← België

RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID c. Koninklijk Racing

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 03 oktober 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221003.3N.4 Rolnummer: S.21.0080.N Zaak: RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID c. Koninklijk Racing Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Arbeidsrecht Invoerdatum: 2022-12-09 Raadplegingen: 463 - laatst gezien 2026-06-17 05:42 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221003.3N.4 Fiches 1 - 3 Het loon bedoeld in artikel 2, § 1, Arbeidsovereenkomstenwet Betaalde Sportbeoefenaars is het loon dat met zekerheid gekend is bij het sluiten van de overeenkomst en omvat niet de eventuele loonbestanddelen die afhangen van een onzekere gebeurtenis

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - ALGEMEEN Vrije woorden: Arbeidsovereenkomstenwet Betaalde Sportbeoefenaars - Loondrempel - Bepaling loon - Tijdstip - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten - 03-07-1978 - Art. 39 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - ALGEMEEN Vrije woorden: Arbeidsovereenkomstenwet Betaalde Sportbeoefenaars - Loondrempel - Bepaling loon - Tijdstip - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten - 03-07-1978 - Art. 39 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Thesaurus CAS: LOON - ALGEMEEN Vrije woorden: Arbeidsovereenkomstenwet Betaalde Sportbeoefenaars - Loondrempel - Bepaling loon - Tijdstip - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten - 03-07-1978 - Art. 39 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Annotaties Publicaties: RABG-Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent - 2023, nr. 16/17, p. 1359-
  1. - MESSIAEN, Tom; SEGERS, Daphne; Noot'De bijdrageplicht van de betaalde sportbeoefenaar: rode kaart voor de RSZ?' Tekst van de conclusie S.21.0080.N Conclusie van de advocaat-generaal Vanderlinden:
  2. Eiser tot cassatie komt op tegen de tussenarresten van het Arbeidshof Gent, afdeling Brugge, gewezen op 28 april 2017 en 25 september
  3. Door eiser worden er vier middelen aangevoerd.
  4. Het tweede middel. A. Eerste onderdeel. a. Probleemstelling. Het geschil – het onderdeel betreft de voetballers – dat aan uw Hof wordt voorgelegd gaat over de vraag of om het bepalen of de loondrempel, omschreven in de Wet Betaalde Sportbeoefenaar, is overschreden enkel het loon in aanmerking kan worden genomen dat bij het sluiten van de overeenkomst met zekerheid is gekend én waarop dan al recht bestaat, dan wel dat de socialezekerheidsrechtelijke positie van een sportbeoefenaar pas na afloop van het sportseizoen definitief wordt bepaald rekening houdende met wat effectief aan de sportbeoefenaar werd betaald, zo de gebeurlijk toegekende premies ingeval van winst of gelijkspel. Eiser stelt dat dit laatste het geval is en dat het sociaal statuut desgevallend kan geregulariseerd worden zo op het einde van het seizoen zou blijken dat de grens overschreden is. b. Beoordeling. Ik deel ter zake niet het standpunt van eiser. Inderdaad het loon dat in aanmerking moet worden genomen om uit te maken of er sprake is van de toepassing Wet Betaalde Sportbeoefenaar is het loon dat met zekerheid gekend is op het ogenblik dat de overeenkomst wordt gesloten
(1). Een sportbeoefenaar kan zijn sport uitoefenen onder de gelding van diverse statuten. Hij kan deze prestaties leveren met een arbeidsovereenkomst, als zelfstandige of op basis van een overeenkomst sui generis
(2). Waarbij, voor wat betreft de arbeidsovereenkomst, er sprake kan zijn van de toepassing van de Wet Betaalde Sportbeoefenaar of de Arbeidsovereenkomstenwet. Met uitzondering van de Wet Betaalde Sportbeoefenaar zullen het de gemeenschappelijke bedoelingen van partijen zijn die uitmaken of er sprake is van de toepassing van de Arbeidsovereenkomstenwet, een sui generis overeenkomst dan wel prestaties als zelfstandige
(3). Voor wat betreft de Wet Betaalde Sportbeoefenaar wordt het toepassingsgebied inderdaad op een andere wijze vastgesteld. Immers indien de loongrens waarvan sprake in artikel 2, § 1 van deze wet wordt overschreden, dan treedt het wettelijke vermoeden van artikel 3 van dezelfde wet in werking. Ongeacht de benaming van de overeenkomst en ongeacht enig strijdig beding in die overeenkomst wordt, bij de overschrijding van de loondrempel, de Wet Betaalde Sportbeoefenaar van toepassing. Wanneer het gaat over de verschuldigde sociale zekerheidsbijdragen maakt het in se geen verschil of men onder de toepassing valt van de Wet Betaalde Sportbeoefenaar dan wel onder de Arbeidsovereenkomstenwet. Immers ingevolge, de in deze van toepassing zijnde, artikelen 6 en 31 Uitvoeringsbesluit RSZ-wet wordt de bijdrage vastgesteld op een forfaitair bedrag indien het een bepaalde grens overschrijdt en indien het eronder zit wordt rekening gehouden met het werkelijke loon
(4)
(5). Het probleem stelt zich evenwel wanneer het gaat om een sportbeoefenaar die zijn sportprestaties levert als zelfstandige of ingevolge een sui generis overeenkomst. Van dit laatste is er, bijvoorbeeld, sprake wanneer het de wil is van de partijen om een kanscontract aan te gaan waarbij de sportbeoefenaar, door premies bij winst of gelijkspel, wordt aangezet tot positieve prestaties. Er is op dat ogenblik geen sprake van een tegenprestatie voor zijn sportbeoefening om in zijn levensonderhoud te voorzien en dus geen arbeidsovereenkomst. Alles hangt dus af van de concrete omstandigheden
(6). Deze omstandigheden worden door de rechter soeverein beoordeeld
(7). Het is bij de categorie zelfstandige en de sui generis overeenkomst dat het standpunt van eiser inderdaad problematisch wordt. Immers bij deze twee groepen is er geen sprake van enige bijdrageplicht in het RSZ-stelsel. Zo het standpunt van eiser zou gevolgd worden, zou dit tot gevolg hebben dat een overeenkomst die, op het ogenblik van het sluiten, als zelfstandige of sui generis moet worden ingeschaald, op het einde van het seizoen door een toevalligheid, bijvoorbeeld veel wedstrijden gewonnen en hiervoor de vooropgezette premies ontvangen waardoor de loondrempel wordt overschreden, plots, ingevolge het wettelijk vermoeden, onder het toepassingsgebied van de Wet Betaalde Sportbeoefenaars valt en dit ab initio. Hierdoor was er vanaf dag één een bijdrageplicht. Dit houdt tevens in dat de “werkgever” zich vanaf het aanvatten van de overeenkomst niet gekweten heeft van de diverse wettelijke verplichtingen die op hem rusten. Er zal op dat ogenblik niet enkel sprake zijn van de regularisatie van bijdragen doch ook het administratief sanctiesysteem, voorzien in de artikelen 28 en volgende van de RSZ-wet, treedt op dat ogenblik in werking. Het louter niet nakomen van de wettelijke verplichtingen is voldoende; er is geen moreel opzet vereist. Het gaat hem dus in concreto om bijdrageopslag, verwijlintresten en een vaste vergoeding. Er bestaat bovendien in de gegeven omstandigheden in hoofde van de “werkgever” geen mogelijkheid om vrijstelling of vermindering van de sancties aan te vragen daar hij zich bevindt in één der situaties bedoeld in artikel 38, § 3octies, eerste lid, van de wet houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers. Inderdaad de “werkgever” heeft immers geen Dimona-aangifte verricht. Situatie die gevat is in artikel 38, § 3octies, eerste lid, 2. De oorspronkelijk, tussen partijen gesloten, overeenkomst noopte immers niet hiertoe. Het standpunt van eiser is niet te verzoenen met de rechtszekerheid die moet gelden inzake de toepassing van de Wet Betaalde Sportbeoefenaars en de RSZ-wet. Deze kan niet afhankelijk zijn van, gebeurlijke, toevalligheden die de contractspartijen niet op voorhand konden inschatten
(8). Het is derhalve vereist dat, om te bepalen of men onder het toepassingsgebied van de Wet Betaalde Sportbeoefenaars valt, men rekening houdt met het loon dat op het ogenblik van het sluiten van de overeenkomst met zekerheid is gekend. Het standpunt van eiser gaat dan ook van een verkeerde rechtsopvatting uit en faalt naar recht. B. Tweede onderdeel. (…) Conclusie: gedeeltelijke cassatie. _________________________________
(1)L. NELIS en W. RAUWS, “Enkele beschouwingen over de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars”, in Liber Amicorum Jozef Van Den Heuvel, Kluwer, Antwerpen 1999, p. 348.
(2)J. KERREMANS en B. AMEYE, “Sociaal en fiscaal statuut van de sportbeoefenaar”, Kluwer, Mechelen 2016, p. 9.
(3)L. NELIS en W. RAUWS, o.c., p. 347.
(4)J. KERREMANS en B. AMEYE, o.c., p. 61.
(5)Dit is gewijzigd per 1 januari 2022. Voor de berekening van de bijdragen wordt vanaf die datum het werkelijk loon gehanteerd (KB 14 februari 2022 tot wijziging van verscheidene bepalingen betreffende de betaalde sportbeoefenaars BS 18 februari 2022).
(6)R. BOES, “De vergoedingen aan de voetballers uitgekeerd: loon voor de sociale zekerheid?”, Soc. Kron., 1989, p. 38 en L. NELIS en W. RAUWS, o.c., p. 347 en 348.
(7)R. BOES, o.c., p. 38.
(8)Bijvoorbeeld: twee spelers van de A-kern met dezelfde overeenkomst. De ene speler speelt alle wedstrijden en de resultaten hiervan hebben tot gevolg dat met de uitgekeerde premies de loongrens wordt overschreden. Voor hem zou dus de wet van toepassing zijn. De andere speler kan om medische redenen niet alle wedstrijden spelen. Hij blijft onder het grensbedrag en dus de wet zou voor hem niet van toepassing zijn. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221003.3N.4 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221003.3N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.