← België

D. contra Biscuits Bofin n.v.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 17 oktober 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221017.3N.7 Rolnummer: S.21.0027.N Zaak: D. contra Biscuits Bofin n.v. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2022-12-13 Raadplegingen: 368 - laatst gezien 2026-06-18 23:28 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221017.3N.7 Fiche De gedwongen uitvoering van een rechterlijke veroordeling tot betaling aan de werknemer van een aantal loonbedragen, zelfs wanneer die gedwongen uitvoering het volledig brutobedrag betreft, belet de werkgever niet om de werknemersbijdrage in te houden en slechts het netto-gedeelte in handen van de gerechtsdeurwaarder te betalen; hieruit volgt dat de werkgever die die inhouding niet verricht, nalatig is in de zin van artikel 26, eerste lid, RSZ-wet

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Vrije woorden: Loon - Rechterlijke veroordeling - Gedwongen uitvoering - Brutolonen - Werknemersbijdragen - Verhaal op de werknemer Wettelijke bepalingen: Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders - 27-06-1969 - Artt. 23, § 1, en 26, eerste lid - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Tekst van de conclusie S.21.0027.N Conclusie van de advocaat-generaal Vanderlinden:
  1. Eiser tot cassatie komt op tegen een arrest van het Arbeidshof Antwerpen, afdeling Antwerpen, gewezen op 25 november
  2. Door eiser wordt er één middel aangevoerd.
  3. Het tweede onderdeel. a. Probleemstelling. De problematiek die aan de orde is in het onderdeel betreft de toepassing van artikel 26, eerste lid, RSZ-wet. Deze bepaling voorziet in een principieel verbod in hoofde van de werkgever om de RSZ-bijdragen, die hij niet ten gepaste tijde heeft ingehouden, te verhalen op de werknemer. Huidig geschil betreft de uitvoering van een rechterlijke beslissing waarbij de werkgever het bruto loonbedrag betaalde in handen van de instrumenterende gerechtsdeurwaarder. b. Beoordeling. Het onderdeel is gegrond. Artikel 23, § 1 RSZ-wet legt in hoofde van de werkgever de verplichting op de RSZ-bijdrage in te houden bij iedere betaling van het loon. Hij moet dit bedrag, samen met zijn eigen deel, overmaken aan de RSZ. Uw Hof oordeelde dat deze bepaling van openbare orde is
(1). Opdat de werkgever tot inhouding kan overgaan, is er natuurlijk één basisvereiste, namelijk dat hij effectief meester is over de uit te voeren betalingen. Bij een rechterlijke beslissing waarbij de werkgever wordt veroordeeld tot het betalen van loon aan zijn werknemer worden, in de regel, brutobedragen gehanteerd. Hierbij vermeldt de rechterlijke beslissing dat de betaling dient te geschieden onder afhouding van de bedrijfsvoorheffing en de bijdrage van de werknemer in de sociale zekerheid. Bij de vrijwillige uitvoering, door de werkgever, van de rechterlijke veroordeling, stelt zich geen probleem wat betreft de naleving van de voorschriften van het voormelde artikel 23. De problemen kunnen zich evenwel stellen in het kader van de gedwongen uitvoering. De rechtspraak van Uw Hof geeft een treffend voorbeeld ter zake. Het betreft Uw arrest van 17 mei 2004
(2). In deze zaak werd de werkgever ingevolge een beslissing van de beslagrechter verplicht om het volledige brutobedrag te kantonneren en consigneren. Dit bedrag werd vervolgens integraal uitgekeerd in handen van de werknemer. Uw Hof oordeelde dat er in dat geval in hoofde van de werkgever geen mogelijkheid bestond om de op hem rustende verplichting betreffende de inhoudingen uit te voeren en dat artikel 26, eerste lid er in die situatie niet aan in de weg stond dat de werkgever de sociale zekerheidsbedragen zou verhalen op de werknemer. Een soortgelijke situatie kan zich voordoen bij een uitvoerend beslag onder derden. Inderdaad op dat ogenblik worden de fondsen door de derdenbeslagen rechtstreeks overgemaakt aan de gerechtsdeurwaarder. Van enige mogelijkheid om de wettelijke inhoudingen te doen is er, in hoofde van de werkgever, op dat ogenblik geen sprake. Hetzelfde geldt in het kader van een uitvoerend beslag op roerende goederen wanneer er effectief tot verkoop wordt overgegaan. De sommen komen dan ook direct terecht in handen van de gerechtsdeurwaarder. In al deze gevallen zal er op dat ogenblik sprake zijn van een mogelijk verhaal door de werkgever op de werknemer zonder dat de bepaling van artikel 26, eerste lid, hieraan in de weg staat. Het geschil dat aan Uw Hof wordt voorgelegd betreft een werkgever die in het kader van uitvoeringsmaatregelen van de gerechtsdeurwaarder een afbetalingsplan verkreeg en overging tot betalingen in het kader van dit plan. De werkgever betaalde de brutobedragen in handen van de gerechtsdeurwaarder. Echter, daar de werkgever zelf de betalingen uitvoerde, was de betrokkene perfect in de mogelijkheid om de verschuldigde RSZ-bijdragen in te houden. De appelrechters die in de gegeven omstandigheden oordelen dat artikel 26, eerste lid RSZ-wet geen toepassing vindt en dat de werkgever de desbetreffende bedragen kan verhalen op de werknemer verantwoorden niet naar recht hun beslissing. Volledigheidshalve wil ik de aandacht nog vestigen op een probleem dat zich kan stellen in de situaties waar de werkgever wel gerechtigd is om over te gaan tot verhaal op zijn werknemer. Zo ingevolge de maatregelen van gedwongen uitvoering de brutobedragen integraal in handen van de gerechtsdeurwaarder komen dan is het eenvoudig en kan de werkgever de niet ingehouden RSZ-bedragen verhalen. Indien er evenwel slechts een gedeeltelijke voldoening van de bruto vordering van de werknemer wordt bewerkstelligd, dan zullen deze bedragen eerst moeten worden toegerekend op het nettoloon. Het surplus is dan het gedeelte dat de sociale zekerheidsbijdragen betreft. Enkel dit laatste kan dan het voorwerp uitmaken van een verhaal door de werkgever. Conclusie: Cassatie. ____________________________
(1)Cass 12 september 1988, JTT, 1988, 423.
(2)Cass. 17 mei 2004, AR C.01.0564.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040517.5, AC 2004, nr. 263. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221017.3N.7 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221017.3N.7 citeert: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040517.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.