id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 03 oktober 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221003.3N.6 Rolnummer: S.17.0009.N Zaak: MIDDLEGATE EUROPE nv c. BELGISCHE STAAT MIN WERK Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2022-12-09 Raadplegingen: 341 - laatst gezien 2026-06-18 14:54 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221003.3N.6 Fiche Uit het arrest van het Grondwettelijk Hof van 25 november 2021 volgt dat de artikelen 1 en 2 van de wet van 8 juni 1972 betreffende de havenarbeid de artikelen 10 en 11 Grondwet niet schenden in zoverre zij de verplichting voor ondernemingen die in een havengebied activiteiten ontplooien, om hiervoor een beroep te doen op erkende havenarbeiders, niet beperken tot het laden en lossen van schepen, maar die verplichting ook opleggen voor andere handelingen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ARBEID - BIJZONDERE REGELINGEN (BOUW. DIAMANT. HAVENS. AMBACHTEN EN NERINGEN) Vrije woorden: Havenarbeid - Vrijheid van handel en nijverheid - Beperkingen Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10 en 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 8 juni 1972 betreffende de havenarbeid - 08-06-1972 - Artt. 1 en 2 - 02 ELI link Pub nr 1972060806 Tekst van de conclusie S.17.0009.N Conclusie van advocaat-generaal Vanderlinden: 1. Eiseres tot cassatie komt op tegen een arrest van het Arbeidshof Gent, afdeling Brugge, gewezen op 3 november 2017. Door eiseres worden er twee middelen aangevoerd. Bij arrest van 16 april 2018
(1)oordeelde uw Hof dat de grieven van eiseres, zoals geformuleerd in het tweede middel, in haar diverse onderdelen, niet konden weerhouden worden. En verder, voor wat betreft het eerste onderdeel van het eerste middel, dat een prejudiciële vraag diende gesteld te worden aan het Grondwettelijk Hof. 2. Het eerste middel. A. Eerste onderdeel. Het onderdeel faalt naar recht. Uw Hof oordeelde dat de beperkingen die de artikelen 1 en 2 Havenarbeidswet oplegt aan personen, instellingen of ondernemingen die in een havengebied activiteiten ontplooien een weerslag hebben op de vrijheid van handel en nijverheid. Daar het geen absoluut recht is, kan de vrijheid van handel en nijverheid aan beperkingen worden onderworpen. Deze mogen echter niet discriminatoir van aard zijn zodat getoetst dient te worden of de opgelegde maatregelen noodzakelijk zijn en evenredig met het nagestreefde doel. Uw Hof stelde desbetreffend de volgende vraag aan het Grondwettelijk Hof: “Schenden de artikelen 1 en 2 van de wet van 8 juni 1972 betreffende de havenarbeid de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang met artikel 23, tweede lid, van de Grondwet en de vrijheid van handel en nijverheid, in zoverre zij de verplichting voor de personen, instellingen of ondernemingen die in een havengebied activiteiten ontplooien, om hiervoor een beroep te doen op erkende havenarbeiders, niet beperken tot het laden en lossen van schepen, maar die verplichting ook opleggen voor handelingen die ook buiten de havengebieden kunnen worden verricht?” Bij arrest van 25 november 2021
(2)oordeelde het Grondwettelijk Hof: “De artikelen 1 en 2 van de wet van 8 juni 1972 ‘betreffende de havenarbeid’ schenden niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de vrijheid van handel en nijverheid, in zoverre zij van toepassing zijn op de in het bodemgeschil in het geding zijnde activiteiten”. Er dient betreffende dit oordeel van het Grondwettelijk Hof gewezen te worden op de overwegingen die aan te treffen zijn in B.15 van het arrest van 25 november
- Hierin stelt het Grondwettelijk Hof: B.
- De verplichting om voor het verrichten van havenarbeid uitsluitend een beroep te doen op erkende havenarbeiders is onder meer ingegeven door de noodzaak om de veiligheid in de havengebieden te waarborgen en om arbeidsongevallen te voorkomen. Rekening houdend met zowel de aard van de in het geding zijnde activiteiten als de plaats waar zij worden verricht, te weten het klaarzetten van trailers op een kade voor verscheping, met een daarvoor specifiek bestemd voertuig, blijkt niet dat zij, vanuit het oogpunt om de veiligheid in de havengebieden te waarborgen, risico’s inhouden waarvan de omvang dermate verschilt van die van de risico’s bij het laden en lossen van schepen in strikte zin, dat een gelijke behandeling van de beide soorten havenarbeid, voor wat de verplichting betreft om een beroep te doen op erkende havenarbeiders, zonder redelijke verantwoording is”. Uit deze overwegingen vloeit voort dat “de noodzaak om de veiligheid in de havengebieden te waarborgen en om arbeidsongevallen te voorkomen” de doorslaggevende criteria zijn. Het zijn deze criteria die gelet op “de in het geding zijnde activiteiten als de plaats waar zij worden verricht” de verplichting om een beroep te doen op havenarbeiders verantwoorden. Derhalve zijn de plaats en de aard van de activiteiten beslissend voor de verplichting een beroep te doen op havenarbeiders, gelet op de gevaren die eigen zijn aan arbeid in de havengebieden. De verplichting hiertoe strekt zich zodoende ook uit tot ondernemingen die buiten het havengebied gevestigd zijn. Het is immers de plaats en de aard van de arbeid die doorslaggevend zijn en niet de vraag of een onderneming al dan niet gevestigd is in het havengebied. Het aspect veiligheid speelt immers ook wanneer de bedoelde activiteiten, in het havengebied, verricht worden door een onderneming die gelegen is buiten het havengebied. In die zin moet dan ook niet ingegaan worden op het verzoek van eiseres om op grond van artikel 118 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 aan het Grondwettelijk Hof een uitlegging te vragen van het arrest van 25 november
- B. Tweede onderdeel. (…) Conclusie: Verwerping. ______________________________
(1)Cass. 16 april 2018, AR S.17.0009.N, AC 2018, nr. 237.
(2)168/2021. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221003.3N.6 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221003.3N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div