id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 27 september 202
Art. 5
.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen - 15-12-1980 - Artt. 71 en 74/6, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Wet 13 maart 1973 betreffende de vergoeding voor onwerkzame voorlopige hechtenis - 13-03-1973 - Art. 27 - 30 ELI link Pub nr 1973031350 Vrije woorden: Vreemdelingenwet - Maatregel van vrijheidsberoving - Artikel 71 - Beroep bij de rechterlijke macht - Voorwaarden - Invrijheidstelling van de vreemdeling - Invloed op de toetsing van de wettigheid of op het rechtsmiddel ingesteld tegen de toetsingsbeslissing - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen - 15-12-1980 - Artt. 71 en 74/6, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Wet 13 maart 1973 betreffende de vergoeding voor onwerkzame voorlopige hechtenis - 13-03-1973 - Art. 27 - 30 ELI link Pub nr 1973031350 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.4 Vrije woorden: Maatregel van vrijheidsberoving - Vreemdelingenwet - Artikel 74/6, § 1 - Wettigheidscontrole - Invrijheidstelling van de vreemdeling - Invloed op de toetsing van de wettigheid of op het rechtsmiddel ingesteld tegen de toetsingsbeslissing - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen - 15-12-1980 - Artt. 71 en 74/6, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Wet 13 maart 1973 betreffende de vergoeding voor onwerkzame voorlopige hechtenis - 13-03-1973 - Art. 27 - 30 ELI link Pub nr 1973031350 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Vreemdelingen - Vreemdelingenwet - Maatregel van vrijheidsberoving - Artikel 74/6, § 1 - Wettigheidscontrole - Invrijheidstelling van de vreemdeling - Invloed op de toetsing van de wettigheid of op het rechtsmiddel ingesteld tegen de toetsingsbeslissing - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen - 15-12-1980 - Artt. 71 en 74/6, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Wet 13 maart 1973 betreffende de vergoeding voor onwerkzame voorlopige hechtenis - 13-03-1973 - Art. 27 - 30 ELI link Pub nr 1973031350 Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Strafvordering - Gemis aan belang of bestaansreden Vrije woorden: Vreemdelingen - Vreemdelingenwet - Maatregel van vrijheidsberoving - Artikel 74/6, § 1 - Wettigheidscontrole - Invrijheidstelling van de vreemdeling - Invloed op de toetsing van de wettigheid of op het rechtsmiddel ingesteld tegen de toetsingsbeslissing - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen - 15-12-1980 - Artt. 71 en 74/6, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Wet 13 maart 1973 betreffende de vergoeding voor onwerkzame voorlopige hechtenis - 13-03-1973 - Art. 27 - 30 ELI link Pub nr 1973031350 Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - HERSTELPLICHT - Staat. Overheid Vrije woorden: Vreemdelingen - Vreemdelingenwet - Maatregel van vrijheidsberoving - Strijdigheid met artikel 5.4. EVRM - Recht op vergoeding - Artikel 27 Wet 13 maart 1973 - Toepassingsgebied Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen - 15-12-1980 - Artt. 71 en 74/6, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Wet 13 maart 1973 betreffende de vergoeding voor onwerkzame voorlopige hechtenis - 13-03-1973 - Art. 27 - 30 ELI link Pub nr 1973031350 Tekst van de conclusie P.22.1122.N Conclusie van advocaat-generaal Bart DE SMET: “De beoordeling van het cassatieberoep van een vreemdeling na zijn invrijheidstelling door de Staatssecretaris voor Asiel en Migratie”
- Eiser werd op 14 februari 2022 aangehouden met oog op repatriëring op basis van art. 74/6, § 1 Vreemdelingenwet. Deze bepaling laat de Staatssecretaris voor Asiel en Migratie toe, wanneer het op basis van een individuele beoordeling, nodig blijkt en er geen andere, minder dwingende maatregelen effectief kunnen worden toegepast, een verzoeker om internationale bescherming, in een welbepaalde plaats in het Rijk vasthouden omwille van een aantal redenen, waaronder (4°) de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde. De titel van aanhouding geldt voor twee maanden en kan mits tijdige beslissingen van de Staatssecretaris voor Asiel en Migratie worden verlengd, zonder dat de totale duur van de vasthouding daardoor evenwel meer dan zes maanden mag bedragen (art. 74/6 §1 Vreemdelingenwet). De Staatssecretaris kan als minder dwingende maatregel voor de vasthouding bevelen dat de vreemdeling op een vast adres verblijft (art. 74/6 § 1 Vreemdelingenwet).
- Op 14 juli 2022 nam de Staatssecretaris voor Asiel en Migratie een laatste
(3e)beslissing tot verlenging van de aanhouding, een beslissing die eiser aanvocht voor de onderzoeksgerechten te Antwerpen via een verzoekschrift gesteund op de artikelen 71 en 72 Vreemdelingenwet. Het Hof deed op cassatieberoep van eiser reeds uitspraak over de wettigheid van de eerste beslissing tot verlenging van de aanhouding van 14 april 2022
(1). Op initiatief van eiser deed de K.I. Antwerpen op 12 juli 2022 uitspraak over de tweede verlenging van de aanhouding van 14 juni 2022. Het Hof heeft de beslissing tot handhaving van de aanhouding verbroken op 9 augustus 2022, omdat niet was geantwoord op argumenten van eiser in conclusie over o.a. verslagen van de Staatsveiligheid
(2). Op 14 juli 2022 werd tegen eiser een laatste beslissing tot verlenging uitgevaardigd. Bij beschikking van 25 juli 2022 oordeelde de raadkamer te Antwerpen, op basis van een verzoekschrift van de Staatssecretaris voor Asiel en Migratie, dat de beslissing tot verlenging van de aanhouding voldoet aan de wettelijke voorwaarden, voldoende is gemotiveerd en het illegaal verblijf van eiser een gevaar oplevert voor de nationale veiligheid en openbare orde. De kamer van inbeschuldigingstelling (K.I.) te Antwerpen heeft op 4 augustus 2022 het hoger beroep van eiser tegen deze beschikking ongegrond verklaard. De K.I. nam aan dat de redenen aangehaald door de Staatssecretaris voor Asiel en Migratie nog steeds actueel zijn, eiser een gevaar vormt voor de nationale veiligheid en openbare orde, en effectieve verwijdering van eiser van het Belgisch grondgebied mogelijk is binnen een redelijke termijn.
- Op 12 augustus 2022 stelde de raadsman van eiser cassatieberoep in tegen het arrest van 4 augustus
- Uit de stukken blijkt dat eiser door de Dienst Vreemdelingenzaken in vrijheid werd gesteld op 12 augustus 2022, met als reden dat de aanvraag tot internationale bescherming in behandeling is, en de termijn voor aanhouding is verstreken. In de beslissing is eveneens vermeld dat eiser de ‘bijlage art. 26quinquies’ ontvangt. Het betreft een document van het KB van 8 oktober 1981, gewijzigd door het KB van 23 maart 2020 (BS 7 mei 2020) dat is opgesteld naar aanleiding van een asielaanvraag. Het document bevat informatie over de taal en verblijfplaats van de vreemdeling en de vermelding dat de vreemdeling in België mag verblijven tot een bepaalde datum, in afwachting van een beslissing van de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen
(3).
- Eiser voert in zijn memorie aan, met verwijzing naar het arrest EHRM 30 juni 2020, Saqawat t/België, dat zijn cassatieberoep niet zonder voorwerp is, omdat hij volgens art. 5.4 EVRM het recht heeft om een definitieve uitspraak te bekomen over de wettigheid van zijn vrijheidsberoving. Eiser meent dat art. 72 Vreemdelingenwet is geschonden omdat het bestreden arrest geen antwoord bevat op argumenten in zijn conclusie van 4 augustus 2022 over 1° het ontbreken van stukken over een uitleveringsverzoek van Turkije en ‘diverse administratieve controles’, 2° het feit dat eiser geen vennoot meer is in een vennootschap die in verband wordt gebracht met een terroristische groepering en 3° de groepering die eiser via een vennootschap zou ondersteunen al in 2012 het geweld heeft afgezworen, nu de Turkse overheid zou ondersteunen.
- Beoordeling. De onderzoeksgerechten doen op verzoek van de aangehouden vreemdeling of de Belgische Staat uitspraak over de wettigheid van beslissingen van de Staatssecretaris voor Asiel en Migratie tot vasthouding met het oog op repatriëring en de verlenging van de aanhouding, zonder dat zij de opportuniteit van de aanhouding mogen beoordelen (art. 71-74 Vreemdelingenwet)
(4). Tegen het arrest van de K.I. over de wettigheid van de aanhouding staat cassatieberoep open, binnen een termijn van vijftien dagen (art. 359 en 423 Sv.)
(5).
- Artikel 5.1.f EVRM bepaalt dat niemand zijn vrijheid mag worden ontnomen, behalve in het geval van rechtmatige arrestatie of detentie van een persoon teneinde hem te beletten op onrechtmatige wijze het land binnen te komen, of van een persoon waartegen een uitwijzings- of uitleveringsprocedure hangende is. Een ieder, wie door arrestatie of detentie zijn vrijheid is ontnomen, heeft het recht voorziening te vragen bij het gerecht opdat deze spoedig beslist over de rechtmatigheid van zijn detentie en zijn invrijheidstelling beveelt, indien de detentie onrechtmatig is (art. 5.4 EVRM). Een ieder die het slachtoffer is geweest van een arrestatie of een detentie in strijd met de bepalingen van dit artikel, heeft recht op schadeloosstelling (art. 5.5 EVRM).
- Wanneer in de loop van de procedure voor de onderzoeksgerechten en het Hof de Staatssecretaris voor Asiel en Migratie de titel van aanhouding verlengt, kan een rechtsmiddel niet zonder voorwerp worden verklaard, om reden dat de aangevochten titel van aanhouding niet meer geldig is
(6). De situatie is complexer als er tegen de vreemdeling een nieuwe en autonome titel van vrijheidsberoving is uitgevaardigd, met een verschillende grondslag, die in de plaats komt van de oorspronkelijke beslissing van aanhouding. Een rechtsmiddel dat is ingesteld tegen alleen de oorspronkelijke titel van aanhouding is dan zonder voorwerp
(7). Wanneer de vreemdeling echter in het kader van zijn beroep tegen de nieuwe beslissing op gemotiveerde wijze aanvoert dat de oorspronkelijke beslissing van vrijheidsberoving is aangetast door een onwettigheid die ook de nieuwe beslissing ongeldig maakt en het onderzoeksgerecht daarover nog niet bij een definitieve beslissing heeft geoordeeld, dient dat gerecht die onwettigheid en de doorwerking ervan op de nieuwe beslissing te onderzoeken in het licht van artikel 5.4 EVRM
(8). 8. Het Europees Hof te Straatsburg oordeelde in de aangehaalde zaak Saqawat dat de opeenvolging van autonome titels van vrijheidsberoving binnen een korte periode moet kunnen leiden tot een definitieve beslissing over de wettigheid van de aanhouding met het oog op repatriëring
(9). In die zaak waren rechtsmiddelen van de Belgische Staat tegen beslissingen tot invrijheidstelling wegens een onwettelijkheid zonder voorwerp verklaard, omdat er in de loop van de procedure telkens nieuwe autonome titels van vrijheidsberoving waren uitgevaardigd, naar aanleiding van de weigering van de vreemdeling om België via een lijnvlucht te verlaten. De gevolgde procedure, waarbij de beslissing van een rechtsmiddel ‘zonder voorwerp’ werd genomen tijdens de detentie van de vreemdeling, werd in strijd bevonden met art. 5.4 EVRM (§ 73-75). De omstandigheid dat de vreemdeling nadien de onwettigheid kon doen vaststellen voor de burgerlijke rechter, op basis van de Wet Onwerkzame Hechtenis, was niet van aard om een schending van art. 5.4 EVRM te verhinderen (§ 76). 9. De vraag rijst of de regels vooropgesteld in de zaak Saqawat in deze zaak van toepassing zijn en of de rechterlijke controle op de wettigheid van de aanhouding met het oog op repatriëring doorloopt als de vreemdeling inmiddels definitief in vrijheid is gesteld. Het Hof nam aan dat het cassatieberoep tegen de beslissing van een onderzoeksgerecht dat op grond van de artikelen 71 tot 74 Vreemdelingenwet uitspraak doet, geen bestaansreden meer heeft wanneer aan de maatregel van vrijheidsberoving waartegen het beroep van de eiser is gericht een einde is gemaakt door zijn invrijheidstelling
(10). Reden is dat een beslissing van een cassatieberoep zonder voorwerp de in vrijheid gestelde vreemdeling niet belet een onwettige aanhouding aan te vechten voor de burgerlijke rechter, op basis van artikel 27 Wet Onwerkzame Hechtenis van 13 maart 1973, dat bepaalt dat: " §
- Een recht op vergoeding wordt toegekend aan elke persoon die beroofd werd van zijn vrijheid in omstandigheden die strijdig zijn met de bepalingen van artikel 5 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 4 november 1950, goedgekeurd bij de wet van 18 mei 1955 en §
- De vordering wordt ingesteld bij de gewone gerechten, in de vormen bepaald door het Gerechtelijk Wetboek, en gericht tegen de Belgische Staat in de persoon van de Minister van Justitie”
(11). 10. Het Hof oordeelde in 2019 en 2020 dat art. 27 Wet Onwerkzame Hechtenis geldt voor alle andere vormen van gerechtelijke of administratieve hechtenis, waaronder, met name, de vasthoudingsmaatregelen op basis van de Vreemdelingenwet. Daarbij is niet vereist dat de onwettigheid van de hechtenis eerst moet zijn vastgesteld door het onderzoeksgerecht of het Hof van Cassatie
(12). Zolang de vreemdeling wordt vastgehouden ingevolge de maatregel waartegen zijn beroep is gericht, komt de wettigheidscontrole op de aanhouding toe aan de raadkamer en de kamer van inbeschuldigingstelling
(13). Vanaf de invrijheidstelling of de aanhouding op basis van een nieuwe titel op een andere grondslag, waarbij alleen de wettigheid van de oorspronkelijke titel is aangevochten, is het uitsluitend aan de gewone rechtscolleges om te oordelen over de mogelijke onwettigheid van de ondergane vasthouding en de vraag tot vergoeding van de door die vasthouding veroorzaakte schade, krachtens voormeld artikel 27 Wet Onwerkzame Voorhechtenis
(14). Deze gewone rechtscolleges zijn daarbij niet gebonden door beslissingen van de onderzoeksgerechten over de wettigheid van de aanhouding van de vreemdeling
(15). Hierdoor is de beslissing volgens welke een rechtsmiddel op basis van de Vreemdelingenwet geen bestaansreden meer heeft, wegens de invrijheidstelling van de vreemdeling, niet in strijd met art. 5.4 EVRM, het recht op een eerlijk proces en het recht op toegang tot de rechter
(16). 11. De redenen om na invrijheidstelling van de vreemdeling zijn cassatieberoep zonder voorwerp te verklaren lijken mij ook na het arrest Saqawat t/België te gelden
(17). Vooreerst zijn er verschillen in de gevolgde procedure. In de zaak Saqawat was de vreemdeling op moment van de beslissing van ‘zonder voorwerp’ (door de K.I.) aangehouden op basis van een andere, autonome titel van vrijheidsberoving. Hij werd pas na de beslissingen ‘zonder voorwerp’ in vrijheid gesteld (§ 73-75). In deze zaak is de vreemdeling al in vrijheid gesteld nog voor de behandeling van de zaak voor het Hof, zonder dat er enige andere titel van aanhouding van toepassing is. Bovendien bleef in deze zaak van verlenging van de aanhouding de wettelijke grondslag ongewijzigd (art. 74/6 § 1 Vreemdelingenwet), wat niet het geval is in de zaak Saqawat. Eiser had de mogelijkheid om naar aanleiding van een verzoekschrift gericht tegen de beslissing tot verlenging van de aanhouding de onwettigheid aan te voeren van de oorspronkelijke beslissing tot aanhouding, daterend van 15 februari 2022
(18). 12. Voorts lijkt mij uit art. 5.4 EVRM over het bevelen van de invrijheidstelling bij een onwettige detentie, zoals geïnterpreteerd in de zaak Saqawat, geen verplichting voort te vloeien voor het Hof en de onderzoeksgerechten om na de definitieve invrijheidstelling van de vreemdeling te oordelen over de wettigheid van de aanhouding. De rechterlijke controle zoals georganiseerd door de artikelen 71-74 Vreemdelingenwet is er enkel op gericht de wettigheid te beoordelen van een titel van aanhouding zolang de vreemdeling is aangehouden
(19). Indien de aanhouding onwettig is, moet de vreemdeling in vrijheid worden gesteld. In geval een onwettige aanhouding mogen de rechtscolleges die uitspraak doen op basis van deze artikelen geen schadevergoeding toekennen aan de vreemdeling
(20). Eens de vreemdeling in vrijheid is gesteld tijdens de procedure van rechterlijke controle overeenkomstig art. 71-74 Vreemdelingenwet, zonder dat daartegen een rechtsmiddel is ingesteld door de Belgische Staat, is er voor de raadkamer, kamer van inbeschuldigingstelling of het Hof van Cassatie geen reden of wettelijke basis meer voor een controle op de wettigheid van de aanhouding, zoals het Hof oordeelde op 23 december 2020
(21). 13. Men kan aldus aannemen dat als na de in cassatie aangevochten beslissing over de wettigheid van de aanhouding de vreemdeling definitief in vrijheid is gesteld, het Hof niet (meer) bevoegd is zich over de wettigheid van de aanhouding uit te spreken
(22). Aangezien eiser het recht heeft de wettigheid van zijn vrijheidsberoving te betwisten voor de burgerlijke rechter, en daarbij aanspraak maakt op schadevergoeding als er een onwettige aanhouding wordt vastgesteld, houdt de beslissing dat zijn cassatieberoep zonder voorwerp is geen schending in van art. 5.4 EVRM. Indien het Hof beslist dat het cassatieberoep zonder voorwerp is, heeft dan overigens geen enkele implicatie voor de burgerlijke procedure op basis van art. 27 Wet Onwerkzame hechtenis
(23). Besluit. Het ingestelde cassatieberoep is zonder voorwerp, zodat het middel gesteund op artikel 72 Vreemdelingenwet geen antwoord behoeft. Mijn advies is verwerping van het cassatieberoep. _____________________________________
(1)Cass. 14 juni 2022, AR P.22.0696.N, arrest niet gepubliceerd.
(2)Cass. 9 augustus 2022, AR P.22.1047.N, arrest niet gepubliceerd.
(3)www.agii.be/thema/vreemdelingenrecht-internationaal-privaatrecht/verblijfsdocumenten/overige-bijlagen-bij-het-verblijfsbesluit/bijlage-26quinquies.
(4)Cass. 23 december 2020, AR P.20.1196.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201223.2F.4, AC 2020, nr. 791, met concl. van advocaat-generaal. D. VANDERMEERSCH op datum in Pas.; Cass. 30 november 2016, AR P.16.1114.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161130.3, AC 2016, nr. 688, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas; Cass. 10 juni 2015, AR P.15.0716.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150610.1, AC 2015, nr. 387; Cass. 12 maart 2014, AR P.14.0314.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140312.5, AC 2014, nr. 203; Cass. 19 maart 2013, P.13.0337.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130319.2, AC 2013, nr. 198; Cass. 14 januari 2009, AR P.08.1787.F ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090114.3, AC 2009, nr. 30; Cass. 27 november 2002, AR P.02.1404.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021127.12, AC 2002, nr. 636; A. HENKES, “De vrijheidsberoving van een vreemdeling en het beroep bij de rechterlijke macht”, Mercuriale, RW 2019-20, 887-898 en 937; L. DENYS, Overzicht van het vreemdelingenrecht, Heule Ini Publ. 2019, 1078-1095; M.-A BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procedure pénale, Die Keure 2021, 1220-1222.
(5)Cass. 7 september 2016, AR P.16.0926.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160907.4, AC 2016, nr. 465; Cass. 10 september 2014, AR P.14.1374.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140910.5, AC 2014, nr. 509; Cass. 23 juni 2009, AR P.09.0844.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090623.5, AC 2009, nr. 434; Cass. 9 december 1992, AR 361, AC 1992, nr. 782; M. DE SWAEF, “Het Hof van Cassatie en de vreemdelingenwet: kort overzicht van recente rechtspraak met betrekking tot het beroep bij de rechterlijke macht”, in Het strafrecht bedreven. Liber amicorum Alain De Nauw, Die Keure 2011, 197-199; A. HENKES, “De vrijheidsberoving van een vreemdeling en het beroep bij de rechterlijke macht”, Mercuriale, RW 2019-20, 930-931; L. DENYS, Overzicht van het vreemdelingenrecht, Heule Ini Publ. 2019, 1099-1100; M.-A BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procedure pénale, Die Keure 2021, 1234.
(6)Cass. 7 juli 2021, AR P.21.0760.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210707.VAK.1; Cass. 11 januari 2017, AR P.16.1313.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170111.1, AC 2017, nr. 25, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas.; Cas. 22 februari 2011, AR P.11.0225.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110222.5, AC 2011, nr. 159; Cass. 6 januari 2010, AR P.09.1756.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100106.6, AC 2010, nr. 7; A. HENKES, “De vrijheidsberoving van een vreemdeling en het beroep bij de rechterlijke macht”, Mercuriale, RW 2019-20, 933; L. DENYS, Overzicht van het vreemdelingenrecht, Heule Ini Publ. 2019, 1103; M. CLAES, J. LEJEUNE en V. KLEIN, “Noot bij EHRM 30 juni 2020, nr. 54962/18, Muhammad Saqawat t/België- Lessen uit het arrest Saqawat”, T. Vreemd. 2021/1, 90.
(7)Cass. 25 maart 2020, AR P.20.0229.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200325.3, AC 2020, nr. 215; Cass. 25 maart 2020, AR P.20.0189.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200325.2F.6, AC 2020, nr. 214, RDPC 2020, 864 noot V. DAVYDOVA.
(8)Cass. 23 januari 2018, AR P.17.1318.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180123.6, AC 2018, nr. 50; Cass. 23 januari 2018, AR P.17.1282.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180123.5, AC 2018, nr. 49, RW 2018-19, 259; Cass. 10 mei 2017, AR P.17.0447.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170510.3, AC 2017, nr. 324, T. Vreemd. 2017, 452; A. HENKES, “De vrijheidsberoving van een vreemdeling en het beroep bij de rechterlijke macht”, Mercuriale, RW 2019-20, 932-935; L. DENYS, Overzicht van het vreemdelingenrecht, Heule Ini Publ. 2019, 1103-1104; Advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, conclusie in de zaak Cass. 23 december 2020, AR P.20.1196.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201223.2F.4, AC 2020, nr. 790 ; M.-A BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procedure pénale, Die Keure, 2021, 1239.
(9)EHRM 30 juni 2020, Muhammad Saqawat t/België, www.echr.coe.int; L. DENYS, “Naar het einde van de cassatierechtspraak ‘zonder voorwerp’ inzake de administratieve vrijheidsberoving van vreemdelingen”, RW 2020-21, 802-815; M. CLAES, J. LEJEUNE en V. KLEIN, “Noot bij EHRM 30 juni 2020, nr. 54962/18, Muhammad Saqawat t/België- Lessen uit het arrest Saqawat”, T. Vreemd. 2021/1, 85-93. In dezelfde zin EHRM 18 februari 2020, Makdoudi t/België, § 68-74, www.echr.coe.
(10)Cass. 1 april 2020, AR P.20.0267.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200401.2F.10, AC 2020, nr. 226, met concl. van advocaat-generaal M. NOLET DE BRAUWERE; Cass. 7 december 2016, AR P.16.1183.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161207.1, AC 2016, nr. 702; A. HENKES, “De vrijheidsberoving van een vreemdeling en het beroep bij de rechterlijke macht”, Mercuriale, RW 2019-20, 935.
(11)Zie alg. I. MENNES, “Onwerkzame voorlopige hechtenis: vergoeding”, Comm. Sr. 2014, 61p.
(12)Cass. 25 maart 2020, AR P.20.0229.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200325.3, AC 2020, nr. 215; Cass. 25 maart 2020, AR P.20.0189.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200325.2F.6, AC 2020, nr. 214, RDPC 2020, 864 noot V. DAVYDOVA; Cass. 22 mei 2019, AR P.19.0490.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190522.4, AC 2019, nr. 312, RDPC 2020, 476; Advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, conclusie in de zaak Cass. 23 december 2020, AR P.20.1196.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201223.2F.4, AC 2020, nr. 790; L. DENYS, “Naar het einde van de cassatierechtspraak ‘zonder voorwerp’ inzake de administratieve vrijheidsberoving van vreemdelingen”, RW 2020-21, 804-805.
(13)Cass. 25 maart 2020, AR P.20.0189.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200325.2F.6, AC 2020, nr. 214, RDPC 2020, 864 noot V. DAVYDOVA.
(14)Cass. 25 maart 2020, AR P.20.0189.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200325.2F.6, AC 2020, nr. 214, RDPC 2020, 864 noot V. DAVYDOVA.
(15)Cass. 1 april 2020, AR P.20.0267.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200401.2F.10, AC 2020, nr. 226, met concl. van advocaat-generaal M. NOLET DE BRAUWERE op datum in Pas..
(16)Cass. 1 april 2020, AR P.20.0267.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200401.2F.10, AC 2020, nr. 226, met concl. van advocaat-generaal M. NOLET DE BRAUWERE op datum in Pas.; Cass. 25 maart 2020, AR P.20.0189.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200325.2F.6, AC 2020, nr. 214, RDPC 2020, 864 noot V. DAVYDOVA.
(17)In die zin zie ook M.-A BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procedure pénale, Die Keure 2021, 1236.
(18)Cass. 14 juni 2022, AR P.22.0696.N, arrest niet gepubliceerd. In de memorie in deze zaak (p. 2) werd gesteld (randnummer 7): “Op 20 april 2022 diende eiser in cassatie bij de raadkamer te Antwerpen een verzoekschrift in op grond van art. 71 van de Vreemdelingenwet. Het beroep was gericht tegen de beslissing van 15 februari 2022 en tegen de beslissing tot verlenging van 14 april 2022”.
(19)Advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, conclusie in de zaak Cass. 23 december 2020, AR P.20.1196.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201223.2F.4, AC 2020, nr. 790; V. DAVYDOVA, “Contrôle de légalité de la détention des étrangers en situation irrégulière et respect des droits fondamentaux garantis par les traités lorsque le recours au pouvoir judiciaire a perdu son objet”, RDPC 2020, 873; B. DEJEMEPPE en D. MERCKX, “De voorlopige hechtenis tussen veiligheid en rechten van de mens”, in De voorlopige hechtenis, Kluwer, 2001, 47. Contra: L. DENYS, “Naar het einde van de cassatierechtspraak ‘zonder voorwerp’ inzake de administratieve vrijheidsberoving van vreemdelingen”, RW 2020-21, 811.
(20)Advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, conclusie in de zaak Cass. 23 december 2020, AR P.20.1196.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201223.2F.4, AC 2020, nr. 790; V. DAVYDOVA, l.c., 875.
(21)Cass. 23 december 2020, AR P.20.1196.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201223.2F.4, AC 2020, nr. 790, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas..
(22)Advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, conclusie in de zaak Cass. 23 december 2020, AR P.20.1196.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201223.2F.4, AC 2020, nr. 790; V. DAVYDOVA, l.c., 875.
(23)V. DAVYDOVA, l.c., 875. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220927.2N.21 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220927.2N.21 citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021127.12 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090114.3 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090623.5 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100106.6 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110222.5 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130319.2 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140312.5 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140910.5 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150610.1 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160907.4 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161130.3 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161207.1 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170111.1 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170510.3 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180123.5 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180123.6 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190522.4 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200325.2F.6 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200325.3 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200401.2F.10 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201223.2F.4 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210707.VAK.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div