id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 23 september 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220923.1N.9 Rolnummer: F.20.0119.N Zaak: NORFOLK BV contra VLAAMS GEWEST Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2022-11-17 Raadplegingen: 462 - laatst gezien 2026-06-17 19:20 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220923.1N.9 Fiches 1 - 2 Indien de eerste rechter over de betwiste schuldvordering heeft geoordeeld en de latere overdracht van de schuldvordering de gecedeerde schuldenaar is ter kennis gebracht, kan de overnemer hoger beroep instellen tegen de gecedeerde schuldenaar, ook al was hij geen procespartij in het geding voor de eerste rechter; de overnemer heeft daartoe de vereiste proceshoedanigheid als bijzondere rechtsverkrijger van de overnemer
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Vrije woorden: Leegstandsheffing - Terugvordering - Door de oorspronkelijke schuldeiser na het vonnis van de eerste rechter aan de overnemer overgedragen schuldvordering - Hoger beroep door de schuldeiser-cessionaris - Mogelijkheid Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 1690, 1692 en 1699 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Beslissingen en partijen Vrije woorden: Door de oorspronkelijke schuldeiser na het vonnis van de eerste rechter aan de overnemer overgedragen schuldvordering - Hoger beroep door de schuldeiser-cessionaris - Mogelijkheid Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 1690, 1692 en 1699 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de conclusie F.20.0119.N Conclusie van advocaat-generaal J. Van der Fraenen:
- Situering. 1.
- Het geschil heeft betrekking op de Vlaamse heffing ter bestrijding van de leegstand en/of verwaarlozing van bedrijfsruimten die werd gevestigd in hoofde van de NV BELCROWN voor het heffingsjaar 2011 ten bedrage van 103.712,50 €. Tegen deze heffing werd door NV BELCROWN tijdig een bezwaarschrift ingediend dat evenwel ongegrond werd verklaard. NV BELCROWN richtte zich vervolgens tot de rechtbank van eerste aanleg te Brussel met een vordering strekkende tot vernietiging van de betrokken heffing. Bij vonnis van 8 april 2014 verklaarde de rechtbank van eerste aanleg te Brussel het verzoekschrift ontvankelijk maar ongegrond (zaak AR 13/2497/A). 1.
- Na de uitspraak in eerste aanleg werd tussen NV BELCROWN en eiseres een overeenkomst afgesloten op 7 november 2014 waarbij de betwiste schuldvordering door NV BELCROWN werd overgedragen aan eiseres en waarbij werd bevestigd en gepreciseerd dat de NV BELCROWN alle rechten en verplichtingen welke voortspruiten uit de procedure inzake AR 13/2497/A, inclusief gebeurlijk hoger beroep en cassatieberoep, aan eiseres overdraagt en deze machtigt deze rechten uit te oefenen, en waarbij de Vlaamse Overheid gemachtigd wordt bevrijdend te betalen in handen van eiseres, in de mate dat voormelde procedure in graad van beroep zou uitmonden in een gunstig resultaat, d.w.z. in terugbetaling van de door de NV BELCROWN t.o.v. de Vlaamse Overheid geëffectueerde betaling, in hoofdsom, interesten en kosten. 1.
- Op 1 december 2014 werd door eiseres een akte hoger beroep ingediend ter griffie van het hof van beroep te Brussel gericht tegen het vonnis gewezen in eerste aanleg op 8 april 2014 tussen de NV BELCROWN en het Vlaams Gewest. Bij arrest van 11 januari 2017 verklaarde het hof van beroep te Brussel het hoger beroep niet ontvankelijk bij gebrek aan hoedanigheid. 1.
- Eiseres heeft tegen dit arrest een cassatievoorziening ingesteld. Bij arrest van 21 juni 2018 heeft Uw Hof het arrest van het hof van beroep te Brussel vernietigd, nu de exceptie van niet-ontvankelijkheid ambtshalve was opgeworpen door de appelrechters zonder dat zij dienaangaande tegenspraak hadden georganiseerd. De zaak werd verwezen naar het hof van beroep te Gent. Bij arrest van het hof van beroep te Gent dd. 18 februari 2020 werd het hoger beroep van eiseres andermaal onontvankelijk verklaard. Eiseres werd tot de kosten van het hoger beroep veroordeeld. Eiseres komt op tegen dit arrest met één middel tot cassatie.
- Bespreking van het enig middel. TWEEDE ONDERDEEL. 2.
- Eiseres voert de schending aan van de artikelen 17 eerste lid, 18, 815, 816, 1042 en 1050 Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 1134, 1689, 1690, 1692, 1699, 1700, 1701 Oud Burgerlijk Wetboek, alsook van het artikel 26 van het Decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding van en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten vooraleer die bepaling werd opgeheven met ingang op 1 januari 2014 bij artikel 4.3.0.0.7 VCF
(1). Volgens eiseres verhindert artikel 26, § 3, van het Leegstandsdecreet niet dat, wanneer de heffingsplichtige de heffing heeft voldaan en bezwaar heeft aangetekend overeenkomstig die bepaling, hij vervolgens zijn subjectief (terug)vorderingsrecht en het daarbij horende ius agendi (de rechtsvordering of vordering in rechte) overdraagt door middel van een overdracht van deze (betwiste) schuldvordering overeenkomstig de artikelen 1689, 1690, 1692, 1699, 1700 en 1701 Oud Burgerlijk Wetboek en de cessionaris vervolgens, na kennisgeving van deze overdracht aan de verweerder, in rechte optreedt als rechtsopvolger ten bijzondere titel van de cedent. Indien de (betwiste) vordering die het voorwerp was van het vonnis gewezen in eerste aanleg wordt overgedragen, dan kan volgens eiseres door de cessionaris van deze (betwiste) vordering na kennisgeving van de overdracht hoger beroep worden ingesteld tegen het vonnis gewezen in eerste aanleg tegen de schuldenaar. Het hoger beroep van eiseres zou dan ook ten onrechte onontvankelijk zijn verklaard. 2.2. Het onderdeel komt mij gegrond voor. In de rechtsleer wordt de cessie of overdracht van een schuldvordering in de zin van de artikelen 1690 en volgende Oud Burgerlijk Wetboek omschreven als een overeenkomst waarbij een schuldeiser, de cedent, zijn recht tegen zijn schuldenaar afstaat aan een derde, de cessionaris, die bijgevolg de plaats van de schuldeiser inneemt
(2). Elke in geld waardeerbare schuldvordering kan in beginsel worden overgedragen. Dit is niet het geval wanneer de overdracht wettelijk of conventioneel is uitgesloten of wanneer het gaat om een schuldvordering met een persoonsgebonden of voorbehouden karakter
(3). Dat de schuldvordering in rechte betwist wordt, doet aan de principiële overdraagbaarheid geen afbreuk. Integendeel, de artikelen 1699-1701 Oud Burgerlijk Wetboek voorzien zelfs in een uitdrukkelijk regime voor de overdracht van betwiste rechten
(4). Bij de overdracht van een in rechte betwiste schuldvordering treedt de overnemer m.i. in de procespositie van de overdrager. Aldus kan de rechtsopvolger te bijzondere titel in geval van overdracht van het subjectieve recht en de bijhorende rechtsvordering (nadat een eerstelijnsvonnis is tussengekomen), hoger beroep instellen
(5). De rechtsgrond waaruit de schuldvordering voortvloeit is irrelevant. Zowel conventionele schuldvorderingen als schuldvorderingen die ontstaan zijn ten gevolge van de vereniging van de toepassingsvoorwaarden van een wettelijke bepaling, kunnen worden overgedragen
(6). De tegenwerpbaarheid aan de gecedeerde schuldenaar onderstelt dat de cessie hem is ter kennis gebracht of door hem is erkend
(7). 2.3. In voorliggend geval bepaalt artikel 26, § 3 van het Leegstandsdecreet, zoals in voorliggend geval van toepassing, dat de persoon op wiens naam de heffing is ingekohierd, tegen deze heffing, evenals tegen de eventueel opgelegde administratieve geldboete, een bezwaarschrift kan indienen bij de ambtenaar deel uitmakend van de Vlaamse Belastingsdienst, daartoe aangewezen door de Vlaamse regering. Eiseres merkt terecht op in de toelichting van de voorziening dat er niet valt in te zien op welke manier hieruit een verbod op een overdracht van schuldvordering zou blijken. Dat de heffingsplichtige een bezwaarschrift kan indienen en de heffing kan betwisten, belet niet dat hij de onderliggende schuldvordering op het Gewest kan overdragen aan een derde, die dan hoedanigheid en belang verkrijgt om de fiscale betwisting verder te zetten. Het openbare orde karakter van het fiscaal recht lijkt mij evenmin een beletsel. Immers, ook het strafrecht is van openbare orde en daar wordt een cessie wél aanvaard
(8). De appelrechters overwegen dat “spijts de bewoordingen van de overeenkomst van 7 november 2014, […] het hoe dan ook niet mogelijk [was] om op een rechtsgeldige wijze de hoedanigheid die vereist is om de gerechtelijke vorderingen te stellen tot het betwisten van de bestreden aanslag (waaronder het vorderingsrecht om hoger beroep in te stellen) over te dragen […] Er is immers geen wettelijke basis die toelaat om met een overeenkomst de vereiste proceshoedanigheid over te dragen zoals Belcrown nv en [eiseres] nochtans gedaan hebben. Aangezien het recht om betwisting te voeren aangaande een verschuldigde heffing op grond van artikel 26, § 3 Leegstandsdecreet voorbehouden is aan de heffingplichtige, beschikt [eiseres] niet over de vereiste hoedanigheid om hoger beroep in te stellen”. Aldus verantwoorden de appelrechters m.i. hun beslissing niet naar recht om het hoger beroep van eiseres niet ontvankelijk te verklaren. 3. Besluit: Vernietiging. ______________________________
(1)De door verweerder opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid dient m.i. te worden verworpen. De schending aanvoeren van artikel 15, § 2, Leegstandsdecreet lijkt mij niet vereist opdat het onderdeel tot cassatie zou kunnen leiden.
(2)S. SOBRIE, Procederen qualitate qua, Antwerpen, Intersentia 2016, 92-93, nr. 91.
(3)Zie R. FELTKAMP, De overdracht van schuldvorderingen, Antwerpen, Intersentia 2005, 136-138, nr. 128.
(4)Zie daarover uitgebreid S. SOBRIE, “Onbekend maakt onbemind. 'Vergeten' vorderingen in het burgerlijk procesrecht”, in J. FLO, L. JANSENS en VLAAMS PLEITGENOOTSCHAP (eds.), Smaakmakers in het procesrecht — Over buitengerechtelijke recepten, vergeten vorderingen en exotische incidenten, Antwerpen, Intersentia 2016, 71-79, nrs. 15-25.
(5)Zie J. LAENENS e.a., Handboek gerechtelijk recht, Antwerpen, Intersentia 2020, 743, nr. 1533.
(6)R. FELTKAMP, o.c., 141.
(7)Art. 1690, § 1, tweede lid BW. Zie ook Cass. 7 februari 1989, ECLI:BE:CASS:1989:ARR.19890207.4, AR 1816, AC. 1989, nr. 330.
(8)Op quasi-identieke wijze belet artikel 3 VT.Sv (“De rechtsvordering tot herstel van de schade, door een misdrijf veroorzaakt, behoort aan hen die de schade hebben geleden”) geenszins dat het slachtoffer zijn schuldvordering tot herstel van de schade, voortvloeiend uit een misdrijf, overdraagt aan een derde, waarna de overnemer zich op ontvankelijke wijze burgerlijke partij kan stellen, hetgeen door Uw Hof inderdaad bij herhaling uitdrukkelijk werd bevestigd (cfr. Cass. 18 oktober 2000, ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001018.7, AR P.00.0712.F, AC 2000, nr. 559; zie daarover nog F. SWENNEN, “Burgerlijke partijstelling door een lasthebber”, RW 2002-03, 380, nr. 4). PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220923.1N.9 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220923.1N.9 citeert: ECLI:BE:CASS:1989:ARR.19890207.4 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001018.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div