id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 14 oktober 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221014.1N.3 Rolnummer: C.22.0011.N Zaak: VINAFUNDA c. Vereniging van mede-eigenaars van het co Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Overige Invoerdatum: 2022-12-09 Raadplegingen: 534 - laatst gezien 2026-06-17 02:28 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221014.1N.3 Fiches 1 - 2 Van zodra een onverdeeldheid is ontstaan door overdracht of toekenning van tenminste een kavel, beschikt een onder het appartementsrecht vallende groep van gebouwen van rechtswege over een vereniging van mede-eigenaars op het niveau van de groep
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: EIGENDOM Vrije woorden: Gedwongen mede-eigendom - Appartementsrecht - Groep van gebouwen - Vereniging van mede-eigenaars - Omvang Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 577-3, eerste en vierde lid, en 577-5, §§ 1 en 2 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: ONVERDEELDHEID Vrije woorden: Appartementsrecht - Groep van gebouwen - Vereniging van mede-eigenaars - Omvang Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 577-3, eerste en vierde lid, en 577-5, §§ 1 en 2 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiche 3 Waar de vereniging van mede-eigenaars pas actieve rechtspersoonlijkheid verwerft bij publicatie van de statuten, bestaat zij voordien als feitelijke vereniging die beschikt over een passieve rechtspersoonlijkheid waarop derden zich kunnen beroepen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Vrije woorden: Vereniging van mede-eigenaars - Appartementsrecht - Groep van gebouwen - Rechtspersoonlijkheid - Aard Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 577-3, eerste en vierde lid, en 577-5, §§ 1 en 2 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Annotaties Publicaties: RW-Rechtskundig weekblad - 2023/24, nr. 21, p. 824-
- - SAGAERT, Vincent; Noot'Over groepen van gebouwen in het appartementsrecht. En over de onvruchtbaarheid van een muilezel' Tekst van de conclusie C.22.0011.N Conclusie van eerste advocaat-generaal Ria Mortier:
- Feiten en procedure. Uit de stukken waarop mag worden acht geslagen blijkt dat NV Rose Garden eigenares was van drie percelen grond waarop zij de bedoeling had drie residenties voor appartementen, Unit A, B en C, te bouwen. Een deel van de bouwgrond werd verkocht aan de NV Noordstar voor oprichting van Unit A. Op de grond die exclusief aan NV Rose Garden toebehoorde werden unit B en C opgericht. NV Rose Garden en NV Noordstar maakten ook afspraken omtrent de juridische structuur van het wooncomplex “Rose Garden”, waarbij de rechten en verplichtingen van elke unit werden vastgelegd, de wederzijdse erfdienstbaarheden werden beschreven, de kostendeling van de gemeenschappelijke delen en de infrastructuren werden bepaald en algemene regels betreffende eigendom en nabuurschap werden opgesteld. De aldus ontstane mede-eigendom met drie gebouwen (units A, B en C) functioneert met een vereniging van mede-eigenaars per unit en een overkoepelende overleg- en beslissingsstructuur die er in bestaat dat de beheerraden van elke vereniging overleggen en het overlegresultaat vervolgens ter beslissing voorleggen aan de algemene vergaderingen van elke vereniging. Een overkoepelende hoofdvereniging werd niet op formele wijze opgericht. Eiseres is eigenaar van een garage in Unit B. Na de algemene statutaire vergadering van verweerster op 15 april 2019 vorderde eiseres voor de vrederechter de vernietiging van een aantal genomen beslissingen. De vrederechter verklaarde die vordering deels onontvankelijk, deels ongegrond en heropende het debat met betrekking tot één agendapunt. Op het hoger beroep van eiseres bevestigde de rechtbank van eerste aanleg het vonnis van de vrederechter. Ingevolge de devolutieve werking van het hoger beroep werd ook het agendapunt waarover de vrederechter het debat had heropend, ongegrond verklaard. De appelrechters oordelen bij herhaling dat er tussen de verschillende residenties geen geformaliseerd appartementsregime bestaat op het niveau van de groep van gebouwen en er dus geen overkoepelende hoofdvereniging bestaat, maar elke residentie te beschouwen is als afzonderlijke op zichzelf staande entiteit met rechtspersoonlijkheid met een volwaardige maar onderscheiden eigen vereniging van mede-eigenaars die zijn eigen beslissingen kan nemen. Deze verschillende verenigingen zijn vrij om conventioneel overleg te plegen en samen te werken. De aan de units gemeenschappelijke infrastructuur wordt bij gebrek aan overkoepelende hoofdvereniging beheerst door de bepalingen van artikel 577-2 Oud BW die van toepassing zijn op gewone onverdeeldheden. Tegen dit vonnis van 3 september 2021 van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent voert eiseres één middel aan. Eiseres gaat er in haar enig middel van uit dat er voor het wooncomplex Rose Garden, met de drie units A, B en C, van rechtswege slechts één overkoepelende vereniging van mede-eigenaars bestaat voor al de gemeenschappelijke delen van die groep van gebouwen. Die van rechtswege totstandkoming zou volgen uit de vaststellingen van de appelrechters dat er een groep van drie gebouwen is die “uiterlijk als één homogeen geheel dient te worden bewoond en beheerd”. Eiseres voert aan dat het erkennen door de appelrechters van de beslissingen van verweerster niet naar recht verantwoord is nu het de vereniging van mede-eigenaars van die groep van gebouwen is en niet een vereniging van mede-eigenaars van een gebouw dat behoort tot die groep van gebouwen die de bevoegdheid heeft om over de gemeenschappelijke delen van die groep van gebouwen of het gemeenschappelijk beheer daarvan enige beslissing te nemen. Verweerster kan niet fungeren als deelvereniging in de zin van artikel 577-3, vierde lid Oud BW, nu de appelrechters niet hebben vastgesteld dat aan de voorwaarden daartoe is voldaan.
- Bespreking. 2.
- Vóór de appartementswet van 30 juni 1994 gaf artikel 577bis, § 11, Oud BW
(1)een omschrijving van datgene wat, bij wijze van voorbeeld, gemeenschappelijk was, doch het regelde niet het beheer ervan. Bovendien was deze bepaling van suppletief recht, zodat in de praktijk contractuele afspraken mogelijk waren en ook vaak werden gemaakt in zogenaamde reglementen van mede-eigendom
(2). Het was toen gebruikelijk om conventioneel te werken met enerzijds algemene gemeenschappelijke delen die voor alle mede-eigenaars van belang waren en die aan hen allen in onverdeeld toebehoorden, en anderzijds bijzondere gemeenschappelijke delen die slechts een bepaalde deelgroep van mede-eigenaars tot nut strekten en bijgevolg enkel in onverdeelde eigendom aan die groep toebehoorden
(3). Met de wet van 30 juni 1994
(4)werd een dwingendrechtelijk beheersregime van de appartementsmede-eigendom uitgewerkt, met een vereniging van mede-eigenaars als verplichte rechtspersoon
(5). De nieuwe regeling trad in werking op 1 augustus 1995 en was vanaf dan van toepassing op alle gebouwen of groepen van gebouwen die beantwoorden aan de voorwaarden gesteld door artikel 577-3 Oud BW en waarvan de statuten overgeschreven zijn, meer bepaald gebouwen of groepen van gebouwen waarvan het eigendomsrecht tussen verschillende personen verdeeld is volgens kavels die elk een gebouwd privatief gedeelte en een aandeel in gemeenschappelijke onroerende bestanddelen bevatten. In 2018 werden de woorden “gebouw of groep van gebouwen” vervangen door “onroerend goed waarop een gebouw of groep van gebouwen is opgericht of kan worden opgericht”, teneinde te verduidelijken dat de bebouwing of de bebouwbaarheid het geheel betrof en niet elke privatieve kavel
(6). Een “groep van gebouwen” krijgt een ruime omschrijving en wordt aanzien als twee of meerdere van elkaar losstaande/afzonderlijke zelfstandige constructies, in principe op eenzelfde terrein
(7)of twee of meer gebouwen ten dienste waarvan zich bepaalde onroerende goederen bevinden die in staat van mede-eigendom zijn geplaatst. Meestal is vereist dat ze architecturaal of qua bestemming samenhang vertonen
(8). Het speelt daarbij echter geen rol of de gebouwen op gemeenschappelijke grond zijn gebouwd
(9). Als “groep van gebouwen” zijn dus twee deelgroepen te onderscheiden. Enerzijds de groep van gebouwen sensu stricto die op een gemeenschappelijke grond staan
(10)en waarbij de grond of het zakelijk recht op de grond het federatieve element van de appartementsmede-eigendom is
(11). De grond is daarbij als het ware het draagvlak van de appartementsmede-eigendom
(12). Anderzijds zijn er de zogenaamde “functioneel samenhangende gebouwen” die op eigen grond staan maar in onverdeeldheid een bepaalde uitrusting delen, zoals veelal een zwembad, parkeerplaatsen, een tuin en dergelijke
(13). Elke groep van gebouwen, is ongeacht dit onderscheid, aan de dwingende appartementswet onderworpen. De eigendomsoverdracht van een eerste kavel doet de gedwongen mede-eigendom ontstaan, ongeacht of enkel een basisakte en geen reglement van mede-eigendom die samen de statuten vormen bestaat, dan wel of deze documenten zijn overgeschreven
(14). 2.2. Vóór de appartementswet van 1994 was de “gemeenschap van mede-eigenaars” geen echte vereniging nu onder de mede-eigenaars geen wil bestond om zich te verenigen met het oog op een bepaald gemeenschappelijk doel. De mede-eigenaars waren, bij toeval, gedwongen om samen beslissingen te nemen over de gemeenschappelijke delen. Bovendien was de gemeenschap aan wijzigingen onderhevig naargelang een mede-eigenaar verkocht of overleed
(15). Onder de huidige wetgeving bestaat evenwel een intrinsiek verband tussen de gedwongen mede-eigendom en de vereniging van mede-eigenaars. Beide ontstaan samen
(16)en de vereniging van mede-eigenaars ontstaat dus als vereniging met rechtspersoonlijkheid zodra de appartementsmede-eigendom ontstaat ter gelegenheid van de eigendomsoverdracht van een eerste kavel en de statuten van de vereniging publiciteit krijgen. Met betrekking tot die rechtspersoonlijkheid dient evenwel te worden opgemerkt dat hoewel vóór de publicatie van de statuten ook reeds een feitelijke vereniging van mede-eigenaars bestaat die samen het beheer van de gemeenschappelijke gedeelten voor hun rekening moeten nemen
(17), deze vereniging op dat ogenblik slechts passieve rechtspersoonlijkheid kent, wat inhoudt dat derden zich wel op de rechtspersoonlijkheid van de vereniging kunnen beroepen om die vereniging in rechte aan te spreken, maar de vereniging zelf geen actieve rechtspersoonlijkheid bezit die haar toelaat eigenhandig in rechte op te treden. Die actieve rechtspersoonlijkheid krijgt ze pas als niet enkel het eigendomsrecht op een eerste kavel is overgedragen, maar ook de statuten van de vereniging publiciteit krijgen. 2.3. Uw Hof
(18), hierin gevolgd door de meerderheid in de rechtsleer
(19)oordeelt dat onder de appartementswet van 1994 voor een gehele groep van gebouwen slechts ruimte is voor één vereniging van mede-eigenaars. Andere verenigingen die afgezonderd zijn van de vereniging van mede-eigenaars van de gebouwen van die groep kennen geen rechtspersoonlijkheid. Uw Hof oordeelt dat het met het invoeren van een vereniging van mede-eigenaars met rechtspersoonlijkheid de bedoeling van de wetgever was om op juridisch vlak, niet alleen de betrekkingen tussen de mede-eigenaars onderling te vereenvoudigen, maar ook die van de derden met de mede-eigenaars en dat het strijdt met die doelstelling dat derden die tegen mede-eigenaars van een groep van gebouwen een geding aanspannen, eerst zouden moeten nagaan of dit kadert in de belangen van een bepaald gebouw van de groep of van enkele gebouwen van de groep of enkel van de groep. Het is aldus niet de doelstelling van de wetgever dat mede-eigenaars van een gebouw behorend tot een groep van gebouwen een vereniging kunnen vormen die afgezonderd is van de vereniging van de mede-eigenaars van de gebouwen van die groep en die aldus ook een afzonderlijke rechtspersoonlijkheid zouden kunnen verkrijgen om in rechte op te treden. De bepalingen van artikel 577-5, § 1, eerste lid, dat rechtspersoonlijkheid verleent aan een vereniging van mede-eigenaars van een gedwongen mede-eigendom en van artikel 577-9, § 1, dat bepaalt dat de vereniging van mede-eigenaars bevoegd is om in rechte op te treden als eiser en als verweerder, vinden bijgevolg toepassing op de vereniging van mede-eigenaars van een groep van gebouwen en niet op een vereniging van mede-eigenaars van een gebouw van een groep. De wetgever heeft op die door uw Hof vastgestelde onmogelijkheid tot ondersplitsing gereageerd door aan artikel 577-3 Oud BW een vierde lid toe te voegen waardoor het onder bepaalde voorwaarden mogelijk werd deelverenigingen op te richten in de schoot van de overkoepelende vereniging van mede-eigenaars
(20). Deze wetswijziging werd sedert 1 september 2010 dwingend van toepassing zodat het vanaf dan mogelijk was dat bij grote complexen van 20 kavels of meer de basisakte bepaalt dat één of meer deelverenigingen worden opgericht die bevoegd zijn voor de in de basisakte aangeduide particulier gemeenschappelijke delen terwijl de hoofdvereniging exclusief bevoegd blijft voor de algemeen gemeenschappelijke delen en de zaken die tot het gemeenschappelijk beheer van de mede-eigendom behoren. Het toepassingsgebied bleef beheerst door artikel 577-3, eerste lid, Oud BW. Ook reeds bestaande ondersplitsingen in hoofd- en deelverenigingen, gekoppeld aan algemeen en bijzonder gemeenschappelijke delen, werden met het doorvoeren van die wetswijziging als het ware geregulariseerd voor zover aan de voorwaarden was voldaan
(21). 2.
- Toegepast op de zaak die voorligt, volgt uit de vaststellingen van de appelrechters dat het complex Rose Garden, met de drie residenties A, B en C, een functioneel samenhangende groep van gebouwen vormt zoals bedoeld in artikel 577-3, eerste lid Oud BW waarvoor vanaf 1 augustus 1995 van rechtswege een vereniging van mede-eigenaars tot stand kwam. Uit geen van de redenen van het bestreden vonnis blijkt dat voor verweerster is voldaan aan de voorwaarden van artikel 577-3, vierde lid Oud BW om van een deelvereniging te kunnen spreken. De appelrechters die in die omstandigheden oordelen dat er geen hoofdvereniging van mede-eigenaars bestaat voor het volledige complex van de drie residenties bij gebrek aan een geformaliseerd appartementsregime op het niveau van de groep van gebouwen en elke residentie zijn eigen vereniging van mede-eigenaars heeft en de door de algemene vergadering van verweerster genomen beslissingen erkennen, verantwoorden hun beslissing bijgevolg niet naar recht. Het middel komt gegrond voor. 2.
- De vernietiging treft in beginsel de beslissing over alle agendapunten van de algemene vergadering. Evenwel dient erop gewezen dat de appelrechters oordelen dat voor de vernietiging van een beslissing van de algemene vergadering ook vereist is dat de eiser een persoonlijk nadeel lijdt en zij met betrekking tot de agendapunten 5, 6, 11, 13 en 17 de vordering tot vernietiging afwijzen als ongegrond onder andere op de grond dat eiseres geen persoonlijk nadeel bewijst. Deze zelfstandige, niet-bekritiseerde reden draagt de beslissing tot afwijzing van de vordering tot vernietiging van deze beslissingen. In zoverre kan het middel niet tot cassatie leiden bij gebrek aan belang. Conclusie: Cassatie met verwijzing binnen deze perken. ___________________________________
(1)Wanneer de onderscheidene verdiepingen of gedeelten van verdiepingen van een huis aan verschillende eigenaars toebehoren, worden de zaken die tot gemeenschappelijk gebruik van de onderscheiden verdiepingen of gedeelten van verdiepingen bestemd zijn, zoals de grond, de grondvesten, de zware muren, het dak, de binnenplaatsen, de putten, de gangen, de trappen, de liften, de leidingen en welke andere ook als gemeenschappelijk beschouwd en zijn zij onderworpen aan de bepalingen van dit hoofdstuk, inzonderheid aan de § 6, 9 en 10.
(2)C. WILLEMOT, Het beheer van appartementsmede-eigendommen, Brugge, die Keure 2021, 35-36 en 61-62.
(3)N. CARETTE en M. LERNOUT, “Vereniging van mede-eigenaars en deelverenigingen na de wet van 2010 – een eerste lustrum” in Appartementsrecht II, Antwerpen, Intersentia 2015, 37; H. CASMAN en C. VAN VLIET, “Bijzondere onverdeeldheden”, Not.Fisc.M. 1996, 1; A. WYLLEMAN, “Deelverenigingen: opportuniteit en toepassing” in Appartementsrecht I: stand van zaken en topics, Antwerpen, Intersentia 2013, 105-106.
(4)Zie D. STOOP, “De wet van 30 juni 1994 tot wijziging en aanvulling van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek: een opzet tot doorlichting van de wet betreffende de medeëigendom”, T.Not. 1995, 59; Aanvaard werd dat de rechtsgevolgen die statuten teweegbrachten vóór de wet van 1994 door het oude regime werden beheerst, terwijl de rechtsgevolgen van na de inwerkingtreding van de wet van 1994 door de nieuwe wet werden beheerst. (P. DE PAGE, “Effets des dispositions d’un règlement de copropriété contraires à la loi du 30 juin 1994” in CSW 1998/1, 303-304 (“La loi nouvelle régit donc tout l’avenir, non seulement les situations qui naîtront dans le futur mais encore les situations “déjà nées mais appelées à développer des effets futurs sous l’empire de la loi nouvelle”); R. TIMMERMANS, Handboek appartementsrecht, Mechelen, Kluwer 2021, 475-476.
(5)C. WILLEMOT, Het beheer van appartementsmede-eigendommen, Brugge, die Keure 2021, 44.
(6)Zie Parl.St. Kamer, 2017-18, nr. 54-2919/001, p. 200. In 2020 werd artikel 577-3 Oud BW hernummerd in artikel 3.84 BW. Behoudens de verwijzing naar het eveneens anders genummerde artikel 577-2, § 9, Oud BW, is de tekst volledig dezelfde gebleven. Dit artikel 3.84 BW was nog niet in voege op de datum van de geviseerde algemene vergadering en is te dezen dus niet van toepassing.
(7)N. CARETTE en M. LERNOUT, “Vereniging van mede-eigenaars en deelverenigingen na de wet van 2010 – een eerste lustrum” in Appartementsrecht II, Antwerpen, Intersentia 2015, 44; N. CARETTE, “Rechtspraakkroniek appartementsrecht 2017-2019” in Themis. Vastgoedrecht, Brugge, die Keure 2020, 78; V. SAGAERT, “De vereniging van mede-eigenaars in een groep van appartementsgebouwen” (noot onder Cass. 3 juni 2004), RW 2005-06, 146; K. VANHOVE en F. BAUDONCQ, “Het bestuur van groepen van gebouwen” (noot onder Cass. 3 juni 2004), TBO 2004, 141.
(8)C. WILLEMOT, Het beheer van appartementsmede-eigendommen, Brugge, die Keure 2021, 165. Zie ook voor de architecturale en bestemmingseenheid: V. SAGAERT, “De vereniging van mede-eigenaars in een groep van appartementsgebouwen” (noot onder Cass. 3 juni 2004), RW 2005-06, 146; R. TIMMERMANS en S. SNAET, “Groep van gebouwen, een bouwsel met schurende krachten”, T.App. 2000, titel 5 (“Bij een groep van gebouwen moet het doel zijn om eenzelfde regime van gebruik, beheer en onderhoud in het leven te roepen. Niet vereist is dat de gebouwen aan elkaar grenzen; wel noodzakelijk is dat zij een zekere samenhang vertonen, hetzij in inrichting, hetzij in bestemming, hetzij in beheer”).
(9)Parl.St. Kamer 1990-91, nr. 1756/1, p. 9 (“De definitie betreft ook het geval waarin twee of meer gesplitste gebouwen al dan niet op gemeenschappelijke grond zijn opgericht. Dat is wat in het opschrift van de afdeling hoofdzakelijk verstaan wordt onder “groepen van gebouwen””).
(10)Zie ook Parl.St. Senaat 2009-10, nr. 4-1409/10, p. 18 “Vandaag is de wet niet enkel van toepassing op appartementsgebouwen of op een groep van gebouwen, maar ook op functioneel samenhangende gebouwen. Spreker haalt het voorbeeld aan van woningclusters voor permanent gebruik, maar ook van gebouwen voor tijdelijk gebruik, zoals vakantiehuisjes en weekendverblijven, voor zover ze eveneens zijn voorzien van gemeenschappelijke zaken zoals restaurants, winkels, tennisterreinen en parkeerterreinen. Wanneer echter de gemeenschappelijke infrastructuur exclusief eigendom blijft van de stichter van het complex doch enkel bezwaard is met erfdienstbaarheden ten voordele van derden, is het appartementsrecht niet van toepassing. Bedrijvenparken, businessparken en kantoorparken kunnen ook zijn betrokken in een appartementssplitsing. In dit geval zijn de individuele gebouwen geïntegreerd door gemeenschappelijke voorzieningen. Dit is ook het geval voor winkelcentra met gemeenschappelijke voorzieningen. Beveiligde woongemeenschappen kunnen ook onder deze noemer worden gebracht; dan gaat het om een combinatie van individuele woningen met collectief beheer van de omgelegen gronden en gebruik van gemeenschappelijke voorzieningen. Ten slotte heeft de Kamer bijzondere belangstelling getoond voor het statuut van de jachthaven. De jachthaven met aanlegplaats waarbij het jachthaventerrein en het huisje met bootaccu's de gemene delen vormen en de aanlegplaatsen afgebakend met steigers de private delen, valt onder de appartementsmede-eigendomswet”.
(11)Bijvoorbeeld: I. DURANT, Droit des biens, Brussel, Larcier 2017, 594; R. TIMMERMANS en S. SNAET, “Groep van gebouwen, een bouwsel met schurende krachten”, T.App. 2000, titel 3.
(12)C. WILLEMOT, Het beheer van appartementsmede-eigendommen, Brugge, die Keure 2021, 167 en de verwijzingen aldaar.
(13)Parl.St. Kamer 1990-91, nr. 1756/1, p. 9 “Op te merken valt evenwel dat die regeling ook toepasselijk is op groepen van gebouwen die niet in verdiepingen of appartementen gesplitst zijn (bijvoorbeeld individuele villa’s), maar ten dienste waarvan zich bepaalde onroerende goederen bevinden die in staat van mede-eigendom zijn geplaatst (parkeerplaatsen, zwembad, tuin, enz.)”; I. DURANT, Droit des biens, Brussel, Larcier 2017, 582.
(14)C. WILLEMOT, Het beheer van appartementsmede-eigendommen, Brugge, die Keure 2021, 103-105.
(15)C. WILLEMOT, Het beheer van appartementsmede-eigendommen, Brugge, die Keure 2021, 115-116.
(16)N. CARETTE en M. LERNOUT, “Vereniging van mede-eigenaars en deelverenigingen na de wet van 2010 – een eerste lustrum” in Appartementsrecht II, Antwerpen, Intersentia 2015, 35 (“Als de appartementswet van toepassing is, dan worden de mede-eigenaars verplicht en automatisch gegroepeerd in een vereniging van mede-eigenaars”).
(17)Parl.St. Kamer 1990-91, nr. 1756/1, p. 37-38 en 48 en in het bijzonder 11: “Wanneer een gebouw het onderwerp is van een medeëigendom, vormt zich de facto een groep bestaande uit de verschillende eigenaars die samen het beheer van de gemeenschappelijke gedeelten voor hun rekening moeten nemen. In dat stadium komt het ontwerp tussenbeide om die groep te organiseren en de rechtspersoonlijkheid ervan te erkennen, zulks met het oog op de doeltreffendheid en de rechtszekerheid van de vereniging”; N. CARETTE en M. LERNOUT, “Vereniging van mede-eigenaars en deelverenigingen na de wet van 2010 – een eerste lustrum” in Appartementsrecht II, Antwerpen, Intersentia 2015, 35; C. WILLEMOT, Het beheer van appartementsmede-eigendommen, Brugge, die Keure 2021, 102.
(18)Cass. 3 juni 2004, AR C.01.0507.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040603.5, AC 2004, nr. 300.
(19)N. CARETTE en M. LERNOUT, “Vereniging van mede-eigenaars en deelverenigingen na de wet van 2010 – een eerste lustrum” in Appartementsrecht II, Antwerpen, Intersentia 2015, 37-38 en de verwijzingen aldaar.
(20)C. WILLEMOT, Het beheer van appartementsmede-eigendommen, Brugge, die Keure 2021, 47.
(21)N. CARETTE en M. LERNOUT, “Vereniging van mede-eigenaars en deelverenigingen na de wet van 2010 – een eerste lustrum” in Appartementsrecht II, Antwerpen, Intersentia 2015, 56 e.v.; N. CARETTE, “Rechtspraakkroniek appartementsrecht 2017-2019” in Themis. Vastgoedrecht, Brugge, die Keure 2020, 80; P. LECOCQ, “Les associations de copropriétaires: de personnes morales particulières” in La copropriété par appartements, Limal, Anthemis 2012, 60-61; A. WYLLEMAN, “Deelverenigingen: opportuniteit en toepassing” in Appartementsrecht I: stand van zaken en topics, Antwerpen, Intersentia 2013, 111 en de verwijzingen aldaar. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221014.1N.3 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221014.1N.3 citeert: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040603.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div