← België

S. contra Dragages Graviers et Travaux

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 30 september 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220930.1N.6 Rolnummer: C.21.0079.N Zaak: S. contra Dragages Graviers et Travaux Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Overige Invoerdatum: 2022-12-09 Raadplegingen: 894 - laatst gezien 2026-06-19 00:41 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220930.1N.6 Fiche 1 Uit artikel 1054, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek en uit de afwezigheid van een wettelijke bepaling die in een maximale termijn vanaf de uitspraak voorziet om incidenteel beroep aan te tekenen, volgt dat onbeperkt in de tijd en tot aan het sluiten van het debat incidenteel beroep kan worden aangetekend; artikel 2262bis, §1, Oud Burgerlijk Wetboek heeft betrekking op de verjaring en is niet van toepassing op de termijnen om een rechtsmiddel in te stellen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Termijnen (Aard. Duur. Aanvang. Einde) Vrije woorden: Termijn voor incidenteel beroep Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1054, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 2262bis, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiche 2 Uit geen enkele wetsbepaling volgt dat een vordering strekkende tot nietigverklaring van een meerpartijenovereenkomst, zelfs al strekt deze ertoe deze overeenkomst integraal te horen vernietigen, slechts kan worden ingewilligd wanneer alle contractspartijen in het geding betrokken zijn
(1)
(2).
(1)Cass. 4 juni 2020, AR C.18.0345.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200604.1N.3, AC 2020, nr. 360, met concl. van eerste advocaat-generaal R. MORTIER. Zie ook Cass. 3 april 2006, AR C.04.0079.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060403.1-C.04.0080.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060403.1, AC 2006, nr. 189.
(2)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Artikel 811 Gerechtelijk Wetboek - Exceptio plurium litis consortium Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 811 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Annotaties Publicaties: RABG-Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent - 2022, nr. 16, p. 1209-
  1. - VAN RILLAER, Paul; Noot'Rechtsmiddelen verjaren niet Partijen bepalen zelf tegen wie zij geding voeren: twee principes in één arrest' Tekst van de conclusie C.21.0079.N Conclusie van advocaat-generaal met opdracht M. Deconynck:
  2. Situering. De eerste vraag die in casu aan uw Hof wordt voorgelegd, is of het recht om hoger beroep in te stellen al dan niet onderworpen is aan de in artikel 2262bis, § 1 Oud Burgerlijk Wetboek bepaalde verjaringstermijn. De tweede vraag is of de volledige vernietiging van een meerpartijenovereenkomst mogelijk is wanneer niet alle partijen bij die overeenkomst in het geding zijn betrokken.
  3. Bespreking. 2.
  4. Beroepstermijn en verjaringstermijn. De eiser voert aan dat het recht om hoger beroep niet alleen onderworpen is aan een relatief korte vervaltermijn maar ook bij gebrek aan betekening die deze vervaltermijn doet ingaan aan de gemeenrechtelijke verjaringstermijn zoals bepaald in artikel 2262bis, § 1 van het Oud Burgerlijk Wetboek. Hieruit zou volgen dat het recht om hoger beroep aan te tekenen onderworpen is aan een verjaringstermijn van 10 jaar na de uitspraak. Overeenkomstig artikel 2219 Oud Burgerlijk Wetboek is verjaring een middel om, door verloop van een zekere tijd en onder de voorwaarden die de wet bepaalt, iets te verkrijgen of van een verbintenis bevrijd te worden. Het instellen van een rechtsmiddel beantwoordt niet aan dit begrip. Artikel 2262bis, § 1 Oud Burgerlijk Wetboek heeft betrekking op de verjaring en is niet van toepassing op de termijnen om een rechtsmiddel in te stellen. Artikel 1054, 1ste lid Gerechtelijk Wetboek, zoals van toepassing voor de wijziging bij wet van 25 mei 2018, bepaalt dat de gedaagde in hoger beroep te allen tijde incidenteel beroep kan instellen tegen alle partijen die in het geding zijn voor de rechter in hoger beroep, zelfs indien hij het vonnis zonder voorbehoud heeft betekend of er voor de betekening in heeft berust. Uit die bepaling alsook uit de afwezigheid van een wettelijke bepaling die voorziet in een maximale termijn om incidenteel beroep aan te tekenen, volgt dat incidenteel beroep mogelijk is onbeperkt in de tijd en tot aan het sluiten van de debatten. Het middel dat ervan uitgaat dat het recht om incidenteel beroep aan te tekenen, verjaart na het verstrijken van een termijn van 10 jaar na de uitspraak van het beroepen vonnis, faalt naar recht
(1). 2.
  1. Vernietiging van een meerpartijenovereenkomst. EERSTE ONDERDEEL. De eiser voert in diens 1ste onderdeel aan dat de appelrechters hun beslissing niet naar recht verantwoorden door te oordelen “dat de twee concrete overeenkomsten waarvan in casu de nietigverklaring wordt gevorderd (zodat zij bij inwilliging van die eis geacht worden ab initio niet te hebben bestaan) slechts voor vernietiging in aanmerking komen indien alle contractspartijen in het geding betrokken zijn” en vervolgens te besluiten dat “alleen al om die reden […] de vordering tot nietigverklaring van de overeenkomsten van 8 december 1981 en 20 april 1983 en de daarop geënte vordering tot schadevergoeding niet ontvankelijk [is], alleszins en minstens is zij niet gegrond”.
  2. Artikel 811 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de hoven en rechtbanken niet ambtshalve kunnen bevelen dat een derde in het geding wordt betrokken. Zoals eerste advocaat-generaal Ria Mortier uiteenzet in haar conclusie bij het arrest van uw Hof van 4 juni 2020
(2), weerspiegelt dit artikel de strenge interpretatie van het begrip partij-autonomie die in België geldt sinds de invoering van het Gerechtelijk Wetboek. De wetgever heeft op dat ogenblik uitdrukkelijk afstand genomen van de rechtspraak van uw Hof die hieraan voorafging en overeenkomstig dewelke de rechter de tussenkomst van derden kon bevelen indien hij dit nodig achtte om het geschil te beslechten
(3). Een aantal nuances en uitzonderingen daargelaten, bestaat er naar Belgisch recht op datum van vandaag dus geen “exceptio plurium litis consortium”
(4). Dergelijke exceptie wél aanvaarden, zou een regelrechte inbreuk inhouden op artikel 811 van het Gerechtelijk Wetboek. 2. Kan een beroep op het recht van verdediging en het recht op tegenspraak of dus samengevat het recht op een eerlijk proces hier echter een uitweg bieden? De verplichting die principes te eerbiedigen, vloeit immers onder meer voort uit artikel 47 e.v. van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. LENAERTS en VAN NUFFEL merken op dat elk optreden van de lidstaten in het kader van het Unierecht gebonden is aan de eisen van de Unie op het gebied van grondrechtenbescherming
(5). Uit de stukken waarop uw Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de discussie in casu de vernietiging van een meerpartijenovereenkomst betreft omwille van vermeende inbreuken op onder meer het Europees mededingingsrecht. Nu hier dus een vermeende inbreuk op het Europees recht in het geding is, vindt de door de Unie voorziene grondrechtenbescherming hier mijns inziens eveneens toepassing. Artikel 47 van het Handvest bepaalt onder meer dat eenieder het recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld alsook dat eenieder de mogelijkheid moet hebben zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen. Gelet op de primauteit van het Unierecht, dient artikel 811 van het Gerechtelijk Wetboek buiten beschouwing te worden gelaten indien dit artikel het recht op een eerlijk proces in het gedrang brengt. Het recht op een eerlijk proces naar voren schuiven ter rechtvaardiging van de noodzaak van het oproepen van alle partijen bij een meerpartijenovereenkomst indien daar de nietigverklaring van gevorderd wordt, is mijns inziens evenwel te kort door de bocht nu dit argument geen rekening houdt met de figuur van het derdenverzet zoals voorzien door de artikelen 1122 e.v. van het Gerechtelijk Wetboek. Een beslissing waarbij een partij niet werd betrokken, kan door deze partij nog altijd worden aangevochten en maakt dus geen (definitieve) inbreuk op de rechten van die partij uit, die zich vervolgens nog altijd kan verdedigen. Het lijkt mij derhalve evident dat artikel 811 van het Gerechtelijk Wetboek geen inbreuk uitmaakt op artikel 47 van het Handvest
(6).
  1. Uit het bovenstaande volgt dat de appelrechters hun beslissing niet naar recht verantwoorden door te oordelen dat: - De 2 concrete overeenkomsten waarvan de nietigverklaring wordt gevorderd slechts voor vernietiging in aanmerking komen indien alle contractspartijen in het geding betrokken zijn; - De vordering tot nietigverklaring onontvankelijk, alleszins en minstens ongegrond is, nu de eiser heeft nagelaten de andere medecontractanten te betrekken in het geschil. Het onderdeel is gegrond.
  2. Het bovenstaande neemt niet weg dat het ergens wel tegen de borst stuit dat men minstens in eerste instantie de nietigverklaring van een meerpartijenovereenkomst kan bekomen zonder daar ineens alle partijen bij te betrekken. Het spreekt ook vanzelf dat dit een behoorlijke rechtsbedeling allerminst ten goede komt. Uw Hof aanvaardt evenwel dat de rechter de partijen erop kan wijzen dat het nuttig kan zijn om nog anderen in het proces te betrekken
(7). Dit lijkt mij in de praktijk de beste tussenoplossing uit te maken. Indien de betrokken partijen niet wensen in te gaan op dergelijke suggestie vanwege de rechter, moeten zij de gevolgen hiervan zoals de evidente problemen inzake tenuitvoerlegging dan ook maar aanvaarden. Er moet ten slotte nog worden opgemerkt dat het aanvaarden van de “exceptio plurium litis consortium” ook bijzonder onaangename gevolgen zou kunnen hebben. Wat indien een eiser zich bijvoorbeeld geconfronteerd ziet met een zeer groot aantal potentiële tegenstrevers of sommige partijen moeilijk tot niet identificeerbaar zijn? In dergelijke omstandigheden zou het aanvaarden van de exceptio plurium litis consortium tot gevolg hebben dat de eiser de facto vleugellam gemaakt wordt. Nu de remedie in bepaalde omstandigheden erger lijkt te zijn dan de kwaal, lijkt mij het adagium “primum non nocere” hier op zijn plaats te zijn. Conclusie: vernietiging met verwijzing. _________________________________________
(1)Zie ook Cass. 9 november 2018, AR C.18.0070.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181109.6, AC 2018, nr. 622, met concl. van advocaat-generaal A. VAN INGELGEM.
(2)Cass. 4 juni 2020, AR C.18.0345.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200604.1N.3, AC 2020, nr. 360, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200604.1N.3, met concl. van eerste advocaat-generaal RIA MORTIER.
(3)Zie B. ALLEMEERSCH, Taakverdeling in het burgerlijk proces, Intersentia 2007, nr. 46 en de daar aangehaalde rechtspraak van uw Hof.
(4)Zie opnieuw de conclusie van eerste advocaat-generaal Ria Mortier bij het reeds aangehaalde arrest van 4 juni 2020.
(5)K. LENAERTS en P. VAN NUFFEL, Europees recht, Intersentia 2011, nr. 721.
(6)Er is derhalve ook geen noodzaak tot enige prejudiciële vraagstelling aan het Hof van Justitie. Zie K. LENAERTS en P. VAN NUFFEL, Europees recht, Intersentia 2011, nr. 841.
(7)Zie Cass. 3 april 2006, AR C.04.0079.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060403.1-C.04.0080.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060403.1, AC 2006, nr. 189. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220930.1N.6 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220930.1N.6 citeert: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060403.1 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181109.6 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200604.1N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.