← België

PROCUREUR DES KONINGS TE LEUVEN contra N.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 27 september 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220927.2N.5 Rolnummer: P.22.0544.N Zaak: PROCUREUR DES KONINGS TE LEUVEN contra N. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2022-11-25 Raadplegingen: 700 - laatst gezien 2026-06-18 14:08 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220927.2N.5 Fiches 1 - 2 De door artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet bedoelde toestand van bijzondere herhaling vereist het bestaan van een in kracht van gewijsde gegane veroordeling voor een van de in die bepaling vermelde overtredingen, welke aan de nieuwe overtreding voorafgaat vermits het definitief karakter van de als grondslag voor de toestand van bijzondere herhaling aangevoerde veroordeling tot de essentie van het begrip herhaling behoort; de termijn van drie jaar waarbinnen de nieuwe overtreding moet zijn gepleegd, gaat in op het tijdstip waarop de veroordeling, welke de grondslag vormt voor de toepassing van artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet, kracht van gewijsde verkrijgt aangezien de bedoeling van de wetgever om de verkeersveiligheid te verhogen door het invoeren van een regime waardoor een veroordeelde voor één van de in die bepaling vermelde overtredingen ingeval van het plegen van een nieuwe overtreding binnen een termijn van drie jaar, verplicht moet worden veroordeeld tot het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig van minstens drie maanden, waarbij het herstel van dit recht afhankelijk wordt gemaakt van het slagen in de vier onderzoeken en examens, enkel kan worden bereikt door zo het beginpunt van de driejarige termijn te bepalen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HERHALING Vrije woorden: Bijzondere herhaling - Wegverkeerswet - Artikel 38, § 6 - Voorwaarden - Vroegere veroordeling in kracht van gewijsde voor één van de overtredingen vermeld in de bepaling - Nieuwe overtreding binnen een termijn van drie jaar - Tijdstip waarop de termijn van drie jaar ingaat - Doelstelling van de wetgever - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 38, § 6, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 38 Vrije woorden: Artikel 38, § 6 - Bijzondere herhaling - Voorwaarden - Vroegere veroordeling in kracht van gewijsde voor één van de overtredingen vermeld in de bepaling - Nieuwe overtreding binnen een termijn van drie jaar - Tijdstip waarop de termijn van drie jaar ingaat - Doelstelling van de wetgever - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 38, § 6, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Annotaties Publicaties: For.ass.-Forum de l'assurance - 2023, n° 235, p. 118-
  1. - ALEXANDRE, Ariane; Note'La récidive visée par l'article 38, § 6, de la loi du 16 mars 1968, tonneau des danaïdes de la controverse?' Tekst van de conclusie P.22.0544.N Conclusies van advocaat-generaal A. Winants: Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Leuven van 24 maart
  2. I. PROCEDURELE ANTECEDENTEN.
  3. De verweerder werd op 18 november 2020 op de Grote markt te Zoutleeuw gecontroleerd op het dragen van de gordel in zijn voertuig. Bij die vaststellingen bleek dat de verweerder niet alleen de gordel niet droeg maar ook dat het voertuig niet verzekerd bleek te zijn aangezien de verzekering was verlopen sedert 1 oktober
  4. Verweerder werd voor de politierechtbank te Leuven vervolgd uit hoofde van: Te Zoutleeuw op 18 november 2020, A. Als eigenaar van een motorrijtuig nl. een Ford, dit rijtuig in het verkeer gebracht te hebben of toegelaten te hebben dat het werd gebracht in het verkeer op de openbare weg of op terreinen, die toegankelijk zijn voor het publiek of slechts voor een zeker aantal personen, die het recht hebben om er te komen, zonder dat de burgerlijke aansprakelijkheid, waartoe dit motorrijtuig aanleiding kan geven, gedekt was door een verzekering welke aan de bepalingen van deze wet voldoet en waarvan de werking niet is geschorst. (art. 1, 2, § 1, 20, 22, § 1, eerste lid, 24, 28 en 29 van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen) B. Als bestuurder of passagier van een auto die aan het verkeer op de openbare weg deel- neemt, nagelaten te hebben een veiligheidsgordel te dragen op een plaats die ermee was uitgerust. (art. 35.1.1 lid 1 van het KB van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg; art. 29, § 1, lid 3, en 38, § 1.3° van de wet betreffende de politie over het wegverkeer — KB tot coördinatie van 16 maart 1968)
  5. Bij vonnis van de politierechtbank te Leuven van 24 september 2021 dat bij verstek werd uitgesproken, werd verweerder veroordeeld tot: - een geldboete van 100,00 EUR, verhoogd met 70 opdeciemen en gebracht op 800,00 euro, boete vervangbaar bij gebreke van betaling binnen de wettelijke termijn door een gevangenisstraf van 15 dagen; - een verval van het recht alle motorvoertuigen te besturen voor een termijn van 1 maand; het betalen van een bijdrage van 1 maal de som van 200,00 euro, zijnde 1 maal 25,00 euro verhoogd met 70 opdeciemen ter financiering van het Fonds tot hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddagen; - het betalen van een bijdrage van 20,00 euro aan het Begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand; - de vaste vergoeding van 50,45 euro; - de kosten van het geding, in zijn hoogde begroot op 34,10 euro.
  6. Het verstekvonnis werd aan de woonst van verweerder in cassatie betekend op 8 oktober
  7. Het Openbaar Ministerie tekende op 8 oktober 2021 hoger beroep aan tegen dit vonnis en de verweerder deed hetzelfde op 4 november
  8. De zaak werd op tegenspraak behandeld op de zitting van 24 februari 2022 voor de rechtbank van eerste aanleg te Leuven. Bij vonnis van 24 maart 2022 verklaarde de rechtbank het hoger beroep van het openbaar ministerie ontvankelijk, maar ongegrond, terwijl het hoger beroep van de verweerder ontvankelijk en in bepaalde mate gegrond werd verklaard. De rechtbank hervormde het bestreden vonnis binnen de perken van het ingesteld hoger beroep en veroordeelde de verweerder voor de bewezen tenlastenleggingen A en B vermengd tot: - een werkstraf van 60 uren, waarbij de vervangende geldboete bepaald wordt op 800,00 euro, zijnde 100,00 euro vermeerderd met zeventig opdeciemen; - een verval van het recht alle motorrijtuigen te besturen voor een termijn van 1 maand. Het cassatieberoep is gericht tegen dit vonnis van 24 maart
  9. II. ONDERZOEK VAN HET CASSATIEBEROEP.
  10. Eiser in cassatie voert één middel aan, met name de schending van artikel 38, § 6, Wegverkeerswet, omdat het bestreden vonnis heeft nagelaten de in deze bepaling vermelde bijzondere toestand van herhaling aan te nemen om reden dat er meer dan drie jaar was verstreken tussen het vonnis dat als grondslag diende voor die toestand en de thans vervolgde feiten, terwijl volgens de eiser de termijn van drie jaar pas een aanvang neemt op de datum van het in kracht van gewijsde treden van dit vonnis. Aangezien de thans vervolgde feiten dateren van 18 november 2020 en het verstekvonnis van 8 november 2017 dat als grondslag diende voor de toestand van verzwaring aan de eiser pas werd betekend op 18 januari 2018 en dus volgens de eiser kracht van gewijsde heeft verkregen op 19 februari 2018, werden de thans vervolgde feiten dan ook gepleegd binnen de in artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet bedoelde termijn van drie jaar en was er derhalve aanleiding tot strafverzwaring. Ik merk ook nog op dat de thans bestreden beslissing in de lijn ligt van het vonnis van de correctionele rechtbank Waals-Brabant van 28 juni 2018
(1)waarbij de correctionele rechter de periode van drie jaar deed ingaan op de datum van de vorige veroordeling en niet op het ogenblik waarop zij kracht van gewijsde verkreeg.
  1. Artikel 38, §, 6, eerste lid, Wegverkeerswet luidt als volgt: “Behoudens in geval van § 7, moet de rechter het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig van ten minste drie maanden uitspreken en het herstel van het recht tot sturen afhankelijk maken van het slagen voor de vier examens en onderzoeken bedoeld in § 3, eerste lid, wanneer de schuldige, na een veroordeling met toepassing van de artikelen 29, § 1, eerste lid, 29, § 3, derde lid, 30, §§ 1, 2 en 3, 33, §§ 1 en 2, 34, § 2, 35, 37, 37bis, § 1, 48, 62bis of artikel 22 van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, één van deze bepalingen binnen drie jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan, opnieuw overtreedt”…. Het is hierbij niet zonder belang te onderstrepen dat er geen discussie bestaat over het feit dat er van deze bijzondere herhaling slechts sprake kan zijn wanneer er een vorige veroordeling is die op de datum van de nieuwe feiten kracht van gewijsde heeft, maar dat de betwisting volledig draait rond het tijdstip waarop die herhalingstermijn een aanvang neemt, met name of dat de datum van het vonnis is dat de grondslag vormt voor de herhaling dan wel de datum waarop dat vonnis kracht van gewijsde heeft bekomen?
  2. Het artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet werd ingevoerd bij wet van 9 maart 2014
(2)en werd nadien gewijzigd bij wet van 6 maart 2018
(3), bij wet van 2 september 2018
(4)en tenslotte bij wet van 8 mei 2019
(5). De opeenvolgende wijzigingen van dit artikel hebben aanleiding gegeven tot een aantal interpretatieproblemen en hebben dan ook in de rechtspraak geleid tot arresten, zowel van het Grondwettelijk Hof als van het Hof van Cassatie, maar het is hierbij evenwel van belang te onderstrepen dat die arresten geen verband houden met de specifieke vraagstelling die thans voorligt. Zo stelde het Grondwettelijk Hof bij arrest van 4 april 2019
(6)dat de bepaling met betrekking tot de retroactieve inwerkingtreding van de wet van 6 maart 2018
(7), in zoverre het de verjaringstermijn van de strafvordering verlengde van één naar twee jaar, strijdig was met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Het tweede arrest van het Grondwettelijk Hof van 7 mei 2020
(8), waarbij een mogelijke schending
(9)van de artikelen 10, 11, 12, tweede lid en 14 van de Grondwet werd vastgesteld heeft wel betrekking op de problematiek van de herhaling. Het ging evenwel niet over het tijdstip waarop die herhalingstermijn een aanvang neemt maar over het principe van de toepassing van de strafwet in de tijd en de toepassing van de mildere strafwet, met name over de vraag of voor de toepassing van de herhaling de beklaagde binnen de termijn van drie jaar één van de in artikel 38, § 6, eerste lid, bepaalde overtredingen moest hebben begaan dan wel ervoor moest zijn veroordeeld. 8. Ook de verschillende arresten van het Hof van Cassatie die met betrekking tot artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet werden uitgesproken handelen over andere problematieken, die het gevolg zijn van de opeenvolgende wijzigingen van het artikel, maar betreffen geenszins de concrete vraag die het voorwerp uitmaakt van de huidige voorziening zoals mag blijken uit het korte overzicht hierna. Zo handelt een arrest van 27 maart 2018
(10)over de toepassing van de eerste versie van artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet met betrekking tot het reeds berechte misdrijf waarop de herhaling wordt gestoeld en stelt het dat de omstandigheid dat het misdrijf waarop de herhaling is gebaseerd dateert van vóór de inwerkingtreding van die bepaling uiteraard geen retro- actieve toepassing van een strengere strafwet betekent. In een arrest van 8 januari 2019
(11), dat betrekking heeft op feiten gepleegd onder gelding van de tweede versie van het artikel (wet van 6 maart 2018), gaat het over de situering van het eindpunt van de periode van drie jaar te rekenen van de dag van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan, met name niet de datum waarop de nieuwe overtreding is gepleegd, maar wel de datum van de veroordeling daarvoor. Op 30 januari 2019 diende het Hof van Cassatie
(12)zich uit te spreken over de problematiek van de retroactieve toepassing van de mildere strafwet met betrekking tot een beklaagde die feiten had begaan onder gelding van de eerste versie van artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet, maar ervoor veroordeeld was onder gelding van de tweede versie ervan. Het Hof besliste terzake dat de betrokkene geen aanspraak kon maken op die retroactieve werking indien de wijziging van het herhalingsregime het gevolg was van een louter tekstuele vergissing van de wetgever die dit nadien rechtzette. Dezelfde redenering werd door het Hof van Cassatie weerhouden in een arrest van 9 april 2019
(13)waarbij gesteld werd dat een dergelijke retroactieve toepassing van een tussenliggende wet die gunstiger is enkel zou kunnen worden weerhouden indien blijkt dat zij het gevolg is van een gewijzigd inzicht van de wetgever over de voorwaarden voor strafverzwaring. De stelling van de twee voorgaande arresten van het Hof werden evenwel op de helling gezet door het reeds aangehaalde arrest van 7 mei 2020 van het Grondwettelijk Hof zodat het Hof van Cassatie zich tenslotte op 26 mei 2020
(14)op een grondwetsconforme wijze uitsprak over die problematiek. 9. Het lijkt me dan ook aangewezen de rechtspraak van het Hof van Cassatie te bestuderen met betrekking tot de problematiek van de aanvang van de herhalingstermijn, maar dan bui- ten het toepassingsveld van artikel 38, § 6, Wegverkeerswet. Zo stelde het Hof in een arrest van 13 februari 1967
(15)met betrekking tot artikel 2-5 van de wet van 1 augustus 1899 houdende herziening van de wetgeving en van de reglementen op de politie van het wegverkeer en dat voorzag in een strafverzwaring na een nieuwe veroordeling binnen de drie jaar na een vorige dat ‘de strafbare herhaling het bestaan onderstelt van een in kracht van gewijsde gegane veroordeling, welke aan het tweede misdrijf voorafgaat zodat de termijn van drie jaar binnen dewelke de nieuwe overtreding moet begaan zijn begint te lopen op het ogenblik dat de veroordeling die tot grondslag van de herhaling ligt kracht van ge- wijsde heeft bekomen’. In een arrest van 19 november 1974
(16)bevestigde het Hof deze rechtspraak, ditmaal met betrekking tot de in artikel 36, Wegverkeerswet bepaalde termijn van herhaling in geval van dronken sturen en nogmaals in een arrest van 17 juni 1980
(17)met betrekking tot de toepassing van artikel 29, § 4, Wegverkeerswet niettegenstaande het feit dat bij een letterlijke lezing van dit artikel anders zou kunnen worden belist aangezien er gesproken wordt van ‘vanaf de dag van een veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan’. Tenslotte oordeelde het Hof van Cassatie op 5 oktober 1999
(18)in dezelfde zin, ditmaal met betrekking tot de toepassing van het herhalingsmechanisme in artikel 10, § 2, Hormonenwet van 15 juli 1985 en bevestigde daarmee het bestreden arrest dat in dezelfde zin had geoordeeld
(19). Het standpunt van het Hof van Cassatie lijkt derhalve duidelijk: het beginpunt van de recidivetermijn – ook voor de tijdelijke herhaling – is de datum waarop de beslissing die de basis vormt voor de herhaling kracht van geijsde heeft bekomen. 10. Wat de rechtsleer betreft kan in eerste instantie worden opgemerkt dat weinig commentatoren
(20)ingaan op de specifieke problematiek van artikel 38, § 6, eerste lid die thans voorligt en dat er derhalve moeilijk een standpunt kan worden afgeleid uit hun bespreking. Hoogstens kan men bij sommigen
(21), ingevolge de gebruikte terminologie (la période à compter du jour du prononcé d’un précédent jugement de condamnation coulé en force de chose jugée – vert. de periode te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat kracht van gewijsde heeft), impliciet afleiden dat zij de datum van het veroordelend vonnis als vertrekpunt aannemen. Wanneer men evenwel de rechtsleer in aanmerking neemt die handelt over de recidive in het algemeen dan stelt men vast dat bij de klassieke auteurs het standpunt wordt ingenomen dat uit de cassatiearresten naar voren komt. R. GARRAUD
(22)stelt met name met betrekking tot het herhalingsstelsel van overtredingen dat het beginpunt het tijdstip is waarop de vorige veroordeling definitief wordt, hetgeen een voorwaarde is voor elk herhalingsregime. L. CRAHAY
(23)stelt zeer duidelijk dat een veroordelend vonnis dat niet definitief is geen gevolg kan hebben en dus niet kan dienen als grondslag voor herhaling. In de RPDB
(24)tenslotte wordt ditzelfde standpunt ingenomen. Bij de oudere auteurs houden enkel G. SCHUIND
(25)en P.E. TROUSSE
(26)voor dat de in aanmerking te nemen datum die is van de veroordeling en dus niet die van de datum waarop het feit werd gepleegd, noch de datum waarop de veroordeling kracht van gewijsde bekomt. Ik vermeld tenslotte een recentere auteur, met name F. KUTY
(27)die zowel voor het herhalingsregime van artikel 56, tweede lid, Sw. als voor de herhalingsregeling bij overtredingen het beginpunt van de termijn legt op het ogenblik waarop de beslissing die als grondslag dient voor de herhaling definitief is. 11. De hierboven aangehaalde rechtspraak van het Hof van Cassatie wordt evenwel door andere auteurs op de korrel genomen en hierbij dient in eerste instantie te worden verwezen naar het werk van M. DAMS
(28)waarin zij zowel de gemeenrechtelijke recidive van artikel 56, tweede lid, Strafwetboek als de bijzondere herhalingsmechanismen onder de loupe neemt. Daar waar zij zich kan vinden in het standpunt van het Hof van Cassatie dat termijn voor de recidive aanvangt op het ogenblik dat de veroordeling waarop de herhaling is gebaseerd kracht van gewijsde bekomt, is zij de mening toegedaan dat dit enkel geldt voor de klassieke regeling van artikel 56, tweede lid, Sw. en niet voor de bijzondere wetten. Haar argument daarvoor is dat in artikel 56, tweede lid, Sw. niets is bepaald over het beginpunt van de herhalingstermijn, terwijl dit in de bijzondere wetten meestal wel het geval is en zij verwijst daarbij uitdrukkelijk naar de zinsnede ‘de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan’, zoals die ook in het artikel 38, § 6, eerste lid voorkomt. Zij verwerpt dan ook de rechtspraak van het Hof van Cassatie terzake
(29)omdat er volgens haar een bijkomende voorwaarde wordt toegevoegd aan een duidelijke wettekst en dat dien- tengevolge de toestand van de beklaagde wordt verzwaard, terwijl de tekst van de recidive- bepaling duidelijk en bijgevolg decisief is
(30). Zij wordt hierin bijgetreden door een aantal andere auteurs
(31)
(32). 12. Ik ben de mening toegedaan dat het standpunt van M. DAMS en de andere auteurs die haar bijtreden niet kan worden aangenomen. Zoals C.J. VANHOUDT en W. CALEWAERT het zeer duidelijk stellen
(33)behoort het onherroepelijk karakter van de tot basis van de herhaling dienende veroordeling tot de essentie van de begrippen herhaling en veroordeling en dit mijns inziens ongeacht de wijze waarop de bijzondere herhaling wordt geformuleerd. Een veroordeling die niet onherroepelijk is geldt niet erga omnes en kan dan ook niet als grondslag dienen voor een herhaling. Er anders over oordelen zou impliceren dat in de praktijk de termijn van drie jaar nooit de volledige drie jaar zou bedragen, hetgeen gelet op de doelstellingen van de wetgever bij de invoering van deze regels – met name een strenger beleid inzake verkeersveiligheid – niet de bedoeling kan zijn geweest. Daarenboven zou een andere oplossing ook kunnen leiden tot een ongelijke behandeling tussen verschillende beklaagden al naargelang zij wel of geen rechtsmiddelen zouden aanwenden. Het komt mij daarbij ook voor dat er geen enkele wettelijke reden voorhanden is om terzake een onderscheid te maken tussen de gemeenrechtelijke regeling van de recidive en de herhaling in de bijzondere strafwetten, vermits het noodzakelijk voorhanden zijn van een onherroepelijke beslissing mij in de beide gevallen een essentiële voorwaarde lijkt te zijn.
  1. Ook de door artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet bedoelde toestand van bijzondere herhaling vereist het bestaan van een in kracht van gewijsde gegane veroordeling voor een van de in die bepaling vermelde overtredingen, welke aan de nieuwe overtreding voorafgaat. Zoals hierboven reeds gezegd behoort het definitief karakter van de als grondslag voor de toestand van herhaling aangevoerde veroordeling immers tot de essentie van het begrip herhaling. De termijn van drie jaar waarbinnen de nieuwe overtreding moet zijn gepleegd, gaat dan ook in op het tijdstip waarop de veroordeling, welke de grondslag vormt voor de toepassing van artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet, kracht van gewijsde heeft verkregen. De bedoeling van de wetgever om de verkeersveiligheid te verhogen door het invoeren van een regime waardoor een veroordeelde voor één van de in die bepaling vermelde overtredingen ingeval van het plegen van een nieuwe overtreding binnen een termijn van drie jaar, verplicht moet worden veroordeeld tot het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig van minstens drie maanden, waarbij het herstel van dit recht afhankelijk wordt gemaakt van het slagen in de vier onderzoeken en examens, kan enkel worden bereikt door aldus het beginpunt van de driejarige termijn te bepalen.
  2. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - de eiser bij verstekvonnis van de politierechtbank Limburg, afdeling Hasselt van 8 november 2017 wegens een overtreding van artikel 37bis, § 1, 1°, Wegverkeerswet werd veroordeeld; - dit vonnis aan de eiser werd betekend op 18 januari 2018; - tegen dit vonnis geen rechtsmiddel werd aangewend, zodat die beslissing kracht van gewijsde heeft verkregen op 18 februari 2018; - de eiser thans vervolgd en schuldig verklaard wordt aan onder meer een op 18 november 2020 gesitueerde inbreuk op artikel 22, § 1, eerste lid, WAM. In die omstandigheden is het bestreden vonnis dat als aanvangsdatum van de driejarige herhalingstermijn van artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet de datum van het verstekvonnis van 8 november 2017 in aanmerking neemt en oordeelt dat de thans vervolgde overtreding op artikel 22, § 1, eerste lid, WAM werd gepleegd buiten de in artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet bedoelde herhalingstermijn van drie jaar welke een einde nam op 8 november 2020 en aldus deze toestand van bijzondere herhaling verwerpt, niet naar recht verantwoord. Het middel is gegrond. III. CONCLUSIE.
  3. Ik concludeer derhalve tot de vernietiging van het bestreden vonnis in zoverre het uitspraak doet over de door artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet bedoelde toestand van bijzondere herhaling en het de eiser veroordeelt tot een vervallenverklaring van het recht motorvoertuigen te besturen gedurende een termijn van één maand. __________________________________________
(1)Corr. Waals-Brabant 28 juni 2018, VAV 2018/5, 93.
(2)Wet van 9 maart 2014 tot wijziging van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968, van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, van de wet van 21 juni 1985 betreffende de technische eisen waaraan elk voertuig voor vervoer te land, de onderdelen ervan, evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen en van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, BS 30 april 2014.
(3)Wet van 6 maart 2018 ter verbetering van de verkeersveiligheid, BS 15 maart 2018.
(4)Wet tot wijziging van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer wat de verbeurdverklaring en immobilisering van voertuigen betreft, BS 2 oktober 2018.
(5)Wet tot wijziging van de op 16 maart 1968 gecoördineerde wet betreffende de politie over het wegverkeer en tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, BS 22 augustus 2019.
(6)GwH 4 april 2019, nr. 54/19.
(7)De wet bepaalde een inwerkingtreding op 15 februari 2018.
(8)GwH 7 mei 2020, nr. 63/2020.
(9)Afhankelijk van de interpretatie van artikel 38, § 6, eerste lid.
(10)Cass. 27 maart 2018, AR P.17.1061.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180327.3, AC 2018, nr. 208.
(11)Cass. 8 januari 2019, AR P.18.0730.N, arrest niet gepubliceerd, VAV 2019/3, 42.
(12)Cass. 30 januari 2019, AR P.18.0879.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190130.8, AC 2019, nr. 60, met andersluidende concl. van advocaat-generaal M. NOLET DE BRAUWERE, op datum in Pas.; zie hierover de kritische noot van J. POELMAN onder dit arrest, “Les péripéties de l’article 38, § 6, alinéa 1er, de la loi relative à la police de la circulation routière au regard du principe de la rétroactivité in mitius’” in RDP 2021/2, 171-186.
(13)Cass. 9 april 2019, AR P.18.1208.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190409.4, AC 2019, nr. 220, T. Strafr.2019/4, 216 met de noot van C. DE ROY, “Artikel 38, § 6 WVW en diens temporele toepassing”.
(14)Cass. 26 mei 2020, AR P.20.0323.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200526.2N.6, arrest niet gepubliceerd, VAV 2020/4, 69 met noot van L. BREWAEYS.
(15)Cass. 13 februari 1967, AC 1967, p. 740.
(16)Cass. 19 november 1974, AC 1974, p. 342.
(17)Cass. 17 juni 1980, AC 1980, nr. 651.
(18)Cass. 5 oktober 1999, AR P.99.0695.N ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19991005.12, AC 1999, nr. 507.
(19)Antwerpen, 20 april 1999, AJT 1998-99, 1074.
(20)Zie supra voetnoten 11 en 12.
(21)D CHICHOYAN en P LAMBOTTE, “Le point sur les déchéances du droit de conduire et les récentes réformes en droit de la circulationroutière”, in Chronique de droit à l’usage des juges de paix et de police 2019, Bruges, la Charte 2019, p. 175.
(22)R. GARRAUD, Traité théorique et pratique du droit pénal français, Parijs, Sirey, 1916, p. 312, nr. 1040.
(23)L. CRAHAY, Traité des contraventions de police, Brussel, Bruylant 1887, pp. 102-104, nrs. 83 en 86.
(24)RPDB, v° Infractions et répression en général, nr. 397.
(25)G. SCHUIND, “Remarques sur la récidivé pénale”, in RDP 1923, p. 636, nr. 5 en voetnoot 2.
(26)P.E. TROUSSE, Les Novelles, Droit pénal, I/I, p. 472, nr. 3079.
(27)F. KUTY, Principes généraux du droit pénal belge, Brussel, Larcier 2017, t. IV, La peine, nrs. 2912 en 2921.
(28)M. DAMS, Recidive in België en Nederland Een analyse van 200 jaar rechtspraak en rechtsleer, Antwerpen, Intersentia 2010.
(29)Rechtspraak die ook door het Grondwettelijk Hof wordt bijgetreden – GwH 3 november 2004, nr. 179/2004.
(30)M. DAMS, o.c., p. 333.
(31)R. DECLERCQ, “Sociale zekerheid en strafrecht. Materieel-strafrechtelijke bepalingen in het sociaal zekerheidsrecht”, in Instituut voor sociaal recht (ed.), Raakvlakkene tussen sociale zekerheid en andere rechtstakken, Brussel, Larcier 1979, 38-39. Volgens deze auteur zou er derhalve, als men het beginpunt van de termijn stelt op de dag van de uitspraak van de veroordeling, een “zone franche” bestaan tussen die dag en de dag waarop de beslissing kracht van gewijsde bekomt, met als gevolg dat een in die zone begaan misdrijf geen toepassing van de recidive met zich zou brengen.
(32)P ARNOU en M DE BUSSCHER, Misdrijven en sancties in de wegverkeerswet, Antwerpen, Kluwer 1999, 54; B. SPRIET, “Herhaling bij transportmisdrijven inzake rij -en rusttijden en tachograaf”, T Strafr. 2000, 42-43; S. VANDROMME, “Herhaling: bijzondere strafwetten”, in Comm. Straf., p.11, nr. 16. Opmerkelijk is wel dat deze laatste auteur voor de herhaling in de Hormonenwet dan weer wel aanneemt dat de termijn pas ingaat wanneer de vorige veroordeling kracht van gewijsde bekomen heeft, o.c., p. 10, nr. 14.
(33)C.J. VANHOUDT en W. CALEWAERT, Belgisch Strafrecht, Gent, Story-Scientia, 1976, II, nr. 1133, pp. 559-560. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220927.2N.5 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220927.2N.5 citeert: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19991005.12 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180327.3 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190130.8 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190409.4 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200526.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.