldigingen van werknemers “alle beloningen die voor de werknemer de opbrengst zijn van arbeid in dienst van een werkgever”. Volgens het tweede lid van artikel 31 WIB92 behoren tot de bezoldigingen van werknemers inzonderheid: “1° wedden, lonen, commissies, gratificaties, premies, vergoedingen en alle andere soortgelijke beloningen, met inbegrip van fooien en toelagen die, zelfs toevallig, uit hoofde of naar aanleiding van het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid op enige andere wijze worden verkregen dan als terugbetaling van eigen kosten van de werkgever; 2° voordelen van alle aard verkregen uit hoofde van of naar aanleiding van het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid”. Aldus zou uit de tekst van de artikelen 30 en 31 WIB92 blijken dat, om van een ‘bezoldiging van werknemers’ te kunnen spreken, er sprake moet zijn van: * een ‘toekenning’, d.w.z. dat de bezoldiging door een derde partij (zij het niet noodzakelijk de werkgever) moet worden verleend. Wanneer een werknemer zichzelf op onrechtmatige wijze gelden toe-eigent, zou niet aan die vereiste van toekenning zijn voldaan
(7). * een ‘beloning’ of vergoeding voor de verrichte arbeid ten voordele van de werkgever
(8), zij het dat daarmee niet alleen wordt gedoeld op vergoedingen die de werknemer verkrijgt ‘uit hoofde van’ de uitoefening van een beroepswerkzaamheid, maar ook dewelke hij verkrijgt ‘naar aanleiding van’ het uitoefening van een beroepswerkzaamheid (bv. de forfaitaire vergoeding die aan een werknemer wordt toegekend in geval van een niet-concurrentiebeding)
(9). De beroepswerkzaamheid moet men andere woorden de determinerende oorzaak van de vergoeding zijn. Onrechtmatig van de werkgever onttrokken gelden zouden niet aldus kunnen worden beschouwd, aangezien het hier eerder gaat om een misbruik van de positie die men bekleedt binnen het bedrijf
(10). 2.9. Krachtens artikel 32, eerste lid, WIB92 zijn bezoldigingen van bedrijfsleiders “alle beloningen verleend of toegekend aan een natuurlijke persoon die: 1° een opdracht als bestuurder, zaakvoerder, vereffenaar of gelijksoortige functies uitoefent; 2° in de vennootschap een leidende functie of een leidende werkzaamheid van dagelijks bestuur, van commerciële, financiële of technische aard, uitoefent buiten een arbeidsovereenkomst”. Krachtens artikel 32, tweede lid, 1° en 2°, WIB92 behoren daartoe inzonderheid “vaste of veranderlijke tantièmes, zitpenningen, emolumenten en alle andere sommen toegekend door vennootschappen, andere dan dividenden of terugbetalingen van eigen kosten van de vennootschap; voordelen, vergoedingen en bezoldigingen die in wezen gelijkaardig zijn aan die vermeld in artikel 31, tweede lid, 2° tot 5”. Aldus lijkt uit de tekst van de artikelen 30 en 32 WIB92 naar voren te komen dat, opdat er sprake zou zijn van ‘bezoldigingen van bedrijfsleiders’, eveneens aan de volgende twee cumulatieve voorwaarden moet zijn voldaan: * Er moet sprake zijn van een ‘toekenning’. In de lagere rechtspraak en rechtsleer wordt evenwel – m.i. terecht – geargumenteerd dat wanneer een bedrijfsleider zich gelden van de vennootschap toe-eigent, er – anders dan het geval is voor werknemers – steeds aan de voorwaarde van een ‘toekenning’ is voldaan. In geval van een vennootschap is het immers de bedrijfsleider die de vennootschap beheert. De dubbele hoedanigheid van de bedrijfsleider (bestuurder van de vennootschap en begunstigde) heeft tot gevolg dat onrechtmatig verkregen sommen uit de vennootschap voor de toepassing van artikel 32, eerste lid WIB92 door de vennootschap zijn toegekend
(11). Zelfs wanneer de bedrijfsleider niet de bevoegdheid heeft om zichzelf vergoedingen toe te kennen (omdat een voorafgaande beslissing van de algemene vergadering vereist is), zou er van een ‘toekenning’ sprake zijn. Aangezien een regelmatige beslissing tot vaststelling van het recht op een bezoldiging niet aanwezig hoeft te zijn, speelt ook hier de morele neutraliteit van het fiscaal recht
(12). * Er moet sprake zijn van een ‘beloning’ of vergoeding voor ten bate van de vennootschap verrichte diensten
(13). In een oudere rechtspraak heeft Uw Hof inderdaad bij herhaling geoordeeld dat, opdat de sommen die een bedrijfsleider van zijn vennootschap ontvangt als een bezoldiging van een bedrijfsleider belastbaar zouden zijn, die sommen (op zijn minst) hun oorzaak moeten vinden in prestaties die door de bezoldigde persoon/bedrijfsleider ten bate van de vennootschap verricht zijn
(14). De vraag of een ontvangen som al dan niet zijn oorzaak vindt in prestaties die door de bedrijfsleider ten bate van de vennootschap werden verricht, betreft een feitenkwestie, waarover de bodemrechter soeverein kan oordelen. De appelrechter in onderhavige zaak, die de beide voorwaarden niet expliciet van elkaar onderscheidt, stelt minstens impliciet vast dat aan de beide voorwaarden is voldaan: * M.b.t. de vereiste van een ‘toekenning’: “Indien een persoon in zijn hoedanigheid van bedrijfsleider handelt en sommen ontvangt die aan de vennootschap moeten toekomen, kunnen deze sommen belast worden als bezoldigingen van bedrijfsleiders wanneer hij zich deze sommen onrechtmatig toe-eigent. De hoedanigheid van bestuurder van een vennootschap laat toe om een toekenning in de zin van artikel 32, eerste lid, WIB92 aan zichzelf te organiseren. (…) In geval van een vennootschap is het de bedrijfsleider die de vennootschap beheert. De dubbele hoedanigheid van de bedrijfsleider (bestuurder van de vennootschap en begunstigde) heeft tot gevolg dat ook onrechtmatig verkregen sommen uit de vennootschap voor de toepassing van artikel 32, eerste lid, WIB92 door de vennootschap zijn toegekend en een belastbare bezoldiging vormen. (…) Indien in artikel 32, eerste lid WIB92 wordt gesproken over een ‘toekenning’ wordt hiermee de betaalbaarstelling bedoeld waarbij de begunstigde effectief over de sommen kan beschikken. Vanuit fiscaal oogpunt is het van geen belang dat aan de terbeschikkingstelling geen regelmatige beslissing voorafgaat waarbij het recht op bezoldiging op een regelmatige wijze wordt vastgesteld. De betaalbaarstelling of het verlenen van de bezoldiging met als gevolg dat de bedrijfsleider als begunstigde over de gelden kan beschikken, volstaat opdat er sprake zou zijn van een belastbare bezoldiging.” * M.b.t. de vereiste van een ‘beloning’: “Het hof stelt vast dat (een gedeelte van) de inkomsten van de vennootschap VDV&Co Invest b.v.b.a. terecht kwam bij eerste (eiser), en dat daarvoor geen andere reden bestond dan het feit dat eerste (eiser) zaakvoerder was van de vennootschap. Het oorzakelijk verband van de ‘vergoedingen’ en de functie als bedrijfsleider zijn voor het hof aangetoond. De ‘verduisterde’ sommen vormen zodoende (wel degelijk) belastbare bezoldigingen van bedrijfsleider. Voor de toepassing van de fiscale wet volstaat het dat het gaat om opbrengsten verkregen als bedrijfsleider, ongeacht wat daar later mee gebeurt”. Het lijkt mij dat de appelrechter aldus zijn beslissing naar recht verantwoordt. Het onderdeel kan m.i. niet worden aangenomen. 3. Besluit: Verwerping. _____________________________________
(1)Cass. 22 februari 2019, AR F.17.0072.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190222.3, AC 2019, nr. 111; Cass. 21 mei 1982, AC 1982, nr. 562; Cass. 18 maart 1976, AC 1976, 843; Cass. 10 april 1974, AC 1974, 881; Zie ook conclusie van toenmalig advocaat-generaal THIJS bij Cass. 28 april 2016, AR F.15.0078.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160428.3-F.16.0003.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160428.3, AC 2016, nr. 290; Parl. Vr. nr. 626 van 15 februari 1994, Vr.& Antw. Senaat 1993-94, nr. 101, p. 5289: “Inzake inkomstenbelastingen dienen alle belastbare inkomsten te worden aangegeven, ongeacht het morele, geoorloofde of ongeoorloofde karakter van de verrichtingen. De inkomsten dienen te worden aangegeven naargelang de aard ervan”; Com.IB nr. 24/25: “De winst van handels-, nijverheids- of landbouwonderneming moet als beroepsinkomen aan de belasting worden onderworpen, zonder dat men zich hoeft te bekommeren om de morele, geoorloofde of ongeoorloofde aard van de verrichtingen welke deze winst opbrachten”; Com.IB nr. 23/5: “Het heeft geen belang dat de beroepsinkomsten worden voortgebracht door geoorloofde of ongeoorloofde verrichtingen, noch dat de inkomsten verkregen zijn in geld, in natura of anderszins”; Com.IB nr. 23/150: “De baten die een ambtenaar in geld of in een andere vorm vanwege bepaalde personen of firma’s ontvangt als beloning voor herhaalde niet aan betaling onderworpen handelingen van zijn ambt of bediening zijn belastbaar als inkomsten van een winstgevende activiteit ongeacht het ongeoorloofde karakter van die bemoeiingen en de eventuele strafrechtelijke beteugeling ervan”.
(2)R. HERMANS en W. VETTERS, “Verduisterde gelden zijn belastbaar, de verplichte terugbetaling is wel fiscaal aftrekbaar”, RABG 2019, 1626; G. STEFFENS, “Réflexions sur l’imposabilité des activités pénalement réprimées”, JDF 1985, 257 ; E. DE FORMANOIR, “Imposition de revenus illicites et confiscation” (noot onder Brussel 14 september 2009), RGCF 2010, 432; L. VANDENBERGHE, Fiscaliteit en morele neutraliteit, Gent, Larcier 2004, 45; S. VAN CROMBRUGGE, De grondregels van het Belgisch fiscaal recht, Kalmthout, Biblio 2011, 55, nr. 33; J. KIRKPATRICK, « Le droit fiscal se fonde sur les réalités », JDF 1969, 166; I. VAN DE WOESTEYNE, “Belasting van verduisterde sommen als beroepsinkomen: de ene diefstal is de andere niet”, TFR 2014, 717; S. HUYSMAN, “Het fiscale regime van ontvangsten uit onverschuldigde betaling en van opbrengsten uit strafbare of andere ongeoorloofde verrichtingen”, TFR 1996, 316; G. STESSENS, “Verbeurdverklaard, maar toch belastbaar?”, Fiscoloog 2000, nr. 776, 4; I. DE TROYER, noot onder Cass. 20 juni 2002, AFT 2002, 512; F. SOETAERT en C. VANDEPITTE, “Fiscaal regime van verbeurdverklaarde inkomsten”, RABG 2015, 700.
(3)Zie concl. van toenmalig advocaat-generaal THIJS bij Cass. 28 april 2016, AR F.15.0078.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160428.3-F.16.0003.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160428.3, AC 2016, nr. 290; Cass. 3 oktober 1977, AC 1978, 147; Zie ook R. HERMANS en W. VETTERS, “Verduisterde gelden zijn belastbaar, de verplichte terugbetaling is wel fiscaal aftrekbaar”, RABG 2019, 1626; S. HUYSMAN, “Het fiscaal regime van ontvangsten uit onverschuldigde betaling en van opbrengsten uit strafbare of andere ongeoorloofde verrichtingen”, TFR 1996, 317; H. VANDERBERGH, “Over de belastbaarheid of de aftrek als bedrijfsuitgave van verduisterde gelden en gestolen goederen”, TFR 2009, 191.
(4)Cass. 28 april 2016, AR F.15.0078.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160428.3-F.16.0003.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160428.3, AC 2016, nr. 290, met andersluidende concl. van toenmalig advocaat-generaal THIJS; Cass. 23 november 2012, AR F.11.0009.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121123.2-F.11.0013.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121123.2, AC 2012, nr. 632, met andersluidende concl. van toenmalig advocaat-generaal THIJS.
(5)Cass. 22 februari 2019, AR F.17.0072.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190222.3, AC 2019, nr. 111. Zie ook F. SOETAERT en C. VANDEPITTE, “Fiscaal regime van verbeurdverklaarde inkomsten”, RABG 2015, 704.
(6)R. HERMANS en W. VETTERS, “Verduisterde gelden zijn belastbaar, de verplichte terugbetaling is wel fiscaal aftrekbaar”, RABG 2019, 1627; H. VANDERBERGH, “Over de belastbaarheid of de aftrek als bedrijfsuitgave van verduisterde gelden en gestolen goederen”, TFR 2009, 192.
(7)I. VAN DE WOESTEYNE, “Belasting van verduisterde sommen als beroepsinkomen: de ene diefstal is de andere niet”, TFR 2014, 717.
(8)F. SOETAERT en C. VANDEPITTE, “Fiscaal regime van verbeurdverklaarde inkomsten”, RABG 2015,
- Dat er sprake moet zijn van een vergoeding voor de verrichte arbeid lijkt ook door de rechtspraak van Uw Hof met betrekking tot een door de werkgever aan de werknemer bij vergissing gedane betaling te worden bevestigd. Hoewel in dit geval voldaan is aan de vereiste van toekenning, kan er geen sprake zijn van een vergoeding voor de geleverde prestaties ten voordele van de werkgever. Zie Cass. 20 juni 2002, AR. F.00.0079.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020620.9, AC. 2002, nr.
- Dat is bijvoorbeeld wel het geval bij het voordeel dat de bestuurder van een vennootschap haalt uit het feit dat hij gratis kan beschikken over een gedeelte van het kapitaal van de vennootschap waarvan hij bestuurder is. Dat voordeel vormt immers de tegenprestatie voor de werkzaamheid van de bestuurder die, belast met het dagelijks bestuur, de spil van de vennootschap is. Cass. 16 december 1982, AC 1982, AR F.584.F, nr. 230; Cass. 19 januari 1960, AC 1960, 455.
(9)Cass. 30 april 2009, AR F.07.0093.F ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090430.2, AC 2009, nr. 289.
(10)F. SOETAERT en C. VANDEPITTE, “Fiscaal regime van verbeurdverklaarde inkomsten”, RABG 2015, 703-705.
(11)Bv. Antwerpen 27 november 2012, TFR 2014, 751; M. GHYSELEN en E. VAN DOOREN, “Fiscaalrechtelijke implicaties van strafrechtelijke beslissingen in België”, in A. VAN OEVELEN, S. RUTTEN en J. LOZIE, Samenloop van strafrechtelijke, privaatrechtelijke en bestuurlijke sancties, Antwerpen, Intersentia 2017, 142-143; I. VAN DE WOESTEYNE, “Belasting van verduisterde sommen als beroepsinkomen: de ene diefstal is de andere niet”, TFR 2014, 722.
(12)Bv. Gent 23 april 2013, TFR 2014, 751, I. VAN DE WOESTEYNE, “Belasting van verduisterde sommen als beroepsinkomen: de ene diefstal is de andere niet”, TFR 2014, 722.
(13)H. VANDERBERGH, “Over de belastbaarheid of de aftrek als bedrijfsuitgave van verduisterde gelden en gestolen goederen”, TFR 2009, 198.
(14)Cass. 30 januari 1981, AC 1981, nr. 324: “De appelrechters die oordelen dat dergelijke sommen in aanmerking komen als een belastbare bezoldiging zonder na te gaan of die sommen hun oorzaak vonden in prestaties die door de bedrijfsleider ten bate van de vennootschap zijn verricht, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.” Zie ook Cass. 3 november 1965, Pas. 1965, I, 295; Cass. 6 april 1965, Pas. 1965, I, 839; Cass. 23 maart 1965, Pas. 1965, I, 779; Cass. 18 juni 1963, Pas. 1963, I, 1101; Cass. 19 januari 1960, AC 1960,
- Zie ook impliciet Cass. 16 december 1982, AC. 1982, nr.
- Zie voor een verduidelijking omtrent de vereiste van een ‘beloning’ de conclusie van toenmalig advocaat-generaal Thijs bij het arrest van 24 april 2015, AR F.14.0045.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150424.3, AC 2015, nr. 275: “Hierbij is niet vereist dat het voordeel een directe opbrengst van die opdracht of functie moet zijn: ‘Het (voordeel) hoeft niet te gelden als prijs voor de geleverde arbeid. Het volstaat dat de oorsprong van het ontvangen voordeel in het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid ligt, dat de beroepsmatige werkzaamheid de determinerende oorzaak is.’ (HUYSMAN, S., “Het fiscaal regime van ontvangsten uit onverschuldigde betaling en van opbrengsten uit strafbare of andere ongeoorloofde verrichtingen”, TFR 1996, afl. 146, 323)”. Auteur VANDENBERGHE (l.c., p. 198) formuleert het als volgt: “Het voordeel moet niet zijn oorsprong vinden in effectieve prestaties. Het is voldoende dat het voordeel zijn oorsprong vindt in het bekleden van een bepaalde functie. Voor bedrijfsleiders wordt ook het attractiebeginsel van toepassing. Alle inkomsten die de bedrijfsleider van de vennootschap ontvangt, in welke hoedanigheid ook (als bediende, consulent, accountant of wat dan ook) zijn belastbaar als bezoldiging van bedrijfsleider. Desalniettemin moet de vergoeding de tegenprestatie uitmaken voor de uitgeoefende functie of geleverde prestaties”. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220923.1N.8 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220923.1N.8 citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020620.9 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090430.2 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121123.2 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150424.3 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160428.3 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190222.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div